Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7234

Essentie (gemaakt door AI)

Medeaandeelhouder/bestuurder (tot 2008) vordert afstorting van bij P&S Holding opgebouwd pensioen en lijfrente. Verweer ‘geknoeid met documenten’ en beroep op finale kwijting wordt verworpen. Pensioenovereenkomst (2005) met 3% indexatie geldt; afstorting bij verzekeraar met genoemde maandbedragen en dwangsom toegewezen. Lijfrente uitgelegd: ‘doelvermogen’ is eindvermogen; afstorting tot € 32.251 met dwangsom. Geen benoeming actuaris; geen pensioenverevening zonder tijdige melding ex-echtgenote. Provisionele vordering afgewe​

Datum publicatie05-02-2026
Zaaknummer11839122
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsUtrecht
RechtsgebiedenCiviel recht; Arbeidsrecht
TrefwoordenPensioen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vordering tot afstorting pensioen en lijfrente toegewezen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 11839122 UC EXPL 25-6691 JH/1050

Vonnis van 10 december 2025

inzake

[eisende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eisende partij] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. G. de Gelder,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P&S Holding B.V.,

gevestigd te Wijk bij Duurstede,

verder ook te noemen P&S Holding,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.W.H. Peters.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van [eisende partij] met 31 producties,

  • de conclusie van antwoord van P&S Holding met een eis in reconventie en 11 producties,

  • het verwijzingsvonnis van deze rechtbank van 13 augustus 2025,

  • de namens [eisende partij] nagezonden producties 32 tot en met 35;

  • de namens P&S Holding opnieuw ingebrachte productie 6 en nagezonden productie 12.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. [eisende partij] was aanwezig, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens P&S Holding waren de heren [A] (directeur, hierna ook te noemen: [A] ) en dhr. [B] (accountant) aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht mede aan de hand van een pleitnota van de gemachtigde. Zij hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2De kern van de zaak

[eisende partij] is tot 2008 medeaandeelhouder/bestuurder geweest van P&S Holding. In 1995 hebben partijen een lijfrenteovereenkomst gesloten. [eisende partij] heeft vanaf dat moment daarnaast een pensioenvoorziening opgebouwd in P&S Holding. [eisende partij] stelt dat hij op grond van deze overeenkomsten vanaf 1 mei 2024 recht heeft op maandelijkse uitkeringen van lijfrente en pensioen. Omdat P&S Holding weigert die uitkeringen te betalen, vordert [eisende partij] in deze procedure (kort gezegd) afstorting van de lijfrente en het pensioen. De kantonrechter wijst die vorderingen grotendeels toe. De kantonrechter vindt dat voldoende is komen vast te staan dat [eisende partij] recht heeft op indexering van zijn pensioen, maar niet dat hij recht heeft op de rekenrente over de lijfrente. Het verweer van P&S Holding dat er is ‘geknoeid’ met documenten wordt verworpen. Dat geldt ook voor het verweer van P&S Holding dat zij niet tot uitbetaling hoeft over te gaan totdat een te benoemen actuaris door [eisende partij] volledig is geïnformeerd over de afspraken tussen [eisende partij] en zijn ex-echtgenote over verevening van het pensioen. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat de ex-echtgenote van [eisende partij] binnen twee jaar na de echtscheiding aan P&S Holding heeft meegedeeld dat er tot pensioenverevening moet worden overgegaan.

3De achtergrond van de zaak

3.1.

[eisende partij] , geboren op [1959] , heeft met [A] van 1992 tot juli 1994 een autoschadebedrijf geëxploiteerd in de vorm van een vennootschap onder firma. De vennootschap onder firma is in 1994 omgezet in de besloten vennootschap ‘ [bedrijf] B.V.’ Deze besloten vennootschap heeft nu de naam P&S Holding.

3.2.

