Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep in echtscheidingszaak over alimentatie en verdeling. Man niet-ontvankelijk voor verzoek m.b.t. jongmeerderjarige. Ingangsdatum kinderalimentatie blijft 1-12-2023; verzoeken man tot wijziging en verrekening partneralimentatie afgewezen. Verdeling woningopbrengst herzien: hof aanvaardt vooraf overeengekomen uitsluitingsclausule bij giften; kwalificeert jubelton en rechtstreekse aannemersbetalingen als privé van man en past art. 1:96 lid 4 jo. art. 1:87 BW toe met waardering op aflossingsmoment; vergoedingsrech| Datum publicatie | 13-02-2026 |
| Zaaknummer | 200.354.723/01 & 200.354.731/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Formele relaties | Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:2664, Meerdere afhandelingswijzen |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Familievermogensrecht; De uitsluitingsclausule |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheidingszaak met nevenvoorzieningen; verdeling ontbonden algehele gemeenschap van goederen; giften onder uitsluitingsclausule?; op voorhand een uitsluitingsclausule overeengekomen?; giften (waaronder jubelton) aangewend voor aflossing woningschuld van eerdere woning en voor verbouwing van latere woning; vergoedingsrechten jegens gemeenschap? wijze berekening vergoedingsrecht ingevolge art. 1:87 BW (beleggingsleer); het hof wijkt wat betreft de wijze van berekening vergoedingsrecht dat is ontstaan door de aflossing af van de toelichting op de wettekst in de parlementaire geschiedenis en acht op deze situatie art. 1:87 lid 2 onder b BW van toepassing.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.354.723/01 en 200.354.731/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 23-7333 en FA RK 24-638
zaaknummers rechtbank : C/09/655030 en C/09/660526
beschikking van de meervoudige kamer van 4 februari 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. I.W. van Osch te Schiedam
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Braat te Den Haag.
1Het verloop van de procedure bij de rechtbank
Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna ook: de rechtbank) van 20 februari 2025, uitgesproken onder voormelde rekest- en zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).
2De procedure in hoger beroep
De man is op 19 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 15 september 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 27 oktober 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep tevens akte houdende eiswijziging ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man:
- op 23 mei 2025 een journaalbericht van 22 mei 2025 met bijlage;
- op 18 juli 2025 een journaalbericht van 15 juli 2025;
van de zijde van de vrouw:
- een e-mail van 12 november 2025 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaten hebben pleitnotities overgelegd.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd op [datum] 2008 te [plaats] .
De vrouw en de man zijn de ouders van:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , door de man erkend op 2 januari 2007 (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ).
De man heeft op 5 oktober 2023 het inleidend verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank ingediend.
In hoger beroep is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking (zijnde de bestreden beschikking) op 17 april 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4Waar de zaak over gaat
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts, uitvoerbaar bij voorraad:
- bepaald de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder;
- bepaald dat tussen [minderjarige 2] en de man een zorgregeling zal gelden in onderling overleg tussen de ouders en [minderjarige 2] te bepalen;
- bepaald dat de man aan de vrouw, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal betalen van:
€ 450,- per maand, per kind, met ingang van 1 december 2023 tot 1 september 2024;
€ 650,- per maand, per kind, met ingang van 1 september 2024 tot 1 januari 2025;
€ 729,- per maand, per kind, met ingang van 1 januari 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaald dat de man hetgeen hij verschuldigd is uit deze verplichting mag verrekenen met hetgeen hij feitelijk aan kinderalimentatie heeft betaald sinds 1 december 2023;
- bepaald dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 230,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaald dat uit hoofde van de inboedelverdeling aan de vrouw toekomt een door de man aan
de vrouw te betalen bedrag van € 3.015,63;
- bepaald dat het nog te verdelen bedrag uit hoofde van de verkoopopbrengst van de woning van € 650.681,04 bij helfte zal worden verdeeld, zodat aan ieder van partijen nog een bedrag toekomt van € 325.340,52.
Het meer of anders verzochte is afgewezen.
De man verzoekt het hof - zoals hij dit verzoek bij zijn verweerschrift op het incidenteel beroep heeft geformuleerd - om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende in hoger beroep:
I. te bepalen dat de man aan de vrouw kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen zal betalen van € 729,- per maand per kind, met ingang van 17 april 2025, althans subsidiair met ingang van 20 februari 2025, althans meer subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen ingangsdatum;
II. te bepalen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 230,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en te bepalen dat de man hetgeen hij verschuldigd is uit deze verplichting mag verrekenen met hetgeen hij feitelijk aan partneralimentatie heeft betaald sinds 1 december 2023;
III. te bepalen dat de man primair een vergoedingsrecht (reprise) van € 818.685,17 vanuit de gemeenschap toekomt, op grond waarvan het saldo op de bankrekening van partijen met rekeningnummer [rekeningnummer] toekomt aan de man en met veroordeling van de vrouw tot betaling van de helft van het resterende tekort op het saldo van voornoemde bankrekening (thans ad € 84,002,-) aan de man, althans subsidiair te bepalen dat de man een bedrag van € 42.7069,38 vanuit de gemeenschap toekomt, althans meer subsidiair bepalen dat de man een bedrag van € 302.533,- vanuit de gemeenschap toekomt, althans uiterst subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. te bepalen dat uit hoofde van de overbedelingsvergoeding van de man ter zake van de verdeling van de inboedel een bedrag van € 1.323,68 aan de vrouw toekomt, althans subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
V. kosten rechtens.
De vrouw verzoekt het hof om de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen behoudens de verdeling van de overwaarde van de woning.
In incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof primair te bepalen dat de man op grond van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de vrouw verbeurt en aan de vrouw uit dien hoofde zal toekomen een bedrag van
€ 818.685,17 dan wel een ander door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag.
Subsidiair verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de overwaarde van de woning bij helfte dient te worden verdeeld en derhalve aan eenieder nog toekomt een bedrag van € 325.340,52 en in aanvulling daarop te bepalen dat de man aan de vrouw op grond van artikel 6:162 BW een schade dient te vergoeden ten bedrage van € 369.457,36, dan wel meer subsidiair de hoogte van de schadevergoeding in goede justitie vast te stellen.
Voorts verzoekt de vrouw het hof om de man te veroordelen primair in de werkelijke proceskosten van de vrouw in hoger beroep, thans begroot op € 8.000,- PM, dan wel subsidiair de proceskostenveroordeling vast te stellen op basis van het liquidatietarief.
De man verzet zich daartegen.
5De motivering van de beslissing
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
De man kan zich niet vinden in de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum voor het betalen van kinderalimentatie. Volgens vaste jurisprudentie dient behoedzaam gebruik te worden gemaakt van de mogelijkheid om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen. Als gevolg van de beslissing van de rechtbank is aan de zijde van de man een direct opeisbare achterstand ontstaan van € 5.510,- (na verrekening van de reeds betaalde bijdragen), terwijl hij daarnaast ook per januari 2025 de verhoogde en direct opeisbare kinderalimentatie van € 1.688,- per maand dient te voldoen en een partneralimentatie van € 230,- per maand. De man heeft te weinig financiële middelen en zal hiervoor een lening aan moeten gaan. Ook heeft de vrouw geen rechtens relevante grond gesteld die een verhoging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht rechtvaardigt. De man wil € 729,- per kind per maand betalen met ingang van 17 april 2025, dan wel subsidiair met ingang van 20 februari 2025.
De vrouw kan zich vinden in de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 1 december 2023, de datum van indiening van het inleidend verzoek om kinderalimentatie. Ten einde een voorlopige voorzieningen procedure te vermijden, zijn partijen in onderling overleg een door de man te betalen bijdrage overeengekomen. Daarbij is uitgegaan van een te hoge zorgkorting van 35%. Zodra de man van zijn tijdelijke vakantiewoning medio april 2024 naar zijn nieuwe koopwoning verhuisde, zou de zorgregeling van een tweewekelijkse weekendregeling worden uitgebreid. De kinderen wilden echter niet meer naar hun vader. De vrouw had het financieel niet breed en was voor de kosten van de kinderen sterk afhankelijk van de kinderalimentatie. Hoewel de man nauwelijks tot geen verblijfskosten had, was hij niet bereid de kinderalimentatie aan te passen, terwijl een bedrag van € 311,- per kind per maand niet voldeed aan de wettelijke maatstaven. De jurisprudentie ziet op een behoedzaamheid ten aanzien van een terugbetalingsverplichting van een onderhoudsgerechtigde en niet op de plicht tot nabetaling. De man had immers draagkracht voor de vastgestelde kinderalimentatie en eind mei 2025 heeft hij de volledige achterstand aan de vrouw voldaan. Nu de man geen grieven heeft ingesteld ten aanzien van de draagkracht en de verdeling van het eigen aandeel zijn de overige door de man aangevoerde gronden niet relevant.
Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren voor zover zijn verzoek ziet op [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is inmiddels jongmeerderjarig en dient separaat door de man in een procedure te worden betrokken. Het hof verwijst hiervoor naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:724. Nu de man dit heeft nagelaten, dient hij in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden de kinderalimentatie heeft bepaald met ingang van 1 december 2023. Door de man zijn geen rechtens relevante omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden. Het inkomen en vermogen van de man is voldoende om de vastgestelde onderhoudsbijdrage per die datum te voldoen. Het hof zal de verzoeken van de man dan ook afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.
Partneralimentatie
De man stelt dat de rechtbank bij de vaststelling van de partneralimentatie geen rekening heeft gehouden met hetgeen hij sinds 1 december 2023 feitelijk heeft betaald. In onderling overleg zijn partijen een partneralimentatie van € 620,- per maand overeengekomen met ingang van 1 februari 2024. Na de bestreden beschikking is de man € 230,- per maand gaan betalen. De man heeft meer dan een jaar teveel betaald en het is niet meer dan redelijk dat de bedragen die over en weer (terug)betaald dienen te worden, kunnen worden verrekend. Verrekening van de door de man te veel betaalde partneralimentatie van € 5.070,- met de te betalen kinderalimentatie van € 5.510,- betekent dat de man nog een bedrag van € 440,- dient te voldoen aan de vrouw.
De vrouw verzoekt het hof om het verzoek van de man af te wijzen. In eerste aanleg heeft de man ook geen terugbetalingsverzoek gedaan. De ingangsdatum van partneralimentatie is 17 april 2025 en hetgeen de vrouw daarvoor van de man heeft ontvangen, lag niet voor aan de rechtbank en ook nu niet. Bovendien heeft de vrouw niet te veel ontvangen. De behoefte van de vrouw bedraagt € 3.990,- netto per maand en de aanvullende behoefte € 1.895,- netto per maand en € 3.700,- bruto per maand. Met de betaling door de man van € 620,- bruto per maand was er dan ook een aanzienlijk tekort bij de vrouw. Gelet op het consumptieve karakter van partneralimentatie dient behoedzaam gebruik te worden gemaakt van een terugbetalingsverplichting. Bovendien verzoekt de man in zijn petitum slechts om verrekening met partneralimentatie en niet met kinderalimentatie. Vast uitgangspunt is dat niet verrekend mag worden met kinderalimentatie.
