Essentie (gemaakt door AI)
Vader verzoekt nihilstelling kinderalimentatie (vastgesteld op € 274 p/m, geïndexeerd € 305,23) wegens bijstandsuitkering. Niet-ontvankelijkheidsverweer van moeder wordt afgewezen; gewijzigde omstandigheid aannemelijk. Verzoek wordt afgewezen: eerdere beslissing voldoet nog aan wettelijke maatstaven; vermeend onjuiste weging is geen wijzigingsgrond; vader onderbouwt draagkrachtvermindering en inspanningen/verdiencapaciteit onvoldoende; aanwijzingen van verzwegen inkomsten/vermogen; waarschuwing art. 21 Rv. Vader wordt in| Datum publicatie | 09-02-2026 |
| Zaaknummer | C/09/687721 / FA RK 25-4911 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Familieprocesrecht; Proceskosten |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Wijziging kinderalimentatie afgewezen. Onvoldoende inzage gekregen in financiële situatie alimentatieplichtige. Enkel overleggen specificatie bijstandsuitkering is hier onvoldoende; grote twijfels over zijn inkomen/vermogen. Onvoldoende onderbouwd dat hij zijn verdiencapaciteit niet kan benutten. Ambtshalve proceskostenveroordeling.Volledige uitspraak
Familierecht
Zaaknummer: C/09/687721 / FA RK 25-4911
Kinderalimentatie
Beschikking van 23 januari 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.F. Achekar,
en
[verweerster],
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.G. Weitkamp.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vader met bijlagen 1 tot en met 9, ingediend op 30 juni 2025;
het verweerschrift van de moeder, met bijlagen 1 en 2;
het bericht van de moeder van 5 januari 2026 met bijlagen 3 en 4.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
13 januari 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via (video)bellen gehoord:
de advocaat van de vader, en
de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
2Waar gaat het over?
Wat staat vast?
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige], geboren op [datum].
minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
Op 5 december 2024 heeft de rechtbank beslist dat de vader een bedrag van € 274 per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen met ingang van 6 april 2023. Geïndexeerd naar 1 januari 2026 bedraagt dit € 305,23 per maand.
Wat ligt voor?
De vader wil dat dit bedrag wordt gewijzigd en wordt vastgesteld op nihil (€ 0 per maand), met ingang van 5 december 2024. Volgens de vader zijn de omstandigheden gewijzigd en kan hij de bijdrage niet meer betalen.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de vader niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek of dat het verzoek wordt afgewezen.
3De beoordeling
Niet-ontvankelijk
De rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 2024 vastgesteld welk bedrag aan kinderalimentatie de vader aan de moeder moet betalen. De alimentatie kan opnieuw worden berekend als de omstandigheden zijn gewijzigd.
1 Dat is waar de vader zich op beroept. Hij voert aan dat zijn draagkracht is verminderd omdat hij vanaf 27 februari 2025 een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat dat zo is terwijl ook blijkt dat de rechtbank in zijn eerdere beoordeling daar geen rekening mee heeft gehouden, nu dit op dat moment nog een toekomstige gebeurtenis was. De vader kan daarom worden ontvangen in zijn verzoek en de rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder om de vader niet-ontvankelijk te verklaren afwijzen.
Afwijzing verzoek
De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen. Niet is gebleken dat de eerdere alimentatie uitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De vader heeft ter onderbouwing van zijn verzoek verschillende omstandigheden naar voren gebracht, die volgens hem zouden moeten leiden tot een wijziging van de kinderalimentatie, maar die omstandigheden zijn gewogen en beoordeeld door de rechtbank bij beschikking van 5 december 2024. Een vermeend onjuist wegen van die omstandigheden vormt op zichzelf geen reden voor wijziging.
