Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-01-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:214

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep tegen ondertoezichtstelling van twee minderjarigen. Moeder betwist ernstige ontwikkelingsbedreiging en stelt dat zij zorg accepteert; zorgen liggen bij vader. Hof bekrachtigt OTS: onduidelijkheid over situatie bij vader, voorgeschiedenis huiselijk geweld en mogelijke risico’s rechtvaardigen toezicht. Hof benadrukt verplichtingen uit Verdrag van Istanbul en art. 19 VRK en past toets van art. 1:255 BW toe. GI moet zicht krijgen op veiligheid bij vader, benodigde hulp en opbouw veilige band. Verzoek tot sch

Datum publicatie17-02-2026
Zaaknummer200.361.102/01 en 200.361.102/02
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

OTS. Moeder komt op tegen OTS die als doel heeft de (on)veilige situatie bij vader te onderzoeken en te begeleiden. Toepassing van het Verdrag van Istanbul. Afweging tussen de bedreiging ten gevolge van huiselijk geweld in het verleden enerzijds en bedreiging ten gevolge van een te beperkte omgang met de andere ouder anderzijds. Hulp van GI is noodzakelijk. OTS bekrachtigd.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.361.102/01 en 200.361.102/02

(zaaknummer rechtbank Overijssel 336306)

beschikking van 15 januari 2026

over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2]

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. J.M.M. Pater te Emmeloord,

en

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Overijssel, locatie Zwolle,

verweerder in hoger beroep.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling,

Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI),

gevestigd te Zwolle.

1De procedure in eerste aanleg

1.1.

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 13 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

1.2.

De kinderrechter heeft bij deze beschikking [minderjarige1] en [minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI van 13 oktober 2025 tot 13 oktober 2026.

De kinderrechter heeft verder beslist dat de ondertoezichtstelling mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

2De procedure in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking, met bijlage(n), ingekomen op 30 oktober 2025;

- een brief namens de moeder van 13 november 2025 met bijlagen(n);

- het verweerschrift van de raad met bijlage(n);

- een brief van de raad van 28 november 2025.

2.2.

De minderjarige [minderjarige1] heeft bij brief van 4 december 2025 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de ondertoezichtstelling. Ook de minderjarige [minderjarige2] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot de ondertoezichtstelling, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 16 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. Pater;

- een vertegenwoordiger van de raad;

- twee vertegenwoordigers van de GI;

- de vader (als informant).

Mr. Pater heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnotitie.

3De feiten

3.1.

De moeder en de vader hebben twee kinderen: [minderjarige1] en [minderjarige2] . [minderjarige1] is [in] 2015 geboren en [minderjarige2] is [in] 2017 geboren.

3.2.

De vader heeft [minderjarige1] en [minderjarige2] erkend. De moeder is belast met het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] . [minderjarige1] en [minderjarige2] wonen bij hun moeder.

3.3.

De ouders hebben een relatie gehad van 2014 tot 2018.

De vader is in 2020 veroordeeld voor mishandeling van de moeder en heeft een taakstraf gekregen.

3.4.

Bij beschikking van 14 oktober 2020 is een omgangsregeling vastgesteld waarbij [minderjarige1] en [minderjarige2] een keer in de twee weken van vrijdag tot zondag bij de vader zijn, en [minderjarige2] zolang ze niet naar school ging ook op de maandagen na de niet-omgangsweekenden.

Er is niet altijd uitvoering gegeven aan voornoemde regeling.

Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof zagen de kinderen hun vader een keer per maand gedurende vijf of zeven uur op een zaterdag.

3.5.

In het kader van een nog lopende afzonderlijke procedure tussen de ouders over het gezag en de omgangsregeling tussen vader en de kinderen heeft de raad naar aanleiding van de beschikking van de rechtbank van 11 juni 2024 onderzoek verricht naar de omgangsregeling en het gezag ten aanzien van [minderjarige1] en [minderjarige2] . De raad heeft ambtshalve besloten het onderzoek uit te breiden naar een kinderbeschermingsonderzoek.

3.6.

De raad heeft op 18 juli 2025 een rapport uitgebracht en vervolgens de kinderrechter verzocht om [minderjarige1] en [minderjarige2] voor een periode van 12 maanden onder toezicht te stellen van de GI.

3.7.

Daarnaast heeft de raad de rechtbank geadviseerd om het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] toe te wijzen en de behandeling van de zorgregeling aan te houden voor een periode van 12 maanden om ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode hulpverlening in te roepen en samen met de jeugdbeschermer te bezien welke verdeling in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] is.

Als voorlopige zorgregeling heeft de raad geadviseerd om een regeling vast te stellen waarbij de zorgregeling opgebouwd wordt onder begeleiding van de jeugdbeschermer naar de eerder vastgestelde weekendregeling om de week van vrijdag na school tot zondag 18:00 uur, en daarnaast en in de week dat de kinderen in het weekend niet bij de vader zijn twee doordeweekse schooldagen met daartussen een overnachting. Als de jeugdbeschermer constateert dat de (opbouwende) zorgregeling niet in het belang van de kinderen is, heeft de

jeugdbeschermer het mandaat om deze regeling aan te passen.

