Rechtbank Limburg 14-10-2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:10000

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking waarin een geschil over uitvoering van de ondertoezichtstelling is beoordeeld. Moeder verzoekt bepaling jeugdhulp (86 uur p/w, met terugwerkende kracht). GI stelt dat geschillenregeling niet van toepassing is en dat alleen gecontracteerde, SKJ-geregistreerde hulp kan. Rechtbank acht moeder ontvankelijk art. 1:262b BW en benadrukt exclusieve beslissingsbevoegdheid GI art. 3.5 Jeugdwet. GI handelt te traag; wordt verplicht binnen vier weken een bepaling jeugdhulp af te geven. Verzoek voor uren/terugwerkende

Datum publicatie04-02-2026
ZaaknummerC/03/342565 / JE RK 25-1011
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsRoermond
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; 1:262b BW Geschillenregeling OTS
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek moeder om te bepalen dat de GI, op grond van artikel 1:262b BW, een bepaling Jeugdhulp dient af te geven, toegewezen. Het afgeven van een bepaling Jeugdhulp is juist een exclusieve bevoegdheid van de GI. De rechtbank kan niet bepalen welke bepaling jeugdhulp moet worden afgegeven, maar wel dat een bepaling moet worden afgegeven. De GI wordt niet in haar stelling gevolgd dat zij enkel en alleen een bepaling jeugdhulp kan afgeven, indien er sprake is van hulp vanuit een gecontracteerde aanbieder. Indien de GI van mening is dat niet- gecontracteerde hulp, in dit specifieke geval, de enige mogelijkheid is, moet zij dit opnemen in een bepaling Jeugdhulp. Artikel 3.5 Jeugdwet beperkt de bevoegdheid van de GI immers niet tot gecontracteerde hulp.

Volledige uitspraak


RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/03/342565 / JE RK 25-1011

Datum uitspraak: 14 oktober 2025

Beschikking van de meervoudige kamer op basis van de geschillenregeling

in de zaak van

[moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaatsnaam] ,

advocaat mr. J.M.E. van den Heuvel uit Landgraaf,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [plaatsnaam] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [plaatsnaam] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [plaatsnaam] ,

hierna te noemen [minderjarige 3] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaatsnaam] ,

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
locatie Heerlen,

hierna te noemen de GI.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2025;

- het verweerschrift van de GI met bijlagen van 5 augustus 2025;

- de nadere producties van de moeder van 17 september 2025 en 2 oktober 2025.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

Aan mr. J. van Helden, gemachtigde van de moeder in bestuursrechtelijke zaken, is bijzondere toegang verleend.

1.3.

De vader is wel opgeroepen, maar niet verschenen.

1.4.

Ter zitting is door de moeder een e-mailbericht overgelegd.
Door de GI is een pleitnota overgelegd.

1.5.

De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2De feiten

2.1.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

2.2.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 17 januari 2026.

3Het verzoek

3.1.

De moeder heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De moeder verzoekt te bepalen dat de GI, binnen drie dagen na het wijzen van deze beschikking, naar de rechtbank begrijpt, een bepaling jeugdhulp afgeeft voor 86 uur per week ten behoeve van de minderjarige kinderen en het gezinssysteem met terugwerkende kracht vanaf de startdatum van de ingezette hulp van Helping Hand, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.

De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Volgens de moeder is de geschillenregeling van toepassing. Er is een verschil van inzicht over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De benodigde hulpverlening wordt niet ingezet, omdat er geen bepaling jeugdhulp wordt afgegeven. Vanwege de ondertoezichtstelling is er geen andere mogelijkheid om een bepaling jeugdhulp te krijgen dan via deze procedure.

3.3.

De moeder heeft diverse beperkingen waardoor zij is aangewezen op hulp in de thuissituatie. Zij behoeft onder andere ondersteuning en hulp voor praktische zaken, huishouden en praktische ondersteuning in de verzorging van de kinderen, alsmede ondersteuning voor de kinderen in verband met kindeigen problematiek.
In het verleden ontving de moeder hulp en ondersteuning vanuit de gemeente, Team Jeugd. 1 Op enig moment is aangegeven dat een deel van de hulp gefinancierd moest worden via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Er zijn veel discussies gevoerd tussen de moeder en de gemeente en ook zijn er diverse procedures gevoerd over hoeveel uren er hulp nodig is en welke instantie die hulp moet financieren. Ondanks de lopende ondertoezichtstelling heeft de moeder geen enkele steun ervaren van de GI en ervaart zij enkel tegenwerking.

