Rechtbank Amsterdam 10-12-2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10322

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding waarin vrouw ondanks ontbreken ouderschapsplan wordt ontvangen art. 815 lid 6 Rv. Echtscheiding wordt uitgesproken. Hoofdverblijfplaats kind bij vrouw. Zorgregeling niet vastgesteld; partijen starten hulpverlening (Ouderschap Blijft) en werken aan contactherstel. Kinderalimentatie €654 p/m vanaf beschikking; zorgkorting 5%. Partneralimentatie €556 p/m vanaf inschrijving. Woning valt door uitsluitingsclausule buiten gemeenschap art. 1:94 lid 2 oud BW; verzoeken vrouw over woning afgewezen. Man draagplich

Datum publicatie02-02-2026
ZaaknummerC/13/749150 / FA RK 24-2409
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Alimentatie;
Familievermogensrecht; Titel 8 Huwelijksvoorwaarden; De uitsluitingsclausule
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding en nevenvoorzieningen. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden een gemeenschap van goederen overeengekomen. De door de man onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenis valt niet in de gemeenschap.

Volledige uitspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/749150 / FA RK 24-2409 (MO/SV) en C/13/773862 / FA RK 25-6025 (MO/SV)

Beschikking d.d. 10 december 2025 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. N.E. Reijnen, gevestigd te Hoorn,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.S. Gerson, gevestigd te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 10 april 2024;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek;

- het verweerschrift op het aanvullend verzoek;

- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 17 november 2025;

- het F9-formulier met producties van 18 november 2025 van de zijde van de vrouw;

- de brief met producties van 20 november 2025 van de zijde van de man;

- het F9-formulier met producties van 22 november 2025 van de zijde van de vrouw;

- de op 26 november 2025 op voorhand ingezonden pleitaantekeningen van de zijde van de vrouw;

- de op 26 november 2025 overgelegde productie van de zijde van de vrouw.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat en de heer [naam 1] namens de Raad.

1.3.

Na de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ingekomen:

  • het e-mailbericht van de zijde van de vrouw van 2 december 2025;

  • het e-mailbericht van de zijde van de man van 2 december 2025.

1.4.

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 28 augustus 2013 te Amsterdam. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna te noemen [minderjarige] ).

2.3.

Voorafgaand aan hun huwelijk zijn partijen huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Tijdens het huwelijk hebben partijen hun huwelijkse voorwaarden op 29 januari 2015 gewijzigd. Zij zijn – voor zover in dezen van belang – het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Wettelijke gemeenschap van goederen

Tussen de echtgenoten bestaat de wettelijke gemeenschap van goederen.

2.4.

De man heeft in 2000 de onroerende zaak [adres] (hierna: de onroerende zaak) verkregen uit de erfenis van zijn overleden moeder. In het testament van zijn moeder van 5 mei 1998 is – voor zover in dezen van belang – het volgende opgenomen:

Ten vijfde

Ik bepaal dat al hetgeen mijn genoemde zoon als erfgenaam uit mijn nalatenschap verkrijgt door hem wordt verkregen bij wege van een erfstelling fideï-commis de residuo (…)

Op dit fideï-commis de residuo is het navolgende van toepassing:

(…)

f. de rechten van de bezwaarde erfgenaam zullen niet vallen in enige gemeenschap van goederen, die mocht bestaan in een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, noch kunnen worden betrokken bij de verrekening van enig deelgenootschap, die mocht deel uitmaken van huwelijksvoorwaarden, partnerschapsvoorwaarden of een samenlevingscontract;

2.5.

Partijen hebben op 11 maart 2015 een overeenkomst van hypothecaire geldlening gesloten met de ING Bank N.V.. Een deel van de onroerende zaak, namelijk het gedeelte waarin partijen woonachtig waren, is in onderpand gegeven. In de hypotheekakte is – voor zover in dezen van belang – het volgende opgenomen:

ONDERPAND

Het woonhuis met ondergrond, plaats en verder toebehoren, staande en liggende te [adres] , kadastraal bekend gemeente Amsterdam, [sectie+nummer] , groot vierenvijftig centiaren,

in deze akte tezamen met de in de Algemene Voorwaarden ING Hypotheken omschreven roerende zaken te noemen “het Onderpand”.

Eigendomsverkrijging en bezwaring onderpand

Het onderpand is door de heer [de man] , hypotheekgever sub 1.a. genoemd verkregen door vererving krachtens testament op vijf mei negentienhonderd achtennegentig verleden voor mr. E.O. Faber, notaris te Amsterdam, waarvan aantekening is gemaakt ten kantore van de Dienst van het kadaster en de Openbare Registers destijds te Amsterdam op éénendertig januari tweeduizend in het register Hypotheken 4 in deel 16382 nummer 37 van een afschrift van een verklaring van erfrecht opgemaakt door genoemde notaris mr. E.P. Faber op achtentwintig januari tweeduizend.

Mitsdien is de heer [de man] , voornoemd, bevoegd en gerechtigd te beschikken over gemeld registergoed.

(…)

2.6.

Scheiding

2.6.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.6.2.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv) .

2.6.3.

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat zij van de man geen reactie heeft ontvangen op haar voorstellen tot het maken van afspraken in het kader van het opstellen van een ouderschapsplan. Uit de stukken blijkt de rechtbank ook voldoende dat partijen niet in staat zijn gezamenlijk tot het opstellen van een ouderschapsplan te komen. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

2.6.4.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.7.

Verblijfplaats

2.7.1.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man zich niet meer verzet tegen de bepaling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw. Mede nu dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht te zijn, zal de rechtbank daarom het verzoek van de vrouw toewijzen onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de man.

2.8.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.8.1.

De man heeft verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen, terwijl de vrouw heeft verzocht de beslissing over de zorgregeling aan te houden in afwachting van nadere hulpverlening, dan wel partijen door te verwijzen naar het omgangshuis ten behoeve van het opbouwen van contact tussen [minderjarige] en de man.

2.8.2.

