Essentie (gemaakt door AI)
Gevoegde zaken waarin de Raad verzoekt om beëindiging van het gezag van beide ouders en de GI verzoekt om verlenging OTS/UHP. Vader betwist de deugdelijkheid van het raadsrapport en verzoekt om kindgesprek; moeder ondersteunt beëindiging. De rechtbank acht het raadsrapport zorgvuldig, stelt ernstige ontwikkelingsbedreiging en overschrijding aanvaardbare termijn vast, en oordeelt dat terugplaatsing of nieuw ouderschapsonderzoek niet in het belang van de kinderen is. Gezag van beide ouders wordt beëindigd en GI tot voogd benö| Datum publicatie | 30-01-2026 |
| Zaaknummer | C/18/245071 / JE RK 25-338 en C/18/251370 / FA RK 26-31 |
| Procedure | Beschikking |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Familieprocesrecht; Horen minderjarige |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Einde gezag. Artikel 1:266 BW, artikel 8 EVRM, artikel 3, 12 en 20 IVRK. Het gezag van beide ouders wordt beëindigd. De advocaat van de vader verzoekt om de kinderen (7 en 9) te horen. Dit verzoek wordt afgewezen. Het gaat om twee kwetsbare kinderen die veel spanning ervaren over hun perspectief. Met name deze rechtszaak is voor hen beladen. In deze situatie zou een gesprek of een uitnodiging voor een gesprek een ongewenste druk op de kinderen leggen, die wellicht menen dat de uitkomst van de zaak afhankelijk is van wat zij zeggen. Gelet hierop is het strijdig met het belang van de kinderen om hen voor een gesprek uit te nodigen (ECLI:NL:HR:2013:1084). Dit is te meer het geval omdat de kinderen al een stem in deze procedure hebben doordat zij door de raadsmedewerker zijn gesproken. Bij dit alles komt ook dat het participatierecht van kinderen tot doel heeft hen een stem te geven in de beslissingen die over hen worden genomen, en niet is bedoeld om aan waarheidsvinding te doen ten behoeve van een belanghebbende.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Groningen
Zaaknummers: C/18/245071 / JE RK 25-338 (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing)
C/18/251370 / FA RK 26-31 (gezagsbeëindigende maatregel)
Beschikking van 23 januari 2026 over het ouderlijk gezag en een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Noord-Nederland, locatie Groningen,
hierna te noemen “de Raad”.
over
[kind 1] ,
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [kind 1] ,
[kind 2] ,
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [kind 2] .
De rechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.A.M. Staal-Olislaegers, die kantoor houdt in Winschoten,
[naam vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Schlepers, die kantoor houdt in Groningen.
Gezinshuisouders [naam gezinshuis],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de gezinshuisouders.
Omdat de wet “de rechtbank” aanwijst een beslissing te nemen over het ouderlijk gezag en “de kinderrechter” aanwijst een beslissing te nemen over het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen, moet steeds in deze beschikking waar “de rechter” staat dit worden gelezen als “de kinderrechter” of “de rechtbank” al naar gelang het verzoek dat wordt behandeld.
1Het (verdere) procesverloop
In de zaak met zaaknummer C/18/245071 / JE RK 25-338
Het procesverloop blijkt uit de (tussen)beschikking van 23 juli 2025 en de herstelbeschikking van 31 juli 2025. De inhoud van deze beschikkingen wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. De rechter heeft de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] verlengd voor de duur van zes maanden, tot
29 januari 2026. De beslissing over de resterende duur van het verzoek is aangehouden. De Raad heeft daarnaast de opdracht gekregen onderzoek te doen naar de vraag of de zaak kan worden overgedragen naar het vrijwillige kader of dat sprake moet zijn van een beëindiging van het gezag van één of beide ouders. Daarbij is op verzoek van de advocaat van de vader expliciet de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het perspectief van de kinderen.
Op 2 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoeksrapport van de Raad ontvangen. Daarnaast heeft de Raad verzocht om het gezag van de ouders over [kind 1] en [kind 2] te beëindigen.
Op 7 januari 2026 heeft de advocaat van de vader verzocht om de kinderen te horen. De rechtbank heeft op diezelfde dag aangegeven dat dit verzoek wordt behandeld tijdens de mondelinge behandeling van de zaak op 15 januari 2026.