3.4.

De moeder heeft recht op en behoefte aan 116 uur aan hulp in haar gezin. Dit is in eerdere procedures en indicaties al bepaald en vastgelegd. Inmiddels is ook duidelijk dat de ondersteuning voor de kinderen door minimaal twee hulpverleners gedaan moet worden. De laatst betrokken instantie, Helping Hand, heeft hierover een verklaring gegeven.
Het budget dat de moeder nu ontvangt vanuit de Wmo 2015 is ontoereikend om de kosten te betalen. Vanwege de ondertoezichtstelling krijgt de moeder geen hulp meer vanuit Team Jeugd. Zij heeft dringend behoefte aan een deugdelijke bepaling jeugdhulp voor de benodigde financiering. De GI moet deze bepaling jeugdhulp afgeven, maar dat doet de GI niet.

3.5.

Het is duidelijk dat er hulp in de thuissituatie nodig is, maar het is nu de vraag wie dat moet financieren: de gemeente of de GI. Het is echter de GI die moet bepalen en de gemeente moet het uitvoeren. De moeder begrijpt dat eerst bekeken moet worden of er gecontracteerde hulpaanbieders zijn, maar die zijn er in dit geval niet.
Eerder waren medewerkers vanuit Helping Hand betrokken. Die medewerkers zijn nog steeds betrokken, maar zij werken nu vanuit Zorg en Gezelschap; een andere aanbieder. Het is de bedoeling dat deze medewerkers betrokken blijven. De moeder vraagt de bepaling jeugdhulp vanaf het moment dat zij vanuit de organisatie Helping Hand zijn begonnen, maar de jeugdhulp ziet niet specifiek op de organisatie Helping Hand.
De rechtbank kan normaal gesproken de aard en omvang van de jeugdhulp niet bepalen, maar die aard en omvang ligt al vast. De GI moet een standpunt innemen zodat de gemeente tot uitvoering kan overgaan. Bij de gemeente gaat het dan enkel nog om de verzilveringsvorm. De gemeente moet de hulp betalen. Daarvoor heeft de gemeente geen diagnostische gegevens nodig.

3.6.

Op zichzelf moet de GI ook zelf toetsen welke bepaling, welke hulp en hoeveel uren, moet worden afgegeven, maar in dit geval staat wel vast hoeveel hulp er nodig is.
Het verbaast de moeder dat als CECL aangeeft dat er bepaalde therapieën nodig zijn de GI dit overneemt en vastlegt in een bepaling jeugdhulp, terwijl als CECL aangeeft dat er hulp nodig is in de thuissituatie, de GI vindt dat dat eerst nader onderzocht moet worden. De GI zegt dat ze nu nog vier weken nodig heeft om dat nader te onderzoeken, maar dat zegt ze al een jaar. De moeder staat open voor gesprekken thuis. De GI is ook thuis geweest en zij heeft met de kinderen en de medewerkers van Helping Hand gesproken. Een nader onderzoek gaat niets brengen.

3.7.

Er is geen gecontracteerde zorgaanbieder die de benodigde zorg aanbiedt en daarom heeft de moeder zelf, in samenspraak met de GI, een persoonsgebonden budget (PGB) aangevraagd bij Team Jeugd. Team Jeugd heeft op haar beurt twee vragen gesteld aan de GI en wil nadere informatie, onder andere volledige inzage in de diagnostische onderzoeken van de kinderen. De moeder wil die informatie niet geven. Op grond van de handreiking ‘Zorgvuldig verstrekken van persoonsgegevens aan gemeenten bij jeugdhulp’ hoeft de moeder die informatie ook niet te geven. De gemeente moet enkel toetsen aan de weigeringsgronden voor een PGB.
De hulp die er nu is, is passend. De GI moet dat vaststellen en vervolgens die informatie aan de gemeente verstrekken. De gemeente zou dan een PGB moeten afgeven.

3.8.