Het hof zal de verzoeken van de man afwijzen. Gebleken is dat partijen bij het uiteengaan een voorlopige afspraak hebben gemaakt. De man is contractueel gebonden aan deze afspraak. Dat de rechtbank de partneralimentatie nadien op een lager bedrag heeft vastgesteld, doet niet af aan de overeenkomst van partijen. De afspraak van partijen ziet op de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking. De bij de bestreden beschikking vastgestelde partneralimentatie gaat pas in op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 17 april 2025. Er is geen rechtsgrond aanwezig voor verrekening van hetgeen in het verleden is betaald.
Verdeling huwelijksgoederen gemeenschap
Stukken van 20 januari 2025
De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte de stukken van 20 januari 2025 van de zijde van de man niet bij de beoordeling heeft betrokken. Bij deze stukken had de man ook een vermeerdering van zijn verzoek geformuleerd. Deze stukken waren bekend bij de vrouw en zij is dan ook niet benadeeld bij een eventuele verlate ontvangst. De man heeft belang bij een inhoudelijke toetsing van zijn reprise recht.
De vrouw stelt dat wel degelijk sprake was van strijd met de goede procesorde doordat zij werd geschaad in haar verdediging gelet op het late tijdstip van indiening. Partijen woonden nog samen ten tijde van indiening van het inleidend verzoekschrift zodat de man de volledige administratie tot zijn beschikking had. In de door de man gestelde mappen zitten helemaal geen relevante stukken en de vrouw beschikt niet over deze stukken. Hoger beroep dient er echter toe om fouten uit de eerste aanleg te herstellen, zodat het hof kennis kan nemen van de stukken van de zijde van de man van 20 januari 2025. Wel maakt de vrouw bezwaar tegen de vermeerdering van eis van de man over een schenking van € 100.000,- in 2011. Dit was een verstrekkende eiswijziging acht dagen voor de zitting bij de rechtbank, terwijl de stukken waarop de man zijn eis baseerde al bij aanvang van de procedure in het bezit waren van de man. Volgens de vrouw heeft de man e-mails vervalst, de mutatielijst aangepast en kort voor de zitting zijn eis vermeerderd. De man dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard te dien aanzien. Bovendien hebben partijen in november 2023 een afspraak gemaakt waarbij het in geschil zijnde bedrag van € 650.681,04 op een en/en rekening was gestort en partijen ieder € 123.887,29 uit hoofde van de verkoop van de woning van de notaris ontvingen als zijnde het bedrag dat niet in geschil was. Bij de berekening van dit bedrag was rekening gehouden met het door de man in zijn inleidende verzoekschrift gestelde vergoedingsrecht op basis van contante schenkingen en verbouwingskosten. De schenking van € 100.000,- was reeds in maart 2014 in mindering gebracht op de geldlening en was door de man niet gekwalificeerd als een schenking onder uitsluiting en derhalve niet betrokken in het door de man gestelde vergoedingsrecht. De vrouw hoefde er dan ook niet op bedacht te zijn dat dit bedrag alsnog ter discussie zou worden gesteld. De vrouw verwijst naar jurisprudentie.
Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep hebben partijen formele bezwaren geuit tegen de door de rechtbank gevolgde procedure. De rechtbank zou stukken niet hebben meegenomen bij de beoordeling, inclusief een op een laat tijdstip ingediende eiswijziging. De procedure in hoger beroep is een voortzetting en verdieping van het debat bij de rechtbank. Dit betekent dat eventuele formele gebreken in de procedure bij de rechtbank door het hoger beroep kunnen worden hersteld. Vaststaat dat partijen in hoger beroep gelegenheid hebben gekregen om hun standpunten nader toe te lichten en daartoe ook op de mondelinge behandeling zijn verschenen. Nu het hof de zaak volledig inhoudelijk beoordeelt, is daarmee een eventuele schending van het beginsel van fair trial in de procedure bij de rechtbank in hoger beroep hersteld.
Verdeling overwaarde/reprisevorderingen van de man; giften onder uitsluitingsclausule
De man kan zich niet vinden in de wijze van verdeling bij helfte van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning van € 650.681,05. De ouders van de man hebben namelijk gedurende het huwelijk diverse giften gedaan, goeddeels onder uitsluitingsclausule. Deze giften zijn geïnvesteerd in de woning. De woning is destijds door partijen gekocht voor een bedrag van € 675.000,-. De ouders van de man hebben ook schenkingen gedaan zonder uitsluitingsclausule, zoals een auto voor de vrouw en dertien keer een jaarlijkse belastingvrije schenking van rond de € 5.000,-. De ouders van de man hielden de schenkingen onder uitsluitingsclausule bij op mutatielijsten die ook de vrouw bekend waren. De vrouw heeft de authenticiteit van twee e-mails van de man van 6 juni 2008 en 11 februari 2014, waaruit blijkt dat de giften buiten de gemeenschap vallen, betwist. Zij heeft twee vrijwel gelijke e-mails in het geding gebracht waarin de betreffende passages ontbreken. Een van partijen heeft de rechtbank niet juist voorgelicht. De rechtbank heeft laten doorschemeren dat wat de rechtbank betreft de twijfel aan de zijde van de man lag en is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden met de overweging dat de vrouw wellicht een beroep kan doen op artikel 3:194 lid 2 BW. De man heeft de e-mail van de vrouw van 6 juni 2008 voorgelegd aan onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] en uit het rapport van 10 mei 2025 blijkt dat er sterke aanwijzingen zijn dat de e-mail niet authentiek is of op zijn minst gemanipuleerd.
