Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding. HVP kind (2018) bij moeder. Afwijzing verzoek moeder om eenhoofdig gezag ; gezag van vader wel voor één jaar geschorst, om rust te creëren. Vader ziet nu geen ruimte voor contact met vrouw en kind, vanwege hevige partnerstrijd. Art. 1:251a BW biedt niet alleen grondslag om gez. gezag te beëindigen, maar ook om gez. gezag te schorsen en een van de ouders tijdelijk alleen met gezag te belasten. Ook beslissing over KAL (zonder zorgkorting), PAL (compensatieregeling vliegers geen inkomenscomponent) en info.| Datum publicatie | 11-02-2026 |
| Zaaknummer | C/16/487457 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Gezag; Geen omgang (een van) ouders; Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding met nevenvoorzieningenVolledige uitspraak
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/487457 / FA RK 19-5233 (echtscheiding met nevenvoorzieningen)
C/16/502625 / FA RK 20-3125 (verdeling)
Beschikking van 26 april 2021
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.I. Robert,
tegen
[de man] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.D. Bakker.
1De procedure
De rechtbank heeft eerder in deze zaak een beschikking gegeven op 1 oktober 2020. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de rechtbank naar de vorige beschikking.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
-
de brief van de vrouw van 1 maart 2021 met bijlage 14 tot en met 23;
-
het F-formulier van de man van 1 maart 2021 met bijlage 14 tot en met 24;
-
het F-formulier van de man van 5 maart 2021 met bijlage 25 en 26.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 11 maart 2021. Hierbij waren aanwezig:
-
beide partijen met hun advocaten;
-
mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De advocaat van de man heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
2De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd op [2017] in [plaats] .
Op 29 juli 2017 hebben partijen bij een notaris huwelijkse voorwaarden laten opmaken en getekend. Hierin zijn zij – voor zover hier relevant – het volgende overeengekomen:
- Artikel 1: Tussen de echtgenoten bestaat een gemeenschap van inboedel. De echtgenoten sluiten elke andere gemeenschap van goederen uit; (…)
- Artikel 10: De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. (…)
Het minderjarige kind van partijen is:
- [minderjarige 1], geboren op [2018] in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1 (voornaam)] .
Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] .
Bij beschikking van 29 augustus 2019 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen en:
-
[minderjarige 1 (voornaam)] toevertrouwd aan de vrouw;
-
als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat [minderjarige 1 (voornaam)] en de man omgang met elkaar hebben met een frequentie van tenminste één keer per week gedurende twee uren in de woning van de vrouw, waarbij geen andere personen aanwezig zijn, en welke regeling na de eerste vier weken na de operatie van [minderjarige 1 (voornaam)] in onderling overleg kan worden uitgebreid.
Bij beschikking van 10 juli 2020 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen en bepaald dat:
-
de man met ingang van 1 februari 2020 voorlopig een bedrag van € 642,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] ;
-
de man met ingang van 1 februari 2020 een bedrag van € 891,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
De man heeft samen met zijn nieuwe partner mevrouw [B] een kind gekregen:
- [minderjarige 2], geboren op [2021] in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2 (voornaam)] .
De man heeft [minderjarige 2 (voornaam)] erkend.
3Verzoeken en verweer
De vrouw vraagt de rechtbank:
I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
II. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)] bij de vrouw vast te stellen;
III. de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] ;
IV. het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en te bepalen dat het ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van deze beschikking;
V. te bepalen dat de man een bedrag van € 735,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
VI. te bepalen dat de man een bedrag van € 1.675,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
VII. te bepalen dat partijen ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, behoudens de verrekening van de huishoudelijke kosten en de te verdelen inboedel, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.
