Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-01-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:534

Essentie (gemaakt door AI)

GI verzoekt verlenging ondertoezichtstelling [minderjarige]. Ouders ervaren gesprek met kinderrechter als prettig; moeder werkt mee met door GI voorgestelde hulp, vader wantrouwt GI en wil eigen hulpverlening. Kinderrechter stelt ernstige ontwikkelingsbedreiging vast, vrijwillige hulp faalt en OTS blijft nodig. Vader vertoont ‘coercive control’, wat de bedreiging vergroot. GI krijgt ruimte om passende hulpaanbieder te kiezen; ouders moeten meewerken. OTS verlengd met zes maanden; resterend verzoek aangehouden voor toetsing.

Datum publicatie05-02-2026
ZaaknummerC/02/442588 / JE RK 25-2135
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verlenging ondertoezichtstelling. Coercive control. De kinderrechter overweegt dat de situatie rond de minderjarige bijzonder ernstig te noemen is. De kinderrechter is dicht op de situatie gaan zitten, allereerst om de ouders de gelegenheid te bieden zelf beweging rond de minderjarige tot stand te brengen, onvoorwaardelijk en met het doel het welzijn van de minderjarige veilig te stellen. De vader heeft daarop gereageerd door datgene wat de kinderrechter (uitvoerig) met de minderjarige heeft besproken ter discussie te stellen. Dit is een vorm van 'coercive control'; een dwangmatige controle die zich uit in een patroon van controlerend gedrag dat een ongelijke machtsdynamiek in een relatie creëert. Voor de kinderrechter staat vast dat de vader de grenzen van de minderjarige hiermee overschrijdt en de kinderrechter acht dit ook een ernstige vorm van ontwikkelingsbedreiging.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/442588 / JE RK 25-2135

Datum uitspraak: 19 januari 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te Tilburg, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] (Turkije),

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. M.J.E.M. Edelmann uit Breda,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. N.A.H. Limbourg uit Breda.

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de in deze zaak gegeven beschikking van 24 december 2025 en alle daarin vermelde stukken;

  • de brief met bijlage van mr. Limbourg van 16 januari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- een drietal vertegenwoordigers van de GI.

1.3.

De zaak is gelijktijdig behandeld met de samenhangende zaak met nummer C/02/441317 / JE RK 25-1933. In de samenhangende zaak zal bij aparte beschikking worden beslist.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2De feiten

2.1.

De hiervoor in 1.3. genoemde samenhangende zaak is eerder behandeld op de zitting van 27 november 2025. Tijdens die zitting is met de ouders, hun advocaten en de aanwezige vertegenwoordiger van de GI afgesproken dat de kinderrechter met de ouders zou spreken op 16 december 2025, om te verkennen of de impasse waarin de hulpverlening voor [minderjarige] is geraakt, kan worden doorbroken. De advocaten van de ouders zouden aan dat gesprek niet deelnemen, de vertegenwoordiger van de GI (tevens de betrokken jeugdbeschermer) zou wel aanwezig zijn.

2.2.

Op 16 december 2025 heeft het gesprek met de ouders plaatsgevonden onder leiding van de kinderrechter en in aanwezigheid van de griffier en de jeugdbeschermer.

2.5.

Bij voormelde beschikking van 24 december 2025 heeft de kinderrechter in de onderhavige zaak – met instemming van beide ouders en de jeugdbeschermer namens de

GI - de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 2 januari 2026 tot

10 februari 2026. De behandeling van het resterende verzoek is aangehouden. De GI, de vader en zijn advocaat en de moeder en haar advocaat zijn opgeroepen te verschijnen tijdens de zitting op 19 januari 2026.

3Het verzoek

3.1.

Aan de orde is nu nog het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de resterende periode met ingang van 10 februari 2026 tot

2 januari 2027. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4De standpunten

4.1.

Tijdens de zitting is samengevat het volgende verklaard.

4.2.

