Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-07-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2131

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep in curatelezaak over ontvankelijkheid van verzoeker (pleegzoon/voormalig gevolmachtigde). Verzoeker wil benoeming tot curator en bestrijdt benoeming van een professionele curator. Het hof oordeelt dat verzoeker geen belanghebbende is: de curatele raakt zijn rechten niet rechtstreeks; zijn volmacht uit het levenstestament en eventuele erfgenamenpositie geven slechts een afgeleid belang. Ook kwalificeert hij niet als ‘andere levensgezel’ en biedt art. 8 EVRM geen grond. Verzoeker is niet-ontvankelijk. Kosten::

Datum publicatie05-02-2026
Zaaknummer200.341.371_01
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenMeerderjarigenbescherming; Levenstestament; Curatele;
Familieprocesrecht; Belanghebbende
WetsverwijzingenWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Curatele. Ontvankelijkheid. Is de bij levenstestament gevolmachtigde een belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 dan wel lid 2 Rv in de procedure tot ondercuratelestelling van de betrokkene? Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 31 juli 2025

Zaaknummer: 200.341.371/01

Zaaknummer eerste aanleg: 10848311 TD VERZ 23-2241

in de zaak in hoger beroep van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: thans mr. I.P. van Rossen,

tegen

[de neef] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de neef,

advocaat: mr. M.L.J.A. de Vocht.

Met betrekking tot de curatele van:

[betrokkene] ,

wonende te [woonplaats] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1928,

hierna te noemen: [betrokkene] .

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de curator] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de curator.

Deze zaak gaat - in het kort - over de ondercuratelestelling van [betrokkene] en de persoon van de (te benoemen) curator. In hoger beroep gaat het over de ontvankelijkheid van de verzoeker in hoger beroep.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 mei 2025, heeft [verzoeker] verzocht:

  1. voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat [verzoeker] alsnog tot curator wordt aangesteld, echter uitsluitend voor zover mocht blijken dat [betrokkene] niet voor zijn eigen belangen kan opkomen;

  2. de neef te veroordelen in de kosten van beide procedures, althans kosten rechtens.

  3. een en ander voor zover de wet het toelaat, [het hof begrijpt: de beslissing] uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 oktober 2025, heeft de neef verzocht om [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn verzoeken af te wijzen met veroordeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van [verzoeker] in de kosten van het geding met bepaling dat [verzoeker] de wettelijke rente over deze kosten is verschuldigd vanaf veertien dagen na dagtekening van de beschikking tot aan de dag van algehele betaling.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • [verzoeker] , bijgestaan door mr. Van Rossen;

  • de neef, bijgestaan door mr. De Vocht;

  • de curator.

Mr. Van Rossen en mr. De Vocht hebben tijdens de mondelinge behandeling ‘zittingsaantekeningen’ overgelegd en voorgedragen.

2.3.1.

[betrokkene] is niet naar de mondelinge behandeling gekomen, omdat hij daar mentaal en fysiek niet toe in staat was.

Bij bericht van 13 mei 2025 heeft mr. De Vocht aangegeven dat digitale deelname aan de mondelinge behandeling voor [betrokkene] wel mogelijk zou zijn.

Het hof heeft alle betrokkenen op 15 mei 2025 bericht dat het hof de vraag of, en op welke wijze [betrokkene] in de procedure in hoger beroep kan worden gehoord, tijdens de mondelinge behandeling van het hof nader zal worden besproken.

2.4.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:

  • de brief met bijlage van de curator van 18 september 2024;

  • het V6-formulier met bijlagen (prod. 1 en 2) van de advocaat van de neef d.d. 31 december 2024;

  • het V6-formulier met bijlage (prod. 3) van de advocaat van de neef d.d. 6 mei 2025.

3De beoordeling

De feiten

3.1.

[betrokkene] , geboren in 1928, is ongehuwd en heeft geen kinderen.

3.2.

[verzoeker] is in 1965 in het gezin van de broer van [betrokkene] opgenomen als pleegzoon.

3.3.