De man voert verweer. Hij vraagt de rechtbank:
I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
II. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)] bij de vrouw vast te stellen;
III. een informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw één keer per maand aan de man een e-mail moet sturen met daarin een overzicht van (belangrijke) gebeurtenissen in het leven van [minderjarige 1 (voornaam)] en daarbij gevoegd een foto;
IV. te bepalen dat de man een bedrag van € 538,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
V. indien de rechtbank een bedrag aan partneralimentatie vaststelt, te bepalen dat de partneralimentatietermijn wordt gelimiteerd naar een termijn van drie jaar dan wel na een termijn van drie jaar op nihil wordt gesteld, althans een limiterings- of nihilstellingstermijn die de rechtbank in goede justitie juist acht;
VI. te bepalen dat de verdeling van de inboedel wordt vastgesteld zoals opgenomen in bijlage 13 bij het verweerschrift van de man, waarbij de man binnen twee weken na de datum van de beschikking in de gelegenheid wordt gesteld zijn deel van de inboedel bij de vrouw op te halen;
VII. te bepalen dat partijen ter zake van de overige afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, behoudens de verrekening van de kosten van de huishouding en de verdeling van de inboedel, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.
4De beoordeling
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan.
1 Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
De rechtbank heeft eerder in de beschikking van 1 oktober 2020 geoordeeld dat een ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd en dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoek tot echtscheiding. Partijen hebben in deze procedure een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan overgelegd, maar daarin is geen zorgregeling opgenomen. Ook zijn partijen het niet eens over de kinderalimentatie en verzoekt de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag te belasten. De rechtbank stelt vast dat de man sinds 2019 geen contact heeft gehad met [minderjarige 1 (voornaam)] en dat tussen partijen sprake is van een slechte communicatie. Dit is veroorzaakt door de hevige strijd tussen partijen waardoor de man zich belemmerd voelt om contact met de vrouw en [minderjarige 1 (voornaam)] te hebben. Beide partijen hebben verklaard dat zij voor de toekomst wel graag zouden willen dat er contact komt tussen de man en [minderjarige 1 (voornaam)] . Op dit moment ziet de man hiervoor echter geen ruimte. De rechtbank is dan ook, net als in de beschikking van 1 oktober 2020, van oordeel dat een ouderschapsplan op dit moment redelijkerwijs niet kan worden overgelegd. Het verzoek om het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten hebben partijen ter zitting ingetrokken.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)] bij de vrouw vaststellen omdat partijen het hierover eens zijn en niet is gebleken dat dit in strijd is met de belangen van [minderjarige 1 (voornaam)] .
Conclusie
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag te belasten afwijzen. Verder zal de rechtbank het gezag van de man schorsen voor de duur van één jaar met ingang van de dag van deze beschikking. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het wettelijk kader
Het uitgangspunt van de wet is dat ouders nadat zij uit elkaar zijn gegaan samen het gezag blijven uitoefenen. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan het gezamenlijk gezag beëindigd worden. Volgens artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is dit het geval als door het gezamenlijk gezag een kind ‘klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders’ en niet te verwachten is dat daarin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. Dit artikel biedt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen een grondslag om het gezamenlijk gezag te beëindigen, maar ook om het gezamenlijk gezag te schorsen en tijdelijk een van de ouders alleen met het gezag te belasten.
Toelichting
De rechtbank is van oordeel dat het op dit moment te ingrijpend is om het gezag van de man te beëindigen, maar dat het wel in het belang van [minderjarige 1 (voornaam)] noodzakelijk is dat het gezag van de man geschorst wordt. Duidelijk is dat tussen partijen al lange tijd sprake is van een heftige strijd. Dit heeft (grotendeels) te maken met de breuk van partijen waarbij de man een nieuwe relatie kreeg terwijl de vrouw en [minderjarige 1 (voornaam)] in het ziekenhuis lagen. Partijen hebben in die periode over en weer veel verwijten naar elkaar geuit en elkaar veel pijn gedaan. Door de heftige strijd is het voor partijen op dit moment niet mogelijk om met elkaar te communiceren zonder dat de emoties hoog oplopen. De man heeft op de zitting verklaard dat hij op dit moment geen contact kan/wil hebben met de vrouw. Hierdoor is er geen overleg mogelijk en zijn partijen niet in staat om samen op een goede manier belangrijke beslissingen over [minderjarige 1 (voornaam)] te nemen. [minderjarige 1 (voornaam)] is een kwetsbaar meisje met medische problemen, waardoor een goede samenwerking tussen de ouders juist van groot belang is. De rechtbank vindt een schorsing van het gezag van de man noodzakelijk om rust te creëren in de situatie. Het komende jaar moet bekeken worden of er rust en ruimte ontstaat voor contactherstel tussen de man en de vrouw en met name of er ook gewerkt kan worden aan contactherstel tussen de man en [minderjarige 1 (voornaam)] .
