Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-01-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:454

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding waarin een 17‑jarige vervangende toestemming vraagt om met school naar het buitenland te reizen. Vader heeft eenhoofdig gezag en weigert aanvankelijk; geeft pas daags voor zitting via WhatsApp toestemming. Toestemmingsformulier school nog niet getekend. Rechter doorbreekt hoofdregel van vertegenwoordiging door de gezagsouder, mede gelet op art. 6 EVRM en neemt eerdere lijn van Rb Amsterdam over. Minderjarige ontvankelijk in zijn verzoek en krijgt vervangende toestemming voor de bedoelde reis.

Datum publicatie16-02-2026
Zaaknummer02/443751 KG 26/3
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenKinderen; Gezag
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vasthouden aan de hoofdregel dat mj moet worden vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger zou leiden tot de uitkomst dat de toegang tot de rechter voor de mj wordt geblokkeerd, waardoor die fundamentele rechten, beschermd in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) , in de kern zouden worden aangetast. Om die reden wordt geoordeeld dat de hoofdregel van de processuele bekwaamheid van een minderjarige onder deze omstandigheden moet worden doorbroken, en dat mj in haar vordering in kort geding kan worden ontvangen tot vordering vervangende toestemming schoolreis.

Volledige uitspraak


vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/443751 / KG ZA 26/3

Vonnis in kort geding van 26 januari 2026

in de zaak van

[minderjarige] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiseres in conventie,

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg,

tegen

[de vader] ,

zonder vaste- woon of verblijfplaats feitelijk verblijvende in [plaats 2] ,

gedaagde in conventie.

Partijen zullen hierna de minderjarige en de vader genoemd worden.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de mondelinge behandeling op 26 januari 2026.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.3.

Tijdens de zitting zijn verschenen de minderjarige met haar advocaat en de oma. Daarnaast is verschenen mevrouw [persoon] , namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

[minderjarige] is minderjarig (17 jaar) en woont sinds april 2024 bij haar oma.

2.2.

De moeder van [minderjarige] is overleden.

2.3.

De vader is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

3Het geschil

3.1.

De minderjarige, [minderjarige] , vordert, met tussenkomst van haar advocaat om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar vervangende toestemming te verlenen om met het [college] te [plaats 3] naar [plaats 4] te reizen van 1 februari 2026 tot en met 4 februari 2026.

3.2.

De vader heeft geen verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen en de Raad wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Verstek

4.1

Nadat de voorzieningenrechter tijdens de zitting heeft vastgesteld dat ten aanzien van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is ter zitting tegen de vader verstek verleend.

Ontvankelijkheid

4.2.

[minderjarige] wil met het [college] op schoolreis naar [plaats 4] in voormelde periode en behoeft daarvoor de toestemming van haar vader, zijnde de gezagdragende ouder. Nu de vader pas de avond voorafgaand aan de zitting toestemming per whatsapp heeft gegeven, en dus eerder niet, was het voeren van een procedure voor het verkrijgen van vervangende toestemming de enige mogelijkheid om tegen het onthouden van die toestemming door de vader op te komen. [minderjarige] is echter nog minderjarig, zodat als uitgangspunt geldt dat zij in het Nederlandse civiele recht processueel handelingsonbekwaam is, en voor het voeren van die procedure moet worden vertegenwoordigd door haar wettelijke vertegenwoordiger: haar vader. Dit is in de nu voorliggende specifieke situatie echter geen optie, omdat vader in deze procedure tegenovergestelde belangen heeft aan die van [minderjarige] . Het benoemen van een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt hier geen soelaas omdat de reis van [minderjarige] is gepland op 1 februari aanstaande, en een benoeming van een bijzondere curator voor het voeren van een procedure ter verkrijging van vervangende toestemming niet kan worden afgewacht.

4.3.

Eerder heeft de rechtbank Amsterdam zich over een soortgelijke casus uitgelaten en de voorzieningenrechter neemt deze overwegingen over als de hare. 1 Vasthouden aan de hoofdregel dat [minderjarige] moet worden vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger zou leiden tot de uitkomst dat de toegang tot de rechter voor [minderjarige] wordt geblokkeerd, waardoor die fundamentele rechten, beschermd in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) , in de kern zouden worden aangetast. Om die reden wordt geoordeeld dat de hoofdregel van de processuele bekwaamheid van een minderjarige onder deze omstandigheden moet worden doorbroken, en dat [minderjarige] in haar vordering in kort geding kan worden ontvangen.

Uit het dossier en uit haar verklaringen ter zitting is gebleken dat [minderjarige] voldoende inzicht heeft om in deze procedure zelfstandig (met bijstand van haar advocaat) op te treden. De voorzieningenrechter neemt daarbij ook in aanmerking dat [minderjarige] zelf tijdens het gesprek aan de jeugdbeschermingstafel deze vraag heeft voorgelegd aan haar advocaat. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat [minderjarige] dit jaar nog meerderjarig wordt.

Vervangende toestemming

4.4.

Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat de vader de avond voor de zitting alsnog via Whatsapp zijn toestemming heeft verleend aan [minderjarige] om mee te gaan op schoolreis en dat hij met het geven van deze toestemming zijn aanwezigheid niet nodig achtte ter zitting. Deze app is voorgelezen ter zitting. Echter constateert de voorzieningenrechter ook dat de benodigde toestemmingsformulieren voor school nog niet zijn ondertekend. De enkele toestemming via Whatsapp acht de voorzieningen onvoldoende om [minderjarige] de zekerheid te kunnen geven dat ze ook daadwerkelijk mee kan gaan op schoolreis en dat het nog op tijd kan worden geregeld mede gelet op de termijn. De voorzieningenrechter vindt het echter wel belangrijk dat [minderjarige] mee kan gaan met de schoolreis, nu dit in het belang is van haar persoonlijke- en sociale ontwikkeling.

4.5.

Gelet op het verhandelde en de standpunten ter zitting, alsook het feit dat ook de Raad het in het belang acht van [minderjarige] dat zij mee kan op schoolreis, zal de voorzieningenrechter [minderjarige] daarom vervangende toestemming verlenen om in het dictum genoemde periode naar [plaats 4] te reizen en aldaar te verblijven.

4.6.

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verleent [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , vervangende toestemming om in de periode van 1 februari 2026 tot en met 4 februari 2026 naar [plaats 4] te reizen en aldaar te verblijven;

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van de Kraats, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026 in tegenwoordigheid van Akkermans-Bruijs, griffier.

1

Rechtbank Amsterdam, 08-07-2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4987, C/13/771544 / KG ZA 25-510



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733