De moeder heeft ook al verschillende bestuursrechtelijke procedures gevoerd en zowel door de advocaat van de moeder in die procedures als door de advocaat in deze procedure is aan de GI al duidelijk en meermaals aangegeven wat er nodig is en wie er nodig is. De voorzieningenrechter bij bestuursrecht heeft op 1 april 2025 nog een uitspraak gedaan en die uitspraak is ook aan de GI gestuurd. De moeder heeft de huidige hulpverleners in haar gezin vanuit het PGB dat bestemd is voor hulp vanuit de Wmo 2015 betaald. Sinds oktober 2025 is dit budget op en kan de hulpverlening dus niet meer betaald worden. De GI heeft aangegeven dat eerst de woning van de moeder bezocht moet worden en dat de kinderen gezien en gesproken moeten worden. De moeder heeft hier haar medewerking aan verleend, maar er is nog altijd geen bepaling jeugdhulp afgegeven. Op 20 mei 2025 is telefonisch medegedeeld dat er een PGB zou komen voor drie maanden, maar ook dat is nog altijd niet geregeld. Daarnaast had er/dient er over de afgelopen periode ook een bepaling jeugdhulp te zijn vanwege de in deze periode gemaakte kosten.
De moeder is de discussie beu en komt er niet uit met de GI, reden waarom zij dit geschil aan de rechtbank voorlegt.

4Het verweer

4.1.

De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen.

4.2.

Het verzoek van de moeder valt niet onder de geschillenregeling, omdat in dit geval de GI in overleg met de gemeente dient te bepalen welke jeugdhulp is aangewezen. Er is geen sprake van een geschil enkel tussen de GI en de moeder. Het verzoek van de moeder, het afgeven van een bepaling jeugdhulp, ziet in dezen op een bevoegdheid die de GI niet heeft, omdat door de gemeente een PGB afgegeven dient te worden voor de inzet van de hulpverlening die de moeder wil. In de eerder genoemde uitspraak van de bestuursrechter van 1 april 2025 is ook vastgesteld dat de gemeente een regietaak heeft en dat de (jeugd)hulp en de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel zoveel mogelijk integraal en in samenhang dienen te worden verleend.

Daarnaast ziet het niet opstarten van hulpverlening op een gedraging als bedoeld in artikel 4.2.1. Jeugdwet en dat artikel is uitgezonderd van de geschillenregeling. De GI verwijst daarvoor naar een (ongepubliceerde) uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 september 2025 2. Volgens de GI valt het verzoek van de moeder dus niet onder de geschillenregeling.

4.3.

De GI dient op grond van artikel 3.5 Jeugdwet te bepalen welke jeugdhulp moet worden ingezet, in overleg met de gemeente. Deze hulp ziet in principe op gecontracteerde hulp. De GI dient artikel 4.1.1. Jeugdwet in acht te nemen waarbij de hulp veilig, doeltreffend, doelmatig en clientgericht moet zijn. Tevens is artikel 5.1.1. lid 1 van het Besluit Jeugdwet van toepassing, waaruit volgt dat in beginsel vereist wordt dat de hulpverleners een SKJ-registratie hebben.
In dit geval valt Helping Hand niet binnen het gecontracteerde aanbod van de gemeente.

De GI kan geen bepaling jeugdhulp afgeven voor de inzet van (de voormalige medewerkers) Helping Hand. Dat is geen gecontracteerde jeugdhulpaanbieder en de medewerkers hebben geen SKJ-registratie. Zou besloten worden dat Helping Hand het meest passend is, dan moet de GI in overleg treden met de gemeente. Er is een mogelijkheid om een maatwerkvoorziening af te geven als sprake is van een niet-gecontracteerde aanbieder, maar dan nog moet er een SKJ-registratie zijn. Indien een maatwerkvoorziening niet kan, kan een PGB aangevraagd worden.
De GI denkt dat de huidige hulp niet voldoende is, omdat ook sprake is van hechtingsproblematiek bij de kinderen en CECL geeft ook aan dat er hulp nodig is voor de emotieregulatie bij de kinderen. Helping Hand kan dat niet bieden. Zij lijkt geen jeugdhulp te verlenen. Het CECL acht de huidige hulp wel passend, maar het is de GI die beslist over de inzet van een hulpverlener en de frequentie van die inzet.
De GI dient tevens de omvang van het aantal uren jeugdhulp vast te stellen. De moeder stelt dat 116 uur per week niet ter discussie staat, maar voor de GI is niet duidelijk waar de moeder dat aantal uren op baseert, laat staan dat dit vast zou staan.
De minieme contacten tussen de moeder en de GI maken het moeilijk om duidelijk te krijgen wat passende hulp is. Naast informatie van derden, moet de GI op basis van eigen bevindingen voldoende zicht krijgen op de opvoedsituatie. Dit zicht op de opvoedsituatie en (daarmee de voortzetting van) hulpverlening is nog onvoldoende van de grond gekomen en daarom kan de GI geen bepaling jeugdhulp afgeven.