De rechtbank overweegt dat er op dit moment geen tot nauwelijks contact is tussen de man en [minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beide partijen het belangrijk vinden dat het contact wordt hersteld. Zoals namens de Raad naar voren is gebracht is het belangrijk dat [minderjarige] zich een beeld kan vormen van zijn afkomst van beide ouders om zich tot een evenwichtig persoon te ontwikkelen in zijn puberteit. Zolang de echtscheiding en de afwikkeling daarvan meespeelt is het lastig voor [minderjarige] om onbelast met beide ouders te hebben. Het is van belang dat er rust komt voor [minderjarige] en ruimte tussen de ouders zodat er dan ook ruimte komt voor [minderjarige] .

Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat partijen het erover eens zijn dat er hulpverlening voor hen nodig is. Na de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank bericht dat zij zijn overeengekomen dat zij na doorverwijzing van de huisarts het traject Ouderschap Blijft bij iHub zullen starten. In dat licht bezien ziet de rechtbank nu geen ruimte voor het bepalen van een zorgregeling. De verzoeken worden daarom afgewezen. Partijen zullen in samenwerking met de hulpverlening toe moeten werken naar contactherstel tussen de man en [minderjarige] .

2.9.

Kinderbijdrage

2.9.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 902,- per maand vast te stellen met ingang van 27 maart 2024, dan wel 9 april 2024, dan wel 27 juni 2024 dan wel de datum van indiening van het aanvullend verzoek.

Zij heeft aangevoerd dat zij behoefte heeft aan dit bedrag om in de kosten van [minderjarige] te voorzien en dat de man dit kan betalen.

2.9.2.

De man heeft verweer gevoerd. Hij vindt de gestelde behoefte te hoog en betwist ook de draagkracht te hebben de verzochte bijdrage te kunnen betalen. Daarnaast is de man van mening dat de bijdrage niet eerder in kan gaan dan de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zoals volgens hem ook gebruikelijk is. De man betaalt namelijk nog allerlei lasten voor de vrouw en [minderjarige] .

2.9.3.

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 654,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de vrouw afwijst.

2.9.4.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

Ingangsdatum

2.9.5.

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.

2.9.6.

De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie. Bij een eerste vaststelling liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.

2.9.7.

Mede nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij tot op heden nog allerlei lasten voor de vrouw en [minderjarige] betaalt, is de rechtbank van oordeel dat de door de man te betalen kinderalimentatie niet eerder verschuldigd is dan de datum van deze beschikking. Vanaf dat moment zal de vrouw dan alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] dienen te betalen.

De behoefte van [minderjarige]

2.9.8.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 937,- per maand. De rechtbank heeft dat als volgt berekend.

2.9.9.

De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2023, nu partijen het daarover eens zijn.

2.9.10.

Voor het inkomen van de man in 2023 gaat de rechtbank uit van de privéonttrekkingen van € 72.235,- zoals deze uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 blijken. De rechtbank overweegt daartoe dat dit de gelden zijn waar partijen in 2023 van hebben geleefd. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat de man een bruto inkomen had van minimaal € 90.000,-. De man heeft dit betwist en de vrouw heeft dit niet met stukken onderbouwd. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedroeg dan in 2023 € 4.309,- per maand.

2.9.11.

Voor het inkomen van de vrouw in 2023 gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2023 waarop een inkomen van € 36.024,- bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedroeg dan in 2023 € 2.081,- per maand.

2.9.12.

Uit het hiervoor vermelde volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders in 2023 € 6.388,- per maand bedroeg.

2.9.13.

Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige] werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [minderjarige] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. De tabellen liepen in 2023 op tot een maximaal netto gezinsinkomen van € 6.000,- per maand. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet van een gemaximeerd inkomen moet worden uitgegaan maar dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het werkelijke netto gezinsinkomen. De man heeft dat weersproken, omdat er geen sprake is van bijzondere kosten van [minderjarige] die niet door het tabelbedrag wordt gedekt. De rechtbank overweegt dat de vrouw niet met stukken heeft onderbouwd op grond waarvan het bedrag dat uit de tabel volgt niet kostendekkend zou zijn voor de kosten van [minderjarige] . Daarnaast is er ook geen sprake van dat het netto gezinsinkomen van partijen dusdanig hoger lag dan het maximum bedrag zoals dit uit de tabellen volgt dat daar niet van kan worden uitgegaan.

2.9.14.

Uit de tabel eigen aandeel kosten van kinderen volgt dat ouders bij een maximum netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,- € 870,- per maand uitgaven voor [minderjarige] in 2023, Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 984,- per maand.

De draagkracht van de ouders

2.9.15.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien.

2.9.16.

De rechtbank hanteert de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige] .

2.9.17.

Daarvoor maakt de rechtbank bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan

€ 2.125,- per maand in 2025 gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’.

In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand.

Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].

De draagkracht van de man

2.9.18.

De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.226,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

2.9.19.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 en 2024, gelet op de omstandigheid dat de jaarcijfers over 2025 nog niet beschikbaar zijn en 2022 een zeer afwijkend resultaat liet zien in verband met de Covid19 pandemie. In 2023 had de man een winst uit onderneming van € 72.235,- en uit de voorlopige cijfers over 2024 blijkt een winst uit onderneming van € 75.882,-. Bij gebrek aan definitieve cijfers en omdat dit bedrag de rechtbank niet onredelijk voorkomt zal de rechtbank hier noodgedwongen vanuit gaan.

Net als bij de bepaling van de behoefte gaat de rechtbank ook ten aanzien van de draagkracht van de man voorbij aan de stellingen van de vrouw dat de man zwarte inkomsten zou hebben alsmede inkomsten uit schilderwerkzaamheden. De vrouw heeft deze stellingen tegenover de betwisting door de man niet nader onderbouwd. In tegenstelling tot de bepaling van de behoefte gaat de rechtbank ten aanzien van de draagkracht van de man niet uit van een gemiddelde van de onttrekkingen. Uit de jaarcijfers blijkt namelijk dat partijen op te grote voet hebben geleefd. Er werd meer uit de onderneming onttrokken dan er binnenkwam. Van de man kan niet worden verlangd dat hij hiermee doorgaat. Dit zou immers de continuïteit van de onderneming in gevaar kunnen brengen.

