Essentie (gemaakt door AI)
Civiele zaak waarin aansprakelijkheid van gedaagde voor belaging, bedreiging en brandstichting in de woning van eiser wordt aangenomen. Strafvonnissen hebben slechts vrije bewijskracht; met civiele maatstaf acht de rechtbank op basis van modus operandi, bedreigingen met daderkennis en onvoldoende betwisting aannemelijk dat gedaagde de brand sticht. Toegewezen: verlies verdienvermogen, reiskosten, zorgkosten, beveiligingskosten, inboedelschade, extra huur en €10.000 smartengeld. Gebieds- en contactverbod met dwangsom. Proces-| Datum publicatie | 03-02-2026 |
| Zaaknummer | C/03/255961 / HA ZA 18-507 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Roermond |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Onrechtmatige daad. Schade als gevolg van de door gedaagde gepleegde strafbare feiten (bedreiging, belaging en brandstichting) waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld. Artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gebieds- en contactverbod.Volledige uitspraak
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer / rolnummer: C/03/255961 / HA ZA 18-507
Vonnis van 25 maart 2020
in de zaak van
[eiser] ,
wonend te [plaatsnaam] ,
eiseres,
advocaat mr. P.C. Schouten te Breda,
tegen
[gedaagde] ,
wonend te [plaatsnaam] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.N. van Geenen te Venlo.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met producties 1 tot en met 23;
-
de conclusie van antwoord;
-
de akte overlegging aanvullende productie 24 tot en met 32;
-
de akte wijziging van eis;
-
het proces-verbaal van comparitie van 12 juni 2019;
-
de akte van [eiser] met productie 33 en 34;
-
de akte van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
[eiser] en [gedaagde] hebben van 2013 tot medio 2014 een affectieve relatie gehad. Medio 2015 kreeg [eiser] een relatie met [ex-partner] . [ex-partner] is medio 2016 overleden als gevolg van een verkeersongeval. De huidige partner van [eiser] is [partner] .
Op 15 februari 2016 heeft er brandstichting plaatsgevonden in de woning van [eiser] en is de woning van [eiser] gedeelte beschadigd geraakt. [eiser] huurde deze woning voor een bedrag € 500,00 per maand. Op 15 november 2017 kon [eiser] terugkeren naar haar oude woning. In de tussenliggende periode heeft [eiser] een bedrag van € 900,00 per maand moeten betalen aan huur voor vervangende woonruimte.
De schade aan de inboedel door de brand bedroeg € 63.500,00. Een bedrag van € 58.947,62 heeft [eiser] van haar verzekeringsmaatschappij vergoed gekregen.
Het laatst genoten salaris van [eiser] bedroeg in december 2016 een nettobedrag van € 1.802,41. Met ingang van 20 maart 2017 is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt en met ingang van 19 juni 2017 ontvangt [eiser] een ziektewetuitkering van een nettobedrag van € 1.346,00. Vanaf april 2019 ontvangt [eiser] een WW-uitkering van een nettobedrag van € 1.024,84.
Bij vonnis van 13 februari 2018 is [gedaagde] veroordeeld voor:
- het belagen van [eiser] ;
-
het bedreigen van [eiser] ;
-
het belagen [ex-partner] ;
-
het verduisteren van goederen van zijn voormalig werkgever, de gemeente Venlo.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 februari 2018 ten aanzien van de belaging het volgende overwogen:
“ Bewijsoverweging feit 1: is er sprake van belaging van [eiser] ?
-
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de hiervoor beschreven en in de tussenconclusies vastgestelde handelingen van verdachte te kwalificeren zijn als belaging van [eiser] in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095). Van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is sprake indien de persoon in kwestie de storing niet wenst, hetgeen betekent dat de contacten dienen te geschieden zonder (impliciete) toestemming. Hoewel dit niet betekent dat vereist is dat het slachtoffer voorafgaand aan de gedragingen nadrukkelijk kenbaar moet hebben gemaakt geen contact meer te willen (zie HR 2 juni 2015, NJ 2015/280), moet naar het oordeel van de rechtbank wel op enig moment duidelijk zijn gemaakt dat de vormen van contact die in een relatie gebruikelijk zijn, niet langer gewenst zijn.
-
[eiser] heeft in haar eerste aangifte van belaging verklaard dat zij verdachte op haar verjaardag duidelijk heeft gemaakt dat zij niets meer met hem wilde. Nu [eiser] zelf nadien ook heeft verklaard dat ze zich kon voorstellen dat verdachte dit niet begreep – de relatie was immers al vaker uitgegaan –, gaat de rechtbank niet uit van 28 september 2015, maar van 12 oktober 2015 als de dag waarop het verdachte duidelijk was dat [eiser] zijn contact niet meer wenste, zoals hij, zoals hiervoor opgenomen, ook zelf bij de politie heeft verklaard.