4.4.

Ter overbrugging van de tijd waarin duidelijk moet worden welke jeugdhulp kan worden ingezet, is een PGB, op naam van de moeder, aangevraagd. Zo kan de moeder zelf de hulp inkopen. De GI kan zelf geen PGB aanvragen noch kan zij bepalen wat de hoogte van een PGB moet zijn (inclusief het geldende uurtarief). De gemeente dient te beoordelen of is voldaan aan de toekenningsvoorwaarden van een PGB en of een van de weigeringsgronden moet worden toegepast. De aanvraag van het PGB is gestagneerd, omdat de moeder geen toestemming gaf tot uitwisseling van informatie tussen de GI en de gemeente.

4.5.

De GI kan geen bepaling jeugdhulp afgeven met daarin opgenomen dat de moeder een PGB moet krijgen. De gemeente toetst in dit geval niet marginaal, omdat de gewenste aanbieder geen gecontracteerde aanbieder is.

De GI kan een bepaling jeugdhulp afgeven voor een bepaald aantal uren, maar dat gaat nu niet omdat het ontbreekt aan zicht op de opvoedsituatie. De moeder wil enkel de hulp van (de voormalige medewerkers van) Helping Hand, maar daarvoor kan geen bepaling jeugdhulp worden afgegeven. De GI zou samen met de moeder kijken wat er nodig is. Het is wel duidelijk dat er nu iets moet gaan gebeuren, maar de moeder kan zich niet op het standpunt stellen ‘ik wil alleen deze hulp’. De moeder wil geen hulp van een gecontracteerde aanbieder, maar voor de hulp die de moeder nodig heeft zijn wel gecontracteerde aanbieders in de regio beschikbaar.
De huidige hulp van de moeder kan alleen via een PGB worden ingezet en daarvoor heeft de gemeente nadere informatie nodig. Hetgeen door de moeder is aangehaald ten aanzien van de handreiking ‘Zorgvuldig verstrekken van persoonsgegevens aan gemeenten bij jeugdhulp’ geldt voor het afgeven van een bepaling jeugdhulp. Het gaat nu om het afgeven van een PGB.
De GI kan proberen de gemeente zover te krijgen dat de gemeente zonder de diagnostische gegevens van de kinderen beoordeelt of voor een overbruggingstijd een PGB kan worden afgegeven.
Voor het daadwerkelijk afgeven van een bepaling jeugdhulp moet de moeder ervoor zorgen dat de GI zelf zicht krijgt op de situatie van de kinderen en de GI toelaten. Daarvoor zou een termijn van vier weken voldoende moeten zijn.

4.6.

Tot slot vraagt de moeder met terugwerkende kracht een indicatie jeugdhulp af te geven. Het is de moeder zelf die de zorg van Helping Hand heeft ingekocht, zonder overleg met de GI. De GI heeft niet kunnen inschatten welke jeugdhulp passend zou zijn en het kan dan ook niet zo zijn dat nu met terugwerkende kracht een bepaling jeugdhulp moet worden afgegeven. Bovendien blijkt niet per wanneer de moeder de hulp van Helping Hand heeft ingeschakeld.

5De beoordeling

5.1.

De rechtbank stelt vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is.

De ontvankelijkheid

5.2.

De geschillenregeling 3 is bedoeld als algemene regeling om verschillen van mening in de uitvoering van de ondertoezichtstelling op te lossen.
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Deze zaak betreft een geschil in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Immers, op grond van artikel 3.5 van de Jeugdwet bepaalt de GI, bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, welke jeugdhulp is aangewezen. Dat zij hiervoor moet overleggen met de gemeente doet hier niet aan af en maakt niet dat er geen geschil is tussen de moeder en de GI. Een vereiste voor ontvankelijkheid is immers niet dat de moeder ènkel een geschil moet hebben met de GI.
Daarbij verzoekt de moeder om de GI te verplichten een bepaling jeugdhulp af te geven, hetgeen juist een exclusieve bevoegdheid is van de GI. Dat zij een andere invulling van die bepaling voor ogen heeft dan de GI, is voor de ontvankelijkheid niet relevant.
Daarbij gaat het hier dus om het geschil tussen de moeder en de GI over welke jeugdhulp er moet worden ingezet. Anders dan de GI stelt, is daarvoor artikel 4.2.1. Jeugdwet (dat ziet op het klachtrecht) niet van toepassing. Het gaat hier immers niet om een gedragingen van een GI jegens (in dit geval) de moeder, maar om een inhoudelijke beslissing van de GI in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Daarop is de geschillenregeling juist van toepassing.