In de zaak met zaaknummer C/18/251370 / FA RK 26-31
Deze procedure is ingeleid met het verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 2 januari 2026. Daarin verzoekt de Raad om het gezag van de ouders over [kind 1] en [kind 2] te beëindigen en de GI als voogd te benoemen.
In beide zaken
Op 15 januari 2026 heeft de rechter de zaken gevoegd mondeling behandeld. De rechter heeft toen gesproken met de moeder, haar advocaat, de vader, de gezinshuisouders,
[naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger] , die de GI vertegenwoordigen en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigt.
Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.
2De (verdere) feiten
De rechter kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten, die blijken uit de onweersproken gebleven inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht.
[kind 1] en [kind 2] zijn geboren uit de inmiddels verbroken affectieve relatie tussen de ouders. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over hen uit.
Bij beschikking van 4 augustus 2020 zijn [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld. Op 29 september 2020 zijn de kinderen met een spoedmaatregel uit huis geplaatst en bij beschikking van 15 oktober 2020 heeft de kinderrechter de machtiging tot uit huisplaatsing verlengd. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd en gelden vooralsnog tot
29 januari 2026.
Bij beschikking van 1 augustus 2023 is een verzoek van de Raad om het gezag van de vader te beëindigen afgewezen.
[kind 1] en [kind 2] wonen sinds 28 december 2024 bij [naam gezinshuis] . Het gezinshuis waar zij daarvoor verbleven is onverwacht gestopt.
De vader heeft elke twee weken zes uur omgang met de kinderen bij hem thuis.
De moeder heeft twee uur per week omgang met de kinderen onder begeleiding van de gezinshuisouders. De moeder woont in een beschermde woonvorm.
3Standpunten
De moeder
De moeder heeft, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Zij staat achter het verzoek van de Raad. De kinderen moeten opgroeien bij de gezinshuisouders. De vader is niet in staat om het belang van de kinderen voorop te stellen. Dat is structureel het geval. De moeder zelf vindt het te zwaar om met het gezag belast te blijven. Ze kampt met aanzienlijke psychische problemen en wil liever dat anderen de verantwoordelijkheid voor de kinderen dragen. Boven alles is van belang dat er niet langer aan de kinderen wordt getrokken.
De vader
De vader heeft, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Het verzoek van de Raad moet worden afgewezen. Het Raadsonderzoek is niet deugdelijk geweest. De Raad heeft ondanks de expliciete opdracht van de rechtbank het perspectief van de kinderen niet onderzocht. Daarnaast zijn de gesprekken met de kinderen in het onderzoek hoogstwaarschijnlijk op een sturende wijze gevoerd. De kinderen verklaren op een manier tegen de raadsonderzoeker die de vader niet kan plaatsen. De vader wil dan ook dat de kinderen door de rechter worden gehoord, zodat de rechter hierover eigen conclusies kan trekken. En moet alsnog een nader onderzoek plaatsvinden naar de mogelijkheden van een terugplaatsing bij de vader. Dat is in het belang van de kinderen. De kinderen zijn graag bij de vader en vinden het altijd erg moeilijk om afscheid te nemen. De vader heeft zijn leven inmiddels ook zodanig op orde dat hij in staat is om voor hen te zorgen. De eerder uitgevoerde onderzoeken zijn verouderd. Het is des te belangrijker om te onderzoeken of de kinderen weer naar huis kunnen omdat de kinderen in december 2024 onverwachts in een nieuw gezinshuis zijn komen te wonen. De eerdere conclusies over waar het perspectief ligt, kloppen dan ook niet meer.
De GI
Namens de GI is, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. De GI vindt een gezagsbeëindigende maatregel van de ouders passend. De moeder is kwetsbaar en de vader heeft beperkte opvoedmogelijkheden. [kind 1] en [kind 2] zullen niet opgroeien bij de ouders, het is in het belang van hen om bij het gezinshuis te blijven wonen. De voortdurende onzekerheid over hun opgroeiperspectief zorgt bij [kind 1] en [kind 2] voor veel onrust. De GI merkt op dat een gezagsbeëindigende maatregel niets zal afdoen aan het contact tussen de ouders en de kinderen. Verder heeft de GI verteld dat [kind 1] en [kind 2] kwetsbare kinderen zijn die extra ondersteuning nodig hebben. [kind 1] is lief en zachtaardig en [kind 2] kan zo nu en dan een grote mond opzetten. Zij heeft veel bevestiging nodig. Voor het geval het gezag van de ouders niet beëindigd wordt, persisteert de GI bij het verzoek om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] te verlengen.