[verzoeker] en zijn toenmalige echtgenote [toenmalige echtgenote van verzoeker] (hierna te noemen: [toenmalige echtgenote van verzoeker] ) zijn in 1995 ingetrokken in een woning op het perceel bij de boerderij van [betrokkene] . [verzoeker] heeft daar tot de verkoop van de boerderij in 2021 gewoond.

3.4.

Op 19 april 2016 is een levenstestament opgesteld voor [betrokkene] , waarin door [betrokkene] aan [verzoeker] (onder meer) een algemene volmacht is verleend en de bevoegdheid toegekend om zijn vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen.

3.5.

Bij beschikking van de kantonrechter van 20 december 2023 is [de curator] B.V. met ingang van 20 december 2023 benoemd tot provisioneel bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene. Aan de provisioneel bewindvoerder zijn alle

bevoegdheden toegekend die een curator krachtens de wet heeft. De behandeling van het

verzoek tot ondercuratelestelling is aangehouden.

3.6.

Bij de bestreden beschikking van 14 februari 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, [betrokkene] onder curatele gesteld, met benoeming van [de curator] B.V. tot curator.

3.7.

Bij vonnis van 26 maart 2025 van de rechtbank Oost-Brabant is [verzoeker] , kort en zakelijk weergegeven, veroordeeld om aan [de curator] te betalen een bedrag van in totaal € 1.044.364,30 en is [verzoeker] veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten, tot op dat moment vastgesteld op € 5.327,05, te vermeerderen met de wettelijke rente en de beslagkosten, tot op dat moment vastgesteld op € 5.721,70, ter vermeerderen met de wettelijke rente en is [verzoeker] in de proceskosten veroordeeld van € 13.879,47.

[toenmalige echtgenote van verzoeker] is onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag aan [de curator] van circa € 47.043,- te vermeerderen met wettelijke rente, beslagkosten en de kosten van de procedure.

3.8.

[verzoeker] kan zich met de beslissing van 14 februari 2024 niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid

3.9.

Uit artikel 358 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) volgt dat door de verzoeker en door de in de procedure (in eerste aanleg) verschenen belanghebbenden hoger beroep kan worden ingesteld.

[verzoeker] is in eerste aanleg niet als belanghebbende aangemerkt; hij is als informant tijdens de mondelinge behandeling gehoord.

Het hof stelt echter ambtshalve vast wie in de procedure in hoger beroep als belanghebbende dient te worden aangemerkt.

3.10.

Op grond van artikel 798 lid 1 Rv wordt onder belanghebbende verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

Dit impliceert dat niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij (sympathie voor) de zaak te hebben ook in de procedure als belanghebbende zal worden erkend. 1 Het moet gaan om persoonlijke, actuele en concrete rechten. 2

3.11.

Ingevolge het bepaalde in artikel 798 lid 2 Rv worden in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap onder belanghebbenden bovendien verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft.

3.12.

Het standpunt van [verzoeker] in hoger beroep is dat hij primair tot de groep belanghebbenden als bedoeld in artikel 798 lid 1 Rv behoort en subsidiair tot de groep belanghebbenden als bedoeld in artikel 798 lid 2 Rv.

3.13.

De neef heeft gemotiveerd uiteengezet dat [verzoeker] geen belanghebbende is in deze procedure. Dat [verzoeker] in 2016 in een concepttestament als enig erfgenaam van [betrokkene] is benoemd, is in ieder geval onvoldoende om hem als belanghebbende aan te merken. Naar het testament wordt overigens nog onderzoek gedaan. Een testament krijgt pas werking met ingang van het moment van overlijden van de erflater.

Ook het bestaan van het levenstestament maakt niet dat [verzoeker] als belanghebbende kan worden aangemerkt. Met het levenstestament is [verzoeker] de taak gegeven om voor de belangen van [betrokkene] zorg te dragen, waarvoor hem een volmacht is verleend. [verzoeker] kan aan het levenstestament niet een direct, eigen belang ontlenen.

3.14.

[verzoeker] heeft ter zake de ontvankelijkheid – samengevat – het volgende aangevoerd.