Bij het omzetten in 1994 van de vennootschap onder firma in een besloten vennootschap was er voor [eisende partij] en [A] een stakingswinst van fl. 65.000,- per persoon beschikbaar en was de stand van de fiscale oudedagsreserve (FOR) afgerond fl. 5.000,- per persoon. Op 30 juni 1995 is een lijfrenteovereenkomst gesloten tussen [eisende partij] en P&S Holding. In deze overeenkomst is opgenomen dat voor [eisende partij] een lijfrente wordt aangekocht van fl. 70.000, dat P&S Holding zich verplicht om op zijn vroegst vanaf 1 juni 2019 uit het op te bouwen lijfrentekapitaal een lijfrente uit te keren in maandelijkse termijnen, én dat het doelvermogen fl. 71.071 bedraagt. Indien P&S Holding haar verplichting jegens [eisende partij] niet nakomt, geeft de overeenkomst [eisende partij] het recht om van P&S Holding onmiddellijke betaling te vorderen aan een verzekeringsmaatschappij van een zodanig som als op dat moment nodig zal zijn om de overeengekomen lijfrente te bedingen.

3.3.

[eisende partij] heeft daarnaast vanaf de oprichting van de besloten vennootschap pensioen opgebouwd in P&S Holding. Dat is door P&S Holding bevestigd in de pensioenbrief van april 1998. In de pensioenbrief is geen recht op indexering van het pensioen opgenomen. Dat recht op indexering staat wel vermeld in de door [eisende partij] overgelegde pensioenovereenkomst van 1 december 2005. In die pensioenovereenkomst is ook het recht opgenomen van [eisende partij] op afstorting van het ouderdomspensioen door P&S Holding bij een verzekeraar. P&S Holding betwist de echtheid van de pensioenovereenkomst.

3.4.

Op 31 december 2007 is [eisende partij] uitgetreden als bestuurder van P&S Holding. Op 18 september 2009 hebben [A] en [eisende partij] een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst is opgenomen dat het recht op pensioen respectievelijk stamrecht van [eisende partij] onverkort blijft bestaan en dat partijen elkaar “na effectuering van bovenstaande” finale kwijting verlenen.

3.5.

Over de lijfrente en het pensioen is door partijen veelvuldig gecorrespondeerd.

In 2018 heeft de accountant van P&S Holding de pensioenvoorziening van [eisende partij] per 31 december 2015 berekend op € 273.827 (€ 30.589 bruto per jaar) en de lijfrentevoorziening op € 148.643.

3.6.

In november 2024 heeft P&S Holding [eisende partij] nieuwe berekeningen toegestuurd. Op basis van die berekeningen zou [eisende partij] vanaf 1 mei 2024 recht hebben op € 40.498 bruto aan pensioen per jaar (€ 3.374,83 bruto per maand) en € 1.836 bruto per jaar aan lijfrente. Volgens [eisende partij] klopt die berekening voor wat betreft het pensioen, maar niet voor wat betreft de lijfrente. P&S Holding heeft in deze procedure juist het omgekeerde gesteld, namelijk dat de berekening van het pensioen niet juist is, maar van de lijfrente wel.

3.7.

P&S Holding weigert tot uitbetaling van de maandelijkse pensioen- en lijfrente-uitkering over te gaan. [eisende partij] vordert daarom in deze procedure in de hoofdzaak:

  1. primair om P&S Holding te veroordelen tot betaling van € 1.040.966 aan afkoop van pensioenrechten door rechtstreekse storting hiervan naar Zwitserleven, op straffe van een dwangsom, althans subsidiair om P&S Holding te veroordelen over te gaan tot afstorting van de pensioenrechten door ten behoeve van [eisende partij] pensioen aan te kopen bij een pensioenverzekeraar, waarbij [eisende partij] maandelijks recht heeft op een bruto pensioenbetaling van € 3.418,92, met jaarlijkse indexering van 3% en een maandelijks partnerpensioen van € 1.538,50 bruto, op straffe van een dwangsom;

  2. veroordeling van P&S Holding tot afstorting van de lijfrenteverplichting, per 1 maart 2025 ten bedrage van € 271.811,92, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag en wel door storting hiervan naar een door [eisende partij] op te geven bankrekening bij Rabobank en tevens te voldoen aan de verplichtingen die Rabobank hieraan stelt, op straffe van een dwangsom;

  3. veroordeling van P&S Holding in de proceskosten.