-
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen voorts vast dat verdachte in de periode van 13 oktober 2015 tot en met 17 maart 2017 op een zeer indringende wijze met [eiser] ’ privéleven bezig is geweest. Zo heeft/is hij:
- in 2015 en 2016 meermalen en in 2017 eenmaal naar [eiser] gebeld, ‘gewoon’, maar ook anoniem;
- in 2015 een e-mail naar haar gestuurd;
- in 2015 meermaals en in 2016 eenmaal bij haar werk en woning langsgegaan. Ook later, in maart 2017, is hij nog een keer bij haar woning langsgegaan, waarbij hij ook de kinderen angst heeft aangejaagd door hun namen te roepen;
- op 21 maart smsjes gestuurd en op 22 maart 2016 bedreigende smsjes gestuurd, die [eiser] als geautomatiseerde berichten moest afluisteren.
-
Daarnaast heeft hij zich in diezelfde periode ook verder met haar privéleven bemoeid, doordat hij:
-
op 13 oktober 2015 het kenteken van haar vriend heeft bevraagd om zo achter zijn NAW-gegevens te komen;
-
in 2015 2x een brief heeft gestuurd naar haar vriend;
-
in 2016 gedurende enkele weken de auto van haar vriend heeft gevolgd;
-
Tot slot heeft verdachte in maart 2017 [eiser] ’ aanwezigheid actief gevolgd tijdens een feest, waar zij met haar nieuwe vriend en een vriendin aanwezig was.
Uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, komt naar voren dat verdachte over een lange periode op een zeer belastende en indringende wijze heeft geprobeerd met [eiser] in contact te komen en haar aandacht heeft geëist, waarbij hij zich ook actief met haar liefdesleven heeft bemoeid door haar vriend berichten te sturen en te volgen. Door zo te handelen, heeft verdachte kennelijk willen bewerkstelligen dat [eiser] haar nieuwe relatie zou beëindigen en bij hem zou terugkeren én heeft hij [eiser] en haar gezin en vriend angst aangejaagd en hun gevoel voor veiligheid ernstig aangetast. Weliswaar volgen de contactmomenten elkaar sinds november 2015 niet meer in de frequentie van het begin op, maar verdachte blijft wel terugkeren op wisselende momenten en de intensiteit waarmee hij dit doet en de impact die dat heeft is groot. Al met al heeft verdachte daarmee een aanmerkelijke en zeer nare verstoring van het persoonlijke leven van het slachtoffer teweeg gebracht, die naar het oordeel van de rechtbank de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet hierop acht de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 1 bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.”
Ten aanzien van de bedreiging heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“ Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 22 maart 2016 door middel van sms-berichten naar het werk van [eiser] de zinnen heeft gestuurd ‘Ik kan je niet de veiligheid garanderen voor jou en je twee dochters als hij geen medewerking zal blijven geven zoals afgesproken’ en ‘wij hebben jou en je dochters deze keer gespaard. Let je de volgende keer op als je de ganzen naar buiten laat.’ De bewoordingen zijn op zichzelf bedreigend en ze hebben [eiser] ook vrees aangejaagd. Nu deze bewoordingen kennelijk refereren aan de brand die ruim een maand eerder in de woning van [eiser] heeft gewoed, leveren deze bewoordingen naar het oordeel van de rechtbank bedreigingen gericht tegen het leven op.
Gelet hierop acht de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 3 bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’. “
In het vonnis van 13 februari 2018 is [gedaagde] vrijgesproken van brandstichting in de woning van [eiser] . De rechtbank heeft ten aanzien van de brandstichting het volgende overwogen:
“Op maandag 15 februari 2016, omstreeks 08.58 uur, komt bij de meldkamer van de Eenheid Limburg een melding binnen van een brand in een woning gelegen aan [adres] . De bewoonster van dit pand betreft [eiser] . Ter plaatse blijkt dat de hele benedenverdieping van het woonhuis in brand staat en dat er op de eerste verdieping ook brand is. In het onderzoek is naar voren gekomen dat [eiser] gemeld heeft dat zij wordt lastiggevallen door verdachte.
Op 16 februari 2016 doet [eiser] aangifte van brandstichting in haar woning. Zij heeft verklaard dat zij op 15 februari 2016 omstreeks 08:30 uur haar woning heeft verlaten, afgesloten en intact heeft achtergelaten. Op 16 februari 2016 omstreeks 16:30 uur belt [eiser] de politie met de mededeling dat uit het nachtkastje op haar slaapkamer twee vibrators zijn verdwenen. Hier wordt zij op 21 februari 2016 nader over gehoord en zij verklaart daar onder andere over dat zij de weggenomen vibrators had gekocht ten tijde van de relatie met verdachte. Alleen aangeefster, haar nieuwe partner [ex-partner] en verdachte zouden weten dat de vibrators daar lagen. Ten tijde van de relatie heeft verdachte een sleutel van de woning van [eiser] in zijn bezit gehad, die [eiser] op enig moment weer heeft teruggepakt. Op 23 februari 2016 verklaart [eiser] dat in het nachtkastje waar de vibrators lagen, ook haar sieraden lagen. Om de twee dagen wisselde zij van sieraden. Als de vibrators al eerder uit haar nachtkastje waren verdwenen, dan had zij dit zeker opgemerkt.