Er is sprake van een levenstestament. [verzoeker] heeft recht op effectieve rechtsbescherming tegen besluiten die het levenstestament feitelijk ter zijde schuiven. Door de beslissing in eerste aanleg kan hij geen invulling meer geven aan de volmacht. Dat creëert een belang in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. De procespositie van een betrokkene kan niet afhankelijk zijn van louter formele afstamming, wanneer zo vergaand wordt ingegrepen in zijn of haar rechtspositie.

Daarnaast stelt [verzoeker] dat hij weliswaar geen bloedverwant is van [betrokkene] , maar dat er wel sprake is geweest van een jarenlange, zorg- en vertrouwensrelatie. [verzoeker] was mantelzorger, boekhouder, chauffeur en hulpverlener van [betrokkene] . Er was een duurzaam, gemeenschappelijk huishouden, hetgeen hem een direct procesbelang geeft dat wordt beschermd door artikel 798 lid 2 Rv. Gezien de duurzame samenlevingsvorm is er reeds decennialang sprake van family life, dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM. Ook nu nog, ondanks dat [verzoeker] en [betrokkene] formeel niet meer samenleven, gezien de zorg die [verzoeker] aan [betrokkene] bleef verlenen tot hem het contact met [betrokkene] werd ontzegd.

Nu in deze procedure de volmacht van [verzoeker] ter zijde is geschoven, [verzoeker] het contact met [betrokkene] is ontzegd en de positie van [verzoeker] als erfgenaam materieel is aangetast, heeft [verzoeker] een direct en concreet procesbelang.

3.15.

Het hof oordeelt als volgt.

Levenstestament

3.15.1.

Het hof stelt in het kader van de beoordeling van de vraag of [verzoeker] een belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv voorop dat het in deze procedure om een verzoek tot ondercuratelestelling van [betrokkene] gaat. Het hof dient derhalve te beoordelen of dit verzoek rechtstreeks betrekking heeft op de rechten en plichten van [verzoeker] .

Hierbij benadrukt het hof dat het doel van de curatele is het beschermen van een volwassene, in casu [betrokkene] , die niet (meer) in staat is om zijn eigen financiële en/of persoonlijke belangen te behartigen. De curatele is een beschermingsmaatregel met als rechtsgevolg dat de onder curatele gestelde onbekwaam wordt om rechtshandelingen te verrichten. De vraag is derhalve in welke zin genoemde beschermingsmaatregel rechtstreeks de rechten en plichten van [verzoeker] raakt.

3.15.2.

Het hof ziet niet in op welke wijze [verzoeker] , in zijn hoedanigheid als gevolmachtigde, door het instellen van de curatele ten behoeve van [betrokkene] in enig persoonlijk en concreet recht of rechtstreeks belang wordt getroffen, daargelaten de vraag of [verzoeker] ter zake voldoende heeft gesteld. Voor zover [verzoeker] betoogt dat hij als gevolg van het instellen van de curatele geen invulling meer kan geven aan de bevoegdheden die hij op basis van het levenstestament heeft en in zoverre in zijn persoonlijk belang wordt getroffen, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat daarmee wordt voldaan aan artikel 798, eerste lid Rv.

Het uitoefenen van die volmacht dient namelijk niet het persoonlijk belang van [verzoeker] doch juist het belang van [betrokkene] . De omstandigheid dat de volmacht, als gevolg van de curatele, zijn werking verliest, maakt niet dat de eigen rechten en verplichtingen van [verzoeker] rechtstreeks in het geding zijn in deze zaak betreffende de instelling van curatele. De positie van [verzoeker] als gevolmachtigde van [betrokkene] is met andere woorden niet een belang waarop deze zaak rechtstreeks betrekking heeft, maar een indirect of, ontoereikend, ‘afgeleid belang’.

Family life

3.15.3.