[eisende partij] heeft ook een voorlopige voorziening gevorderd voor de duur van deze procedure. Die voorziening komt, kort gezegd, neer op betaling van de inmiddels verschenen pensioentermijnen vanaf 1 mei 2024 tot en met maart 2025 en van de maandelijkse termijnen vanaf 1 april 2025, te vermeerderen met rente en kosten.

3.8.

P&S Holding heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eisende partij] en meent dat deze moeten worden afgewezen. In reconventie vordert P&S Holding benoeming van een onafhankelijk actuaris om een juiste berekening te krijgen van de hoogte van de af te storten bedragen en de verdeling hiervan tussen [eisende partij] en zijn ex-echtgenote. P&S Holding wil verder dat [eisende partij] alle documenten met betrekking tot huwelijk en echtscheiding aan de te benoemen actuaris verstrekt en dat er een grafoloog wordt benoemd om de echtheid van de handtekeningen op de pensioenovereenkomst te onderzoeken. P&S Holding heeft dit allebei niet gevorderd, maar bij de beoordeling zal wel op die wensen worden ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De kantonrechter zal de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen. Eerst zullen de vorderingen van [eisende partij] tot afstorting van pensioen en lijfrente worden beoordeeld. Daarna wordt ingegaan op de vordering van P&S Holding tot benoeming van een actuaris.

4.2.

Bij de beoordeling van de vorderingen gaat de kantonrechter voorbij aan het door P&S Holding gevoerde verweer dat zij gelet op het finale kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst van 18 september 2009 helemaal niets meer aan [eisende partij] verschuldigd is. Dit verweer is pas aan het einde van de mondelinge behandeling voor het eerst gevoerd. Wat daar verder ook van zij, dit is te laat en om die reden in strijd met de goede procesorde.

P&S Holding moet overgaan tot afstorting van de pensioenrechten van [eisende partij]

4.3.

Tussen partijen staat vast dat [eisende partij] een pensioenvoorziening heeft opgebouwd in P&S Holding. Partijen verschillen van mening over de inhoud van deze pensioenvoorziening. In de pensioenbrief van april 1998 is geen recht op indexering van het pensioen opgenomen, maar in de pensioenovereenkomst van december 2005 wel.

4.4.

P&S Holding betwist de echtheid van de pensioenovereenkomst. Volgens haar heeft [eisende partij] deze overeenkomst valselijk opgemaakt en valselijk ondertekend om daarmee de inhoud van de pensioenbrief ter zijde te stellen. P&S Holding wijst er in dat verband op dat de handtekening van [A] in de verste verte niet lijkt op de handtekeningen die door [A] zijn geplaatst op de lijfrenteovereenkomst, de pensioenbrief en de vaststellingsovereenkomst. Ook de handtekeningen van [eisende partij] en zijn ex-vrouw op de pensioenovereenkomst zijn volgens P&S Holding overduidelijk vervalst.

4.5.

De kantonrechter stelt vast dat de pensioenovereenkomst deel uitmaakte van de administratie van de accountant van P&S Holding. Immers nadat de gemachtigde van [eisende partij] de ‘voor deze zaak van belang zijnde bescheiden’ had opgevraagd, heeft de accountant deze overeenkomst - met nog andere bescheiden - aan de gemachtigde van P&S Holding toegestuurd, waarna laatstgenoemde deze aan de gemachtigde van [eisende partij] heeft gezonden. De pensioenovereenkomst moet dus al lang geleden, voor de uittreding in 2008 van [eisende partij] als bestuurder van P&S Holding aan de accountant zijn verstrekt. De pensioenovereenkomst is door de accountant van P&S Holding geaccepteerd en gedeponeerd.