De advocaat van de vader heeft aangevoerd dat de vader het gesprek op 16 december 2025 als prettig heeft ervaren. Hij wil in gesprek met de moeder komen/blijven. Bekeken moet worden op welke manier dat kan. Daarnaast meent de vader dat er hulpverlening voor [minderjarige] moet starten, mits het goede hulpverlening is die prettig verloopt. De vader vindt het van belang dat er afspraken worden gemaakt, ook over de wijze van samenwerken en communiceren tussen hem en de GI. De samenwerking met de GI verloopt op zijn zachtst gezegd stroef, waarbij de vader een dreigende houding vanuit de GI ervaart.

4.3.

Door de vader is naar voren gebracht dat [minderjarige] zich niet gehoord voelt en dat haar mening niet gerespecteerd wordt. Hij vindt het belangrijk dat er een klik is tussen [minderjarige] en de hulpverlening en dat zij daarin een stem heeft. De vader stelt dat hij geen vertrouwen meer heeft in de GI en de jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer dreigt constant met een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Volgens de vader bepaalt de GI steeds wat er gaat gebeuren en mag hij niet zelf op zoek gaan naar een hulpverleningsinstantie die passend is voor [minderjarige] . Hij en [minderjarige] mogen hun meningen niet (volledig) uiten. Er worden hen keuzes van de GI opgelegd en daarin worden zij bekneld.

4.4.

Namens en door de moeder is te kennen gegeven dat ook zij het gesprek op 16 december 2025 prettig vond, maar tegelijk confronterend. Zij staat open voor gesprekken met de vader maar onder begeleiding. De moeder is eveneens bereid om de door de GI voorgestelde hulpverlening te accepteren en daaraan mee te werken, met begeleiding. Eerder is gesproken over hulpverlening door [hulpverlening 1] . Het is begrijpelijk dat [minderjarige] een stem heeft maar de hulpverlening mag niet vrijblijvend zijn. Hulpverlening is snel nodig voor [minderjarige] en deze moet op korte termijn worden ingezet.

4.5.

Van de zijde van de GI is bevestigd dat het gesprek op 16 december 2025 fijn was, het was goed dat de ouders weer samen in één ruimte zaten. De samenwerking in deze loopt telkens vast. Er worden geen of minimale stappen gezet, waarbij de vraag rijst in hoeverre de ondertoezichtstelling nog uitvoerbaar is. Het inzetten van hulpverlening voor [minderjarige] is echter noodzakelijk. [minderjarige] heeft trauma opgelopen en hieraan kan nu niet worden gewerkt. De GI heeft beide ouders daarin nodig, dat is heel belangrijk. Er is nu geen emotionele toestemming voor het inzetten van hulpverlening. Door het wantrouwen vanuit de vader worden er geen stappen gezet en kan de hulpverlening voor [minderjarige] niet starten. Sterk Huis biedt geen hulpverlening meer en [hulpverlening 1] is niet langer een optie. Vanuit de Gezinsmanager en [hulpverlening 2] kan wel hulpverlening worden ingezet, maar er is sprake van een wachttijd. Nu nog niet helder is welke hulpverlening [minderjarige] precies nodig heeft, is van belang dat de hulpverleningsorganisatie met beide ouders zoekt naar goede hulpverlening die passend is voor [minderjarige] . Ook dient met school te worden gesproken. Voor de ouders is van belang dat het traject Complexe scheiding wordt ingezet. Er moet duidelijkheid ontstaan over afspraken na het eindigen van de ondertoezichtstelling en het gezag van de moeder. De GI ziet verder de nodige zorgen in de houding van de vader. Er zijn ook zorgen over [minderjarige] , zij gaat sinds de kerstvakantie niet meer naar school. Dit alles maakt dat er nu echt moet worden doorgepakt. De jeugdbeschermer biedt aan om met de vader in gesprek te gaan, eventueel in aanwezigheid van zijn advocaat en een tweede persoon vanuit de GI, omdat de gespannen lading bij de vader weg te nemen. De GI verzoekt om het verzoek toe te wijzen voor duur van zes maanden en het resterende verzoek aan te houden, zodat een toetsmoment kan worden gecreëerd om de voortgang in deze te waarborgen.