Wat houdt de schorsing van het gezag in?
De schorsing van het gezag van de man betekent dat de vrouw tijdelijk alleen het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] zal uitoefenen. Dit houdt in dat zij alleen beslissingen mag nemen over bijvoorbeeld een vakantie, de school, medische behandelingen, therapieën en het identiteitsbewijs van [minderjarige 1 (voornaam)] .
Termijn
De schorsing in de uitoefening van het gezag van de man vervalt van rechtswege na verloop van één jaar na de dag van deze beschikking. Partijen zullen dan weer gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] uitoefenen.
De rechtbank zal het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen toewijzen en bepalen dat de vrouw één keer per maand aan de man een e-mail moet sturen met daarin een overzicht van (belangrijke) gebeurtenissen in het leven van [minderjarige 1 (voornaam)] met daarbij gevoegd een foto. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige 1 (voornaam)] .
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 538,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De ingangsdatum
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen vanaf de datum van deze beschikking.
De behoefte van [minderjarige 1 (voornaam)]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Partijen zijn het eens dat de behoefte van [minderjarige 1 (voornaam)] vastgesteld wordt op een bedrag van € 830,- per maand in 2019. Geïndexeerd naar 2021 is dit een bedrag van € 876,- per maand. Verder zijn partijen het erover eens dat de behoefte verhoogd moet worden met € 332,- per maand aan netto kinderopvangkosten. De totale behoefte van [minderjarige 1 (voornaam)] in 2021 bedraagt daarom € 1.208,- per maand.
De behoefte van [minderjarige 2 (voornaam)]
Tussen partijen is verder niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige 2 (voornaam)] vastgesteld wordt op € 830,- per maand in 2021 en dat het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 2 (voornaam)] € 682,- per maand bedraagt.
De draagkracht van beide ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de man
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 279,- per maand voor [minderjarige 1 (voornaam)] . De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de recente salarisstroken waarin een basisinkomen van € 6.974,- bruto per maand staat genoemd. Hiermee volgt de rechtbank de vrouw niet in haar stelling dat uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit van de man van 100%. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende aangetoond dat hij ouderschapsverlof heeft opgenomen en 90% is gaan werken. Dit blijkt ook uit de overgelegde salarisstroken. Bovendien heeft de man nu ook de zorg voor [minderjarige 2 (voornaam)] , waardoor de rechtbank het redelijk vindt dat de man ruimte heeft om minder dan 100% te werken. De rechtbank sluit dan ook aan bij de feitelijke situatie. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag, € 852,- per maand aan pensioenpremie en een bijdrage levensloopregeling van € 417,- per maand omdat partijen het hierover eens zijn.
Tussen partijen is in geschil of op het inkomen van de man de pensioentoelage van
€ 1.085,- per maand in mindering moet worden gebracht. Tussen partijen staat vast dat dit bedrag is bedoeld als compensatie van de afgesproken verhoging van de pensioenleeftijd van alle vliegers. De man stelt dat de achtergrond hiervan is dat de vliegers het betreffende bedrag reserveren en investeren in de opbouw van een aanvullend pensioen en daarom niet moet worden gezien als een verruiming van het inkomen van de man. De vrouw vindt dat de pensioentoelage wel als structureel loonbestanddeel moet worden aangemerkt omdat de man niet verplicht is om dit bedrag te reserveren voor aanvullend pensioen en dit bedrag ook kan laten uitkeren. Volgens de vrouw heeft de man dit tijdens het huwelijk ook gedaan.
De vergoeding op grond van de compensatieregeling dient naar het oordeel van de rechtbank niet meegenomen te worden als inkomenscomponent. De rechtbank vindt het redelijk dat de man dit bedrag gebruikt om een aanvullend pensioen op te bouwen waarvoor het ook bestemd is. Weliswaar heeft de man de vrijheid om het bedrag anders te besteden, maar de vrouw heeft onvoldoende gesteld om hiervan uit te gaan. Bovendien blijkt uit de door de man overgelegde stukken dat hij het bedrag daadwerkelijk gebruikt
om zijn pensioen op te bouwen. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 1.085,- per maand in mindering brengen op het inkomen van de man.