Bij e-mail van 27 mei 2011 hebben de ouders aan de man, zijn broer en zus aangekondigd naast de jaarlijkse belastingvrije schenkingen een eenmalige schenking te doen. Deze “jubelton” is onder uitsluiting aan de man geschonken op 1 maart 2014. De woning is inmiddels verkocht en overgedragen aan een derde voor een bedrag van € 1.320.000,- zodat de man conform de beleggingsleer recht heeft op reprise uit de gemeenschap van:
€ 270.610,47, te weten de jubelton (€ 100.000,-) gedeeld door de totale hypotheekschuld bij aankoop van de woning (€ 487.786,-) maal de huidige waarde van de woning (€ 1.320.000,-).
Subsidiair verzoekt de man zijn repriserecht te bepalen op € 224.536,38, en meer subsidiair op een nominale vergoeding van € 100.000,-.
Ook is aan de man € 67.052,- aan contanten door zijn ouders geschonken onder uitsluitingsclausule om daarmee belastingdruk te voorkomen. Deze betalingen zijn ook bijgehouden in de mutatielijsten. Dankzij de contanten kon de man aflossen op de hypothecaire geldlening van partijen bij zijn ouders. De man verwijst naar bijlage 10 in eerste aanleg dat bij productie 1 in hoger beroep zit. Nu het bedrag van € 67.052,- buiten de gemeenschap valt, dient dit bedrag vanuit de gemeenschap aan de man te worden vergoed. Dat betekent dat de man recht heeft op een reprise uit de gemeenschap van € 181.449 (te weten: 67.052 / 487.786 x 1.320.000 = privé aflossing / totale hypotheekschuld bij aankoop x de huidige waarde van de woning), ofwel dient de vrouw de helft van dit bedrag aan de man te vergoeden vanwege de gelijke draagplicht van partijen voor gemeenschapsschulden. Indien en voor zover het hof
van oordeel is dat de beleggingsleer hier niet van toepassing is, verzoekt de man subsidiair de hoogte van zijn vergoeding te bepalen op € 67.052,-.
Ten slotte stelt de man een reprisevordering te hebben in verband met de kosten van verbouwing van de woning. Al het benodigde geld voor de verbouwing door [aannemingsbedrijf] was afkomstig van de ouders van de man. Van de verbouwingskosten van € 345.636,- is € 200.000,- als geldlening Hypo II van 10 augustus 2015 geleend van de ouders en € 135.481,- aan de man geschonken onder uitsluitingsclausule. Ter voorkoming van belastingdruk hebben de ouders deze kosten contant betaald. De man heeft dan ook recht op een reprise uit de gemeenschap van € 366.625,77 (135.481 / 487.786 x 1.320.000 = verbouwingskosten / totale hypotheekschuld bij aankoop woning x huidige waarde van de woning), ofwel dient de vrouw de helft van voornoemd bedrag aan de man te vergoeden vanwege de gelijke draagplicht van partijen voor gemeenschapsschulden. Indien en voor zover het hof van oordeel is dat de beleggingsleer hier niet van toepassing is, verzoekt de man subsidiair de hoogte van zijn vergoeding te bepalen op € 135.481,-.
Concluderend stelt de man een recht van reprise op de gemeenschap te hebben van
€ 818.685,17. Dit betekent dat de resterende verkoopopbrengst op de en/of rekening van partijen van € 650.681,04 toekomt aan de man. Voor het tekort van deze gemeenschapsschuld
zijn beide partijen gelijkelijk draagplichtig, zodat de vrouw de helft van het verschil van
€ 168.004,13 aan de man dient te vergoeden, te weten € 84.002,-.
De vrouw stelt dat er weliswaar een aantal schenkingen gedaan, maar nooit is kenbaar gemaakt dat deze onder uitsluiting zouden zijn gedaan. Op de man rust de bewijslast om dit aan te tonen. De uitsluitingen zoals opgenomen in de door de man overgelegde e-mails van 6 juni 2008 en 11 februari 2014 zijn later toegevoegd. De man toont niet aan wat de exacte hoogte is van de contante schenkingen en ook niet dat deze onder uitsluiting hebben plaatsgevonden. Bovendien kan geen sprake zijn van een vergoedingsrecht, omdat niet in geschil is dat deze contante bedragen niet zijn aangewend ter aflossing van de hypothecaire geldlening.
Wat betreft de verbouwingskosten heeft de man ook niet aangetoond dat de in 2015 gemaakte verbouwingskosten door de ouders aan de man zijn geschonken, laat staan onder uitsluiting. Partijen hebben de verbouwing van de woning zelf gefinancierd. Ook stelt de vrouw vraagtekens bij de hoogte van de door de man gestelde verbouwingskosten door zijn broer die samen met hun vader de verbouwing uitvoerde.
Wat betreft de schenking van € 100.000,- is het verzoek van de man te laat gedaan, maar daarbij is deze niet onder uitsluiting gedaan. De schenking is juist overduidelijk aan partijen gezamenlijk gedaan.