4.6.

In de pensioenovereenkomst is opgenomen dat P&S Holding is vertegenwoordigd door [eisende partij] . P&S Holding heeft niet betwist dat [eisende partij] bevoegd was deze overeenkomst namens P&S Holding te sluiten. De vertegenwoordiging door [eisende partij] bij het afsluiten van zijn eigen pensioenovereenkomst is dus geen reden om aan te nemen dat de pensioenovereenkomst een vervalsing is. De stelling van P&S Holding dat de overeenkomst door [eisende partij] is vervalst omdat de handtekeningen onder de overeenkomst niet echt zijn, kan ook niet overtuigen. Bij een vergelijking van de handtekeningen van [A] op diverse in het geding gebrachte documenten, valt ook zonder handschriftonderzoek op dat deze handtekeningen (sterk) van elkaar verschillen. Anders dan P&S Holding stelt, is het niet zo dat de handtekeningen van [A] op de pensioenbrief, de lijfrenteovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst wél op elkaar lijken. Dat (ook) de handtekening op de pensioenovereenkomst afwijkend is, is dus onvoldoende om aan te nemen dat de handtekening op de pensioenovereenkomst niet van [A] is.

Op de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] erkend dat de handtekening op de pensioenovereenkomst niet van hem is. Hij heeft - onweersproken - toegelicht dat het binnen de vennootschap geregeld voorkwam dat de directeuren handtekeningen voor elkaar plaatsten. Hij acht het dan ook waarschijnlijk dat [A] de handtekening van [eisende partij] onder de pensioenovereenkomst heeft gezet.

De kantonrechter leidt uit de verklaringen van beide partijen op de mondelinge behandeling af dat zij zich niet zelf met hun pensioen(regelingen) bezig hielden maar dat zij dit overlieten aan hun toenmalige boekhouder. Die boekhouder kan niet meer om nadere inlichtingen worden gevraagd, omdat hij inmiddels is overleden. Hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en wie (voor wie) heeft ondertekend kan op basis van de stellingen van partijen in deze procedure dus niet worden vastgesteld.

4.7.

Wat wel vaststaat is dat P&S Holding [eisende partij] in 2018 én 2024 pensioenberekeningen heeft toegestuurd waarbij uitvoering is gegeven aan de in haar eigen administratie aanwezige pensioenovereenkomst en de daarin opgenomen verplichting tot indexatie. P&S Holding ging er dus op basis van haar eigen administratie vanuit dat de pensioenregeling moest worden geïndexeerd en op dat moment is er geen enkele reactie geweest dat de pensioenovereenkomst niet juist zou zijn. De kantonrechter heeft al met al geen reden om aan te nemen dat [eisende partij] met documenten heeft geknoeid en evenmin om over te gaan tot benoeming van een grafoloog. [eisende partij] mocht bovendien onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd vertrouwen op de juistheid van op de informatie die hem tot twee keer toe is verstrekt na berekening door de accountant.

4.8.

P&S Holding heeft niet betwist dat het pensioen van [eisende partij] inclusief indexatie per 1 mei 2024 neerkomt op € 3.418,92 bruto per maand. Voor de afkoop van dit pensioen moet volgens [eisende partij] door P&S Holding een bedrag van € 1.040.966 worden gestort naar een pensioenverzekeraar. [eisende partij] heeft ter onderbouwing hiervan een offerte van Zwitserleven in het geding gebracht. [eisende partij] vordert primair afstorting van dit bedrag.