Uit de door de man overgelegde draagkrachtberekening (productie 21) blijkt dat de man op basis van voormelde gegevens een netto besteedbaar inkomen heeft van € 4.651,- per maand.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 4.651 =) € 1.395,- per maand. Anders dan de vrouw stelt ziet de rechtbank geen aanleiding om rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de man. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat moet worden afgeweken van het bij kinderalimentatie gebruikelijke forfaitaire systeem. Verder wordt ook rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van
€ 1.000,- per maand.
Ten aanzien van de schulden van de man houdt de rechtbank rekening met € 652,- per maand voor de schuld aan [onderneming] B.V. omdat partijen het hierover eens zijn. Ook houdt de rechtbank rekening met de aflossing van € 205,- per maand voor de schuld aan DUO. Daarbij merkt de rechtbank op dat het verweer van de vrouw ter zitting dat de man niet heeft aangetoond dat hij hierop ook daadwerkelijk aflost, te laat naar voren is gebracht.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (4.651 – 1.000 – 1.395 – 652 – 205 =) € 1.399,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 979,- per maand. De overige 30% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). Partijen zijn het erover eens dat het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 2 (voornaam)] € 682,- per maand bedraagt. De rechtbank haalt dit bedrag daarom af van de draagkracht van de man, zodat er een bedrag van € 279,- per maand overblijft aan draagkracht voor [minderjarige 1 (voornaam)] .
De draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 1.061,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. Partijen zijn het eens dat uitgegaan moet worden van een inkomen van € 4.400,- bruto per maand, 8% vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering van € 264,- per maand en een pensioenpremie van € 311,- per maand in totaal. Verder houdt de rechtbank ook rekening met een inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 2.815,- per jaar en een kindgebonden budget van € 2.108,- per jaar.
Uit bijgevoegde berekening volgt dat de vrouw een netto besteedbaar inkomen heeft van € 3.677,- per maand (bijlage 1).
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] . Daarvoor maakt de rechtbank wederom gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 3.677 =) € 1.103,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.000,- per maand.
De rechtbank houdt verder rekening met een bedrag van € 58,- per maand voor de schuld aan DUO omdat partijen het hierover eens zijn. Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (3.677- 1.000 – 1.103 – 58=) € 1.516,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 1.061,- per maand. De overige 30% mag de vrouw vrij besteden (de ‘vrije ruimte’).
De verdeling van de kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. Zoals hiervoor is berekend heeft de man voor [minderjarige 1 (voornaam)] een draagkracht van € 279,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 1.061,- per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 1.340,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] te betalen, want die zijn € 1.208,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (279/1.340 x 1.208=) € 252,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (1.061/1.340 x 1.208=) € 956,- per maand dragen.
De zorgkorting
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd. In dit geval zal de rechtbank geen zorgkorting toepassen omdat er tussen de man en [minderjarige 1 (voornaam)] geen contact plaatsvindt. Partijen zijn het hierover eens. Dit betekent dat de man een bedrag van € 252,- per maand aan kinderalimentatie zou moeten betalen. Omdat de man een hoger bedrag heeft verzocht, zal de rechtbank zich hierbij aansluiten en vaststellen dat de man een bedrag van € 538,- per maand aan de vrouw moet betalen.
De kinderalimentatie moet vooruit worden betaald
De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 221,- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De ingangsdatum
Partijen hebben niets gesteld met betrekking tot de ingangsdatum van de partneralimentatie. Volgens de wet kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente). De rechtbank zal daarom van deze datum uitgaan.
De huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat ook wel de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast op € 4.336,- netto per maand. Dat heeft de rechtbank als volgt berekend.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de zogeheten ‘Hof-norm’. Die Hof-norm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de Hof-norm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
De man heeft gezegd dat in dit geval de Hof-norm niet kan worden gebruikt om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. Hij heeft alleen niet toegelicht waarom die vuistregel hier niet opgaat, zodat de rechtbank toch de Hof-norm zal toepassen.