De vrouw stelt dat de stukken waar de man naar verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen onbetrouwbaar zijn, zodat sprake is van een schending van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2008 te [plaats] in algehele gemeenschap van goederen. De gemeenschap van goederen omvat tegenwoordige en toekomstige goederen van echtgenoten, uitgezonderd de goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen (zie het “oude” artikel 1:94 lid 2 BW) . Op 5 oktober 2023 is de huwelijksgemeenschap van rechtswege ontbonden door indiening van het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding. Deze datum is de peildatum voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap. Na ontbinding van het huwelijk wordt de huwelijksgemeenschap bij helfte gedeeld, nadat eerst daaruit de bedragen zijn voldaan ter betaling van de vergoedingsvorderingen die de echtgenoten jegens de gemeenschap hebben. Mocht dit niet of slechts gedeeltelijk mogelijk zijn, bijvoorbeeld wegens een ontoereikend gemeenschapsvermogen, dan kan een echtgenoot die een vordering heeft tot terugneming (reprise) uit de gemeenschap van hem toekomende goederen, de helft van zijn restantvordering verhalen op het privévermogen van de andere echtgenoot. Voor vergoedingsrechten die zijn ontstaan na 1 januari 2012 geldt artikel 1:87 BW, in beginsel de beleggingsleer. Bij vergoedingsrechten die voor die tijd zijn ontstaan, geldt dat uitgegaan moet worden van het nominale bedrag, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzet. Degene die stelt een vergoedingsrecht te hebben, draagt de bewijslast daarvan.
Tussen partijen staat vast dat tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde de echtelijke woning aan [adres 1] (hierna ook: de woning). Vast staat dat de woning op 10 augustus 2015 door partijen is gekocht voor een bedrag van € 625.000,-. De woning is deels gefinancierd met een lening van de ouders van de man van € 487.786,-. Na het uiteengaan van partijen hebben zij de woning in 2024 verkocht voor € 1.320.000,-. De man is van mening dat hij vergoedingsrechten op de gemeenschap heeft in verband met schenkingen van zijn ouders die aan hem zijn gedaan onder uitsluiting, te weten: contante betalingen aan de man ter hoogte van € 67.052,-, verbouwingskosten van € 135.481,- en een schenking van € 100.000,- (de zogenaamde “jubelton”). De vrouw heeft de stellingen gemotiveerd weersproken. Volgens de vrouw dient de overwaarde bij helfte te worden verdeeld.
Met betrekking tot de contante bedragen overweegt het hof als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ouders van de man het gezin financieel ondersteunden met maandelijkse bedragen die zij in een envelop klaarlegden voor het gezin. Uit de whatsapp conversatie van partijen onderling en de vader en de man blijkt dat dit geld nodig was omdat er anders een tekort ontstond en rekeningen niet betaald konden worden. Dat de bedragen benut zijn voor het aflossen van de lening bij de ouders van de man is het hof niet gebleken. De van de ouders van de man ontvangen contanten zijn gedurende het huwelijk uitgegeven aan de kosten van de huishouding van partijen. Deze bedragen zijn niet op een bankrekening gestort en niet geïnvesteerd in een goed en onweersproken is dat de contanten op de peildatum waren verbruikt. De man heeft dan ook geen vergoedingsrecht te dien aanzien en het hof zal het verzoek van de man in zoverre afwijzen.
Rest nog de vraag of de man een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap heeft met betrekking tot de zogenaamde jubelton en de verbouwingskosten.
Uit artikel 1:94 lid 2 onder a BW (oud) blijkt dat de gever aan een gift (waaronder ook het begrip ‘schenking’ valt) een uitsluitingsclausule kan verbinden. Uit de bewoordingen “bij de gift” volgt echter dat deze clausule onderdeel moet zijn van de rechtshandeling waarbij de bevoordeling plaatsheeft. Het is daarom niet mogelijk om na afloop alsnog een uitsluitingsclausule aan de gift toe te voegen. Ook de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) kan er niet toe leiden dat achteraf alsnog een uitsluitingsclausule aan een gift wordt toegevoegd (zie onder meer: T.M. Subelack, De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (diss. Utrecht; Recht en Praktijk nr. PFR10), Deventer: Wolters Kluwer 2024/358). Hoewel het niet mogelijk is om achteraf nog een uitsluitingsclausule aan de gift te verbinden, verzetten de bewoordingen “bij de gift” zich er naar het oordeel van het hof niet tegen dat de gever en een begiftigde op voorhand een uitsluitingsclausule overeenkomen voor de giften die de begiftigde van de gever zal ontvangen. In deze zin ook: hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2131. De begiftigde moet dan deze uitsluitingsclausule wel hebben aanvaard. Als de uitsluitingsclausule door de echtgenoot van de begiftigde wordt betwist, moet de begiftigde bewijzen dat deze kennis heeft genomen van die eerdere uitsluitingsclausule en deze vervolgens heeft aanvaard.