De kantonrechter kan deze vordering niet toewijzen omdat de hoogte van de afkoopsom zal afhangen van de afstortingsdatum. De offerte van Zwitserleven was geldig tot en met 1 mei 2025. Wel toewijsbaar is de subsidiaire vordering van [eisende partij] (kort gezegd) om over te gaan tot afstorting van de pensioenrechten door pensioen aan te kopen bij een pensioenverzekeraar, waarbij [eisende partij] vanaf 1 mei 2024 maandelijks recht heeft op een bruto pensioenbetaling van € 3.418,92, met jaarlijkse indexering van 3% en een maandelijks partnerpensioen van € 1.538,50 bruto. De vordering van [eisende partij] om aan de verplichting een dwangsom te koppelen is ook toewijsbaar. P&S Holding heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde termijn voor afstorting, noch tegen de hoogte van de dwangsom, noch heeft zij iets opgemerkt over betalingsonmacht ten aanzien van de betaling van dit bedrag ineens. De kantonrechter moet het er dus voor houden dat dit geen probleem vormt. Gelet echter op de hoogte van het af te storten bedrag en de daarvoor nog te ondernemen stappen, ziet de kantonrechter ambtshalve aanleiding een iets ruimere termijn te gunnen om aan de verplichtingen te voldoen en de dwangsom te matigen als in het dictum vermeld. Voor zover afstorting ten aanzien van het verleden niet mogelijk is (zoals [eisende partij] zelf in zijn dagvaarding onder randnummer 27 vermeldt), gaat de kantonrechter ervan uit dat P&S Holding het netto equivalent van de maandelijkse pensioenuitkering van € 3.418,92 bruto vanaf 1 mei 2024 tot het moment van afstorting aan [eisende partij] zal betalen. Hoewel [eisende partij] zijn subsidiaire vordering in de hoofdzaak hier niet op heeft ingericht, heeft hij hier wel recht op en ziet de kantonrechter aanleiding tot deze vermelding.

P&S Holding moet overgaan tot afstorting van de lijfrente van [eisende partij]

4.9.

Bij de oprichting van P&S Holding hebben [eisende partij] en [A] ieder hun aandeel in de vennootschap onder firma ingebracht, waarbij de FOR en de stakingswinst geruisloos zijn omgezet in een stamrechtverplichting van P&S Holding. Ten bedrage van de opgebouwde FOR (van fl. 5.000) en de stakingswinst (van fl. 65.000) heeft [eisende partij] een lijfrente bedongen van P&S Holding. In de tussen partijen in 1995 gesloten lijfrenteovereenkomst staat het volgende:

“Artikel 1

a. De Vennootschap verplicht zich aan de Verzekeringnemer op zijn vroegst met ingang van 1 juni 2019 (…) uit het op te bouwen lijfrentekapitaal een lijfrente uit te keren waarvan de maandelijkse termijn nog nader zal worden overeengekomen.

b. Het doelvermogen bedraagt f 71.071,--. (…)”

4.10.

[eisende partij] stelt dat voor de berekening van de inmiddels opgebouwde lijfrente uitgegaan moet worden van de door P&S Holding gehanteerde rekenrente van 6,75%, Uitgaande van de door P&S Holding in 2018 aan hem verstrekte berekening zou de lijfrente hierdoor inmiddels zijn aangegroeid tot € 271.811,92. Dat is volgens [eisende partij] door P&S Holding ook administratief en fiscaal zo verwerkt. Het in de overeenkomst opgenomen woord ‘doelvermogen’ kan volgens [eisende partij] nooit zo worden uitgelegd dat dit ook het eindvermogen is. Dit bedrag was namelijk al min of meer beschikbaar bij de aankoop van de lijfrente.

4.11.

P&S Holding voert hiertegen verweer en stelt dat (een medewerker van) haar accountant in de administratie en in de berekening van 2018 ten onrechte van een renteophoging is uitgegaan. Volgens P&S Holding heeft [eisende partij] op basis van de lijfrenteovereenkomst geen recht op renteophoging, maar alleen op het overeengekomen doelvermogen van fl. 71.071. Het doelvermogen is volgens P&S Holding het eindvermogen. Op de mondelinge behandeling heeft de accountant bevestigd dat er een fout is gemaakt en aangegeven dat hiervoor gecorrigeerde aangiftes zullen worden verstuurd.