Het netto besteedbaar inkomen van de man is aldus € 4.373,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 behoort daarbij een draagkracht van € 1.226,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

2.9.20.

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 490,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

2.9.21.

Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van salarisspecificaties over de maanden oktober en november 2025. De rechtbank overweegt daarbij dat tijdens de mondelinge behandeling is besproken uit te gaan van de jaaropgave 2024. Echter, deze is niet door de vrouw overgelegd. Uit de salarisspecificaties volgt dat de vrouw een bruto WIA uitkering heeft van € 3.196,- exclusief 8% vakantietoeslag per maand.

Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget waar de vrouw na de scheiding recht op heeft. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2,872,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule hoort daarbij een draagkracht van € 490,-

De verdeling van de kosten

2.9.22.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen.

Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

2.9.23.

De ouders hebben samen een draagkracht van € 1.716,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 985,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1126 /1716 x 985 =) € 703,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (490/ 1716 x 985=) € 281,- per maand.

De zorgkorting

2.9.24.

De man heeft gesteld dat er met een zorgkorting van 15% rekening moet worden gehouden, terwijl de vrouw van mening is dat met een zorgkorting van 5% gerekend moet worden. De rechtbank overweegt dat er op dit moment geen vastomlijnde zorgregeling is tussen de man en [minderjarige] . De bedoeling is wel dat partijen daar met behulp van de in te schakelen hulpverlening naartoe gaan werken. De rechtbank houdt daarom rekening met een zorgkorting van 5%. Dit betreft een bedrag van € 49,- zodat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet betalen van € 654,- per maand. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toe.

2.10.

Partnerbijdrage

2.10.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.900,- per maand vast te stellen. Zij stelt behoefte te hebben aan deze bijdrage en dat de man in staat kan worden geacht deze te betalen.

2.10.2.

De man heeft zowel de behoefte van de vrouw als zijn draagkracht betwist.

2.10.3.

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 556,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de vrouw afwijst.

2.10.4.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

Behoefte van de vrouw

2.10.5.

De rechtbank stelt de aanvullende behoefte van de vrouw vast op € 1.128,- netto per maand, bruto € 2.216,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.

2.10.6.

De rechtbank gaat voor de berekening van de behoefte van de vrouw uit van dezelfde inkomensgegevens uit 2023 als zij heeft gebruikt voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank houdt verder rekening met de kosten die partijen voor [minderjarige] maakten. Uit de berekening volgt dan dat de behoefte van de vrouw op basis van de zogenoemde Hofnorm € 3.311,- per maand bedroeg in 2023. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 3.526,-.

2.10.7.

De vrouw heeft een eigen bruto inkomen van € 3.196,- per maand exclusief 8% vakantietoeslag. Dit betekent dat zij met haar eigen inkomen niet geheel in haar eigen behoefte kan voorzien. Haar aanvullende behoefte bedraagt € 2.226,- per maand, zo volgt uit de berekening.

Draagkracht van de man

2.10.8.

Voor het inkomen van de man verwijst de rechtbank naar wat zij heeft overwogen onder rechtsoverweging 2.7.19. Naast het voldoen van een bijdrage in de kosten voor [minderjarige] van € 703,- heeft de man nog een draagkracht van € 348,- netto per maand. Gebruteerd is dat € 556,- per maand.

2.11.

Voortgezet gebruik woning

2.11.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat in geval van verkoop van de echtelijke woning zij tot zeven dagen voor levering van de echtelijke woning aan de koper, met uitsluiting van de man, het gebruik van de echtelijke woning mag voortzetten, dan wel dat zij, als de woning niet wordt verkocht, met uitsluiting van de man, het gebruik van de echtelijke woning, gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking mag voortzetten.

2.11.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man zich niet verzet tegen het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

2.11.3.

De rechtbank overweegt dat de woning niet naar aanleiding van deze beschikking verkocht zal worden, waarover hierna meer. Nu daarnaast het voortgezet gebruik op grond van de wet maar voor maximaal zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking kan worden toegekend en de man zich daar niet tegen verzet, zal de rechtbank aldus bepalen onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

2.12.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.12.1.

Partijen zijn in de gewijzigde huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij in de wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Gelet op de datum waarop zij dit zijn overeengekomen betekent dit dat zij in de algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Partijen hebben allebei een verzoek tot verdeling van de gemeenschap gedaan.

2.12.2.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is de gemeenschap op 10 april 2024 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).

2.12.3.

De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.

2.12.4.

Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:

- de eenmanszaak [bedrijf] ;

- het tuinhuis op Tuinpark [naam tuinpark] ;

- de bankrekening Rabo Directrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. de man;

- de bankrekening Rabo Directrekening [rekeningnummer 2] t.n.v. de man;

- de bankrekening ING [rekeningnummer 3] t.n.v. de vrouw;

- de bankrekening ING Oranje Spaarrekening [rekeningnummer 4] t.n.v. de vrouw;

- de inboedel;

- de hypothecaire geldlening bij de ING Bank met nummer [nummer] .

De vrouw stelt voorts dat tevens de onroerende zaak [adres] tot de gemeenschap behoort hetgeen de man betwist.

De man stelt dat de belastingaanslagen IB over 2023 en 2024 tot de gemeenschap van goederen behoren hetgeen de vrouw betwist. De vrouw is volgens de man daarnaast gehouden de helft van de aanslag IB over 2025 te dragen hetgeen eveneens door de vrouw wordt betwist.

Onroerende zaak [adres]

2.12.5.

Tussen partijen is in geschil of deze onroerende zaak tot de overeengekomen gemeenschap van goederen behoort. De woning is afkomstig uit de erfenis van de moeder van de man.

