Rechtbank Den Haag 07-01-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2163

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding met pensioenverweer waarin Nederlandse rechtsmacht en Nederlands recht worden aangenomen art. 10:56 BW. Duurzame ontwrichting staat vast, maar vrouw voert pensioenverweer ex art. 1:153 BW. Rekenkundig vooruitzicht op nabestaandenpensioen zou na echtscheiding (zonder of na afloop partneralimentatie) teloorgaan/ernstig verminderen. Door man gestelde levensverzekeringen onvoldoende onderbouwd; uitzonderingen art. 1:153 lid 2 BW niet van toepassing. Pensioenverweer slaagt.

Datum publicatie10-02-2026
ZaaknummerC/09/651505
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenPensioen; Pensioenverweer
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

volgt

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 24-7934

Zaaknummer: C/09/675227

Datum beschikking: 7 januari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 6 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen in Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. K.A. Boshouwers in Utrecht, voorheen mr. H. Loonstein in Amsterdam en meer voorheen mr. R.A. van den Heuvel in Rijswijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de man;

  • de brief van 30 januari 2025 namens de man;

  • de brief van 14 februari 2025 namens de vrouw;

  • de brief van 23 mei 2025 namens de man;

  • het verweerschrift, met zelfstandig verzoek, namens de vrouw, ingekomen op 28 mei 2025;

  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek, namens de man, ingekomen op 22 juli 2025;

  • het bericht van 18 november 2025, met aanvullend zelfstandig verzoek en met bijlagen, namens de vrouw;

  • de brief van 21 november 2025, met aanvullend zelfstandig verzoek en met bijlagen, namens de vrouw;

  • de bijlagen ingediend op 2 december 2025 namens de man.

Op 3 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en tolk H.C. de Man, en de vrouw met haar advocaat, pensioenadvocaat mr. W.P.M. Thijssen en tolk J.M. van der Boom. Door de advocaat van de man en de advocaten van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. De advocaat van de vrouw heeft ook een nieuwe alimentatieberekening overgelegd. Op de zitting heeft de rechter beslist dat de bijlagen ingediend op 2 december 2025 namens de man vanwege strijd met de procesorde niet in aanmerking worden genomen, omdat zij de dag voor de zitting na kantoortijd zijn ingediend.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn gehuwd op [dag] 2001 in [plaats] , Frankrijk.

  • De man en de vrouw hebben de Franse nationaliteit.

  • Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

  • Partijen hebben twee (jong)meerderjarige kinderen:

  • [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2004 in [geboorteplaats] ;

  • [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2005 in [geboorteplaats] .

Verzoek en verweer

De man verzoekt om de echtscheiding uit te spreken, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert – na wijziging – een pensioenverweer tegen de verzochte echtscheiding. Daarnaast verzoekt de vrouw (subsidiair) zelfstandig om vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in het daartoe bestemde register, van:

  • € 8.627,- per maand gedurende de periode dat de man met € 1.600,- per maand blijft bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1] ;

  • € 10.227,- per mand vanaf het moment dat de man niet meer € 1.600,- per maand bijdraagt in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1] ,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien zowel de man als de vrouw hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

De rechtbank zal op grond van het eerste lid van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Pensioenverweer

De door de man gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de vrouw niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding – in beginsel – als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

De vrouw heeft echter een pensioenverweer opgeworpen. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie het pensioenverweer van de vrouw een preliminair verweer is, waarop moet worden beslist voordat eventueel de echtscheiding kan worden uitgesproken. Het pensioenverweer ziet volgens de wetsgeschiedenis van artikel 1:153 BW uitsluitend op pensioenuitkeringen bij vooroverlijden van de partij die de echtscheiding verzoekt, dus op nabestaandenpensioen.