De rechtbank moet eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Het inkomen van de man bedroeg toen € 120.329,- bruto per jaar en het inkomen van de vrouw bedroeg € 40.176,- bruto per jaar. Dit volgt uit de aangiften IB van 2018 (productie 3 en 4 van de vrouw). De vrouw heeft gesteld dat het netto besteedbaar inkomen van de man daarmee € 5.642,- per maand bedroeg en dat zij een netto besteedbaar inkomen had van € 2.708,- per maand. Het totale netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg dan ook € 8.350,- per maand. De man heeft dit niet betwist zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.
Vervolgens worden op het netto besteedbaar gezinsinkomen de kosten voor [minderjarige 1 (voornaam)] in 2019 van € 830,- per maand en de aflossing van de schuld aan [onderneming] B.V. van € 675,- per maand in mindering gebracht. Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt daarmee (8.350 – 830 – 675=) € 6.845,- per maand. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de Hof-norm dus 60% nodig. Dat was € 4.107,- netto per maand in 2019. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 4.336,- netto per maand.
De behoeftigheid
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 4.336,-) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen.
De rechtbank vindt hier dat de vrouw niet in staat is om dat bedrag volledig zelfstandig te verdienen. Zij heeft behoefte aan een bijdrage van de man van € 1.527,- bruto per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij dat vindt.
Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van dezelfde gegevens als hiervoor onder punt 4.24 is overwogen, behalve dat de rechtbank geen rekening houdt met een kindgebonden budget. Uit bijgevoegde berekening (bijlage 2) volgt dat het netto-inkomen van de vrouw op basis hiervan € 3.501,- per maand bedraagt wat minder is dan haar huwelijksgerelateerde behoefte. De vrouw kan dus partneralimentatie vragen aan de man. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom een bedrag van € 1.527,- bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien. Dit betekent dat de vrouw maximaal een bijdrage van € 1.527,- bruto per maand aan de man kan vragen.
De man heeft nog gesteld dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft omdat zij een bedrag van € 100.000,- heeft ontvangen na de verkoop van de echtelijke woning. De rechtbank zal hier geen rekening mee houden omdat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij niet meer over dit bedrag beschikt omdat zij dit bedrag heeft teruggegeven aan haar ouders.
De draagkracht van de man
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man de hiervoor genoemde bijdrage van € 1.527,- bruto per maand kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van dezelfde gegevens als hiervoor onder punt 4.16 tot 4.19 weergegeven.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welke kosten de man moet betalen uit dit netto-inkomen. Over de volgende lasten van de man bestaat geen discussie:
-
huur van (1.143/2) € 572,- per maand;
-
basis premie ziektekostenverzekering van € 117,- per maand;
-
aanvullende premie ziektekostenverzekering van € 24,- per maand;
-
verplicht eigen risico van € 32,- per maand;
-
de aflossing van de schuld aan [onderneming] B.V. van € 652,- per maand.
De rechtbank zal daarnaast net zoals bij de kinderalimentatie rekening houden met de aflossing op de DUO schuld van € 205,- per maand. Daarbij merkt de rechtbank op dat het verweer van de vrouw ter zitting dat de man niet heeft aangetoond dat hij hierop ook daadwerkelijk aflost, te laat naar voren is gebracht. Verder houdt de rechtbank ook rekening met de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] van in totaal € 1.220,- per maand.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van € 2.243,- netto per maand over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak 60% beschikbaar voor partneralimentatie, oftewel € 1.346,- netto per maand. De overige 40% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man dan op een bedrag van € 221,- bruto per maand. Dit volgt uit de eerder genoemde berekening, die in de bijlage van deze beschikking opgenomen (bijlage 3).