2.12.6.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren. Partijen hebben met het oog daarop juist in 2015 de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. De bedoeling was dat de vrouw mede-eigenaar zou worden van de onroerende zaak. Volgens de vrouw blijkt van deze bedoeling uit het door haar overgelegde e-mailbericht aan de notaris van 17 januari 2015. De onroerende zaak was ook het enige vermogensbestanddeel met enige waarde en ook daaruit blijkt dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden van doen had met het eigendom van de onroerende zaak, aldus de vrouw.

Partijen zijn ook in 2015 samen een hypothecaire geldlening aangegaan ten behoeve van verbouwingen aan de onroerende zaak hetgeen de vrouw nooit gedaan zou hebben als zij niet mede-eigenaar zou zijn geweest van de onroerende zaak.

Verder voert de vrouw aan dat partijen zich naar derden toe ook hebben gedragen alsof de onroerende zaak van hen gezamenlijk was, omdat zij hebben verteld in gemeenschap van goederen te zijn gehuwd.

Voor zover de onroerende zaak niet in de gemeenschap is gevallen heeft de vrouw gesteld dat alsnog moet worden bewerkstelligd wat partijen voor ogen hadden. De man zal in dat geval, aldus de vrouw, moeten meewerken aan de overdracht van de helft van het eigendom van de onroerende zaak aan de vrouw. Er ontstaat dan een eenvoudige gemeenschap die verdeeld kan worden. Volgens de vrouw hoeft de overdracht feitelijk niet bewerkstelligd te worden, omdat zij enkel aanspraak maakt op de helft van de overwaarde.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat een beroep van de man op de uitsluitingsclausule in het testament van zijn moeder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook onaanvaardbaar is. Zij zou niet de huur van haar huurwoning hebben opgezegd als zij niet mede-eigenaar van de onroerende zaak zou zijn geworden. Zonder haar aandeel in de overwaarde van de onroerende zaak wordt het voor haar heel lastig een woning te vinden.

Indien de rechtbank het standpunt van de vrouw niet volgt, dient, zo heeft de vrouw gesteld, de hypothecaire geldlening, als een privégoed van de man te worden aangemerkt. De gemeenschap heeft dan een vergoedingsrecht op de man. De man moet dan in verband met de waardestijging van de onroerende zaak € 69.058,84 aan de vrouw betalen, uitgaande van een aflossing door de vrouw van € 36.878,66 en een waardestijging van de onroerende zaak van 90%.

2.12.7.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de onroerende zaak niet tot de overeengekomen gemeenschap van goederen. De man is in 2000, derhalve voordat partijen in het huwelijk traden, eigenaar geworden van de woning nadat zijn moeder hem deze had nagelaten. In haar testament had zijn moeder bepaald dat de onroerende zaak niet in een gemeenschap zal vallen. Dat de huwelijkse voorwaarden later zijn opgesteld maakt dat niet anders. Een onder uitsluitingsclausule verkregen onroerende zaak blijft gewoon privévermogen op grond van artikel 1:94, lid 1 BW, aldus de man.

De man heeft betwist dat het de bedoeling van partijen was dat de vrouw mede-eigenaar van de woning zou worden. Dit is nooit de bedoeling geweest. Dat de vrouw contact heeft gezocht met de (opvolgend) notaris maakt dat ook niet anders. De vrouw erkent hiermee volgens hem juist dat de onroerende zaak niet in de gemeenschap is gevallen. Ook uit de door de vrouw overgelegde hypotheekakte blijkt dat de onroerende zaak privéeigendom is van de man.

Op de woning rusten drie hypothecaire geldleningen:

  • Een aflossingsvrij deel ad 18.151,-;

  • Een aflossingsvrij deel ad 16.199,-;

  • Een lineair deel ad 91.839,66.

De aflossingsvrije delen rustten al op de onroerende zaak toen de man de woning verkreeg. Het lineaire deel hebben partijen samen afgesloten voor een verbouwing van de badkamer, het souterrain, groot onderhoud aan het pand, buitenwerk, dubbel glas en wat andere aanpassingen waarna de hypothecaire leningen op een polis zijn gezet, waarvoor partijen ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn. De bank verlangde op dat moment van partijen dat de vrouw mede hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de aflossing van de hypotheekschuld(en) omdat de vrouw op dat moment als enige een inkomen uit dienstverband genoot. De man is bereid uit een morele verplichting de hypothecaire schulden voor zijn rekening te nemen, ook de laatste die niet gebruikt is voor verbouwing maar waarvan het geld op de rekening van de vrouw is gestort en door haar is gebruikt.

De man betwist dat het de bedoeling is geweest de onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom te laten zijn. Partijen hebben ook niet een deel van de onroerende zaak bij de notaris aan de vrouw geleverd. De vrouw heeft een juridische opleiding gehad en had moeten weten dat overdracht alleen kan plaatsvinden via een transportakte en inschrijving in het kadaster.

Er is ook geen sprake van een schenking. Als dat zo was, had dit bij de belastingdienst moeten worden gemeld.

Het beroep op de redelijkheid en billijkheid kan ook niet slagen, aldus de man. Ook niet dat de vrouw anders haar huurwoning had aangehouden. Zij ging samenwonen met de man en daarom heeft zij haar huurcontract opgezegd. Op grond van haar huurcontract moest zij zelf in de onroerende zaak wonen. Dat partijen hebben gezegd tegen derden dat zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd kan zijn maar partijen waren ook in gemeenschap gehuwd. Dit betekent niet dat de onroerende zaak gemeenschappelijk is geworden.

De man heeft ook betwist dat de vrouw met privégeld op de hypothecaire geldlening heeft afgelost.

2.12.8.

De rechtbank overweegt dat artikel 1:94, lid 2 onder a (Oud) BW luidt: De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen, met uitzondering van:

a. goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.

Nu vast staat dat de moeder van de man een uitsluitingsclausule in haar testament had opgenomen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de onroerend zaak niet tot de in de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden overeengekomen gemeenschap van goederen is gaan behoren. Dat partijen de huwelijkse voorwaarden later zijn overeengekomen maakt dat niet anders, omdat de wil van de erflater prevaleert (vergelijk Hoge Raad 21 november 1980, NJ 1981, 193).