Inhoudelijk

5.3.

De kern van het geschil is de vraag of de GI een bepaling jeugdhulp moet afgeven voor de door de moeder gewenste hulpverlening. De rechtbank stelt voorop dat de GI op grond van artikel 3.5 Jeugdwet exclusief bevoegd is om te bepalen welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Het is dus de taak van de GI om ook voor dit gezin te beslissen welke jeugdhulp noodzakelijk is. De rechtbank stelt vast dat de GI sinds 17 juli 2024 de ondertoezichtstelling van de kinderen uitvoert. Sindsdien heeft de GI geen beslissing genomen over de noodzaak, aard, omvang, duur en ingang van de jeugdhulp voor het gezin in de thuissituatie. Uit het dossier en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de houding van de moeder hierin belemmerend is geweest. Zo heeft zij een tijd geweigerd om het CECL rapport te delen met de GI en is zij terughoudend geweest in de contacten met de GI en tussen de GI en de kinderen en het toelaten van de GI in de thuissituatie. Inmiddels beschikt de GI echter alweer enige tijd over het rapport van CECL en zijn er contacten tussen de GI en de moeder en de kinderen geweest. De rechtbank is van oordeel dat van de GI verwacht had mogen worden dat inmiddels (ruim 14 maanden na de start van de ondertoezichtstelling) een bepaling jeugdhulp voor de hulp in de thuissituatie was afgegeven. De GI heeft hierover aangegeven dat zij nog niet kan beoordelen of de hulp die de moeder wil, voldoende passend is én dat het niet aan de moeder is om, zeker in het kader van een ondertoezichtstelling, te bepalen welke hulp zij wil. Vorenstaande acht de rechtbank op zichzelf juist. Immers, het is niet de moeder die kan en mag bepalen welke hulp noodzakelijk is. Dat is ook niet aan de gemeente of CECL, maar aan de GI om te bepalen. Bij de GI ligt de plicht om zelf te onderzoeken en te beoordelen welke jeugdhulp noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen af te wenden. Het is dus niet gezegd dat de hulp die de moeder nu heeft, de enige juiste hulp is. Dat ligt ter beoordeling voor aan de GI. De GI stelt dat ze dat nog niet heeft kunnen onderzoeken, omdat zij nog niet genoeg zicht heeft op de situatie van de kinderen. Derden hebben aangegeven welke hulp zij voor de moeder nodig vinden, maar de GI heeft dat zelf nog niet kunnen vaststellen. Zoals hiervoor overwogen ligt dat deels aan de houding van de moeder, maar had de GI naar het oordeel van de rechtbank inmiddels wel voldoende zicht kunnen hebben om in elk geval voorlopig een bepaling jeugdhulp af te geven ter stabilisatie van de situatie.

5.4.

De moeder wenst dat de rechtbank nu bepaalt dat de GI, binnen drie dagen een bepaling jeugdhulp moet afgeven voor 86 uur per week met terugwerkende kracht. De rechtbank heeft echter niet de bevoegdheid om te oordelen over de aard, omvang, duur en de ingangsdatum van de af te geven bepaling jeugdhulp. De beoordeling van de geschikte hulpverlening valt immers onder de exclusieve beslissingsbevoegdheid van de GI. De rechtbank kan wel bepalen dat de GI moet overgaan tot het uitvoeren van de aan haar opgedragen taak, waaronder ook valt te rekenen het afgeven van een bepaling jeugdhulp. Daar kan ook aan verbonden worden dat die bepaling binnen een bepaalde termijn moet worden afgegeven. De rechtbank zal dat ook zo bepalen. Immers, het is duidelijk dat er hulp nodig is in de thuissituatie van de moeder, maar partijen zijn in een patstelling beland over de vraag hoe dit gerealiseerd moet worden.

5.5.

