Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:201

Essentie (gemaakt door AI)

Moeder verzoekt beëindiging gezamenlijk gezag en ontzegging omgang met zoon (14) na veroordeling vader wegens seksueel misbruik van meerderjarige dochter. Vader verzoekt afwijzing en subsidiair informatieregeling. Raad adviseert nader onderzoek. Rechtbank stelt gewijzigde omstandigheden vast, maar geen klem of misbruik van gezag jegens zoon; geen gronden voor wijziging gezag. Omgang evenmin ontzegd; initiatief wel expliciet bij zoon. Daarmee geen beslissing nodig over informatieregeling. Verzoeken moeder afgewezen.

Datum publicatie03-02-2026
ZaaknummerC/18/249844 / FA RK 25-5458
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsGroningen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Gezag; Geen omgang (een van) ouders;
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

In deze zaak wijst de rechtbank het verzoek van de moeder om het gezag van de vader te beëindigen af. Ook zal de rechtbank de vader de omgang niet ontzeggen. De moeder verzoekt het gezag van de vader de beëindigen. De minderjarige dreigt klem en verloren te raken tussen de ouders, dan wel heeft de vader misbruik gemaakt van zijn gezag. Het misbruik is gelegen in het seksueel misbruik dat heeft plaatsgevonden tussen de dochter van de ouders, de oudere zus van de minderjarige. De rechtbank gaat hier niet in mee. De dochter van de ouders heeft al voor aanvang van de strafprocedure van de vader het contact met hem hersteld. De moeder en minderjarige zijn hiervan niet op de hoogte. De minderjarige houdt daarentegen sterk vast aan zijn loyaliteit richting zijn zus en ondervindt hierdoor problemen in zijn ontwikkeling.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Groningen

Zaaknummer: C/18/249844 / FA RK 25-5458

Datum uitspraak: 29 januari 2026

Beschikking over het beëindigen van het gezag en het ontzeggen van omgang

in de zaak van

[Naam van de moeder] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.B. Spoelstra, kantoorhoudende in Groningen,

tegen

[Naam van de vader] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.E. van Nimwegen, kantoorhoudende in Delfzijl,

over

[Naam van de minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2011 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De rechtbank heeft in zijn adviserende rol opgeroepen:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord-Nederland, locatie Groningen,

hierna te noemen: de Raad.

1Het procesverloop

1.1.

Deze procedure is ingeleid met het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 7 november 2025 dat door de rechtbank op diezelfde datum is ontvangen.

1.2.

Op 4 december 2025 heeft de rechtbank een bericht ontvangen waarin mr. A.E. van Nimwegen zich stelt als advocaat namens de vader.

1.3.

Op 15 december 2025 heeft de kinderrechter met [de minderjarige] gesproken.

1.4.

Op 29 december 2025 heeft de rechtbank het verweerschrift met bijlagen van de vader ontvangen.

1.5.

Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. De rechtbank heeft toen gesproken met de moeder, de vader, hun advocaten en drs. [naam] die de Raad vertegenwoordigt.

1.6.

Ten slotte is bepaald dat deze beschikking zal worden gegeven. De rechtbank zal het verzoek de moeder afwijzen en zal de gronden waarop de uitspraak rust uitwerken in deze beschikking

2De feiten

2.1.

De kinderrechter kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten die blijken uit de onweersproken gebleven inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verteld.

2.2.

De ouders hebben achttien jaar een relatie gehad, welke rond 2021 is verbroken.

2.3.

Uit deze relatie is de nu minderjarige [Naam van de minderjarige] geboren. De ouders hebben ook nog een meerderjarige dochter samen genaamd [Naam van de dochter] .

2.4.

[de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

2.5.

[de minderjarige] heeft sinds 2022 geen contact meer met de vader. Aanleiding hiervoor is een incident tussen [Naam van de dochter] , de zus van [de minderjarige] , en de vader. De vader heeft [Naam van de dochter] onzedelijk betast. Hij is hiervoor op 7 november 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk. De vader heeft deze straf inmiddels uitgezeten.