De vrouw heeft aangevoerd dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat de man de onverdeelde helft van de onroerende zaak aan haar zou leveren en dat nu alsnog uitvoering kan worden gegeven aan deze afspraak. De man heeft dit weersproken. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw tegenover de betwisting door de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van een dergelijke afspraak sprake is geweest. Dit blijkt in ieder geval niet uit de overgelegde stukken. Uit de door de vrouw overgelegde stukken, zoals bijvoorbeeld de hypotheekakte van 11 maart 2025 blijkt eerder het tegendeel. Dat de vrouw de notaris hierover eenzijdig heeft gemaild, is ook geen bewijs van deze afspraak nu de man de afspraak heeft betwist en uit niets blijkt dat de man de notaris eensluidend heeft bericht.

Een beroep op de uitsluitingsclausule is naar het oordeel van de rechtbank ook niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, omdat zoals hiervoor overwogen de wil van de erflater prevaleert. Dit betekent dat de onroerende zaak privéeigendom is gebleven van de man.

2.12.9.

De vraag die de rechtbank dan moet beantwoorden is of de gemeenschap een vergoedingsrecht heeft op het privévermogen van de man, zoals door de vrouw -naar de rechtbank begrijpt- is gesteld en door de man is betwist. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Vast staat in ieder geval dat een groot deel van de door partijen gezamenlijk afgesloten hypothecaire geldlening niet is besteed aan het privévermogen van de man. De aanschaf van het tuinhuis en de verbouwingen daarvan zijn immers betaald van deze lening. Daarnaast hebben partijen goed geleefd van het vrijgekomen geld. Er is ook een en ander van het vrijgekomen bedrag aan de woning besteed, maar er is niet voldoende onderbouwd gesteld hoe zich dat zou moeten verhouden tot een vergoedingsrecht en op welke wijze de beleggingsleer vervolgens zou moeten worden toegepast. Nu een groot deel van de gelden afkomstig van deze hypothecaire geldlening juist niet aan de woning is besteed, kan niet sec uitgegaan worden van de op de hypothecaire geldlening gedane aflossingen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de woning af zal wijzen. Hetgeen de vrouw ter zake verder naar voren heeft gebracht behoeft daarom geen verdere bespreking.

De eenmanszaak [bedrijf]

2.12.10.

De man exploiteert op de bovenste verdiepingen van de aan hem toebehorende onroerende zaak een Bed & Breakfast in de vorm van een eenmanszaak genaamd [bedrijf] . Tussen partijen is niet in geschil dat de eenmanszaak tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort. Wel is tussen partijen in geschil tegen welke waarde de eenmanszaak in de verdeling moet worden betrokken.

2.12.11.

Volgens de man is er sprake van een negatieve waarde van € 4.704,-. Het pand waarin de eenmanszaak wordt geëxploiteerd dient niet in de waardebepaling te worden betrokken, omdat hij het pand onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Volgens de man is er ook geen sprake van goodwill die een waarde vertegenwoordigt. De vergunning van de gemeente is verstrekt aan de man persoonlijk in combinatie met het pand. Deze vergunning kan niet worden doorverkocht. De vergunning loopt daarnaast in de komende jaren af en het is maar de vraag of de man opnieuw een vergunning zal worden verleend, omdat de gemeente Amsterdam het toerisme in de stad wil beperken. De toekomst van de eenmanszaak is volgens de man dan ook onzeker. Covid heeft aangetoond dat een crisis de hele sector plat kan leggen. Volgens de man dienen de activa van de eenmanszaak aan hem te worden toegedeeld en zal hij dan de passiva voor zijn rekening nemen zonder dat hij aan de vrouw enige vergoeding verschuldigd is.

2.12.12.

De vrouw betwist dat de eenmanszaak een negatieve waarde heeft. Als het zakelijke deel van de onroerende zaak met de onderneming verkocht wordt levert dat een aanzienlijk bedrag op. Daarnaast is er sprake van goodwill en worden er aanzienlijke winsten gemaakt. De B&B heeft regelmatig een Superhost status en heeft alleen maar 5* beoordelingen.

De vrouw verzoekt verder te bepalen dat de man draagplichtig is voor de schulden van de eenmanszaak. De vrouw gaat uit van een minimale waarde van € 200.000,- en kan instemmen met toedeling aan de man van de activa en passiva van de eenmanszaak aan de man als hij haar € 100.000,- vergoedt. Als de man daar niet mee in kan stemmen dan dient de man ontbrekende financiële gegevens in het geding te brengen en zal een onafhankelijke accountant moeten worden benoemd.

2.12.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor overwogen valt de onroerende zaak buiten de tussen partijen overeengekomen gemeenschap van goederen. Het deel van de onroerende zaak waarin de eenmanszaak wordt geëxploiteerd dient daarom dan ook niet bij de waardering van de eenmanszaak te worden betrokken. Dit heeft tot gevolg dat als uitgegaan wordt van de door de man overgelegde balans, die door de vrouw overigens wordt betwist, dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een negatieve waarde van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank verzocht hen enige termijn te gunnen om alsnog tot overeenstemming te komen. Zij hebben nadien de rechtbank bericht dat dit niet is gelukt maar dat zij wel hebben afgesproken dat hun boekhouder [naam 2] van Londen & Holland de onderneming bindend zal taxeren. Partijen zijn het alleen niet eens over de te hanteren waarderingsmethode.

De vrouw geeft de voorkeur aan de DCF-methode en stelt zich op het standpunt dat daarbij de definitieve jaarcijfers 2023, 2024 en het concept 2025 dienen te worden betrokken. De kosten van de waardering dienen bij helfte dienen te worden gedragen.

