Rechtbank Noord-Holland 17-12-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15879

Essentie (gemaakt door AI)

Zaak over informatieplicht jegens legitimaris, waarin eiser afschrift en inzage van boedelstukken vordert van executeur, stellende dat hij tijdig een beroep op zijn legitieme portie heeft gedaan. De kantonrechter oordeelt dat niet is onderbouwd dat eiser binnen vijf jaar na overlijden een beroep deed art. 4:85 lid 1 BW, zodat geen recht op de verzochte gegevens bestaat; vordering wordt afgewezen. Tegenvorderingen van gedaagde sub 1 tot vaststelling correcte afwikkeling en verdeling worden wegens gebrek aan belang, onder­

Datum publicatie10-02-2026
Zaaknummer11765298 \ CV EXPL 25-2387
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAlkmaar
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Legitieme portie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

erfrechtzaak

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11765298 \ CV EXPL 25-2387 (SJ)

Vonnis van 17 december 2025 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. M.J. Meijer,

inzake

de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: erflaatster),

geboren op [geboortedatum] 1934 te [plaats] en overleden op 8 september 2016 te [plaats] ,

laatstelijk gewoond hebbende te [plaats] .

tegen

1. [gedaagde 1], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster

te [plaats] ,
gedaagde partij
hierna te noemen: gedaagde sub 1,
gemachtigde: mr. A. Lof

2 2. [gedaagde 2] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde sub 2

in persoon verschenen.

1De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 oktober 2024;
- het tussenvonnis van 27 november 2024;
- de conclusie van antwoord van 21 januari 2025;
- het tussenvonnis van 12 maart 2025;

- de akte van 20 maart 2025;
- het vonnis van 4 juni 2025 waarin de zaak is doorverwezen naar de zittingslocatie Alkmaar;

- het vonnis van 23 juli 2025;

- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden. De gemachtigde van eiser heeft spreekaantekeningen overgelegd.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn de kinderen van erflaatster en [gedaagde 2] (hierna: vader). Erflaatster en vader waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.

Erflaatster is op 8 september 2016 overleden. Zij heeft haar nalatenschap in een testament vastgelegd. Hierin heeft zij vader benoemd tot enig erfgenaam. Tevens bevat het testament een tweetrapsmaking ten behoeve van gedaagde sub 1.

2.3.

Verder heeft erflaatster gedaagde sub 1 tot haar executeur benoemd. Gedaagde sub 1 heeft deze benoeming aanvaard.

2.4.

Vader heeft de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard.

2.5.

Op 12 maart 2019 is vader overleden. Partijen zijn de erfgenamen van de nalatenschap van vader en hebben deze nalatenschap zuiver aanvaard.

3Het geschil

3.1.

Eiser vordert om gedaagde sub 1 te veroordelen tot het verstrekken van inzage en afschrift van de volgende stukken:
a.) het testament van erflaatster;
b.) alle bankafschriften waarop erflaatster volledig of gedeeltelijk gerechtigd was vanaf 1 januari 2015 tot de datum van haar overlijden;
c.) belastingaangiften en -aanslagen IB/PVV over 2014 tot en met 2016, alsmede de aangifte erfbelasting;
d.) een gespecificeerde boedelbeschrijving;
e.) een overzicht van gedane schenkingen vanaf 1 januari 2012;
f.) overige stukken die betrekking hebben op de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster, waaronder levensverzekeringen, afschriften van polissen en een gespecificeerde opgave van daaruit ontvangen uitkeringen;
een en ander op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van
€ 10.000,00 voor iedere dag dat de executeur in gebreke blijft te voldoen vanaf 30 dagen na betekening van het te wijzen vonnis. Eiser vordert ook dat de executeur in de proceskosten wordt veroordeeld. Eiser wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

3.2.