Op 16 februari 2016 heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden waaruit is gebleken dat sprake is van brandstichting. Er zijn drie onafhankelijke brandhaarden geconstateerd in de woning. De onderzochte brandresten bevatten sporen van vluchtige stoffen van motorbenzine en aardoliedestilaat. Er zijn geen sporen van braak of verbreking aan de ramen en deuren aangetroffen. De forensische opsporing heeft vastgesteld dat de schuifdeur aan de achterkant van de woning open heeft gestaan ten tijde van de brand.
Verdachte wordt op 29 maart 2016 aangehouden en zijn woning en auto worden doorzocht. Er worden twee flessen met daarin vluchtige stoffen in beslag genomen. Monsters van deze vluchtige stoffen worden naar het Nederlands Forensisch Instituut opgestuurd waar deze worden vergeleken met de aangetroffen brandresten uit de woning [adres] . Uit dit onderzoek is gebleken dat de monsters van de vluchtige stoffen niet overeenkomen met de aangetroffen brandresten uit de woning.
Uit onderzoek blijkt dat verdachte op zijn computer en telefoon op 12 februari 2016 heeft gezocht op termen als “is een kluis bestand tegen brand” en op 16 februari 2016 op “ [eiser] brand”. Ook heeft hij op 7 februari 2016 de website van de brandweer Barendrecht bezocht.
Op 22 maart 2016 ontvangt [eiser] de berichten die onder feit 3 zijn ten laste gelegd en besproken.
Ter zitting heeft verdachte bekend deze berichten verstuurd te hebben, echter hij stelt dit te hebben gedaan in de overtuiging dat de nieuwe partner van [eiser] , [ex-partner] , zich op zou houden in een bepaald milieu. [ex-partner] zou grote schulden hebben en hiermee onder druk worden gezet. Verdachte wilde zijn ex-vriendin en haar kinderen beschermen en er op deze manier voor zorgen dat [eiser] bedenkingen over de relatie met [ex-partner] zou krijgen en deze relatie zou beëindigen.
Het dossier bevat daarmee weliswaar aanwijzingen die geleid hebben tot de verdenking jegens verdachte, maar onvoldoende concrete bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die ter plaatse is geweest en de brand heeft gesticht. Verdachte dient dan ook bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs te worden vrijgesproken. Dat verdachte met de bedreigingen achteraf of anderszins daderkennis prijsgaf is de rechtbank niet gebleken. Ook bevatten de bedreigingen naar het oordeel van de rechtbank niet de bekentenis die de officier van justitie daarin leest, te meer omdat de verdachte aan deze berichten een uitleg heeft gegeven die de rechtbank gelet op de dubbelzinnige inhoud van de berichten niet zonder meer onaannemelijk acht.”
Bij vonnis van 22 juli 2019 (productie 33) is [gedaagde] veroordeeld voor:
- het in brandsteken van het bedrijfspand van [partner] ;
-
het in brandsteken van de auto van [partner] ;
-
het belagen van [eiser] .
Ten aanzien van het schakelbewijs heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Bij alle tenlastegelegde feiten komt verdachte in beeld als degene die gebruik maakt van een Peugeot. Ook wordt verdachte bij alle tenlastegelegde feiten op of nabij de plaats delict herkend aan zijn gelaat, postuur en kleding. Verder is de modus operandi van verdachte telkens dezelfde: de benadeelden zijn in alle gevallen hetzij de ex-vriendin van verdachte ( [eiser] ) dan wel haar huidige vriend, [partner] . De twee brandstichtingen worden op eenzelfde wijze uitgevoerd: de dader parkeert de auto in de omgeving van de brandlocatie, hij legt het laatste stuk af met de fiets met een draagtas met daarin een fles brandbare vloeistof, dan wordt eerst een brandbare vloeistof op, tegen of in het betreffende object aangebracht en vervolgens wordt die vloeistof aangestoken. Dan rijdt hij weer met de fiets naar de auto en vertrekt.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van zogenaamd schakelbewijs) onder omstandigheden is toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.
De rechtbank stelt vast dat bij de brandstichting op 29 juni 2018 en bij de brandstichting op 6 mei 2018 de modus operandi van verdachte op essentiële punten vergelijkbaar is:
het gaat steeds ten aanzien van feit 1 en feit 2 om brandstichting waarbij de ex-vriendin van verdachte en haar huidige partner als slachtoffers betrokken zijn;
de feiten worden gepleegd in de nachtelijke uren;
verdachte gebruikt een ontbrandbare vloeistof;
verdachte verplaatst zich met steeds dezelfde auto (Peugeot), waarin hij een fiets vervoert, parkeert de auto en gaat naar en van de plaats delict met een fiets.
Derhalve gebruikt de rechtbank de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van deze twee brandstichtingen over en weer als schakelbewijs voor het plegen van de tenlastegelegde brandstichtingen.
Aan de overtuiging dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd draagt nog bij de verklaring van [naam X] , vriend van verdachte, dat verdachte het altijd heeft over de situatie met [eiser] , dat hij wat er gebeurd is niet los kan laten. In een telefoongesprek in februari 2018 tussen verdachte en [naam X] dat is door de politie is getapt, zegt verdachte dat hij nog iedere dag droomt van [eiser] .”