2.6.

De vader heeft de moeder meermaals benaderd om het contact met [de minderjarige] opnieuw op te starten.

3Het verzoek van de moeder

3.1.

De moeder verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en haar alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om het recht van omgang van de vader met [de minderjarige] te ontzeggen.

3.2.

De moeder motiveert haar verzoek als volgt. De moeder is van mening dat de vader misbruik heeft gemaakt van zijn gezag. De vader heeft zijn dochter seksueel misbruikt, hetgeen kwalificeert als kindermishandeling. Dit heeft niet enkel invloed gehad op de dochter van partijen, maar ook op [de minderjarige] . Het is voor hem ingrijpend geweest om te horen wat de vader bij de zus van [de minderjarige] heeft gedaan en hiermee is ook grote schade toegebracht aan [de minderjarige] . De vader lijkt te miskennen hoe zwaar de gevolgen van zijn handelen wegen voor [de minderjarige] De geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] komt hieronder te lijden en dit is ook meteen de reden dat omgang met de vader moet worden ontzegd. Ook is de moeder van mening dat [de minderjarige] klem en verloren dreigt te raken tussen de ouders en hierin is, door de weerbarstige houding van de vader, geen verandering te brengen. Het ontzeggen van de omgang en het beëindigen van het gezag van de vader zou [de minderjarige] meer rust geven.

4De verweer van de vader

4.1.

De vader verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de moeder af te wijzen. Mocht de rechtbank het verzoek van de moeder niet afwijzen en het gezag van de vader beëindigen, dan verzoekt de vader subsidiair om aan de moeder een informatie- en consultatieverplichting op te leggen, inhoudende dat de moeder de vader eenmaal per drie maanden moet informeren over belangrijke zaken die [de minderjarige] aangaan. Tot slot verzoekt de vader om de kosten tussen partijen te compenseren.

4.2.

De vader voert hierbij het volgende verweer. De moeder gebruikt het incident van 2021 tegen de vader. Dit terwijl de vader erkent wat er is gebeurd en dat dit ook fout is geweest. Hij heeft zijn straf uitgezeten, hij is vrijwillige behandeling bij [naam van centrum voor ambulante forensische GGZ] aangegaan en hij heeft zijn hoger beroep tegen het strafvonnis ingetrokken. Door het handelen van de moeder lijkt er sprake te zijn van ouderverstoting. De vader wil verder benadrukken dat het seksueel misbruik nooit tegen [de minderjarige] gericht is geweest en dat zijn gezag daarom niet zou moeten worden beperkt. De vader wil graag weten hoe het met [de minderjarige] gaat en is ook actief naar informatie aan het zoeken door de moeder, en dus niet [de minderjarige] , te benaderen via de mail. De vader heeft het besef dat eventuele omgang zal moeten plaatsvinden in het tempo van [de minderjarige] en dat hij dit dus geenszins moet afdwingen. De vader wil zijn zoon graag zien en hoopt daarom dat het verzoek van de moeder wordt afgewezen. De vader wil niet buiten spel worden gezet en daarom verzoekt hij in het geval zijn gezag wordt beëindigd de informatie- en consultatieregeling. De vader denkt hierbij ook dat een vastgestelde informatieregeling voor de moeder meer rust zal geven in plaats van dat de vader zelf zoekt naar informatie.

5Wat adviseert de Raad?

5.1.