5De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. 1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De situatie rondom de ontwikkeling van [minderjarige] is in het afgelopen jaar nauwelijks tot niet veranderd. Dit vindt de kinderrechter zorgelijk omdat de zorgen fors zijn en onverminderd toenemen. Het schoolverzuim van [minderjarige] is er wellicht in mindere mate, maar nog steeds actueel. Er is nog geen enkel contact tussen de moeder en [minderjarige] dan wel zicht op de mogelijkheden voor contactherstel. De communicatie tussen de ouders ontbreekt nog altijd. Het ingezette IGB traject vanuit Sterk Huis is gestopt omdat het voortzetten hiervan niet langer haalbaar is gebleken. Hierdoor is er nog altijd geen zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en de hulpverlening die voor haar noodzakelijk is. De doelen die in de beschikking van 8 januari 2025 onder 5.4. zijn gesteld zijn niet behaald. [minderjarige] zit enorm klem tussen haar beide ouders.

5.3.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Dit is geprobeerd en niet gelukt. Ook in het verplichte kader stagneert de hulpverlening en ziet de GI zich steeds meer voor de vraag gesteld of de maatregel van ondertoezichtstelling nog langer uitvoerbaar is.

5.4.

De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende verzoek. De kinderrechter neemt hierbij het volgende in aanmerking.

5.5.

Zoals uit de hiervoor opgenomen standpunten blijkt hebben beide ouders tijdens de zitting verklaard dat zij het gesprek onder leiding van de kinderrechter op 16 december 2025 als prettig hebben ervaren. Zij hebben ieder ook uitgesproken dat zij bereid zijn om gesprekken met elkaar te voeren. De GI heeft zich bereid verklaard die gesprekken aldus te faciliteren dat de ouders daarbij begeleid worden met aan de ene kant het doel de communicatie tussen hen over [minderjarige] tot stand te brengen, zodanig dat zij over belangrijke zaken tot een gezamenlijk besluit kunnen komen; er is immers sprake van gezamenlijk gezag. Anderzijds dienen de ouders op basis van de voorstellen die de GI met betrekking tot de hulpverlening voor [minderjarige] doet aan te gaan sluiten en [minderjarige] in staat te stellen die hulpverlening te ondergaan. Natuurlijk zal [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld ook kennis te maken met de hulpverleners die dan worden ingeschakeld. De GI denkt aan inschakeling van [hulpverlening 2] dan wel de Gezinsmanager om de hulp van de grond te krijgen. De vader heeft hierop gereageerd door te stellen dat zijn verstandhouding met de GI zodanig is verstoord dat hij daar niet meer verder mee wil. Voorts heeft de vader ingebracht dat hij hulpverlening wil gaan voorstellen die hij aandraagt. De moeder is akkoord met de voorstellen van de GI.

5.6.

De kinderrechter heeft de ouders erop gewezen dat [minderjarige] hem tijdens het kindgesprek heeft verteld dat zij een goede verstandhouding heeft met de jeugdbeschermer, in de persoon van mevrouw [persoon] . Na een schorsing van de behandeling om de ouders in de gelegenheid te stellen over de voorstellen van de GI met hun advocaten van gedachten te wisselen, deelt de vader mede dat hij inmiddels [minderjarige] heeft gesproken. De verhouding van [minderjarige] met de GI is allemaal toch net wat anders dan wat [minderjarige] heeft verteld aan de kinderrechter. [minderjarige] had veel meer willen vertellen aan de kinderrechter. Zij kan dat nu allemaal nog in een brief doen en dan wordt duidelijker wat [minderjarige] allemaal heeft bedoeld te zeggen, aldus de vader. De vader blijft bij zijn eerdere stellingen dat hij niets ziet in verder werken met de GI en met de door de GI voorgestelde hulpverlening.