De gezinshuisouders
De gezinshuisouders hebben, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. [kind 1] en [kind 2] zijn fijne kinderen. [kind 1] is wat meer beperkt en hij krijgt op school extra hulp om zijn sociale vaardigheden te ontwikkelen. Het is een lief en zachtaardig jongetje. [kind 2] is een blij maar pittig meisje. Zij heeft last van hechtingsproblematiek. De kinderen zijn op de hoogte van deze rechtszaak en zij hebben daar spanning van. Dat is een bron van zorgen. Het contact tussen de gezinshuisouders en de moeder verloopt goed. De gezinshuisouders proberen de moeder zoveel mogelijk te betrekken bij de kinderen en de moeder en de kinderen reageren hier goed op. De omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen verlopen prettig en de moeder heeft een goede band met de kinderen. Tussen de gezinshuisouders en de vader is weinig contact. De vader neemt weinig initiatief in dit contact en hij reageert laat op berichten van de gezinshuisouders.
4De (verdere) beoordeling
Bij beschikking van 23 juli 2025 is de Raad een onderzoeksopdracht gegeven. Dit is gebeurd in de procedure over het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar. Omdat de GI had nagelaten de Raad te verzoeken onderzoek te doen, heeft de rechter de Raad zelf die opdracht gegeven. Meer specifiek is de opdracht gegeven om te onderzoeken of de zaak kan worden overgedragen aan het vrijwillige kader, of dat het gezag van één of beide ouders moet worden beëindigd. Omdat de advocaat van de vader daar om heeft gevraagd is daarbij expliciet opgenomen dat het de bedoeling is dat ook het perspectief van de kinderen wordt onderzocht. Tegen deze achtergrond is het verzoek van de GI slechts toegekend voor de duur van zes maanden en is de beslissing op dat verzoek voor het overige aangehouden.
De Raad heeft onderzoek gedaan en is tot de conclusie gekomen dat het gezag van beide ouders moet worden beëindigd. De Raad heeft de rechtbank daar ook om verzocht.
Hieronder wordt eerst het verzoek van de Raad beoordeeld. Als dat verzoek wordt ingewilligd bestaat er geen belang meer bij een beoordeling van het verzoek van de GI.
Het verzoek van de Raad wordt ingewilligd. Dit is vanwege het volgende.
Toetsingskader
Het gezag van een ouder kan worden beëindigd als aan één van de criteria van artikel 1:266 BW is voldaan. In dit geval komt dat, samengevat weergegeven, erop neer dat sprake moet zijn van de situatie dat (a) [kind 1] en [kind 2] zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd, en de ouders niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor [kind 1] en [kind 2] en hun ontwikkeling aanvaardbaar te achten termijn, of (b) de ouders het gezag misbruiken.