Beide partijen zijn het er voor nu, zolang er geen zicht is op wat er precies nodig is, over eens dat de hulp die de huidige hulpverleners in de thuissituatie bij de moeder bieden gecontinueerd moet worden. Omdat deze hulpverleners niet door de gemeente zijn gecontracteerd en niet SKJ-geregistreerd zijn, stelt de GI zich op het standpunt dat alleen de gemeente hiervoor een PGB-besluit kan afgeven. De gemeente geeft dat PGB-besluit niet af, omdat de moeder de – volgens de gemeente – benodigde informatie niet verschaft. De GI heeft aangegeven dat zij geen bepaling kan afgeven op basis waarvan de moeder een PGB kan krijgen. Dat is op zichzelf juist, een GI kan niet bepalen dat de noodzakelijke jeugdhulp vanuit een PGB betaald wordt. De GI zal in overleg moeten treden met de gemeente als de GI de hulp die nu wordt geboden inderdaad noodzakelijk vindt, ook al wordt die geboden vanuit een niet-gecontracteerde aanbieder (met werknemers die niet SKJ-geregistreerd zijn). Als de GI vervolgens niet tot overeenstemming komt met de gemeente en in haar standpunt volhardt dat niet-gecontracteerde hulp van medewerkers die niet SKJ-geregistreerd zijn in dit specifieke geval en voor dit moment de enige oplossing is, zal zij op grond van artikel 3.5 Jeugdwet dit in een bepaling jeugdhulp moeten opnemen. Artikel 3.5 Jeugdwet beperkt de bevoegdheid van de GI immers niet tot gecontracteerde jeugdhulp. Daarbij staat daarover in de memorie van toelichting (…) “Overeenstemming met de gemeente per geval wordt niet geëist, omdat het uiteindelijk de gecertificeerde instelling is die de wettelijke verantwoordelijkheid heeft om de door de rechter opgedragen maatregel uit te voeren 4.”
De rechtbank kan de GI dan ook niet geheel in haar stelling volgen dat zij enkel en alleen een bepaling jeugdhulp kan afgeven, indien er sprake is van hulp vanuit een gecontracteerde aanbieder (met SKJ-geregistreerde medewerkers). Dit verdient uiteraard de voorkeur, maar dat al het andere de GI niet is toegestaan is de rechtbank niet gebleken. Daarbij benadrukt de rechtbank dat iedereen het er in deze procedure over eens lijkt dat het doorlopen van de ingezette hulp op dit moment, al is het maar als tijdelijke maatregel, in het belang van de kinderen wenselijk of zelfs noodzakelijk is. De rechtbank vermeldt daarbij wel dat die weg heel wat omslachtiger is en de hulp die de moeder heeft dan nog steeds niet meteen betaald wordt. De moeder moet dan immers met de bepaling jeugdhulp in de hand nog een pgb-aanvraag doen bij de gemeente. In dat kader merkt de rechtbank op dat de GI heeft toegezegd met de gemeente in gesprek te zullen gaan en te bekijken of de gemeente ook zonder diagnoses van de kinderen en medische rapporten tot de beoordeling van de PGB-aanvraag van de moeder kan komen. De rechtbank verwacht dat als de GI in een bepaling jeugdhulp duidelijk motiveert waarom welke jeugdhulp nodig is, de gemeente op basis daarvan tot de beoordeling van de PGB-aanvraag van de moeder kan komen. De gemeente hoeft daarvoor immers alleen de voorwaarden en weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 8.1.1 Jeugdwet (en nader uitgewerkt in het gemeentelijke beleid) te beoordelen. Het oordeel van de gemeente ziet in dat geval dus enkel op de leveringsvorm, niet op de noodzaak van de jeugdhulp.

5.6.

De rechtbank zal bepalen dat de GI binnen vier weken na heden een bepaling jeugdhulp dient af te geven. Als eerder vermeld gaat de rechtbank echter niet over de aard, omvang, duur en ingangsdatum van die in te zetten jeugdhulp.

6De beslissing

De rechtbank:

6.1.

bepaalt dat de GI binnen vier weken een bepaling jeugdhulp dient af te geven;

6.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Vogels (voorzitter), mr. L.M.I.A. Bregonje en mr. M.M.L. Goofers, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025, in aanwezigheid van L. Reijnders-Verlinden als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. 5

1

Strikt genomen vanuit het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Sittard-Geleen.

2

C/13/769214 / JE RK 25-343.

4

TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 160 (Memorie van Toelichting, artikelsgewijs)



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733