In de brief van GZ-psycholoog en de psychiater (productie 24) van 18 maart 2019 staat:
“Er liepen destijds een tweetal zaken t.w. het overlijden van uw toenmalig partner en de zaak met uw eerdere ex-partner die inmiddels ook in hechtenis zit vanwege vermeende stalking. Ik begreep dat er en veroordeling is geweest maar nog hoger beroep aanhangig is. Inhoudelijk is het vrijwel uitsluitend gegaan over de voortdurende dreigende situatie, de gevolgschade voor u en de gevolgen van het gedrag van deze ex-partner op u en uw gezin alsmede op uw klachten. Hoewel niet volledig vastgesteld kan worden dat er sprake is van een posttraumatische stressstoornis doen de klachten hier sterk aan denken waarbij aangetekend dat de situatie met ex partner als enig onderhoudende factor speelt. Aangezien de situatie vanaf het begin van uw komst alhier erg dreigend is geweest hebben we geen werk kunnen maken van de behandeling van de klachten alsmede weinig gesproken over het overlijden van uw partner en de gevolgen daarvan voor u en uw gezin.”
3Het geschil
[eiser] vordert, bij vonnis, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van door hem gepleegde onrechtmatige daden (het belagen van [eiser] in de periode van oktober 2015 tot en met heden, de brandstichting in de van woning [eiser] en de bedreiging van [eiser] ).
2. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag ter hoogte van € 12.292,41 ten titel van verlies van verdienvermogen over de periode vanaf 19 juni 2017 tot en met 1 juli 2019, met verstrekking van de gebruikelijke betalingsgaranties en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.
3. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag ter hoogte van € 50.608,51 ten titel van vermogensschade tot een bedrag van € 40.608,51 en ten titel van immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 althans ten aanzien van de materiele en immateriële schade een zodanig beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie verneemt te behoren.
4. het bedrag ad. € 1.355,00 ter zake buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
5. [gedaagde] te verbieden om zich voor de duur van 2 jaar vanaf de dag van dit vonnis in [plaatsnaam] te begeven, te vertoeven dan wel op enige andere wijze aldaar aanwezig te zijn, met machtiging van [eiser] om [gedaagde] aldaar desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie te doen verwijderen bij overtreding van dit verbod, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt.
6. [gedaagde] te verbieden om zich voor de duur van 2 jaar vanaf de dag van dit vonnis persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of op andere (digitale) wijze contact op te nemen met [eiser] en/of haar dochters, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt.
7. de kosten van dit geding te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis – en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
8. de nakosten ter hoogte van € 131,00 dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt € 199,00.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door haar te bedreigen, te belagen en haar woning in brand te steken. [eiser] stelt dat dit het geval is en dat zij hierdoor schade heeft geleden. Deze schade bestaat volgens [eiser] uit inkomensschade, reiskosten, kosten van de zorgverzekering, schade aan de inboedel, extra huurkosten, extra bel- en benzinekosten, kosten met betrekking tot de beveiliging en immateriële schade. Tevens vordert [eiser] ten aanzien van [gedaagde] een gebieds- en contactverbod.
Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [eiser] het volgende. [eiser] stelt dat [gedaagde] haar gedurende een periode van jaren op een zeer belastende en indringende wijze heeft belaagd. [gedaagde] deed dit door, tegen de wens van [eiser] in, te proberen met haar in contact te komen, haar aandacht te eisen en door pogingen om haar (liefdes)leven te beïnvloeden. Op deze wijze heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en heeft [gedaagde] haar ernstig (geestelijk) leed toegebracht. Bij vonnis van 13 februari 2018 is [eiser] schuldig bevonden aan de belaging van [eiser] . Tevens is [gedaagde] in ditzelfde vonnis schuldig bevonden aan de bedreiging van [eiser] . Van de brandstichting in de woning van [eiser] is [gedaagde] in dit vonnis vrijgesproken. [eiser] stelt dat er echter wel degelijk kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] haar woning in brand heeft gestoken. [gedaagde] is namelijk bij vonnis van 22 juli 2019 veroordeeld voor het in brandsteken van het bedrijfspand en de auto van [partner] . Uit deze brandstichtingen blijkt volgens [eiser] dat [gedaagde] bij deze brandstichtingen volgens een bepaalde modus operandi heeft gehandeld. Deze modus operandi heeft [gedaagde] ook gehanteerd bij de brandstichting in haar woning op 10 januari 2016. Immers ook toen was [eiser] het slachtoffer van brandstichting, is er gebruik gemaakt van een brandbare vloeistof, is deze vloeistof tegen het object aangebracht en aangestoken en heeft [gedaagde] expliciet online gezocht naar informatie over deze brandstichting. Hierbij komt dat de door [gedaagde] geuite bedreigingen refereren aan de brandstichting waarbij hij kennelijk beschikt over heel specifieke informatie (zoals het naar buiten laten van de ganzen). De modus operandi, in samenhang met de geuite bedreigingen leiden ertoe dat het aannemelijk is dat [gedaagde] ook de pleger is van de brandstichting in de woning van [eiser] .