De Raad hoort en leest dat het om een complexe situatie gaat. Een kind wil altijd loyaal zijn aan beide ouders en dan gebeurt er iets ernstigs, zoals seksueel misbruik en dan ontstaat er een interne worsteling. De Raad denkt dat [de minderjarige] het wegstopt zodat hij niet hoeft te worstelen met het dilemma dat hij nog steeds om zijn vader kan geven zelfs na een heftig incident. De Raad erkent wel dat de vader niet juist heeft gehandeld door zijn nieuwe partner tot voogd te benoemen over [de minderjarige] in het geval hem wat zou overkomen en dat dit mogelijk grenst aan het misbruik maken van gezag, maar daarbij snapt de Raad ook de wens van de vader om zijn zoon te spreken, dan wel te zien. De Raad adviseert de rechtbank om de beslissing op het verzoek aan te houden dan wel het gezag van de vader te schorsen zodat een raadsonderzoek kan worden gestart. Dit zal belastend zijn voor [de minderjarige] , maar het is ook goed voor [de minderjarige] om te weten dat hij twee emoties naast elkaar kan en mag voelen. Hij mag boos zijn op de vader, maar daarbij ook erkennen dat het wel zijn vader is. Nu wordt [Naam van de dochter] gebruikt om de vader buiten te sluiten, terwijl [Naam van de dochter] zelf naar zeggen van de vader wél frequent contact met de vader heeft.

6De beoordeling

Waar gaat het om in deze zaak?

6.1.

Het gaat in deze zaak om de veertienjarige [Naam van de minderjarige] . De rechtbank dient een beslissing te nemen op het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] en op het verzoek om de vader de omgang met [de minderjarige] te ontzeggen. Als de rechtbank dit verzoek toewijst moet zij ook beslissen op het verzoek van de vader om een informatieregeling. Tenslotte moet de rechtbank een beslissing nemen op het verzoek de proceskosten tussen partijen te compenseren.

Wat zegt de wet?

6.2.

Op grond van artikel 1:253n van Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigen indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien hier sprake van is, is artikel 1:251a lid 1 en lid 3 BW van overeenkomstige toepassing. Hierin staat dat de rechter op verzoek van de ouders of één van hen kan bepalen dat het gezag over het kind aan één van de ouders toekomt indien er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem en verloren zou raken tussen de ouders en hierin niet binnen afzienbare tijd voldoende verandering zou komen of als wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Ook kan het gezag van een ouder worden beëindigd op grond van artikel 1:266 lid 1 onder b BW. De gezaghebbende ouder moet dan misbruik hebben gemaakt van zijn gezag.

6.3.

Indien de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders niet beëindigt kunnen, op grond van artikel 1:253a BW, geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag worden voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

6.4.

Indien de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders wel beëindigt, kan de rechter op grond van artikel 1:377a lid 2 en lid 3 BW op verzoek van de ouders of één van hen een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht ontzeggen. Dit kan slecht indien:

- omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

- de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

- het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

- omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Wat vindt [de minderjarige] dat de rechtbank moet beslissen?

6.5.

[de minderjarige] heeft aan de kinderrechter verteld dat hij absoluut geen omgang wil met zijn vader. Hij zou zijn leven een negen geven als hij zijn vader en diens nieuwe partner nooit meer hoeft te zien of spreken. Nu geeft [de minderjarige] zijn leven een zeven. [de minderjarige] wil ook dat zijn vader stopt met het sturen van berichten naar hem en zijn moeder. Hoewel de band tussen [de minderjarige] en zijn vader vroeger niet slecht was, kon [de minderjarige] altijd al beter met zijn moeder overweg en kan hij ook geen leuke herinneringen over zijn vader vertellen. [de minderjarige] wil rust en dat kan niet zolang zijn vader betrokken is in zijn leven. De moeder geeft [de minderjarige] wel alle vrijheid om contact met de vader te zoeken, maar [de minderjarige] wil dit zelf niet. [de minderjarige] heeft daarom gevraagd aan zijn moeder om deze procedure te starten.

Wat beslist de rechtbank?

6.6.