Het hof is verder van oordeel dat [verzoeker] evenmin als ‘andere levensgezel’ in de zin van artikel 798 lid 2 Rv kan worden gekwalificeerd, gezien de beperkte betekenis die aan het begrip levensgezel is toegekend, namelijk wie tot de betrokkene in een relatie staat, vergelijkbaar met die van een echtgenoot. Het bestaan van een (langdurige) gemeenschappelijke huishouding en/of een nauwe lotsverbondenheid en/of van een relatie van affectieve aard is in dit kader ontoereikend om te kunnen spreken van een andere levensgezel. Samenwonende familieleden, bijvoorbeeld broers en zusters of ouders en kinderen, dan wel eventueel daarmee gelijk te stellen (stief- of pleeg)kinderen, zijn geen levensgezellen in de zin van deze bepaling. 3
Nog afgezien van het voorgaande heeft [verzoeker] naar het oordeel van het hof, mede in het licht van het gemotiveerde verweer van de neef dat [betrokkene] door [verzoeker] volledig aan zijn lot is overgelaten en onvoldoende door [verzoeker] werd verzorgd, in ieder geval onvoldoende gesteld dat sprake is (geweest) van (wederzijdse) verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. [betrokkene] en [verzoeker] hebben ook nimmer samen in één woning gewoond: [verzoeker] woonde in een bijgebouw van de boerderij op het land van [betrokkene] . In de jaren vóór de ondercuratelestelling woonde [betrokkene] zelfs in een verzorgingstehuis.

3.15.4.

Het betoog van [verzoeker] dat de rechten van ‘directe naasten’ van [betrokkene] waar [verzoeker] zichzelf onder schaart met een beroep op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op ‘family life’, beschermd dienen te worden door een effectieve toegang tot de rechter, faalt eveneens.

De bedoeling van de wetgever bij het aanmerken van de ‘directe naasten’ als belanghebbenden in zaken van curatele, onderbewindstelling en mentorschap, was aansluiting te zoeken bij de kring van personen die bevoegd is een verzoek te doen tot instelling van een beschermingsmaatregel dan wel ontslag te verzoeken van de curator, bewindvoerder of mentor. Deze kring van personen is in 2014 met de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap uitgebreid met als doel de invloed van personen uit de nabije omgeving van de rechthebbende op het functioneren van de wettelijke vertegenwoordiger te vergroten, daarmee de kwaliteit van die wettelijke vertegenwoordigers beter te waarborgen en misstanden te voorkomen. 4 Het aanmerken van directe naasten als belanghebbenden in beschermingszaken dient derhalve de bescherming van de positie en de rechten van de rechthebbende en niet die van de directe naasten, nog afgezien van het feit dat [betrokkene] , zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld, niet onder deze categorie van personen kan worden geschaard.

Testament

3.15.5.

Voor zover [verzoeker] tot slot heeft betoogd dat het feit dat hij bij testament als enig erfgenaam van [betrokkene] is benoemd, hem rechtstreeks belanghebbend maakt ten aanzien van het curateleverzoek, gaat het hof ook hieraan voorbij. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad 5 maakt de omstandigheid dat [verzoeker] als gevolg van de curatele (mogelijk) indirect wordt geraakt in zijn vermogensrechtelijke belang als enig erfgenaam van [betrokkene] , niet dat daarbij de eigen rechten en verplichtingen van [verzoeker] rechtstreeks in het geding zijn in deze zaak betreffende de instelling van curatele. De erfrechtelijke positie van [verzoeker] betreft met andere woorden evenmin een belang waarop deze zaak rechtstreeks betrekking heeft, maar een indirect of, ontoereikend, ‘afgeleid belang’.

Conclusie

3.16.

Alles overwegend concludeert het hof dat [verzoeker] in hoger beroep niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Deze conclusie leidt ertoe dat het hof [verzoeker] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek in hoger beroep.

Tot slot

3.17.

Nu het hof niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek in hoger beroep toekomt, is er ook geen aanleiding (meer) om [betrokkene] te horen.

Proceskosten

3.18.

Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4De beslissing

Het hof:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2024;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus, dat ieder zijn eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, C.N.M. Antens, en M.I. Peereboom-van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

1

Kamerstukken II 1991/92, 22.487 nr. 3, p. 6.

2

Zie met name de noot van Wortmann onder HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1748.

3

Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/706.

4

Zie A.G. De Bock in haar conclusie vóór HR 1 april 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:324, vanaf nr. 3.38).

5

Vgl. bijvoorbeeld HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR: BZ3641, NJ 2013/382, m.nt. S.F.M. Wortmann, HR 26 juni 2025, ECLI:NL:HR:1748, NJ 2015/336 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5, HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:H:2024:1370, NJ 2024/299.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733