De man voert aan dat het pensioenverweer van de vrouw te laat is ingediend, omdat zij in deze procedure in eerste instantie met het verzoek tot echtscheiding heeft ingestemd en daarmee de duurzame ontwrichting vast is komen te staan. De rechtbank overweegt dat het partijen vrij staat om gedurende een procedure een ander standpunt te laten prevaleren. De man heeft zijn standpunt niet verder toegelicht, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat en het pensioenverweer inhoudelijk zal behandelen.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:153 lid 1 BW kan, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. In lid 2 is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien a) redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen, of b) indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere echtgenoot.

Standpunt vrouw

De vrouw heeft berekend dat het maandelijkse netto inkomen van partijen tijdens het huwelijk in totaal € 29.799,- was, bestaande uit inkomen van € 25.979,- per maand van de man en € 3.820,- per maand van de vrouw. De vrouw schat in – bij gebreke van nadere stukken van de man – dat zij bij vooroverlijden van de man tijdens het huwelijk een partnerpensioen van netto € 4.500,- krijgt, dat doorloopt tot haar overlijden. De vrouw heeft voorgerekend dat zij na echtscheiding een partneralimentatie zou ontvangen van (minimaal) € 8.672,- per maand voor vijf jaar. Als de man in die vijf jaar zou overlijden, ontvangt de vrouw volgens de pensioenregeling van het European Patent Office (EPO) partnerpensioen totdat die vijf jaar zijn afgelopen. Als de man na die vijf jaar overlijdt, ontvangt de vrouw geen partnerpensioen. Aangezien de kans groot is, gezien zijn leeftijd, dat de man na die vijf jaar overlijdt, betekent dat voor de vrouw dat zij door de echtscheiding € 4.500,- maandelijks minder ontvangt dan wanneer zij ongescheiden is. Dat verschil is gelet op haar eigen inkomsten van € 3.820,- per maand een ernstige vermindering, zodat er voldaan is de situatie zoals genoemd in artikel 1:153 lid 1 BW. Volgens de vrouw heeft de man geen voorziening aangeboden die een billijke compensatie inhoudt voor het wegvallen van het recht op partnerpensioen als de echtscheiding zou worden uitgesproken.

Standpunt man

De man heeft in het algemeen de juistheid betwist van wat de vrouw ten aanzien van het pensioenverweer heeft aangevoerd. Hij betwist verder dat zijn inkomen netto € 25.979,- per maand bedraagt. Ook betwist de man dat de vrouw recht zou hebben op een bedrag aan partneralimentatie, omdat zij weliswaar een huwelijksgerelateerde behoefte heeft, maar zij niet behoeftig is. Verder heeft de man aangevoerd dat de vrouw begunstigde is van twee polissen en dat zij er daardoor bij zijn vooroverlijden niet op achteruit zal gaan. Tot slot betoogt de man dat het pensioenverweer niet kan slagen, omdat er sprake is van de situaties zoals genoemd in artikel 1:1531 lid 2 BW.