[gedaagde] stelt dat hij onschuldig is en geen strafbare feiten heeft gepleegd. [gedaagde] betwist dat hij de woning van [eiser] in brand heeft gestoken. Hierbij komt dat [gedaagde] bij vonnis van 13 februari 2018 door de rechtbank Limburg is vrijgesproken van deze brandstichting. Ten aanzien van het vonnis van 22 juli 2019 van de rechtbank Oost-Brabant stelt [gedaagde] dat dit een nog niet onherroepelijk vonnis betreft en dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen dit vonnis. Wat in dit vonnis staat over de modus operandi ziet volgens [gedaagde] op geen enkele wijze op de vermeende brandstichting door [gedaagde] . Een enkele verwijzing naar een aantal passages uit strafvonnissen is volgens [gedaagde] onvoldoende om aannemelijk te maken dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor de brandstichting op 15 februari 2016. Voorts zijn er geen concrete bewijsmiddelen voorhanden op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat [gedaagde] destijds ter plaatse is geweest en de brand heeft gesticht. [gedaagde] is dan ook niet aansprakelijk voor de eventuele schade die hieruit voortvloeit.
Aansprakelijkheid van [gedaagde]
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 161 Rv ziet specifiek op de betekenis van strafvonnissen van de Nederlandse strafrechter in burgerlijke zaken. Aan een strafvonnis komt in een civiele procedure onder bepaalde omstandigheden dwingende bewijskracht toe. Dit kan dan echter slechts het oordeel van de strafrechter betreffen dát de veroordeelde een bepaald feit heeft gepleegd, en dan ook slechts nog voor zover het betreffende vonnis onherroepelijk is geworden (in kracht van gewijsde is gegaan) en op tegenspraak is gewezen. Alle andere strafvonnissen of onderdelen daarvan hebben, evenals civiele vonnissen gewezen in andere gedingen, slechts vrije bewijskracht (HR 20 juni 2003, NJ 2003, 487, ECLI:NL:HR:2003:AF7682). Dat geldt dus zowel voor bijvoorbeeld strafvonnissen die op verstek zijn gewezen, alsook voor strafvonnissen waarin een vrijspraak is gevolgd.
De vrijspraak van [gedaagde] betekent niet automatisch dat daarmee in deze civiele procedure vast komt te staan dat [gedaagde] de brand niet heeft gesticht in de woning van [eiser] . Gelet op het hiervoor overwogene heeft dit vonnis slechts vrije bewijskracht. Voorts geldt ook voor het vonnis van 22 juli 2019 dat hier slechts vrije bewijskracht aan toe kan worden gekend. Hierbij komt dat in het civiele recht een andere toets wordt gehanteerd dan in het strafrecht. In het strafrecht moet er sprake zijn van wettig en overtuigend bewijs, terwijl met de vrije bewijswaardering in het civiele recht voldoende kan zijn dat er een redelijke mate van zekerheid is over de gestelde feiten. Dit neemt niet weg dat ingevolge het bepaalde in artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast van de stellingen dat [gedaagde] onrechtmatige jegens [eiser] zou hebben gehandeld door haar te bedreiging, te belaging en haar woning in brand te steken op [eiser] rust.
[eiser] stelt dat [gedaagde] haar woning in de brand heeft gestoken. Gelet op de in het vonnis van 22 juli 2019 vastgestelde modus operandi is het aannemelijk dat [gedaagde] de brandstichting in de woning van [eiser] heeft gepleegd. De modus operandi die bij deze brandstichtingen is vastgesteld komt namelijk op essentiële punten overeen met de brandstichting bij de woning van [eiser] . Ook hier is er gebruik gemaakt van een brandbare vloeistof, is deze vloeistof tegen het object aangebracht en aangestoken, heeft [gedaagde] expliciet online gezocht naar informatie over deze brandstichting en was [eiser] het slachtoffer. Voorts refereren de door [gedaagde] geuite bedreigingen aan de brandstichting en blijkt tevens dat hij beschikte over specifieke informatie rondom de brandstichting. Hierbij komt dat onbetwist is gesteld dat [gedaagde] meerdere malen heeft geprobeerd om, voor de brand bij de woning van [eiser] , met [eiser] in contact te komen. De gestelde modus operandi, bedreigingen en belaging plaatsen [gedaagde] als brandstichter bij de woning van [eiser] en duiden op een herkenbaar en gelijksoortig patroon dat alleen aan [gedaagde] is toe te schrijven. Gelet op deze stellingen van [eiser] had het op de weg gelegen van [gedaagde] om de door [eiser] gestelde modus operandi gemotiveerd te betwisten. De enkele betwisting dat het niet om een onherroepelijk vonnis gaat en dat de modus operandi op geen enkele wijze op de vermeende brandstichting door [gedaagde] ziet is onvoldoende. [gedaagde] had de door [eiser] gestelde essentiële punten, die vergelijkbaar zijn met de modus operandi bij de brandstichtingen bij het bedrijfspand en de auto van [partner] , gemotiveerd dienen te betwisten. Nu [gedaagde] de stellingen van [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de brand in de woning van [eiser] heeft gesticht.