De rechtbank is met de moeder van oordeel dat er sprake is van een gewijzigde omstandigheid zoals beschreven in artikel 1:253n van BW, waardoor artikel 1:251a van Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is. [de minderjarige] heeft sinds de kennisgeving van het incident tussen de vader en zijn zus [Naam van de dochter] , geen contact meer met de vader. Het eerder hechte gezin is sindsdien opgebroken, waarbij de ouders onderling kunnen communiceren, maar tussen de kinderen en de ouders is het contact in het geval van [de minderjarige] en de vader gestopt en tussen de moeder en [Naam van de dochter] veranderd in die zin dat [Naam van de dochter] naar waarschijnlijkheid het contact tussen haar en de vader geheim houdt voor de moeder en [de minderjarige] .

6.7.

Met het voorgaande in overweging genomen heeft de rechtbank getoetst of [de minderjarige] klem en verloren dreigt te raken, dan wel of het anderszins in het belang van [de minderjarige] is om het gezag van de vader te beëindigen. De rechtbank gaat niet mee in het advies van de Raad. De rechtbank acht het niet in het belang van [de minderjarige] en wil [de minderjarige] niet belasten met een onderzoek dat vermoedelijk nog zes tot negen maanden op zich laat wachten. Deze tijd zal [de minderjarige] in spanning zitten en hij zal worden blootgesteld aan vragen over, en mogelijk van de vader, terwijl hij stellig aangeeft dit niet te willen. De rechtbank snapt het standpunt van de Raad over de mogelijke worsteling van [de minderjarige] , maar de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij [de minderjarige] stimuleert om hulp te zoeken en dat [de minderjarige] hier zelf inmiddels ook voor open staat. Verder lijkt de vader geen belemmering te zijn als het gaat om het nemen van gezagsbeslissingen. Hij onthoudt zijn toestemming niet en de moeder is in staat gebleken met de vader te communiceren via de mail als een gezagssituatie speelt. De rechtbank wil hierbij opmerken dat de moeder en [de minderjarige] aangeven dat de vader [de minderjarige] benadert als hij bijvoorbeeld niet naar school gaat of zijn huiswerk niet af heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat dit niet het geval is. De vader benadert de moeder met vragen over verzuim en achterstallig huiswerk en het is de moeder die [de minderjarige] vervolgens belast door hem in kennis te stellen van wat de vader heeft gestuurd. Hoewel de rechtbank respect heeft voor de openheid in het gezin, wil de rechtbank ook benadrukken dat het aan de ouders is om te kiezen welke informatie aan [de minderjarige] wordt gegeven. Het is de rol van de ouders om hun kinderen te beschermen en/of af te schermen van informatie die zij niet nodig hebben, dan wel hen zal schaden. De moeder moet een belangenafweging maken of het noodzakelijk is dat [de minderjarige] op de hoogte wordt gebracht van bepaalde informatie, dan wel wat het effect hiervan op [de minderjarige] zal zijn. Het is in ieder geval niet de bedoeling om [de minderjarige] te belasten met volwassenzaken die de ouders onderling kunnen afhandelen.

6.8.

Ook is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is om het gezag van de vader te beëindigen op grond van artikel 1:266 lid 1 onder b BW. De moeder ankert haar verzoek op het punt dat de vader misbruik heeft gemaakt van zijn gezagspositie door de dochter van de ouders seksueel te misbruiken. Dit zou dermate schade hebben aangericht bij [de minderjarige] dat het zijn ontwikkeling zou beperken. De rechtbank ziet bij [de minderjarige] een grote loyaliteit voor zijn zus en volgt op dit vlak de redenering van de Raad. [de minderjarige] blijft loyaal aan zijn zus en daarom als het ware delen in haar pijn. Hierbij weet [de minderjarige] niet dat, zoals de vader ter zitting heeft verteld, de zus en de vader (bijna) dagelijks contact hebben en - getuige ook het strafvonnis van 7 november 2023 - eigenlijk alweer voor de strafprocedure over het misbruik van de zus. [de minderjarige] ziet niet dat zijn zus, het slachtoffer, in staat is om door te gaan met haar leven waarin de vader een rol speelt. De voornaamste bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] is gezien het voorgaande gelegen in zijn loyaliteit en dus niet zo zeer het misbruik van de zus van [de minderjarige] . De rechtbank kan daarom niet meegaan in het standpunt van de moeder en de in het verzoek genoemde verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2022 dat er sprake is van misbruik van het gezag.