Eiser stelt dat hij bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie. Maar dat hij en gedaagde sub 1 nadrukkelijk hebben afgesproken dat deze hem pas zou worden uitbetaald na het overlijden van vader. Eiser wenst meer duidelijkheid te verkrijgen van gedaagde sub 1 omtrent de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster en de hoogte van de schulden en de baten. Hij meent op grond van artikel 4:16 BW hierop recht te hebben omdat zijn legitieme aanspraak eerst moet worden uitgekeerd, waarna de verdeling van de nalatenschap van vader kan worden afgerond. In dit verband stelt eiser dat de woning van erflaatster tegen een prijs onder de marktwaarde is verkocht. Volgens eiser moet dit op grond van artikel 7:186 BW als een gift moet worden aangemerkt en worden betrokken bij de berekening van de legitieme portie. Volgens eiser reageert gedaagde sub 1 niet inhoudelijk en wil gedaagde sub 1 dat de woning aan hem wordt toebedeeld tegen de waarde uit 2019.

3.3.

Gedaagde sub 1 betwist dat eiser een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie en zegt dat hiervan ook geen schriftelijke bevestiging is. Eiser heeft hierop ook geen beroep gedaan bij de notaris. Dit blijkt uit de e-mail van de notaris van 5 maart 2020. De vervaltermijn om een beroep te kunnen doen op de legitieme portie is verstreken. Ook betwist gedaagde sub 1 dat de woning onder de marktwaarde zou zijn gewaardeerd en dat er sprake zou zijn van een gift. Gedaagde sub 1 wijst hierbij op het taxatierapport, waarin staat dat de waarde is vastgesteld op de marktwaarde op de peildatum 10 juli 2019. Daarbij heeft eiser nagelaten om een eigen taxatie uit te laten voeren, terwijl hij wel die mogelijkheid had. De woning hoeft ook niet opnieuw te worden gewaardeerd. Verder voert gedaagde sub 1 aan dat eiser een volmacht heeft ondertekend waarin hij instemt met de verdeling van de nalatenschap door gedaagde sub 1. Dit toont aan dat eiser destijds instemde met de wijze van afhandeling van de taxatie van de woning. Tot slot betwist gedaagde sub 1 dat hij de stukken niet heeft gedeeld met eiser. Dit blijkt volgens eiser uit de e-mail van de notaris van 27 mei 2024.

3.4.

Als tegenvordering verzoekt gedaagde sub 1 om vast te stellen dat de nalatenschap van erflaatster en de nalatenschap van vader correct zijn afgewikkeld en dat gedaagde sub 1 volledig heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen door alle benodigde gegevens aan de notaris te verstrekken voor het opstellen van de aangifte erfbelasting en het verdelen van de nalatenschap. Verder verzoekt gedaagde sub 1 te bepalen dat de nalatenschap wordt verdeeld op basis van de bestaande taxatie en dat is vastgesteld dat gedaagde sub 1 over voldoende financiële middelen beschikt om de uitbetalingen aan zijn broers te kunnen verrichten.

4De beoordeling

In de vordering

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of eiser, als onterfde zoon die aanspraak maakt op zijn legitieme portie en die als zodanig niet kwalificeert als erfgenaam, recht heeft om de informatie te verkrijgen teneinde de waarde van zijn geldvordering op de nalatenschap van erflaatster te kunnen berekenen. Daartoe moet allereerst worden beoordeeld of eiser tijdig aanspraak heeft gemaakt op zijn legitieme portie, hetgeen door eiser is gesteld en door gedaagde sub 1 is weersproken.

4.2.

Artikel 4:85 lid 1 BW bepaalt: “De mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.”

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiser binnen de termijn van vijf jaar een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie. Overwogen wordt als volgt.

4.4.

