Essentie (gemaakt door AI)
Woningcorporatie vordert ontruiming na opzegging door hoofdhuurder; eiser zet bewoning voort. In verstekvonnis ontbreekt onderzoek naar belangen minderjarige kinderen abi art. 3 lid 1 IVRK en alternatieve huisvesting. Voorzieningenrechter oordeelt dat vonnis voor zover strekkend tot ontruiming berust op kennelijke juridische misslag en schorst executie daarvan tot uitkomst hoger beroep of kantonprocedure. Voor schorsing executie veroordeling tot schadevergoeding op grond van gemiste huuropbrengsten geen aanleiding.
| Datum publicatie | 05-02-2026 |
| Zaaknummer | C/15/373309 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Haarlem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Huurwoning; Familieprocesrecht; Executiegeschil / verz. schorsing uitv. bij voorr. |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Executie kort geding. Een vonnis tot ontruiming van een woning geeft geen blijk van het onderzoek en de belangafweging die in verband met de aanwezigheid van minderjarige kinderen in de woning zijn vereist (ECLI:NL:HR:2025:1799). In zoverre berust dat vonnis op een kennelijke juridische misslag. Dit betekent dat het vonnis voor wat betreft de ontruiming wordt geschorst, tot in hoger beroep of in een al lopende kantonprocedure is beslistVolledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373309 / KG ZA 26-1
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 23 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. W. Albers,
tegen
STICHTING VELISON WONEN,
te IJmuiden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Velison Wonen,
advocaat: mr. N. Reinalda.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Haarlem.
De zaak wordt behandeld door mr. W.S.J. Thijs, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. Y.S. Brouwer als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser], bijgestaan door mr. Albers voornoemd
- [betrokkene], woonconsulent van Velison Wonen, bijgestaan door mr. Reinalda voornoemd.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
1De beoordeling
Velison Wonen is een sociale woningcorporatie. Zij heeft een woning aan de
[adres] in [plaats 2] (hierna: de woning) verhuurd aan een huurder. Deze huurder heeft zonder toestemming van Velison Wonen de woning in gebruik gegeven aan [eiser].
De huurder heeft de huurovereenkomst per 9 maart 2025 opgezegd, waardoor de huurovereenkomst tussen de huurder en Velison Wonen is geëindigd. [eiser] heeft het gebruik van de woning voortgezet.
Bij dagvaarding van 25 augustus 2025 waarin Velison Wonen heeft gevorderd [eiser] onder meer te veroordelen tot ontruiming van de woning, heeft Velison Wonen gesteld dat zij in oktober 2024 bij een huisbezoek aan de woning [eiser], zijn partner en drie kinderen in de woning aantrof en dat zij zich realiseert dat er mogelijk ook minderjarige kinderen in de woning verblijven. [eiser] heeft in die procedure geen inhoudelijk verweer gevoerd.
[eiser] is voornemens tegen het vonnis van 19 november 2025 hoger beroep in te stellen.
Daarnaast heeft Velison Wonen, voor het geval dat [eiser] het bestaan van een onderhuurrelatie met de oorspronkelijk huurder bewijst, in een aparte procedure bij deze rechtbank sectie kanton gevorderd de huur met [eiser] te beëindigen. [eiser] voert in die procedure verweer.
Maatstaf
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
Artikel 3 lid 1 van het Internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Dit brengt mee dat bij de beoordeling door de rechter van een ontruimingsvordering de belangen van in het gehuurde wonende kinderen - waaronder het belang van huisvesting - als ‘eerste overweging’ in aanmerking moeten worden genomen.
Blijkens de beantwoording door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 28 november 2025 van door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gestelde prejudiciële vragen (ECLI:NL:HR:2025:1799), brengt de in artikel 3 lid 1 IVRK aan de rechter gegeven opdracht mee dat deze zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is. In verstekzaken zal de rechter het daarbij moeten hebben van informatie die de verhuurder tot zijn beschikking heeft, of redelijkerwijs kan verkrijgen.
Indien uit de verschafte informatie blijkt dat de beoogde ontruiming ook kinderen zal treffen, zal de rechter partijen, althans de verhuurder, dienen te vragen naar de mogelijkheden van alternatieve huisvesting.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het vonnis van deze rechtbank van 19 november 2025, dat de titel geeft voor de ontruiming, geen blijk geeft van de belangenafweging die in verband met de aanwezigheid van minderjarige kinderen vereist is. Evenmin blijkt van het onderzoek dat daarvoor vereist is, zoals naar de mogelijkheden van alternatieve huisvesting. In zoverre moet het oordeel zijn dat dit vonnis berust op een kennelijke juridische misslag.
Dit betekent dat de executie van dat vonnis voor wat betreft de ontruiming zal worden geschorst op de wijze als bij de beslissing vermeld, omdat Velison Wonen geen rechtens te respecteren belang heeft bij de voortzetting van de executie van het vonnis dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor wat betreft de ontruiming berust op een kennelijke misslag. Het belang van uitvoering van haar beleid voor een eerlijke woningverdeling is daarvoor in dit geval onvoldoende. Voor schorsing van de executie van de veroordeling tot schadevergoeding in verband met gemiste huuropbrengsten is geen aanleiding.
Proceskosten
Velison Wonen is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Velison Wonen niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
93,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
715,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
178,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
986,00 |
2De beslissing
De voorzieningenrechter
schorst de executie van het vonnis tussen partijen van deze rechtbank van 19 november 2025, voor zover [eiser] daarin is veroordeeld om de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2] met al het zijne en de zijnen
te (laten) ontruimen en te verlaten, tot het eerste moment waarop:
- in het hoger beroep tegen het vonnis van 19 november 2025 arrest is gewezen, of
- in de kantonprocedure op de vordering van Velison Wonen tot ontruiming door de kantonrechter eindvonnis is gewezen, of
- beide procedures zijn ingetrokken,
bepaalt dat de schorsing vervalt als [eiser] niet uiterlijk op 6 februari 2026 de appeldagvaarding tegen het vonnis van 19 november 2025 heeft uitgebracht en daarin zijn grieven tegen voornoemd vonnis heeft opgenomen,
veroordeelt Velison Wonen in de proceskosten van € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als Velison Wonen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het proces-verbaal daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