Van belang is ook artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) . Op grond van artikel 8 EVRM en de rechtspraak over deze bepaling van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vereist een inmenging met de uitoefening van de door artikel 8 EVRM geborgde rechten onder meer dat de maatregel proportioneel is en voldoet aan het vereiste van subsidiariteit, dat wil zeggen dat als het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen wordt boven de zwaardere maatregel. In zijn uitspraak van 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019: 0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen) heeft het EHRM onder andere overwogen dat een toetsing aan artikel 8 EVRM vereist dat de belangen van het kind en die van de ouders in volle omvang tegen elkaar worden afgewogen. Het doorsnijden van de juridische banden tussen ouders en kind, zoals het geval is in deze zaak, kan alleen als sprake is van exceptionele omstandigheden en het belang van het kind dit nadrukkelijk vereist. Ook de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind zijn van belang voor deze zaak. Daaruit volgt dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing over de beëindiging van het gezag van de ouders. Een kind dat niet in het eigen gezin verblijft, heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
Het rapport van de Raad
De Raad heeft onderzoek gedaan en een rapport overgelegd. De advocaat van de vader heeft op verschillende punten kritiek geleverd op de inhoud van het rapport. Zo zal het volgens de advocaat zo kunnen zijn dat de kinderen niet in vrijheid hebben verklaard tegenover de raadsonderzoeker. Zij wijst erop dat de tijdens het gesprek met de kinderen figurerende `cirkel` op een bijzondere wijze door de kinderen is ingevuld en wel zodanig dat dit niet geloofwaardig is. De rechter stelt vast dat deze en andere opmerkingen die zijn gemaakt over het onderzoek van de Raad, niet onderbouwd zijn en enkel steunen op het gegeven dat de vader het niet eens is met de bevindingen van de Raad. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling ook toegelicht dat de Raad een onafhankelijke instantie is die geen enkel belang heeft bij een bepaalde uitkomst van het onderzoek. Ook is toegelicht dat het onderzoek uit drie gedeelten bestaat, waarbij het eerste gedeelte slechts voorlopige constateringen betreft, waarmee het grote gewicht dat de advocaat toekent aan een kleine passage uit het begin van het rapport gemotiveerd is weersproken.
De advocaat van de vader heeft ook gesteld dat de Raad niet aan de onderzoeksopdracht heeft voldaan. Volgens haar is er geen onderzoek gedaan naar het perspectief van de kinderen. Zij wijst erop dat in het rapport geen of weinig aandacht wordt besteed aan het feit dat het nu veel beter gaat met de vader en met het feit dat de kinderen in december 2024 onverwacht en ongepland bij een ander gezinshuis zijn komen te wonen. Dit is, aldus de advocaat, van doorslaggevende betekenis omdat hiermee vaststaat dat de eerdere conclusies over het perspectief van de kinderen niet meer kloppen. Eerder is vastgesteld dat het perspectief van de kinderen bij het toenmalige gezinshuis lag.
Dit verwijt treft geen doel. De Raad heeft ondubbelzinnig beargumenteerd dat de kinderen niet meer bij hun ouders kunnen wonen. In de hieronder geciteerde conclusies van het rapport is te lezen dat de Raad in het onderzoek nadrukkelijk oog heeft gehad voor de vraag of er nog de mogelijkheid is om een terugkeer van de kinderen naar de vader verder te onderzoeken. Daarbij is een gemotiveerde afweging gemaakt die tot de conclusie heeft geleid dat dit geen begaanbare weg meer is.
De rechter komt tot de conclusie dat het rapport van de Raad zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het rapport volledig is. Hierna wordt dan ook uitgegaan van dat rapport.
In het rapport is onder andere te lezen:
“Er is een gezagsbeëindigende maatregel nodig voor [kind 1] en [kind 2] , om de volgende redenen:
De RvdK komt tot de conclusie dat [kind 1] en [kind 2] , ondanks dat zij sinds augustus 2020 onder toezicht staan van de WSS, nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Afgelopen jaren is er veel ingezet om de zorgen omtrent de kinderen weg te nemen. Ten aanzien van hun algehele ontwikkeling is dit gelukt. Beide kinderen ontwikkelen zich in het gezinshuis binnen hun mogelijkheden en hebben goed contact met beide ouders. Anderzijds valt over de aanvaardbare termijn (met de aanvaardbare termijn wordt gedoeld op de periode die het kind kan overbruggen in onzekerheid over zijn opvoedingsperspectief zonder dat zijn ontwikkeling verdergaand ernstige schade oploopt) op te merken dat beide kinderen signalen afgeven waaruit blijkt dat zij duidelijkheid nodig hebben over hun perspectief, maar dat zij deze duidelijkheid missen omdat zij signalen hebben gehoord over een eventuele terugkeer naar vader.