In de dagvaarding stelt eiser dat hij bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie en dat hij en gedaagde sub 1 nadrukkelijk hebben afgesproken dat zijn aanspraak pas zou worden uitbetaald na het overlijden van vader. In de conclusie van antwoord betwist gedaagde sub 1 dat eiser een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie en dat hiervan ook geen schriftelijke bevestiging is. Verder voert gedaagde sub 1 aan dat eiser hierop ook geen beroep gedaan bij de notaris en dat dit blijkt uit de e-mail van de notaris van 5 maart 2020. Volgens gedaagde sub 1 heeft eiser pas in de dagvaarding beroep op zijn legitieme portie gedaan en dat is niet binnen de termijn van vijf jaar na overlijden van erflaatster.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting van gedaagde sub 1, op de weg van eiser had gelegen om het door hem ingenomen stelling in de dagvaarding nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. In plaats daarvan stelt eiser op de zitting dat hij in de zomer van 2020 – dat is na overlijden van vader – in een telefoongesprek met de notaris heeft verklaard dat hij een beroep wenst te doen op zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster. Maar ook hiervan is geen schriftelijke bevestiging of verklaring van de notaris. Dat “De notaris zal dat expliciet moeten hebben gevraagd” en “Dat is heel logisch”, zoals naar voren gebracht door de gemachtigde van eiser, acht de kantonrechter te weinig specifiek. Op de zitting heeft eiser hierover verder geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Bovendien is deze stelling van eiser op de zitting niet te rijmen met het gestelde in de dagvaarding. De kantonrechter concludeert dan ook dat eiser zijn stelling dat hij tijdig een beroep op zijn legitieme heeft gedaan niet heeft onderbouwd. Dit heeft verder tot gevolg dat hij niet zal worden toegelaten tot bewijslevering van zijn standpunt. Aan het bewijsaanbod dat eiser op de zitting heeft gedaan, gaat de kantonrechter dan ook voorbij. Daarbij heeft eiser geen bewijsaanbod gedaan van zijn stelling in de dagvaarding. Gelet op het voorgaande houdt de kantonrechter het ervoor dat eiser niet binnen de vervaltermijn van vijf jaar na het overlijden van erflaatster een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie. Dat is dus te laat. Dit maakt ook dat eiser geen aanspraak heeft op de door hem verzochte gegevens. Zijn vordering daartoe wordt daarom afgewezen.

4.6.

Hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht, behoeft dan ook geen bespreking en laat de kantonrechter verder buiten beschouwing.

In de tegenvordering

4.7.

De tegenvordering om vast te stellen dat gedaagde sub 1 zijn informatieplicht is nagekomen en alle benodigde gegevens heeft verstrekt, wordt, gelet op het oordeel in de vordering, afgewezen wegens gebrek aan belang.

4.8.

De tegenvordering om vast te stellen dat gedaagde sub 1 de nalatenschap van erflaatster correct heeft afgewikkeld, wijst de kantonrechter af wegens gebrek aan voldoende onderbouwing. De tegenvordering om vast te stellen dat gedaagde sub 1 over voldoende financiële middelen beschikt om de uitbetalingen aan zijn broers te kunnen verrichten, wordt om dezelfde reden afgewezen.

4.9.

De tegenvordering om vast te stellen dat gedaagde sub 1 de nalatenschap van vader correct heeft afgewikkeld, wordt eveneens afgewezen. Partijen zijn in verband met de woning, die in de nalatenschap van vader valt, nog in een onverdeelde gemeenschap. Er kan dus niet staande worden gehouden dat de nalatenschap van vader is afgewikkeld.

4.10.

De tegenvordering om te bepalen dat de nalatenschap wordt verdeeld zoals gedaagde sub 1 heeft verzocht, wijst de kantonrechter af omdat niet zij maar de rechtbank bevoegd is om tot verdeling over te gaan. De kantonrechter zal de zaak niet (ambtshalve) doorverwijzen naar de rechtbank, omdat uit de verklaringen van gedaagde sub 1 op de zitting kan worden afgeleid dat hij hierop geen prijs stelt. Bovendien is dit tegenverzoek vroegtijdig, gelet op het voorgaande.

De proceskosten in de vordering en de tegenvordering

4.11.

Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld en vanwege de familierechtelijke aard van de zaak, ziet de kantonrechter aanleiding om te bepalen dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

5De beslissing

De kantonrechter


In de vordering

5.1.

wijst de vorderingen van eiser af;

In de tegenvordering

5.2.

wijst de vorderingen van gedaagde sub 1 af;

In de vordering en de tegenvordering

5.3.

bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn, kantonrechter, in samenwerking met
mr. S.C. Jacobs, juridisch adviseur/griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.


de griffier de rechter



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733