De man betwist dat de DCF methode moet worden toegepast omdat het een eenmanszaak betreft en geen sprake is van zakelijke goodwill of overige relevante activa. Ook is volgens de man onjuist dat de jaarcijfers 2023, 2024 en 2025 bij de taxatie moeten worden betrokken. De taxatiekosten dienen bij helfte te worden gedragen, met dien verstande dat de vrouw de kosten moet dragen die verband houden met haar eigen contactmomenten, nu gebleken is dat zowel de vrouw als haar advocaat veelvuldig contact hebben opgenomen met de boekhouder, aldus de man.

2.12.14.

De rechtbank is van oordeel dat de waarde van de eenmanszaak aan de hand van de (balans georiënteerde) intrinsieke waardebepaling moet worden vastgesteld, waarbij bij de onroerende zaak niet betrokken dient te worden in de waardering omdat dat een privégoed is van de man. De waarde die hieruit volgt zal zo nodig aangevuld moeten worden met de zakelijke goodwill mocht daar sprake van zijn. De jaarrekening over 2024 en voor zover mogelijk over 2025 zal definitief moeten worden vastgesteld. De waardering zal echter plaats dienen te vinden tegen de waarde op het moment van de waardering. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat tegen 9 april 2024 gewaardeerd moet worden, omdat de waardering plaats dient te vinden tegen de waarde op het moment van de feitelijke verdeling dan wel een datum daar zo dicht mogelijk bij gelegen. De rechtbank zal bepalen dat de activa van de eenmanszaak aan de man worden toegedeeld en dat de man de passiva (schulden) als eigen schulden zal dienen te dragen. Indien de onderneming een overall positieve waarde (activa minus schulden) heeft zal de man de helft van de waarde aan de vrouw dienen te vergoeden. Indien er sprake is van een overall negatieve waarde zal er geen verrekening plaatsvinden. Uitsluitend de kosten van de waardebepaling van de onderneming dienen partijen bij helfte te verdelen. De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten zoals opgenomen in het dictum.

Tuinhuis

2.12.15.

Tot de huwelijksgemeenschap behoort een tuinhuis dat op naam staat van de vrouw. Het tuinhuis is aangekocht en verbouwd met gelden afkomstig van de in 2015 door partijen afgesloten hypothecaire geldlening maar dient niet als onderpand voor de aflossing van de hypothecaire geldlening. Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid besproken het tuinhuis onverdeeld te laten, omdat geen van partijen in staat is de andere partij uit te kopen en partijen wel belang hebben bij het behoud van het tuinhuis gezien het feit dat de man daar nu verblijft. Partijen hebben de rechtbank na de mondelinge behandeling als volgt bericht.

2.12.16.

De vrouw wenst het tuinhuis niet langer toegedeeld te krijgen en heeft gesteld dat het tuinhuis, nu de man haar niet uit kan kopen verkocht dient te worden. Volgens de vrouw kan het tuinhuis enkel verkocht worden via het reglement van de Bond van Volkstuinders in Amsterdam.

De man heeft gesteld dat hij het tuinhuis toegedeeld wenst te krijgen, omdat hij daar nu ook verblijft en zal moeten verblijven zolang de vrouw het gebruiksrecht heeft van zijn woning. De waardeverrekening kan volgens de man plaatsvinden nadat de wijze van verdeling van alle vermogensbestanddelen is bepaald en het tuinhuis op zijn naam is gesteld.

2.12.17.

De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten zoals opgenomen in het dictum, waarbij de man een termijn wordt gegund het tuinhuis toegedeeld te krijgen.

Inboedel

2.12.18.

De vrouw heeft een inboedellijst overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat aan de vrouw zal worden toegedeeld de inboedelgoederen die vermeld staan op de door de vrouw als productie 26 ingebrachte lijst en dat de overige goederen aan de man worden toegedeeld zonder verrekening. De rechtbank zal daarom bepalen dat aan de vrouw worden toegedeeld de goederen vermeld op de aan deze beschikking gehechte inboedellijst en dat de overige inboedelgoederen aan de man worden toegedeeld.

Bankrekeningen

2.12.19.

Niet in geschil is dat het saldo op de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw kan worden toegedeeld en het saldo op de bankrekeningen van de man aan de man. Wel is in geschil of de saldi met elkaar dienen te worden verrekend. De man heeft gesteld dat de saldi per de peildatum verdeeld dienen te worden, waarbij hij heeft gesteld dat voor zover op de bankrekening van de vrouw nog gelden afkomstig van de door partijen in 2015 afgesloten hypothecaire geldlening aanwezig zijn deze hem toekomen, omdat hij deze schuld voor zijn rekening zal nemen. De vrouw heeft verzocht enkel de saldi toe te delen zonder verdeling daarvan.

2.12.20.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is niet bekend met de banksaldi per peildatum nu deze niet door partijen zijn overgelegd. Wel is de rechtbank van oordeel dat de banksaldi per peildatum van 10 april 2024 verdeeld dienen te worden. De rechtbank zal aldus bepalen. Voor zover er nog gelden van de afgesloten hypothecaire geldlening aanwezig zijn, zijn deze verdisconteerd in de banksaldi en worden aldus verdeeld. De rechtbank wijst daarom af het verzoek van de man dat deze gelden alleen hem toekomen, temeer daar het gemeenschapsgelden betreft. De hypotheek stond immers op beider naam.

Hypothecaire geldlening

2.12.21.

Vast staat dat partijen in 2015 gezamenlijk een hypothecaire geldlening hebben afgesloten met als onderpand een privéeigendom van de man. Het uitgangspunt is dat ieder van partijen in beginsel voor de helft draagplichtig is voor schulden die tot de gemeenschap behoren. De rechtbank is van oordeel dat in afwijking van voornoemd uitgangspunt in het onderhavige geval de man in de onderlinge verhouding tussen partijen draagplichtig is voor deze schuld, nu deze gekoppeld is aan privévermogen van de man. Op de man rust de inspanningsverplichting om de vrouw op de kortst mogelijke termijn te doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

2.13.