De ouders van de man hebben in de niet door de vrouw betwiste e-mail van 27 mei 2011 een gesprek met hun kinderen, waaronder de man, bevestigd. In dit gesprek is aan de orde geweest dat de ouders in de toekomst mogelijk schenkingen zullen doen aan hun kinderen. Deze schenkingen, zo stellen de ouders, zullen onder een uitsluitingsclausule geschieden. In de e-mail is dit als volgt verwoord: “Voorts worden er schenkingen verricht als voorschot op de erfenis. Deze schenkingen sluiten jullie partners (de koude kant) uit. Wij hebben dit als uitsluitingsclausule vastgelegd in ons testament.” Uit het overgelegde testament van de moeder van de man blijkt dat er in het testament een uitsluitingsclausule is opgenomen. Eveneens is er in het testament een inbrengverplichting voor door de erflater gedane giften opgenomen in de zin van artikel 4:229 BW. Hoewel het niet vaststaat dat dit testament niet later is herroepen, is het voor het hof voldoende om aan te nemen dat aan de kant van de schenkers, de ouders, het vaste voornemen bestond om aan schenkingen aan de kinderen een uitsluitingsclausule te verbinden. Het hof leest de inbrengverplichting in het testament als het verlengde daarvan: als een gift in een gemeenschap van goederen zou vallen (hetgeen het geval zou zijn als er geen uitsluitingsclausule aan de gift zou zijn verbonden), dan bemoeilijkt dit dan wel benadeelt dit de verkrijger bij de inbreng van de gehele gift. Nu de e-mail gelezen kan worden als de bevestiging van een eerder gevoerd gesprek van de ouders met hun kinderen, na advies te hebben ingewonnen over giften en testamenten, gaat het hof ervan uit dat de man tijdens dit gesprek de uitsluitingsclausule heeft aanvaard. Als de uitsluitingsclausule niet zou zijn aanvaard, dan zouden de ouders vervolgens ook geen giften hebben gedaan aan de man.
Onbetwist is tussen partijen dat de ouders de jubelton (het destijds vrijgestelde bedrag aan schenkbelasting van € 100.000,-, aan te wenden door een begiftigde voor de eigen woning) hebben geschonken in de vorm van een kwijtschelding op een (hypothecaire) geldlening die de ouders van de man aan de man en de vrouw tezamen hadden verstrekt. Uit de overgelegde aangifte schenkbelasting 2014 blijkt dat de vader van de man, aan de man een schenking heeft gedaan van € 100.000,-. Dit betreft dus de schenking die bij mail van 11 februari 2014 is aangekondigd aan beide partijen. De man en de vrouw woonden toen op de [adres 2] . Het betreft dus een indirecte investering van de man in voormelde woning, namelijk aflossing van een lening die betrekking heeft op het goed [adres 2] , welke woning aan partijen gezamenlijk toebehoorde. In het kader van de fiscale afwikkeling naar de Belastingdienst is het helder dat het een schenking van de vader van de man aan de man is.
In geschil tussen partijen is aan wie de schenking door kwijtschelding op de geldlening is gedaan en, als deze aan de man is gedaan, of deze met een uitsluitingsclausule heeft plaatsgehad. Het hof stelt vast dat artikel 6:10 BW er niet aan in de weg staat dat de schuldeisers niet aan beide maar aan een van de (hoofdelijke) schuldenaren een deel van de hoofdsom kwijtschelden. Zoals het hof hiervoor ook al heeft overwogen, hebben de ouders van de man een duidelijk beleid uitgestippeld met betrekking tot de vermogensoverheveling. Bepaalde schenkingen kwamen aan de man en de vrouw gezamenlijk toe, maar bepaalde schenkingen die beschouwd werden als een voorschot op de erfenis van de ouders kwamen alleen toe aan de man. Het hof verwijst nogmaals naar de e-mail van 27 mei 2011. Het hof acht het aannemelijk dat beide partijen op de hoogte waren van het beleid dat de ouders van de man hadden met betrekking tot de schenkingen. De ouders van de man hebben feitelijk de geldlening die zij aan beide partijen hadden verstrekt in 2014 met een bedrag van € 100.000,- verminderd. Door de vermindering van de geldlening werden de maandelijkse (rente)lasten voor beide partijen lager, terwijl het besteedbaar inkomen voor beide partijen toenam. De rechtsvraag die dus voorligt is of de vermindering van de hoofdelijke schuld alleen ten goede komt aan de man of aan de man en de vrouw gezamenlijk. Uit de feitelijke gang van zaken volgt naar het oordeel van het hof dat de vermindering op de lening (gift onder uitsluitingsclausule) alleen betrekking heeft op de man. Dit volgt onder meer uit de e-mail van 27 mei 2011, maar eveneens uit de aangifte schenkbelasting 2014. Als de schenking aan de man en de vrouw had plaatsgevonden dan had de vrouw de aangifte schenkbelasting ook moeten mede ondertekenen hetgeen niet het geval is. Dat de ouders van de man aan de man en de vrouw per e-mail van 11 februari 2014 berichtten dat het bedrag op hun lopende lening in mindering wordt gebracht, is niet doorslaggevend voor het standpunt dat de kwijtschelding aan beiden heeft plaatsgehad. De al dan niet toegevoegde zin in de e-mail van 11 februari 2014 acht het hof niet relevant voor de vraag aan wie geschonken is. Omdat de vermindering (gift) van de hypothecaire geldlening onder uitsluitingsclausule heeft plaatsgehad, is op het moment van de vermindering van de geldlening een vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap ontstaan op grond van artikel 1:96 lid 4 BW. Dit vergoedingsrecht wordt vervolgens berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 en lid 3 BW aangezien het vergoedingsrecht na 1 januari 2012 is ontstaan. Het hof stelt vast dat deze vergoeding moet worden berekend op grond van artikel 1:96 lid 4 juncto 1:87 lid 2 onder b BW. In artikel 1:87 lid 2, aanhef en onder b BW is het navolgende bepaald:
“2. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte: (…) b. komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.”