3.8.

De moeder heeft op 2 september 2025 een klacht ingediend bij de raad over de handelwijze van de raad bij het opstellen van het onderzoek, het opgestelde rapport en de inzage-/afgifteprocedure van de onderdelen van het raadsdossier. De klachtenprocedure loopt nog.

3.9.

In het kader van de inzage-/afgifteprocedure om door haar gewenste onderdelen van het raadsdossier te verkrijgen (gespreksverslagen van de bij de kinderen afgenomen Methodische Interviews) heeft de moeder eveneens een bezwaar bij de raad ingediend.

Daarnaast is moeder om dezelfde reden, om de haar gewenste onderdelen van het raadsdossier te verkrijgen, een kortgedingprocedure gestart. De kortgedingzitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2025.

4De omvang van het geschil

4.1.

Het geschil in de onderhavige procedure betreft de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] . De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de raad toegewezen en [minderjarige1] en [minderjarige2] onder toezicht van de GI gesteld van 13 oktober 2025 tot 13 oktober 2026.

4.2.

De moeder is het niet eens met de ondertoezichtstelling en komt daarvan in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende:

I. het verzoek tot ondertoezichtstelling af te wijzen,

II. de raad te veroordelen in de kosten van de procedure.

Zij verzoekt daarbij ook totdat in de hoofdzaak is beslist de bestreden beschikking te schorsen.

4.3.

De raad voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en deze beschikking wederom voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5. De motivering van de beslissing

Schorsing

5.1.

Omdat het hof vandaag einduitspraak zal doen in de hoofdzaak, heeft de moeder geen belang meer bij de behandeling van haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Het hof zal dat verzoek om die reden afwijzen.

Ondertoezichtstelling

5.2.

In artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling als die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.3.

De moeder is het niet eens met de ondertoezichtstelling van de kinderen. Volgens haar is er geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder en daar heerst geen onveiligheid. Wel is er sprake van onveiligheid bij de vader en die heeft geleid tot trauma’s bij de kinderen, in verband waarmee de moeder voor de kinderen hulpverlening heeft ingeschakeld. De bij de vader vastgestelde problematiek en de hieruit voortvloeiende onmogelijkheid om een goede communicatie tot stand te brengen, is volgens de moeder in het raadsrapport volledig gepasseerd. Er is veel hulpverlening ingezet, maar dit heeft niet geresulteerd in een verbetering van de communicatie. Toch heeft de moeder zich ingespannen om de contacten tussen de kinderen en de vader tot stand te brengen en te behouden. Zij heeft hierbij steeds overleg gevoerd met hulpverlenende instanties en advies ingewonnen. De moeder stelt dan ook dat zij de benodigde zorg accepteert, zodat de gronden voor een ondertoezichtstelling niet aanwezig zijn.

5.4.

De raad is van mening dat de kinderrechter terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] ernstig in hun sociale en emotionele ontwikkeling worden bedreigd. Het is ouders tot op heden niet gelukt om hun ernstig verstoorde verstandhouding te verbeteren. Dit belemmert iedere vorm van constructieve samenwerking. Vast staat dat er forse zorgen zijn over de kinderen in het kader van omgang bij de vader. De moeder streeft ondanks de grote zorgen over de situatie bij de vader thuis wel naar uitbreiding van de omgang, maar is vanuit haar positie zelf niet in staat zicht te krijgen op de situatie bij en de mogelijkheden van de vader.

Voor de kinderen is belangrijk, aldus de raad ter zitting, dat:

- zij niet blootgesteld worden aan spanningen, ruzies en stemverheffingen bij de vader thuis;

- zij een goede, gezonde seksuele ontwikkeling doormaken en dat ze daarbij goed leren wat hun eigen en andermans grenzen zijn;

- er zicht komt op hoe het gaat bij de vader thuis;

- er zicht komt op hoe de moeder kan bepalen en goed inschatten hoe de omgang vorm kan worden gegeven.

Bij dit laatste punt heeft de raad opgemerkt dat het belangrijk is dat de vader wordt meegenomen in beslissingen over uitbreiding of verandering van de contactmomenten.

5.5.

Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar wat is verklaard. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat het een goede beslissing van de kinderrechter is om [minderjarige1] en [minderjarige2] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de GI en daarom zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Daarbij neemt het hof de overwegingen van de kinderrechter over met de volgende aanvullingen.

5.6.

Uit het raadsrapport komt onder meer naar voren dat bij de vader in 2018 de diagnose antisociale persoonlijkheidsstoornis is gesteld en ook dat de vader in 2020 is veroordeeld voor mishandeling van de moeder. Op 1 maart 2016 is voor Nederland in werking getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, zijn ook slachtoffer van huiselijk geweld. Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag (artikel 31 van het Verdrag van Istanbul).