De jusvergelijking
Hiervoor heeft de rechtbank berekend dat de man een bedrag van € 221,- per maand kan betalen en dat de vrouw ook behoefte heeft aan dit bedrag. Het ligt dan voor de hand dat de man dit bedrag aan partneralimentatie moet betalen. Maar de man heeft ook aangevoerd dat het onredelijk zou zijn als door de betaling van dat bedrag hij minder over zou houden na betaling van zijn vaste lasten dan de vrouw. Anders gezegd, de vrouw mag niet beter af zijn dan de man na betaling van de partneralimentatie. Om te kunnen vaststellen of die situatie zich hier voordoet, moet de rechtbank de financiële situatie van de man vergelijken met die van de vrouw. Dat wordt ook wel de ‘jusvergelijking’ genoemd.
Na vergelijking van de situaties van partijen, stelt de rechtbank vast dat de vrouw niet beter af is dan de man als de man het bedrag van € 221,- aan partneralimentatie betaalt. De rechtbank zal uitleggen hoe zij tot die conclusie komt.
Bij het maken van de vergelijking is de rechtbank uitgegaan van de gegevens van de man als hiervoor bij de draagkracht is genoemd. Aan de kant van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van het inkomen als hiervoor bij de behoefte is genoemd. Wat haar lasten betreft, heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende lasten waarover geen discussie bestaat:
-
huur van € 1.550,- per maand;
-
basis premie ziektekostenverzekering van € 169,- per maand;
-
verplicht eigen risico van € 32,- per maand;
-
de aflossing van de schuld aan DUO van € 58,- per maand.
Verder houdt de rechtbank ook rekening met de kosten voor [minderjarige 1 (voornaam)] van € 956,- per maand.
Uit de berekening die in de bijlage van deze beschikking is opgenomen (bijlage 4), volgt dat pas als de man méér dan € 959,- per maand zou betalen, de vrouw beter af is dan hijzelf. Zoals hiervoor bij de draagkracht is berekend, kan de man maar een bedrag van
€ 221,- per maand betalen. Bij dat bedrag is de vrouw niet beter af dan de man, zodat de rechtbank dat bedrag aan partneralimentatie zal opleggen.
Limitering en nihilstelling van de partneralimentatie
De rechtbank zal het verzoek van de man om de duur van de partneralimentatie te limiteren tot drie jaar of na die periode op nihil te stellen, afwijzen. De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende grond gelet op het verschil tussen het inkomen van de vrouw en haar behoefte. Bovendien is [minderjarige 1 (voornaam)] nog erg jong en draagt de vrouw de volledige zorg voor [minderjarige 1 (voornaam)] .
De partneralimentatie moet vooruit worden betaald
De rechtbank zal beslissen dat de man de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden in een gemeenschap van inboedel en een uitsluiting van elke andere gemeenschap van goederen. Verder zijn partijen overeengekomen dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding door de echtgenoten worden gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Partijen zijn geen verrekenbeding overeengekomen.
Inboedel
Partijen zijn ter zitting het erover eens geworden dat de inboedel in onderling overleg bij helfte wordt verdeeld. De rechtbank zal aldus bepalen en gelet op deze afspraak de verzoeken van partijen ten aanzien van de inboedel als gewijzigd dan wel ingetrokken beschouwen.
Kosten huishouding
De rechtbank zal vaststellen dat partijen ten aanzien van de kosten van de huishouding over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Partijen zijn het hierover eens.
De rechtbank zal de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen gehuwd op [2017] in [plaats] ;
stelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1 (voornaam)] vast bij de vrouw;
schorst het gezag van de man over de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [2018] in [geboorteplaats 1] , zodat de vrouw op dit moment alleen het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] uitoefent, en verstaat dat deze maatregel van rechtswege vervalt na verloop van één jaar na de datum van deze beschikking;
stelt de volgende informatieregeling vast:
- de vrouw stuurt één keer per maand een e-mail aan de man met daarin een overzicht van (belangrijke) gebeurtenissen in het leven van [minderjarige 1 (voornaam)] met daarbij gevoegd een foto;
beslist dat de man een bedrag van € 538,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] ;
beslist dat de man vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 221,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
beslist dat de man de kinder- en partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
stelt vast dat de inboedel van de echtelijke woning tussen partijen in onderling overleg bij helfte wordt verdeeld;
stelt vast dat partijen ten aanzien van de kosten van de huishouding over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.R. Scharrenborg, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