Hieronder zal de door [eiser] gevorderde schade puntsgewijs worden besproken.
Inkomensschade
[eiser] stelt dat zij inkomensschade heeft geleden doordat zij ten gevolge van de brandstichting, bedreigingen en belaging arbeidsongeschikt is geworden. [eiser] heeft door deze gebeurtenissen professionele hulp moeten zoeken bij een psycholoog en een psychiater. De inkomensschade bestaat uit het verlies van verdienvermogen over de periode 19 juni 2017 tot en met 12 maart 2019. Tussen partijen staat vast dat het verlies aan verdienvermogen € 456,41 betreft. Dit is het verschil tussen het laatst genoten nettosalaris (€ 1.802,41) minus de ZW-uitkering (€ 1.346,00). Het verlies aan verdienvermogen over deze periode bedraagt 20,5 × € 456,41 = € 9.356,41. Voor de maand maart 2019 stelt [eiser] dat zij € 603,29 aan verlies aan verdienvermogen heeft. Vanaf april 2019 stelt [eiser] dat zij € 777,57 aan verlies aan verdienvermogen heeft. Voor de periode juni 2017 tot en met juni 2019 komt het totale verlies aan verdienvermogen neer op € 12.292,41.
[gedaagde] betwist het causaal verband (gedeeltelijk), nu alle genoemde psychische klachten en tevens de daarop volgende arbeidsongeschiktheid het gevolg kunnen zijn van de brandstichting en daarvoor is [gedaagde] zijns inziens niet aansprakelijk. Niet alle klachten zijn volgens [gedaagde] het gevolg van de bedreiging en belaging. Voorts stelt [gedaagde] dat het niet ondenkbaar is dat het plots overlijden van de partner van [eiser] ook een impact heeft gehad op het psychische welbevinden van [eiser] . Dit kan volgens [gedaagde] ook als een mogelijke oorzaak worden gezien van haar psychische klachten, arbeidsongeschiktheid en inkomensverlies.
De rechtbank zal de vordering van verlies van verdienvermogen van € 12.292,41 toewijzen. [gedaagde] heeft het causale verband tussen de bedreiging, de belaging en de arbeidsongeschiktheid niet betwist. Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat een deel van de arbeidsongeschiktheid veroorzaakt kan zijn door de brandstichting. De rechtbank heeft, zo volgt uit voorgaande overwegingen, geoordeeld dat [gedaagde] degene is geweest die onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door de woning van [eiser] in brand te steken. Nu [gedaagde] hiervoor aansprakelijk is en de brand in de woning van [eiser] volgens de stellingen van [gedaagde] zelf als een causaal verband kan worden gezien voor de arbeidsongeschiktheid en het verlies van verdienvermogen is [gedaagde] ook op deze grond aansprakelijk voor het verlies aan verdienvermogen door [eiser] . De stelling dat het overlijden van de partner van [eiser] ook een mogelijke oorzaak is voor de ontstane arbeidsongeschiktheid en het verlies aan verdienvermogen wordt door de rechtbank verworpen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te onderbouwen waarom dit een oorzaak was en voor welk deel dit de oorzaak was van het verlies aan verdienvermogen van [eiser] . De enkele stelling dat het overlijden van de partner mogelijk als oorzaak kan worden gezien is, mede gelet op de onder randnummer 2.10 genoemde brief van de GZ-psycholoog, onvoldoende.
Reiskosten
[eiser] stelt dat zij als gevolg van de belaging en bedreiging reiskosten heeft moeten maken. Voor de in 2016 verreden kilometers komt dit neer op een bedrag van € 427,75 en voor de in 2017 tot en met 2018 verreden kilometers komt dit neer op een bedrag van € 886,26. Als gevolg van de brandstichting stelt [eiser] dat zij reiskosten heeft moeten maken voor een bedrag van € 1.492,26 in de periode februari 2016 tot en met november 2017. [gedaagde] stelt dat een groot gedeelte van de gereden kilometers (5.426,4 kilometers) te maken hebben gehad met de brand en dus niet voor vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde] heeft de woning van [eiser] immers niet in brand heeft gestoken.
De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft niet betwist dat een groot gedeelte van de gereden kilometers het gevolg zijn van de brandstichting in de woning van [eiser] . [gedaagde] stelt slechts dat hij de woning van [eiser] niet in brand heeft gestoken. Nu echter vast is komen te staan dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de brandstichting en vast staat dat [gedaagde] [eiser] heeft belaagd en bedreigd, zal de rechtbank de gevorderde reiskosten van [eiser] toewijzen nu deze reiskosten zie op de belaging en de bedreiging en de brandstichting.