Belastingvorderingen

2.13.1.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is de helft van de belastingvorderingen te voldoen dan wel deze voor de helft te dragen. De man stelt dat hij over 2023 een aanslag heeft ontvangen van € 17.660,- en over 2024 een aanslag van € 19.394,-. De aanslag over 2025 zal nog moeten worden vastgesteld. De man heeft gesteld nimmer voorlopige aanslagen te hebben betaald en dat de vrouw gehouden is de helft van de schulden te dragen.

2.13.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Volgens de vrouw is het verzoek onvoldoende specifiek en kan dit daarom niet worden toegewezen. Daarnaast dateert het echtscheidingsverzoek van 9 april 2024. De schulden die daarna zijn ontstaan vallen niet in de gemeenschap. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat de schulden die betrekking hebben op de eenmanszaak onderdeel zijn van de waardering daarvan en niet nog eens afzonderlijk kunnen worden verrekend. Ook wordt door de vrouw betwist dat de man de aanslagen heeft voldaan.

2.13.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de belastingaanslagen betrekking hebben op de huwelijkse periode tot aan 10 april 2024, zijnde de datum van ontbinding van het huwelijk, zijn beide partijen ieder voor de helft draagplichtig voor deze schulden. De rechtbank ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt.

2.14.

Overleggen stukken 843a Rv

2.14.1.

De rechtbank wijst af het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot het overleggen van stukken, omdat de man reeds aan dat verzoek heeft voldaan en de vrouw hier daarom geen belang meer bij heeft.

3De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/749150 / FA RK 24-2409:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op 28 augustus 2013;

3.2.

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de man € 654,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4.

bepaalt dat de man € 556,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

3.6.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de kinderbijdrage, de partnerbijdrage en het voortgezet gebruik uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/773862 / FA RK 25-6025:

3.8.

gelast de navolgende wijze van verdeling van de eenmanszaak [bedrijf] :

- de activa van de eenmanszaak worden toegedeeld aan de man en de man dient de schulden van de eenmanszaak als eigen schulden te voldoen;

- partijen geven binnen veertien dagen na deze beschikking aan de heer [naam 2] van Londen & Van Holland de opdracht om de jaarrekening over 2024 en voor zover mogelijk ook de jaarrekening over 2025 vast te stellen en aan de hand van de intrinsieke waardebepaling, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele zakelijke goodwill, de waarde van de eenmanszaak per datum waardering bindend vast te stellen zonder de waarde van het onroerend goed in de waardering te betrekken;

- indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de deskundige heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de deskundige te verstrekken;

- uitsluitend de kosten van de waardering van de eenmanszaak dienen door ieder van partijen bij helfte te worden gedragen;

- de man dient bij een overall positieve waarde (activa minus schulden) van de onderneming de helft van de vastgestelde waarde binnen één maand na de schriftelijke vaststelling van de waarde door de heer [naam 2] van Londen & Van Holland aan de vrouw te voldoen;

3.9.

gelast de navolgende wijze van verdeling van het tuinhuis:

- de vrouw dient binnen twee weken na afgifte van deze beschikking opdracht te geven aan de Bond van Volkstuinders in Amsterdam om het tuinhuis te laten taxeren;

- ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;

- de man krijgt gedurende drie maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij het tuinhuis kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan;

- indien binnen of na verloop van deze periode blijkt dat de man het tuinhuis niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de man, dient het tuinhuis te worden verkocht en geleverd aan een derde;

- de verkoop zal geschieden conform het reglement van Bond van Volkstuinders in Amsterdam en ieder van partijen komt de helft van de verkoopopbrengst toe;

3.10.

gelast als wijze van verdeling van de bankrekeningen dat de bankrekeningen Rabo Directrekening [rekeningnummer 1] en Rabo Directrekening [rekeningnummer 2] worden toegedeeld aan de man en de bankrekeningen ING [rekeningnummer 3] en ING Oranje Spaarrekening [rekeningnummer 4] worden toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting de helft van het saldo op 10 april 2024 aan de andere partij te vergoeden, waarbij partijen binnen twee weken na heden elkaar een bankafschrift met het saldo op 10 april 2024 dienen te doen toekomen;

3.11.

deelt de inboedelgoederen vermeld op de aan deze beschikking gehechte lijst toe aan de vrouw en de overige inboedelgoederen toe aan de man;

3.12.

bepaalt dat de man hypothecaire geldlening bij de ING onder hypotheeknummer [nummer] als eigen schuld dient te voldoen;

3.13.

bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de belastingaanslagen voor zover die betrekking hebben op de periode tot aan 9 april 2024;

3.14.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.15.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. van der Veen op 10 december 2025.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

behoefte

Tarieven

2023-2

Datum uitdraai

03-12-2025

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

72.368

Bij: bedrag dat meer dan de beschikbare (fiscale) winst kan worden / wordt onttrokken

133

70

Winst uit onderneming

72.368

Ondernemersaftrek

71/ 72

Zelfstandigenaftrek

-

5.030

- Zelfstandigenaftrek

5.030

MKB Winstvrijstelling

-

9.427

75

Belastbare winst uit onderneming

57.911

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

57.911

- Schijf 1a, 36,93% (19,03%) over € 0 t/m € 37.149 (€ 38.703)

13.719

- Schijf 1b, 36,93% over € 37.150 (€ 38.704) t/m € 73.031

7.667

95

Inkomensheffing box 1

21.386

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

72.368

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

21.386

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

3.713

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

17.673

Inkomen na aftrek inkomensheffing

54.695

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

922

jaar

Arbeidskorting

2.791

jaar

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

57.911

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

57.911

Maximum bijdrage loon

66.956

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

66.956

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

57.911

Percentage Zvw

%

5,43

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

3.145

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

3.145

Bij: bedrag dat meer dan de beschikbare (fiscale) winst kan worden / wordt onttrokken

133

120

Besteedbaar inkomen

51.683

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

51.683

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

4.307

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

behoefte

Tarieven

2023-2

Datum uitdraai

03-12-2025

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

43

Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

36.024

Bruto inkomsten

36.024

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

36.024

59

Inkomsten

36.024

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

36.024

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

36.024

- Schijf 1a, 36,93% (19,03%) over € 0 t/m € 37.149 (€ 38.703)