Inhoudelijke beoordeling

De hoogte van het door de vrouw gestelde partnerpensioen is door de man slechts zeer in het algemeen betwist, zodat de rechtbank – bij gebrek van verdere gegevens – ervan uitgaat dat de vrouw bij vooroverlijden van de man tijdens het huwelijk tot aan haar eigen overlijden een partnerpensioen van € 4.500,- per maand zal ontvangen. Volgens de man heeft de vrouw na echtscheiding geen recht op partneralimentatie. Hoewel de rechtbank dat onwaarschijnlijk acht gezien de inkomens – en het significante verschil daartussen – van partijen, zal de rechtbank hier eerst ingaan op de situatie dat de vrouw inderdaad geen recht heeft op partneralimentatie. In dat geval heeft de vrouw na echtscheiding bij vooroverlijden van de man geen recht op een partnerpensioen, nu het EPO-reglement bepaalt dat na echtscheiding een partnerpensioen alleen wordt uitgekeerd als er recht op partneralimentatie zou zijn. Daarmee zou het vooruitzicht van de vrouw op het partnerpensioen van € 4.500,- per maand door de echtscheiding in zijn geheel teloor gaan. Als de vrouw daarentegen wel partneralimentatie zou ontvangen, doet zich de situatie voor die door de vrouw is geschetst: bij vooroverlijden van de man gedurende de periode dat de vrouw partneralimentatie ontvangt, krijgt zij partnerpensioen tot aan de einddatum van de partneralimentatie. Bij vooroverlijden van de man na de periode dat zij partneralimentatie ontvangt, krijgt de vrouw niets. Ook in die gevallen is haar vooruitzicht op partnerpensioen in ernstige mate verminderd dan wel teloor gegaan.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw er door de echtscheiding niet financieel op achteruit gaat bij vooroverlijden van de man, omdat zij begunstigde is bij een door de man afgesloten EPO levensverzekering bij overlijden en ook begunstigde is bij een levensverzekering bij Nationale Nederlanden (NN). De vrouw heeft de financiële compensatie die uit deze twee polissen zou voortvloeien betwist. De EPO levensverzekering is volgens de vrouw niet een echte polis, maar een arbeidsvoorwaardelijke regeling die vervalt zodra de man met pensioen gaat. Mocht de man onverhoopt overlijden voorafgaand aan zijn pensioen, dan ontvangt de vrouw slechts een kwart van het totale bedrag dat vrijkomt, omdat er vier begunstigden zijn. Dat totale bedrag is ongeveer € 38.000,- en staat niet in verhouding tot het partnerpensioen. Met betrekking tot de levensverzekering bij NN geeft de vrouw aan dat die polis haar rechten zou kunnen geven uit hoofde van erfgenaamschap, maar dat zij bij echtscheiding geen erfgenaam meer zou zijn, waardoor zij ook geen rechten meer aan deze polis zou kunnen ontlenen. Aangezien de polis niet (tijdig) is overgelegd, kan de vrouw daar verder niks over zeggen.

De rechtbank is van oordeel dat het, in het licht van de betwisting door de vrouw, op de weg van de man had gelegen om nader te onderbouwen wat de polissen betekenen voor de vrouw na echtscheiding en bij vooroverlijden van de man. Nu hij dat niet heeft gedaan, maar slechts de polissen heeft genoemd, gaat de rechtbank niet mee in het betoog dat deze polissen een billijke compensatie bieden voor de achteruitgang in het partnerpensioen van de vrouw na echtscheiding en bij vooroverlijden van de man.

Met betrekking tot het beroep van de man op de uitzonderingen uit artikel 1:153 lid 2 BW overweegt de rechtbank als volgt. De man stelt ten eerste dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zelf voorzieningen treft, bijvoorbeeld door meer te gaan werken, wanneer het partnerpensioen vermindert of wegvalt. Volgens de vrouw kan zij niet meer werken dan zij op dit moment doet. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt een verslag van haar behandelend arts overgelegd, waarin staat dat de vrouw door onder meer de gevolgen van borstkanker niet in staat is om meer te werken. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het betoog van de man dat artikel 1:153 lid 2 sub a BW van toepassing is. Ten tweede stelt de man dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk overwegend aan de vrouw is te wijten, vanwege haar onaangename gedrag op het moment dat de man haar geen financiële concessies wilde doen. De vrouw betwist deze stelling van de man. Zij geeft aan dat partijen geen gelukkig huwelijk hadden en dat zij vanwege huiselijk geweld de echtelijke woning moest verlaten. De rechtbank constateert dat geen van partijen zijn/haar standpunt heeft onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat het aan de vrouw te wijten is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de rechtbank ook voorbij gaat aan het betoog van de man dat artikel 1:153 lid 2 sub b BW van toepassing is.

De rechtbank concludeert dat de man de echtscheiding heeft verzocht, dat als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de vrouw na vooroverlijden van man zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen en dat de man hier geen billijke voorzieningen voor heeft getroffen. Het pensioenverweer van de vrouw slaagt. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de man tot echtscheiding af.

Proceskosten

Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de man tot echtscheiding;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 januari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733