Rechtbank Midden-Nederland 21-01-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:136

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding over verhuizing met minderjarige. Ouders hebben gezamenlijk gezag; kind woont bij moeder. Vader vordert verbod op verhuizing op straffe van dwangsom en voorlopige toevertrouwing bij uitblijven terugverhuizing. Vader verschijnt zonder advocaat; verplichte procesvertegenwoordiging geldt, maar rechter beoordeelt inhoudelijk. Verbod afgewezen omdat vader geen bezwaar heeft tegen verhuizing binnen gemeente en moeder daarheen verhuist; belang ontbreekt. Vermeerdering van eis ter zitting niet toegestaan zonder advocaat.

Datum publicatie02-02-2026
ZaaknummerC/16/604537 / KG ZA 25-637
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsUtrecht
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Familieprocesrecht; Kort geding art. 254 Rv; Proceskosten
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Advocaat van eiser in kort geding is niet naar de zitting gekomen in strijd met procesreglement. Het is onduidelijk wat het gevolg moet zijn. In de gegeven omstandigheden is de zaak verder behandeld zonder advocaat van eiser.

Volledige uitspraak


vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/604537 / KG ZA 25-637

Vonnis in kort geding van 21 januari 2026

in de zaak van

[eiser] , eiser,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. R.F. Vonk

tegen

[gedaagde] , gedaagde,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. R.C. Vermeer.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1De procedure

1.1.

De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:

  • de dagvaarding met bijlagen;

  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met bijlagen.

1.2.

Op 14 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

  • de eiser;

  • de gedaagde en haar advocaat.

De advocaat van de eiser is niet naar de zitting gekomen.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien om het minderjarige kind van partijen in de gelegenheid te stellen om aan de kinderrechter te vertellen wat zij van de vordering vindt. Dit mede in verband met de spoedeisendheid van de procedure.

2Waar gaat het geschil over?

De feiten
2.1. Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van [datum] 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.2.

Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] .

2.3.

[minderjarige] woont bij de gedaagde.

2.4.

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] nemen

2.5.

Tussen de eiser en [minderjarige] geldt een zorgregeling. De eiser heeft sinds de zomer van 2025 geen contact gehad met [minderjarige] .

Het geschil

2.6.

De eiser vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de gedaagde te verbieden zonder toestemming van de eiser te verhuizen uit haar huidige woning, gelegen aan het adres [adres] , in [woonplaats] ;

  2. te bepalen dat de gedaagde aan de eiser een dwangsom verschuldigd is van € 1.000,00 per dag vanaf het moment dat zij toch verhuist naar een andere woning dan genoemd onder ad a., met een maximum van € 50.000,00;

  3. te bepalen dat als de gedaagde na een maand nog niet is terugverhuisd, [minderjarige] voorlopig aan de eiser zal worden toevertrouwd totdat in een bodemprocedure hier nader over beslist is, met als gevolg dat [minderjarige] in de basis bij de eiser zal verblijven, en [minderjarige] uit hoofde van een nader te formuleren zorgregeling bij de gedaagde zal verblijven;

  4. met veroordeling van de gedaagde van de kosten in dit geding.

2.7.

De gedaagde is het niet eens met deze vorderingen en vraagt om de eiser niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze te ontzeggen een en ander met veroordeling van de man in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

3De beoordeling

De beslissing
3.1. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de eiser afwijzen. Hierna legt hij deze beslissing uit.

Afwezigheid van de advocaat van de eiser ter zitting

3.2.

De eiser was aanwezig zonder advocaat. Hierdoor is niet voldaan aan een formeel vereiste. In kort geding geldt namelijk voor de eisende partij verplichte procesvertegenwoordiging (artikel 79 lid 2 en artikel 254 Rv) . Dit houdt mede in dat eiser met of bij advocaat op de mondelinge behandeling moet verschijnen, zoals ook is neergelegd in artikel 10.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging strekt zich er onder meer toe dat de rechter in staat is zijn taak op een adequate manier uit te oefenen door te verzekeren dat de zaak wordt behandeld en gepresenteerd door gekwalificeerde raadslieden die in staat zijn een duidelijke en rechtens relevante uiteenzetting te geven van het standpunt van de procespartij voor wie zij optreden. Deze strekking moet dus zo worden opgevat dat daarin mede de eis wordt gesteld dat de zaak ter zitting wordt behandeld door een advocaat.

3.3.