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen.

Ook uit artikel 19 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en het daarbij behorende General Comment volgt dat als er signalen zijn van partnergeweld deze nader moeten worden onderzocht, omdat dit direct een belangrijke aanwijzing oplevert dat ook de kinderen slachtoffer kunnen zijn of worden van geweld.

5.7.

In de Nederlandse wetgeving wordt op het gebied van ondertoezichtstelling niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke beslissing en welke zorg- of omgangsregeling in het belang van het kind is. Voor het hof betekent dit dat er bij de beslissingen in deze zaak uitdrukkelijk rekening mee zal moeten worden gehouden dat de rechten en de veiligheid van de kinderen gewaarborgd zijn. 1

5.8.

Het hof kan zich de zorgen van de moeder goed voorstellen en acht het van belang dat er door professionals wordt gekeken naar de situatie bij de vader. Professionals kunnen kijken of en in hoeverre de zorgen terecht zijn en of deze een serieuze bedreiging voor de kinderen opleveren.

Prijzenswaardig is dat de moeder, ondanks de voorgeschiedenis van geweld door de vader tegen haar, is blijven stimuleren dat er omgang was en voor het hof is duidelijk dat de moeder het beste met de kinderen voor heeft. Ook ziet het hof dat de moeder adequaat heeft gereageerd op de problemen die zij in de relatie met de vader heeft ervaren. Het is in dat licht begrijpelijk dat de moeder ervoor heeft gekozen om het contact tussen de kinderen en de vader beperkt te houden.

5.9.

De situatie bij de vader is echter op dit moment niet helder en de moeder is vanuit haar positie niet in de gelegenheid die situatie te (laten) onderzoeken om daar meer zicht op te krijgen. Verder lijkt het erop dat de vader ten behoeve van de omgang met de kinderen ondersteuning nodig heeft, zowel wat betreft zijn emotieregulatie alsook wat betreft de opvoeding en op het gebied van de seksuele ontwikkeling van de kinderen. Omdat het gaat over de situatie bij vader thuis kan de moeder daarbij geen rol van betekenis vervullen.

De moeder stelt dat het goed gaat met de kinderen, zolang zij de duur en frequentie van de contacten kan bepalen en bijstellen waar nodig. Het hof acht echter deze aanpak niet houdbaar, zeker niet op de lange termijn. Er is immers geen zicht op de situatie en de mogelijkheden van de vader. Zolang dit het geval is blijft ook voor de moeder onduidelijk of het contact tussen de kinderen en de vader risico’s in zich draagt en of gelet daarop al dan niet uitbreiding dan wel wijziging van dit contact mogelijk en wenselijk is.

In het kader van de ondertoezichtstelling kan de GI zich buigen over deze situatie en de zorgen bij en de mogelijkheden van de vader.

5.10.

Het hof is van oordeel dat het gegeven dat in het verleden sprake is geweest van geweld tegen de moeder maakt dat omgang met de vader, nu er geen zicht is op de situatie en mogelijkheden van de vader, geacht moet worden een ernstige ontwikkelingsbedreiging op te leveren voor de kinderen. Aan de andere kant is het ook mogelijk dat er mogelijk zonder goede grond slechts een minimale omgangsregeling wordt nageleefd en dat dat ook een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen kan zijn.

Het hof is het dan ook eens met de raad dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en staat achter de ter zitting door de raad genoemde doelen waar binnen de ondertoezichtstelling aan dient te worden gewerkt. Er dient:

- zicht te komen op de situatie en de veiligheid van de kinderen bij de vader thuis;

- zicht te komen op de stappen die de vader heeft gezet om invulling te geven aan zijn ouderschap op afstand en de resultaten daarvan;

- zicht te komen op de vraag of, en zo ja, welke hulpverlening er nodig is om mogelijk te maken dat zijn rol in het leven van de kinderen groter zou kunnen zijn dan nu;

- een goede en veilige band op te worden gebouwd tussen de kinderen en de vader, los van de frequentie van de omgang.

De ondertoezichtstelling kan leiden tot adequatere hulp aan de vader en/of het wegnemen van de bestaande zorgen. Verder zal de ondertoezichtstelling de moeder kunnen steunen in de last die zij nu alleen moet dragen om te beoordelen welke omgangsregeling in het belang van de kinderen is.

5.11.

Ten aanzien van de klachten die de moeder over het raadsrapport naar voren heeft gebracht oordeelt het hof dat deze de hierboven door het hof geformuleerde uitgangspunten niet raken. Het hof ziet daarom geen aanleiding deze te bespreken.

De beslissing

Het hof:

zaaknummer 200.361.102/02

wijst het verzoek van de moeder tot schorsing af;

zaaknummer 200.361.102/01

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 13 oktober 2025, over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.U.M. van der Werff, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. A.P. de Jong-de Goede, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5305



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733