4.12.

Voor de beantwoording van de vraag wat partijen precies met elkaar zijn overeengekomen, moet de lijfrenteovereenkomst worden uitgelegd. Hiervoor zijn niet alleen de letterlijke bewoordingen van de overeenkomst belangrijk, maar ook de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het Haviltex-criterium).

4.13.

Nu partijen zich niet zelf met hun pensioen(regeling) bezig hielden, kunnen zij over de totstandkoming van de lijfrenteovereenkomst niets verklaren. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het in de overeenkomst opgenomen woord ‘doelvermogen’ niet als eindvermogen moet worden uitgelegd, gewezen op artikel 3.29 van de Wet Inkomstenbelasting. In dit artikel staat dat waardering van pensioen- en soortgelijke verplichtingen plaatsvindt met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van tenminste 4%. Het kan volgens [eisende partij] dus nooit de bedoeling zijn geweest dat het ingebrachte bedrag aan lijfrente ook het eindvermogen zou zijn. [eisende partij] miskent hiermee dat de fiscale rekenregels waar P&S Holding aan moet voldoen, hem geen directe aanspraak geven op de uitkomst hiervan. Partijen zijn het erover eens dat renteophoging gangbaar is bij het gebruik van een lijfrente als pensioenvoorziening, maar dat dat in dit geval ook de bedoeling was blijkt nergens uit. [eisende partij] heeft vanaf de oprichting van P&S Holding ook pensioen opgebouwd in P&S Holding. Hiervoor is vastgesteld dat dat pensioen jaarlijks moet worden geïndexeerd. Het is dus goed voorstelbaar dat de lijfrente alleen was bedoeld om het moment van overgang te fixeren. Stakingswinst en fiscale oudedagsreserve zijn bovendien begrippen die boekhoudkundig worden gehanteerd, maar tegenover dergelijke posten in de boekhouding hoeft niet noodzakelijkerwijs een ‘potje met geld’ te staan. [eisende partij] heeft bovendien niet uitgelegd waarom voor hem twee volledige pensioenregelingen boven op elkaar zouden gelden. De kantonrechter legt het woord ‘doelvermogen’ om alle genoemde redenen zo uit dat hiermee het aan [eisende partij] uit te keren eindvermogen is bedoeld.

4.14.

Het overeengekomen doelvermogen komt neer op een lijfrente van € 32.251. De vordering van [eisende partij] om binnen veertien dagen na dit vonnis over te gaan tot afstorting van de lijfrenteverplichting op een door [eisende partij] op te geven bankrekening bij Rabobank, zal worden toegewezen tot dit bedrag. Gelet op de hoogte van de afkoopsom, zal de daaraan gekoppelde dwangsom worden gematigd tot € 500 per dag, met een maximum van € 10.000.

De kantonrechter gaat niet over tot benoeming van een actuaris

4.15.

P&S Holding heeft opgemerkt dat een actuaris zou moeten worden benoemd zodat rekening kan worden gehouden met de pensioenverplichtingen van [eisende partij] ten opzichte van zijn ex-echtgenote. [eisende partij] en zijn ex-echtgenote zijn in 2011 gescheiden en P&S Holding stelt dat een deel van het pensioen aan de ex-echtgenote van [eisende partij] toekomt. Om aan haar zorgplicht als pensioenuitvoerder te voldoen wil P&S Holding dat een actuaris het verveningsdeel vaststelt.

4.16.