De vervolgvraag is of de eiser de gelegenheid moet krijgen om dit te herstellen. De voorzieningenrechter heeft hier noch in de wet, noch in het procesreglement of de jurisprudentie een antwoord op kunnen vinden. Het bieden van de gelegenheid tot herstel (en dus uitstel van de behandeling van de zaak) staat op gespannen voet met het doel en de aard van een kortgedingprocedure. Bovendien heeft de eiser verklaard dat de reden dat zijn advocaat niet naar de mondelinge behandeling is gekomen, gelegen is in kostenbesparing. Het bieden van een gelegenheid tot herstel aan eiser zal juist tot meer kosten leiden, óók voor verweerder. Eiser heeft nog verklaard dat hij de avond voorafgaand aan de zitting er bij zijn advocaat op had aangedrongen aanwezig te zijn, maar dat zijn advocaat toen heeft gezegd dat het – uit het oogpunt van kostenbesparing dus – beter was van niet en dat eiser de zitting zelf kon doen. De advocaat heeft de voorzieningenrechter hier niet van tevoren van op de hoogte gesteld. Dit alles maakt dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om gelegenheid te bieden voor herstel, voor zover dat mogelijk is. Dat de advocaat volgens de eiser eventueel telefonisch bereikbaar was, doet hier niet aan af.

3.4.

De voorzieningenrechter zal vervolgens moeten beoordelen wat het gevolg is van het niet-verschijnen van de advocaat van de eiser. In dit geval heeft de advocaat van de eiser op voorhand de betekende dagvaarding naar de voorzieningenrechter gezonden. De advocaat van eiser heeft ook kennis kunnen nemen van de conclusie van antwoord. In die situatie moet het ervoor worden gehouden dat de zaak in elk geval op kundige wijze is voorbereid. Er staat dan weinig in de weg aan het verder behandelen van de zaak en de eiser alleen te horen en te laten reageren op het verweer van de gedaagde waarbij de verkregen informatie kan worden meegenomen bij de beslissing (zie ook: Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/118). De voorzieningenrechter zal daarom de vorderingen van de eiser inhoudelijk beoordelen.

De uitgangspunten in kort geding

3.5.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening of maatregel. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de eiser ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat wil zeggen dat de eiser nu een beslissing van de voorzieningenrechter nodig heeft en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan afwachten. Daarnaast geldt in beginsel dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of het in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen in een bodemprocedure zal toewijzen. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor bewijslevering.

Het spoedeisend belang

3.6.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen. De gedaagde is namelijk voornemens om binnenkort met [minderjarige] te verhuizen. De eiser wil dit voorkomen. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de eiser daarom inhoudelijk beoordelen en daarop beslissen.

Het verbod verhuizing

3.7.

De voorzieningenrechter zal de gedaage niet verbieden om met [minderjarige] te verhuizen uit haar huidige woning. De eiser heeft zowel in de dagvaarding als ter zitting gezegd dat hij geen bezwaar heeft tegen een verhuizing binnen [woonplaats] . De vrouw heeft verteld dat haar nieuwe woning in de gemeente [gemeente] ligt. Dit maakt dat de man geen belang meer heeft bij zijn vordering. Dat de vrouw geen bewijsstuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat de nieuwe woning in [plaats] ligt, maakt dit niet anders. Als blijkt dat de gedaagde in het bijzijn van haar advocaat en ten overstaan van de voorzieningenrechter hierover heeft gelogen, dan ligt de insteek en uitslag van een vervolgprocedure immers voor de hand.

Vermeerdering van eis

3.8.

Ter zitting heeft de eiser kenbaar gemaakt dat het hem er eigenlijk om gaat dat hij het nieuwe adres van de gedaagde te weten komt. Volgens hem was dat de insteek van de dagvaarding. Dit valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter noch in het lichaam, noch in het petitum van de dagvaarding te begrijpen. Daarop heeft de eiser kenbaar gemaakt zijn eis te willen vermeerderen. Omdat de eiser zonder advocaat geen proceshandelingen kan verrichten, en dus ook geen vermeerdering van eis kan vragen, is dat alleen al om die reden niet toegestaan.

3.9.

Terzijde merkt de voorzieninigenrechter het volgende op. Een eventueel vermeerderde eis in die zin had de voorzieningenrechter naar alle waarschijnlijkheid niet toegewezen. Het is [minderjarige] zelf die geen contact meer met haar vader wil, mede door incidenten die zich tijdens de zomervakantie hebben voorgedaan. De vader lijkt zich hierin nogal dwingend op te stellen is al gesignaleerd in de straat waar de nieuwe woning is gelegen. In die situatie is het niet in het belang van [minderjarige] om een in de gewenste zin vermeerderde eis toe te wijzen. Dat een ouder met gezag in beginsel het recht heeft te weten waar zijn minderjarige dochter verblijft, doet daar niet aan af.

De overige vorderingen van de man

3.10.

Omdat de voorzieningenrechter de vordering onder a. zal afwijzen, komt hij niet toe aan beoordeling van de overige vorderingen van de man.

De proceskosten

3.11.

In familiezaken is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren vanwege de relatie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Van beide partijen mocht verwacht worden dat zij voorafgaand aan de zitting zouden proberen een zitting te voorkomen, wat in dit geval heel goed mogelijk was geweest; al ten tijde van de dagvaarding, maar zeker ten tijde van de conclusie van antwoord. Geen van partijen heeft daartoe een poging ondernomen. Beide partijen moet daarom de eigen kosten dragen.

4De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W.J. van Elsdingen (voorzieningenrechter) in samenwerking met mr. J.C.M. Joosten (griffier) en is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733