Zorgenkosten
[eiser] stelt dat zij medische kosten heeft moeten maken als gevolg van de belaging en de bedreiging door [gedaagde] . Deze medische kosten werden niet door haar zorgverzekering gedekt. Voor 2016 betreft dit een bedrag van € 166,00. Deze kosten betroffen medicatie van de apotheek en kosten van de psycholoog van [buronaam] . Voor 2017 en 2018 betreft dit een bedrag van € 256,74 voor de kosten van de GZ-psycholoog en psychiater van [naam] . [gedaagde] stelt dat niet is aangetoond dat dit eigen risico is gebruikt voor behandelingen die hun oorzaak vinden in de feiten waarvoor [gedaagde] is veroordeeld. Voorts blijkt volgens [gedaagde] niet waarvoor de apotheekkosten zijn gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde zorgkosten van [eiser] kunnen worden toegewezen. [eiser] heeft gemotiveerd gesteld waarvoor deze kosten zijn gemaakt en dat deze kosten zijn gemaakt als gevolg van de belaging en bedreiging door [gedaagde] . [eiser] heeft immers gesteld dat zij op voorschrift van de psychiater medicatie is gaan gebruiken (onder andere mirtazapine) en dat zij als gevolg van de belaging en bedreiging in behandeling is getreden bij een GZ-psycholoog en psychiater. [eiser] heeft haar stellingen ook per gevorderde kostenpost onderbouwd met stukken (productie 29 en 30). De enkele betwisting van [gedaagde] dat niet is aangetoond dat het eigen risico is gebruikt voor behandelingen die hun oorzaak vinden in de feiten waarvoor [gedaagde] is veroordeeld en dat nergens uit blijkt waarvoor de apotheekkosten zijn gemaakt is, gelet op de onderbouwde stellingen van [eiser] , onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om per gevorderde kostenpost van [eiser] verweer te voeren. Nu [gedaagde] dit niet heeft gedaan wordt zijn verweer verworpen.
Kosten beveiligingsmaatregelen
[eiser] vordert een bedrag van € 25.350,10 aan kosten die zij heeft gemaakt voor het nemen van beveiligingsmaatregelen (productie 19 en 31). Deze kosten bestaan onder andere uit het aanleggen van een beveiligingssysteem met bewakingscamera’s, de kosten voor een buitenlamp met camera en het plaatsen van een hekwerk. Deze kosten zijn volgens [eiser] gemaakt naar aanleiding van de belaging en bedreiging door [gedaagde] en het voortduren van haar psychische klachten en angstgevoelens door de gebeurtenissen die [gedaagde] heeft veroorzaakt. Voor deze beveiligingsmaatregelen is een marktconforme prijs betaald door [eiser] . [gedaagde] heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de gevorderde kosten goedkoper hadden gekund. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de gevorderde kosten excessief hoog zijn en vraagt zich af of de genomen beveiligingsmaatregelen wel noodzakelijk zijn. Voorts stelt [gedaagde] dat een deel van de kosten zijn gemaakt naar aanleiding van de brandstichting. De kosten voor het hekwerk van € 12.705,00 kunnen volgens [gedaagde] niet worden gezien als schade ten gevolge van stalking en bedreiging.
De rechtbank zal de gevorderde kosten voor de beveiligingsmaatregelen toewijzen. [eiser] heeft deze gevorderde kosten middels de door haar overgelegde specificaties onderbouwd. Ook heeft zij gemotiveerd gesteld waarom zij de genomen beveiligingsmaatregelen noodzakelijk acht: [gedaagde] heeft haar bedreigd en belaagd en de hierdoor ontstane psychische klachten en angstgevoelens duren nog steeds voort. De stelling van [gedaagde] dat de beveiligingsmaatregelen niet noodzakelijk zouden zijn heeft [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl [eiser] duidelijk heeft gesteld waarom zij zich genoodzaakt voelde om deze maatregelen te nemen. De rechtbank acht de door [eiser] genomen maatregelen, gelet op de onrechtmatige handelingen van [gedaagde] , dan ook begrijpelijk en noodzakelijk. De enkele stelling van [gedaagde] dat deze kosten excessief hoog zouden zijn wordt door de rechtbank verworpen. [gedaagde] heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd waarom deze kosten excessief hoog zouden zijn. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om te stellen waarom [gedaagde] de genomen maatregelen niet noodzakelijk acht en had het op de weg van [gedaagde] gelegen om per genoemde kostenpost te onderbouwen waarom deze kostenpost volgens [gedaagde] te hoog zou zijn. [gedaagde] heeft dit echter nagelaten.
Immateriële schadevergoeding
Voor de belaging en bedreiging vordert [eiser] een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding. Nu [gedaagde] deze gevorderde immateriële schadevergoeding niet heeft betwist zal de rechtbank deze toewijzen. Voorts vordert [eiser] € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding nu [gedaagde] brand heeft gesticht in haar woning en [eiser] de woning door deze brandstichting een lange tijd niet heeft kunnen gebruiken. [gedaagde] heeft enkel betwist dat het bedrag van € 5.000,00 niet kan worden toegewezen aangezien dit bedrag is gebaseerd op de gevolgen van de brandstichting. Nu [gedaagde] echter aansprakelijk is voor de brandstichting zal de rechtbank dit bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding toewijzen. [gedaagde] heeft de hoogte van de gevorderde immateriële schadevergoeding immers niet betwist.