13.303

95

Inkomensheffing box 1

13.303

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

36.024

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

13.303

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

2.256

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

11.047

Inkomen na aftrek inkomensheffing

24.977

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.256

jaar

120

Besteedbaar inkomen

24.977

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

24.977

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.081

NBGI voor scheiding

Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding

NBI voor scheiding Alimentatieplichtige

4.307

NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde

2.081

Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding

6.388

Eigen aandeel kosten kinderen

Eigen aandeel kosten kinderen

Ouders hebben in gezinsverband geleefd

ja

NBGI voor scheiding

6.388

Tabel aantal kinderen

1

Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel

870

#

Indexeren

ja

Startjaar

2023

Eindjaar

2025

Eigen aandeel ouders geïndexeerd

984

Behoefte obv 60% norm

Netto Behoefte

Netto gezinsinkomen

6.388

Af: kosten van de kinderen

-

870

Saldo

5.518

Netto behoefte obv 60%

3.311

Netto behoefte

3.311

#

Indexeren

ja

Startjaar

2024

Eindjaar

2025

Netto behoefte geïndexeerd

3.526

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Draagkracht

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-12-2025

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

74.058

70

Winst uit onderneming

74.058

Ondernemersaftrek

71/ 72

Zelfstandigenaftrek

-

2.470

- Zelfstandigenaftrek

2.470

MKB Winstvrijstelling

-

9.092

75

Belastbare winst uit onderneming

62.496

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

62.496

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

9.016

95

Inkomensheffing box 1

22.785

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

74.058

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

22.785

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

4.490

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

18.295

Inkomen na aftrek inkomensheffing

55.763

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

908

jaar

Arbeidskorting

3.582

jaar

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

62.496

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

62.496

Maximum bijdrage loon

75.864

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

75.864

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

62.496

Percentage Zvw

%

5,26

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

3.287

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

3.287

120

Besteedbaar inkomen

52.476

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

52.476

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

4.373

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)

52.476

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)

4.373

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

4.373

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.310

123a

Woonbudget

1.312

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.622

136a

Draagkrachtruimte

1.751

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

1.226

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

1.226

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

120b

Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie

4.373

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122b

Kosten van levensonderhoud

1.310

123b

Woonbudget

1.312

135b

Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie

2.622

136b

Draagkrachtruimte

1.751

Draagkracht tbv partneralimentatie

136b

Draagkrachtruimte

1.751

137b

Draagkrachtpercentage

%

60

Draagkracht tbv partneralimentatie

1.051

140

Beschikbaar

1.051

Partneralimentatie (141-144)

141

Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)

-

703

Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie

-

0

Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)

-

703

142

Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen

0

Berekende ruimte voor partneralimentatie

348

143

Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel

348

144

Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)

556

Specificaties voor post: 144

Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 4.176 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:

62.496

jaar

In de schijf van 37,48% valt € 4.176, € 4.176 x ( 100 / (100 - 37,48)) =

6.679

jaar

In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) =

0

jaar

Het resultaat van de brutering is per jaar

6.679

jaar

Of per maand

556

maand

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Draagkracht

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-12-2025

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

43

Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

41.420

Bruto inkomsten

41.420

Notitie: 43
WIA uitkering in 2025 3195,95 pm
Per jaar 38351 ex vakantiegeld. Inclusief vakantiegeld 8% 41420 per jaar

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

41.420

59

Inkomsten

41.420

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

41.420

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

41.420

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

1.116

95

Inkomensheffing box 1

14.885

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

41.420

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

14.885

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

2.244

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

12.641

Inkomen na aftrek inkomensheffing

28.779

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.244

jaar

Bij: Kindgebonden budget

5.679

120

Besteedbaar inkomen

34.458

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

34.458

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.872

120b

Af: correctie kindgebonden budget

-

5.679

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)

28.779

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)

2.398

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

2.872

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.310

123a

Woonbudget

862

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.172

136a

Draagkrachtruimte

700

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

490

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

490

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

120b

Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie

2.398

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122b

Kosten van levensonderhoud

1.310

123b

Woonbudget

719

135b

Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie

2.029

136b

Draagkrachtruimte

369

Draagkracht tbv partneralimentatie

136b

Draagkrachtruimte

369

137b

Draagkrachtpercentage

%

60

Draagkracht tbv partneralimentatie

221

140

Beschikbaar

221

Partneralimentatie (141-144)

141

Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)

-

281

Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie

-

0

Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)

-

281

142

Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen

0

Berekende ruimte voor partneralimentatie

-60

143

Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel

0

144

Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)

0

Specificaties voor post: 144

Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 0 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:

41.420

jaar

Het resultaat van de brutering is per jaar

0

jaar

Of per maand

0

maand

Bruto aanvullende behoefte

Netto Behoefte

Netto behoefte

3.526

Berekening Bruto aanvullende Behoefte

Netto behoefte aan inkomen

3.526

Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)

2.398

Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen

281

Af: Post 119a kindgebonden budget

-

473

Restant:

-192

Kosten kinderen uit eigen inkomen

0

Zelf beschikbaar netto inkomen

-

2.398

Netto aanvullende behoefte

1.128

Bruto aanvullende behoefte

2.216

Specificatie Berekening Bruto aanvullende Behoefte

zonder PA

met PA

59

Inkomsten / verdiencapaciteit

41.420

41.420

78*

Te ontvangen bruto partneralimentatie

26.592

113*

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

41.420

68.017

95*

Inkomensheffing box 1

14.885

24.854

114*

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

14.885

24.854

115*

Heffingskortingen

-

2.244

-

558

(met een algemene heffingskorting van)

2.244

558

117*

Verschuldigde inkomensheffing

12.641

24.296

Inkomen na aftrek inkomstenheffing

28.779

43.721

#

Af: Bijdrage kosten kinderen uit eigen inkomen

-

-

0

120b*

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

28.779

42.322

(per maand)

2.398

3.527



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733