5.7.

De kinderrechter overweegt dat de situatie rond [minderjarige] bijzonder ernstig te noemen is. De kinderrechter is dicht op de situatie gaan zitten, allereerst om de ouders de gelegenheid te bieden zelf beweging rond [minderjarige] tot stand te brengen, onvoorwaardelijk en met het doel het welzijn van [minderjarige] veilig te stellen. De vader heeft daarop gereageerd door datgene wat de kinderrechter (uitvoerig) met [minderjarige] heeft besproken ter discussie te gaan stellen. Dit is een vorm van ‘coercive control’; een dwangmatige controle die zich uit in een patroon van controlerend gedrag dat een ongelijke machtsdynamiek in een relatie creëert. Voor de kinderrechter staat vast dat de vader de grenzen van [minderjarige] hiermee overschrijdt en de kinderrechter acht dit ook een ernstige vorm van ontwikkelingsbedreiging. De kinderrechter hoopt dat dit signaal een waarschuwing aan de vader is dat hij zijn controledrang om alles naar zijn hand te zetten nu loslaat en dat hij zal meegaan in hetgeen de kinderrechter ter zitting al over de voortzetting van de ondertoezichtstelling heeft overwogen. De kinderrechter tekent hierbij aan dat instrumenten als het geven van een schriftelijke aanwijzing gepasseerde stations zijn. Het is aan beide ouders om volledig met de GI mee te werken.

5.8.

De kinderrechter geeft de GI de vrijheid om een hulpaanbieder ( [hulpverlening 2] , dan wel de Gezinsmanager) te zoeken en te benaderen die met de ouders in gesprek gaat om te onderzoeken welke hulpverlening [minderjarige] nodig heeft en passend voor haar is. Daarbij benadrukt de kinderrechter nogmaals dat hij de medewerking van de ouders daarin verwacht. [minderjarige] heeft, los van hetgeen de vader na schorsing van de behandeling daarover heeft verklaard, in het kindgesprek voldoende aanknopingspunten gegeven die de kinderrechter tot het oordeel brengen dat de door de GI voorgestelde weg de juiste is. Wanneer een ouder/de ouders niet kunnen meegaan in het onderzoek en de daaraan gekoppelde in te zetten hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] dan wel de Gezinsmanager, is het aan de GI om te bepalen wat er dan moet gebeuren. Daarbij merkt de kinderrechter op dat het aan de ouders is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De ondertoezichtstelling zal worden verlengd voor vooralsnog de duur van zes maanden, zodat een toetsmoment kan worden gecreëerd. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij hem uiterlijk op na te noemen pro forma datum schriftelijk informeert over de dan actuele stand van zaken, daarin tevens meegenomen het standpunt van de GI over het resterende verzoek

5.9.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 2

5.10.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.11.

De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige] zelf van hem te horen krijgt wat er in deze procedure wordt beslist maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan [minderjarige] terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot [minderjarige] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.

Beste [minderjarige] ,

Jouw ouders hebben een positieve stap gezet door onder mijn leiding het gesprek aan te gaan. Ik heb hen geadviseerd daarmee door te gaan onder professionele begeleiding die door mevrouw [persoon] kan worden georganiseerd.

Daarnaast zal mevrouw [persoon] naar de juiste hulpverlening voor jou gaan zoeken. Jouw ouders moeten daar in mee gaan, daarvoor is nu juist de begeleiding van mevrouw [persoon] in het leven geroepen.

Dank voor jouw komst en het gesprek. Dat heb ik zeer gewaardeerd.

Met vriendelijke groeten,

Mr. Van Leuven, kinderrechter.”

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 10 februari 2026 tot 10 augustus 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

houdt het verzoek voor het overige aan tot 14 juli 2026 pro forma, in afwachting van het schriftelijk verslag van GI, zoals hiervoor in 5.8. is opgenomen;

6.4.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 30 januari 2026.

.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

2

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733