De kantonrechter gaat op de suggestie van P&S Holding om een actuaris te benoemen niet in. P&S Holding is alleen verplicht tot uitbetaling van een verveningsdeel aan de ex-echtgenote van [eisende partij] als P&S Holding binnen twee jaar na de echtscheiding een verzoek hiertoe had ontvangen (artikel 2 lid 2 Wet verevening pensioenrechten bij scheiding). Het staat vast dat P&S Holding een dergelijk verzoek niet heeft ontvangen. P&S Holding moet daarom het hele pensioen aan [eisende partij] uitbetalen. Reeds omdat er geen actuaris wordt benoemd, kan [eisende partij] ook niet worden verplicht documenten aan de actuaris over te leggen.

4.17.

[eisende partij] en zijn ex-echtgenote hebben een echtscheidingsconvenant gesloten, waarin is opgenomen dat geen pensioenverevening zal plaatsvinden. P&S Holding verwijt [eisende partij] dat hij zijn ex-echtgenote heeft misleid bij het sluiten van dit convenant, door haar niet te informeren over het bij P&S Holding opgebouwde pensioen. Als dit waar is, dan kan de ex-echtgenote zich mogelijk richten tot [eisende partij] om te bewerkstelligen dat het pensioen alsnog in de verdeling wordt betrokken. Dat is echter een zaak tussen [eisende partij] en zijn ex-echtgenote. P&S Holding heeft geen juridische basis om zich op te stellen als hoeder van de belangen van de ex-echtgenote. Zij kan ook niet meer worden verplicht tot uitbetaling van een eventueel verevend deel van de pensioenaanspraken aan de ex-echtgenote.

De provisionele vordering wordt afgewezen

4.18.

In dit vonnis wordt uitspraak gedaan in de hoofdzaak. De vordering van [eisende partij] tot het treffen van een voorlopige voorziening betreft uitsluitend de periode gedurende de procedure, maar heeft geen gelding voor na het wijzen van dit vonnis. Daarom heeft hij bij zijn vordering geen belang en wordt de vordering afgewezen.

P&S Holding wordt veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak

4.19.

P&S Holding is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

144,47

- griffierecht

732,00

- salaris gemachtigde

3.256,00

(2 punten × € 1.628,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.267,47

4.20.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.21.

Gelet op de samenhang met de vorderingen in conventie, worden de proceskosten in reconventie en in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De kantonrechter:

In de provisionele vordering:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

In de hoofdzaak:

in conventie:

5.3.

veroordeelt P&S Holding binnen één maand na de datum van dit vonnis over te gaan tot afstorting van de door [eisende partij] bij P&S Holding opgebouwde pensioenrechten, door ten behoeve van [eisende partij] pensioen aan te kopen bij een te goede naam en faam bekend staande en door de Autoriteit Financiële Markten toegestane pensioenverzekeraar, waarbij [eisende partij] vanaf 1 mei 2024 maandelijks recht heeft op het netto equivalent van een bruto pensioenbetaling van € 3.418,92, met daarbij een jaarlijkse indexering van 3% en een maandelijks partnerpensioen van € 1.538,50 bruto, zulks op straffe van een dwangsom van

€ 500 per dag voor ieder dag dat P&S Holding hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000;

5.4.

veroordeelt P&S Holding om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis over te gaan tot afstorting van de lijfrenteverplichting ten opzichte van [eisende partij] ten bedrage van € 32.251 en wel middels storting naar een door [eisende partij] op te geven bankrekening bij de Rabobank en tevens te voldoen aan de verplichtingen die de Rabobank hieraan stelt, onder andere betreffende het invullen en ondertekenen van benodigde formulieren betreffende de overdracht van het lijfrentekapitaal, zulks op straffe van een dwangsom van € 500 per dag, voor ieder dag dat P&S Holding hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000;

5.5.

veroordeelt P&S Holding in de proceskosten van € 4.267,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als P&S Holding niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.6.

veroordeelt P&S Holding tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen zijn betaald;

5.7.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

5.8.

wijst de vordering af;

5.9.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733