Nu de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders niet zal beëindigen hoeft zij geen beslissing meer te nemen op het verzoek van de vader om een informatieregeling.

6.9.

Voor wat betreft de omgang geeft de vader duidelijk aan dat hij [de minderjarige] niet actief zal benaderen om omgang af te dwingen. De rechtbank ziet daarom geen noodzaak in het ontzeggen van de omgang. Eventuele omgang in de toekomst zal op initiatief van [de minderjarige] worden gepland en ook in zijn tempo. De vader heeft aangegeven [de minderjarige] enorm te missen en hem graag te willen zien, maar hij weet ook dat hij [de minderjarige] hiertoe niet kan dwingen. De rechtbank wil de vader op het hart drukken om de deur open te houden voor [de minderjarige] , maar om, mede gelet op de leeftijd van [de minderjarige] , het initiatief bij [de minderjarige] te laten.

6.10.

De moeder heeft het verzoek op verzoek van [de minderjarige] ingediend. De rechtbank wil [de minderjarige] daarom zelf vertellen wat de uitkomst van de procedure is in de vorm van een brief, nu deze uitkomst afwijkt van de wens van [de minderjarige] . De rechtbank heeft de volgende brief naar [de minderjarige] gestuurd.

Beste [de minderjarige] ,

Jouw moeder heeft de rechtbank op verzoek van jou verzocht om het gezag van jouw vader te beëindigen en hem de omgang met jou te ontzeggen. Wij hebben hierover in december een gesprek gehad. Jij hebt mij verteld dat jij je vader niet meer wil zien door wat hij jouw zus heeft aangedaan en dat jij rust wil. Het is jouw wens om je vader niet meer te zien en ook dat hij zich niet meer bemoeit met jouw leven.

Ik heb met je moeder en vader gesproken en met iemand van de Raad voor de Kinderbescherming. Daarna heb ik goed nagedacht over mijn beslissing en heb ik besloten het verzoek af te wijzen. Dit betekent dat ik het gezag van je vader niet ga beëindigen en dat ik je vader de omgang niet ga ontzeggen. Dit wil niet zeggen dat jij niet de rust krijgt die jij zo hard zoekt op dit moment. Je vader heeft tijdens de zitting beloofd dat hij je met rust zal laten. Hoewel hij jou enorm mist zal hij je niet meer benaderen. Hij laat de deur wel voor je open want hij houdt van je. Mocht jij toch ooit besluiten contact met je vader te willen, dan kun je altijd contact met hem zoeken. Als er een beslissing over jou moet worden genomen, dan kunnen je vader en moeder dit onderling afspreken. Ook wil ik de mogelijkheid open laten voor je vader dat hij zaken die jou betreffen met jouw moeder kan bespreken. Hij blijft uiteindelijk jouw vader. Ik hoop dat jouw ouders jou zo mogelijk buiten hun beslissingen en overleg laten. Op deze manier hoop ik dat jij jouw rust kunt vinden en je leven van een zeven naar een negen gaat.

Tijdens ons gesprek vertelde jij mij dat jouw zus ook geen contact meer heeft met je vader. Van jouw vader heb ik echter begrepen dat dat wel het geval is en dat zij hem regelmatig ziet en spreekt. Misschien maakt dat jouw kijk op de zaken in de toekomst nog wat anders. Ik wil je hiervan in ieder geval op de hoogte stellen.

Ik heb er alle vertrouwen in dat jij je weg weer zult vinden en ik wens je daarin veel succes.

Met vriendelijke groet,

mr. T. ter Brugge

kinderrechter

6.11.

De rechtbank beslist als volgt.

7De beslissing

De rechtbank:

7.1.

compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij zijn of haar eigen kosten draagt;

7.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T. ter Brugge, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 in aanwezigheid van mr. A.C. Köhler als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733