Het hof is zich ervan bewust dat het hof afwijkt van hetgeen in de toelichting op de wettekst in de parlementaire geschiedenis in de Eerste Kamer is gesteld (Kamerstukken I 2008/09, 28 867, nr. C, p. 15-16). In de Memorie van Antwoord wordt – ondanks de wettekst van artikel 1:87 lid 2 onder b BW – ervan uitgegaan dat artikel 1:87 lid 2 onder a BW in deze situatie van aflossing van toepassing is, hetgeen betekent dat in de noemer moet worden vermeld de waarde van het goed op het moment van aankoop. Economisch gezien heeft de man echter geïnvesteerd op het moment van de aflossing. Om die reden dient naar het oordeel van het hof voor de berekening van het vergoedingsrecht bezien te worden wat de waarde van het goed is op het moment van de aflossing. De man heeft dan het mogelijk profijt van een waardestijging van het goed of het nadeel indien het goed in waarde daalt. Het hof acht dat een redelijke uitkomst en acht het dan ook niet juist dat in de parlementaire geschiedenis letterlijk wordt afgeweken van de wettekst hetgeen in wezen contra legem is. Vergelijk ook het artikel van prof. mr. P.C. van Es, ‘Huwelijksvermogensrechtelijk beleggen met voorkennis’, in: J.H.M. ter Haar e.a. (red), Met grootse passen door het recht. Footprints in law (Ars Notariatus nr. 183), Deventer: Wolters Kluwer 2024/7.
Het vergoedingsrecht wordt naar het oordeel van het hof op basis hiervan aldus berekend:
in de teller wordt het bedrag van de aflossing gezet en in de noemer van de breuk de waarde van de woning op het moment van de aflossing. Deze breuk wordt vervolgens vermenigvuldigd met de waarde van de woning ten tijde van het geldend maken van het vergoedingsrecht.
Na de verkoop van [adres 2] is relevant welk deel van de verkoopopbrengst tot het privévermogen van de man behoorde. Dit privévermogen investeerde de man in [adres 1] als gevolg waarvan (wederom) een vergoedingsrecht ontstaat. Gekeken moet worden naar de aankoopsom van [adres 1] en de investering in de vorm van verbouwingen, te weten € 625.000,- plus € 335.481,-. De totale investering is € 960.481,-. Wat is het vergoedingsrecht van de man in totaal? Nu het hof het vergoedingsrecht met betrekking tot [adres 2] niet kan berekenen (zo is onbekend wat de waarde van die woning was ten tijde van de aflossing), schat het hof conform artikel 1:87 lid 5 BW het door de man in [adres 1] geïnvesteerde bedrag op € 100.000,-. Het hof gaat er hierbij van uit dat, in de korte periode van aflossing en de aankoop van [adres 1] , de waarde van de [adres 2] niet exceptioneel is gestegen. Het hof gaat voor de berekening van het vergoedingsrecht met betrekking tot [adres 1] vervolgens uit van het volgende.
Partijen hebben direct na de aankoop van de woning [adres 1] deze woning voor een aanzienlijk bedrag verbouwd. In randnummer 70 van zijn hoger beroepschrift stelt de man dat de totale verbouwingskosten € 335.481,- hebben bedragen. In de visie van de man zijn de kosten van de verbouwing gefinancierd door zijn ouders door een geldlening van € 200.000,- alsmede een gift aan de man van € 135.481,- die onder een uitsluitingsclausule valt. Het hof berekent de totale gift aan de man op basis van de door de man verstrekte gegevens op
€ 144.290,11. Echter de man beperkt zijn vordering tot € 135.481,-. De rechtsvraag die het hof moet beantwoorden is wat zijn de verbouwingskosten geweest en welk aandeel daarvan heeft hij als gift gekregen die niet in de huwelijksgemeenschap valt. Het hof kan vaststellen dat de ouders van de man rekeningen hebben betaald aan de aannemer (de broer van de man) en geld hebben overgemaakt naar de rekening van partijen. Het hof beschouwt dit als een gift aan de man. Voorts stelt de man in randnummer 70 van zijn hoger beroepschrift dat de ouders de facturen [factuurnummer] (€ 39.646,86) en [factuurnummer] (€ 31.835,10) - totaal € 71.471,96 - rechtstreeks aan de aannemer hebben betaald in 2016. Deze betaling kwalificeert de man als een gift die niet in de huwelijksgemeenschap valt. De factuur [factuurnummer] van de aannemer van € 72.818,15 is betaald van de gemeenschappelijke rekening van de man en de vrouw, echter voorafgaande aan de betaling hebben de ouders van de man op de gemeenschappelijke rekening een bedrag van € 50.000,- en € 25.000,- gestort. De man beschouwt voormelde betaling door zijn ouders op de gemeenschappelijke rekening als een gift aan hem die niet valt in de gemeenschap van goederen van partijen. Het hof gaat hier echter niet in mee aangezien uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de ouders genoemde bedragen op 12 december 2015 hebben overgemaakt met als omschrijving “lening [adres 1] ”.
Het hof kwalificeert in dit verband uitsluitend de rechtstreekse betalingen aan de aannemer als een gift en becijfert het vergoedingsrecht van de man (inclusief de investering door de man van € 100.000,-; zie rov. 5.23) als volgt:
€ 100.000,- + € 71.471,- = € 171.471,- / € 960.481,- x € 1.320.000,- = € 235.654,55.
Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat het nog te verdelen bedrag uit hoofde van de verkoopopbrengst van [adres 1] van € 650.681,04 bij helfte zal worden verdeeld, en bepalen dat de man een vergoedingsrecht toekomt van € 235.654,55 en het restant (€ 650.681,04 -/- € 235.654,55 = € 415.026,49) bij helfte zal moeten worden verdeeld, te weten € 415.026,49 / 2 = € 207.513,24.
Inboedel
De man kan zich niet vinden in het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 3.015,63 dat de man aan de vrouw zou moeten voldoen ter zake van overbedeling van de inboedel. Partijen hebben de inboedel in overleg verdeeld. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de begroting van de vrouw in plaats van die van de man. De man heeft € 2.215,- aan de vrouw overgemaakt en is van mening dat dit ruimhartig is, maar de vrouw heeft het teruggestort naar de man. De man becijfert de overbedeling van inboedel thans op € 2.647,36 waarvan de man de helft aan de vrouw dient te vergoeden.
De vrouw stelt dat partijen in onderling overleg tot een verdeling van de inboedel zijn gekomen op basis van een door de man op 1 oktober 2023 opgesteld overzicht inclusief waardes. De vrouw heeft ten aanzien van twee goederen de waarde naar beneden bijgesteld en vervolgens de door haar aangevinkte inboedel meegenomen bij haar verhuizing in januari 2024. Partijen zijn aldus overgegaan tot een feitelijke verdeling en de man dient de vrouw dan ook € 3.015,63 te voldoen wegens overbedeling.
Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat partijen de inboedel in onderling overleg hebben verdeeld, maar van mening verschillen over de financiële afwikkeling daarvan. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat hij € 1.323,68 aan de vrouw zou moeten voldoen in plaats van de door de rechtbank vastgestelde € 3.015,63 niet onderbouwd met verifieerbare stukken. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Bewijsaanbod
De man doet een bewijsaanbod zoals geformuleerd onder 82 en 83 van het beroepschrift.
De vrouw verzoekt het hof om het bewijsaanbod te passeren. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de man, zodat het hof dit bewijsaanbod zal passeren.
Incidenteel appel
De vrouw doet een beroep op artikel 3:194 BW dat als volgt luidt:
1. Ieder der deelgenoten kan vorderen dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving.
2. Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.
Volgens de vrouw heeft de man getracht aanzienlijke gelden aan de gemeenschap te onttrekken door valselijk bewijs op te maken. Als de vrouw niet had beschikt over de originele e-mails, dan had zij zich niet kunnen verweren tegen die van de man en zou zij in ernstige mate zijn benadeeld. Door ook in hoger beroep vervalste e-mails over te leggen en zelfs een rapport waaruit zou moeten blijken dat de vrouw e-mails heeft vervalst, handelt de man in strijd met artikel 21 Rv en toont hij een oneerlijke houding en opzet om op onrechtmatige wijze gelden aan de gemeenschap te onttrekken. Dit moet ertoe leiden dat hij € 818.685,17 aan de vrouw verbeurt.
Subsidiair doet de vrouw een beroep op artikel 6:162 BW dat als volgt luidt:
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
Het hof is van oordeel dat de verzoeken van de vrouw in incidenteel appel moeten worden afgewezen. Van een situatie als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW is het hof niet gebleken. De man heeft geen goederen zoekgemaakt of verzwegen. Wat betreft de stelling van de vrouw dat de man onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan zij schade heeft geleden, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht. Wat betreft de overgelegde e-mails van partijen is niet komen vast te staan wie van de twee tot vervalsing daarvan is overgegaan. Uit het aan het hof voorliggende dossier is in ieder geval duidelijk geworden dat gedurende het huwelijk sprake was van belastingontwijking en dat beide partijen daarvan hebben geprofiteerd. Dat partijen vervolgens in een ernstig conflict zijn geraakt waar de kinderen de dupe van zijn, is ook duidelijk. Het hof spreekt de hoop uit dat partijen in het belang van hun kinderen hun verantwoordelijkheid gaan nemen als ouders en zich in zullen zetten om hun onderlinge problematiek te boven te komen.
Proceskosten
De vrouw verzoekt het hof om de man te veroordelen in de werkelijke proceskosten, dan wel conform het liquidatietarief. Volgens de vrouw heeft de man zich schuldig gemaakt aan een zeer grove schending van de goede procesorde.
De man is van mening dat er geen enkele grond is voor afwijking van de hoofdregel in artikel 237 lid 1 Rv, te weten compensatie van proceskosten. Het is de vrouw die stukken heeft gemanipuleerd en bewust bewijs onder zich houdt. Dit heeft de man veel tijd en geld gekost en hij heeft ook een deskundige om de misleiding en manipulatie van de vrouw aan te tonen moeten inschakelen.
Het hof is onvoldoende gebleken dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer grove schending van de goede procesorde. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instantie compenseren.
6De beslissing
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk voor zover zijn verzoek ziet op de jongmeerderjarige [minderjarige 1] ;
vernietigt de bestreden beschikking uitsluitend voor zover het betreft het te verdelen bedrag uit hoofde van de verkoopopbrengst van [adres 1] en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap heeft van
€ 235.654,55;
bepaalt dat partijen gelijk gerechtigd zijn tot de overwaarde van [adres 1] van
€ 415.026,49, zodat aan ieder nog een bedrag toekomt van € 207.513,24;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en L.A.G.M. van der Geld, bijgestaan door mr. A.C. van Waning, en is op 4 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