Inboedelschade
Als gevolg van de brandstichting is de gehele inboedel van [eiser] verloren gegaan. De waarde van deze inboedel is door de verzekeringsmaatschappij vastgesteld op € 63.500,00. Van dit bedrag heeft [eiser] € 58.947,61 vergoed gekregen. [eiser] vordert een bedrag van € 4.552,39 als schadevergoeding voor de inboedel. [gedaagde] betwist dat hij deze schade heeft veroorzaakt en stelt dat hij is vrijgesproken van brandstichting.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de schade is ontstaan door de brand in de woning van [eiser] . Ook staat vast dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de woning van [eiser] in brand te steken. Nu er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de schade zal [gedaagde] de door [eiser] gestelde schade dienen te vergoeding. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] dus ook toe.
Huurkosten
[eiser] vordert ook een bedrag van € 8.400,00 aan extra huurkosten. Voor haar afgebrande woning betaalde [eiser] een bedrag van € 500,00 aan huur per maand. Voor haar vervangende woonruimte heeft [eiser] een bedrag van € 900,00 aan huur per maand moeten betalen. [eiser] is pas op 15 november 2017 kunnen terugkeren naar haar oude woning aangezien deze eerst moest worden herbouwd. [eiser] heeft derhalve 21 maanden moeten verblijven in de door gehuurde vervangende woonruimte. [gedaagde] stelt dat deze kosten niet op hem kunnen worden verhaald nu hij betwist dat hij deze schade heeft veroorzaakt.
Vast is komen te staan dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de brandstichting in de woning van [eiser] . Door deze brandstichting is [eiser] noodgedwongen geweest om vervangende woonruimte te zoeken. Het bedrag van € 400,00 dat [eiser] hierdoor aan woonlasten meer heeft dienen te betalen is aan te merken als gevolgschade. [gedaagde] heeft de hoogte van deze gevorderde gevolgschade niet betwist. Nu deze schadepost valt aan te merken als gevolgschade ten gevolge van de brandstichting is [gedaagde] hiervoor aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering van [eiser] dan ook toewijzen.
Gebieds- en contactverbod
Voor de toewijzing van het gevorderde gebieds- en contactverbod, dat een ernstige inbreuk maakt op het grondrecht van bewegingsvrijheid van [gedaagde] , dient in elk geval een reële dreiging te bestaan van toekomstig onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiser] en haar gezin. De vraag of in dat geval een gebieds- en contactverbod noodzakelijk is moet vervolgens worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van de daarbij betrokken belangen van beide partijen.
De rechtbank overweegt het volgende. [gedaagde] heeft gedurende een lange periode een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en haar gezin door middel van bedreiging, belaging en het in brand steken van haar woning. Hiernaast is [gedaagde] ook veroordeeld voor het in brandsteken van het bedrijfspand en de auto van de partner van [eiser] , [partner] . Zoals blijkt uit de slachtofferverklaring van [eiser] hebben deze gebeurtenissen een enorme negatieve impact gehad op het leven van [eiser] en haar gezin. Tevens geeft [eiser] aan dat zij en haar gezin nog steeds in angst en onzekerheid leven. Hierbij komt ook dat er geen indicatie is dat [gedaagde] zijn gedrag ten aanzien van [eiser] zal veranderen. Nu [gedaagde] deze stellingen van [eiser] in zijn geheel niet heeft betwist zal de rechtbank het gevorderde gebieds- en contactverbod toewijzen. De gevorderde dwangsommen zullen worden gemaximeerd tot een bedrag van € 50.000,00.
Buitengerechtelijke kosten
[eiser] vordert een bedrag aan € 1.355,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] stelt dat [gedaagde] dit bedrag is verschuldigd aangezien [gedaagde] niet heeft voldaan aan de sommatie van [eiser] van 6 augustus 2018 en het voor [eiser] toen noodzakelijk is geworden om gerechtelijke procedure te starten.
Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke (incasso-) kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de rechtbank het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 99,91
- griffierecht 895,00
- salaris advocaat 2.685,00 (2,5 punt × tarief € 1.074,00)
Totaal € 3.679,91.
De nakosten
De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.
5De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van door hem gepleegde onrechtmatige daden (het belagen van [eiser] in de periode 2015 tot en met heden, de brandstichting in de woning van [eiser] en de bedreiging van [eiser] ),
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag ter hoogte van € 12.292,41 ten titel van verlies van verdienvermogen over de periode vanaf 19 juni 2017 tot en met 1 juli 2019, met verstrekking van de gebruikelijke belastinggaranties en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (9 oktober 2018) tot aan de dag der algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag ter hoogte van € 50.608,51 ten titel van vermogensschade tot een bedrag van € 40.608,51 en ten titel van immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00,
verbiedt [gedaagde] om zich voor de duur van 2 jaar vanaf de dag van dit vonnis in [plaatsnaam] te begeven, te vertoeven dan wel op enige andere wijze aldaar aanwezig te zijn, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt met een maximum van € 50.000,00,
verbiedt [gedaagde] om zich voor de duur van 2 jaar vanaf de dag van dit vonnis persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of op andere (digitale) wijze contact op te nemen met [eiser] , onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt met een maximum van € 50.000,00,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.679,91, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis – en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
wijst het meer of anders gevorderde af,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.
1
type: JJ
coll:
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