2
Verder heeft de rechtbank in voornoemde beschikking een duidelijk signaal afgegeven dat de vader onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn financiële situatie. Zo heeft de rechtbank toen overwogen dat de financiële gegevens van de vader uit 2019 niet aansluiten bij de gegevens van 2020. Ook is toen geoordeeld dat de vader, naast inkomen uit zijn bedrijf, tevens op andere niet navolgbare wijze aan zijn inkomen komt. Het lag daarom op de weg van de vader om dat in deze procedure beter te doen en dat heeft hij niet gedaan. Ook in deze procedure stelt de rechtbank vast dat er sterke aanwijzingen zijn dat de vader inkomsten en/of vermogen (in het buitenland) verzwijgt. Zo is het zonder nadere uitleg onverklaarbaar waar de vader met zijn gezin (een echtgenote die volgens de vader niet werkt en drie kinderen waarvan één minderjarig) in 2024 van heeft geleefd. De vader had toen nog geen bijstandsuitkering en runde naar eigen zeggen in dat jaar zijn bedrijf (eenmanszaak autobedrijf) tot medio mei 2024 (de IB-aangifte 2024 toont een winst uit onderneming van € 5.415 bruto en geen box 3 vermogen). De uitleg dat de vader gereedschap heeft verkocht en met zijn gezin heeft geleefd van de opbrengst, wordt niet ondersteund met stukken en is hier onvoldoende om de grote twijfels over het inkomen van de vader weg te nemen. Grote twijfels omdat de vader kennelijk wel in staat is geweest om de kinderalimentatie tot op heden ((deels) in contanten) te voldoen. Het valt daarbij op dat de vader in 2025 een bedrag van € 9.200 heeft voldaan. Het roept daarbij ook vragen op dat de vader voor betalingen van de kinderalimentatie ook gebruik maakt van cheques die worden ingeleverd bij een Spaanse bank [naam] met een uitbetaallocatie (naam) in Amsterdam terwijl de vader en de moeder in Nederland woonachtig zijn. Met het versturen van geld (via een cheque) op deze wijze gaan namelijk ook (forse) kosten gepaard (€ 42 op een bedrag van € 800), welke kosten ook kunnen worden besteed aan de zorg en opvoeding van [minderjarige]. Ook staat als onweersproken vast dat de vader een auto heeft/rijdt, met vakanties gaat en niet op de mondelinge behandeling aanwezig was in verband met een verblijf in [buitenland]. Het is voor de rechtbank onduidelijk waar al deze betalingen en kosten van worden voldaan. Inzage in zijn in- en uitgaven en de hoogte van zijn banksaldi (in binnen- en buitenland) heeft de vader niet verstrekt en de rechtbank heeft hem daar ook niet op kunnen bevragen. Hij heeft in deze procedure volstaan met een enkele uitkeringsspecificatie en dat beoordeelt de rechtbank hier als onvoldoende.
Ook heeft de vader niet onderbouwd waarom hij niet in staat zou zijn om te voorzien in zijn aandeel van de kosten van [minderjarige]. Het is vaste jurisprudentie dat de rechter zelfstandig de verdiencapaciteit van de vader (en zijn inspanningen om die verdiencapaciteit te benutten) beoordeelt. Het enkele feit dat de vader nu een bijstandsuitkering ontvangt is dan ook onvoldoende om te oordelen dat hij geen mogelijkheden meer heeft om bij te dragen in de kosten van zijn dochtertje. Zonder nadere uitleg is namelijk niet verklaarbaar waarom de vader, gelet op de huidige arbeidsmarkt, niet in staat is om inkomen uit arbeid te verwerven en zijn verdiencapaciteit te benutten. Bewijsstukken van zijn inspanningen daartoe zijn niet overgelegd. Verder staat vast dat de vader naar eigen zeggen jarenlang een goedlopend succesvol bedrijf heeft gerund. Zonder nadere uitleg is het niet verklaarbaar waarom dat nu niet meer tot de mogelijkheden behoort.
Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering
De rechtbank wijst de vader op artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vader is verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
3 Als er inderdaad sprake is van niet geregistreerd inkomen (zwarte geldstromen) en/of verborgen vermogen (in het binnen- of buitenland) dan overtreedt de vader de wet. Deze informatie is immers van wezenlijk van belang voor de beoordeling van zijn draagkracht, maar overigens ook voor de vaststelling van de hoogte van de inkomstenbelasting, het beoordelen van de vraag of de vader recht heeft op toeslagen en gesubsidieerde rechtsbijstand (waar hij in de procedure aanspraak op maakt). Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vader ook gehouden is de gemeente op juiste wijze te informeren over de hoogte van zijn inkomen en vermogen (in binnen- en buitenland). De vader maakt namelijk aanspraak om een bijstandsuitkering en de gemeente moet kunnen toetsen of daar een recht op bestaat.
Ambtshalve proceskostenveroordeling
De vader wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en de rechtbank ziet aanleiding om de vader in de kosten te veroordelen.
4 De rechtbank zal voor de berekening van de proceskosten aansluiten bij het betaalde griffierecht en het salaris van de advocaat van de moeder volgens het Liquidatietarief (tarief II). De rechtbank begroot deze kosten op:
€ 1.321 totaal (griffierecht onvermogende € 90 + salaris advocaat (2 punten x € 614))
4De beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vader;
veroordeelt de vader in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de moeder vastgesteld op € 90 aan griffierecht en € 1.228 aan salaris van de advocaat;
verklaart deze beschikking voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Dit is de beslissing van rechter mr. M.P. den Hollander, tot stand gekomen in samenwerking met mr. S.E. Kamer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
ECLI:NL:PHR:2025:1409 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1409)
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