Waar moeder heeft kunnen accepteren dat zij niet zelfstandig voor de kinderen kan zorgen en een omgangsregeling het hoogst haalbare is, blijft vader aan de kinderen trekken. Naast dat vader de kinderen in het verleden in onzekerheid heeft gebracht door onder andere bijna een jaar het contact te verbreken, doet hij dit nu door tegen de kinderen te zeggen dat zij in januari 2026 weer bij hem zullen gaan wonen. Vader geeft aan dit niet gezegd te hebben, maar alle signalen doen vermoeden dat vader hier informatie over heeft gegeven. Dit gaat in tegen het perspectiefbesluit dat de WSS in 2024 heeft genomen en heeft gedeeld met zowel vader als de kinderen. Voor de RvdK blijkt uit vaders handelen dat hij daarbij onvoldoende inzicht heeft in de belevingswereld van de kinderen. Zo bespreekt hij tot in detail hoe een mogelijke terugplaatsing eruit zal gaan zien en belooft hij de kinderen o.a. verschillende huisdieren, zonder dat vader weet of het tot een terugplaatsing komt. De kinderen worden door dit verhaal in verwarring gebracht, aangezien zij eerder hebben gehoord dat zij in het gezinshuis zullen blijven wonen. De voortdurende onrust over de duurzame opvoedplek van [kind 1] en [kind 2] is zeer schadelijk voor hen. [kind 1] reageert sterk op deze onrustige situatie. Hij heeft moeite met zijn emoties, zoekt nabijheid van vertrouwde volwassenen en hij is nog niet volledig zindelijk, mogelijk als gevolg van de spanningen. [kind 2] internaliseert haar spanningen en wordt soms ’s nachts huilend wakker, vooral als de omgang met vader nadert.
Gezien de begrijpelijke wens van [kind 1] en [kind 2] om bij vader te wonen en de wens van vader dat de kinderen bij hem komen wonen, is het verdrietig om tot de conclusie te komen dat hun woonperspectief niet bij hem ligt. Voordat de RvdK tot deze conclusie is gekomen heeft de RvdK binnen onderhavig onderzoek opnieuw overwogen of een ambulante of klinische ouderschapsbeoordeling voor vader in het belang is van [kind 1] en [kind 2] . Vader heeft dit eveneens aangedragen in zijn reactie op zijn gespreksweergave (bijlage 1 raadsrapport). De RvdK komt vanwege verschillende redenen tot de conclusie dat een nieuwe ouderschapsbeoordeling niet in het belang is van [kind 1] en [kind 2] en dus niet meer tot de mogelijkheden behoort. In de periode van september 2020 tot september 2021 hebben er drie ouderschapsbeoordelingen van vader plaatsgevonden, waarvan één uiteindelijk niet van de grond is gekomen. Uit beide onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van toekomstperspectief bij vader. Vader zou binnen een afgebakende periode, zoals een weekend, voor zijn kinderen kunnen zorgen, maar de volledige zorg niet kunnen dragen. Om die reden was het advies om de basisverzorging van de kinderen in een gezinshuis te laten plaatsvinden. In december 2020 heeft vader zichzelf daarnaast op eigen verzoek laten onderzoeken door het PKG. Uit dit onderzoek bleek eveneens dat dat het niet wenselijk is dat vader als alleenstaande ouder voor [kind 1] en [kind 2] gaat zorgen. De RvdK is zich ervan bewust dat het om verouderde informatie en conclusies gaat. De RvdK beoordeelt echter dat het informatie en conclusies betreft, waarvoor behandeling/gerichte hulpverlening nodig is om vaders opvoedvaardigheden te verbeteren. De afgelopen jaren is die behandeling/hulpverlening niet tot stand gekomen en heeft vader daarin ook onvoldoende initiatief voor genomen. Dat maakt dat de RvdK concludeert dat vader geen of onvoldoende verandering heeft doorgemaakt als het gaat om zijn opvoedvaardigheden. Enkel levenservaring en betere leefomstandigheden lossen de eerder geconcludeerde problematiek niet of in ieder geval onvoldoende op. Een nieuwe klinische ouderschapsbeoordeling zal opnieuw veel van de kinderen vragen, waaronder een tijdelijke verhuizing, waarbij onduidelijkheid over hun woonperspectief en daarmee de ontwikkelingsbedreiging bij beide kinderen nog langer in stand zal worden gehouden. Een ambulante ouderschapsbeoordeling zal volgens de RvdK onvoldoende zicht geven op vaders opvoedvaardigheden, omdat de contactmomenten tussen de kinderen en vader daarvoor te kortdurend zijn. De mogelijkheden tot uitbreiding van het contact tussen vader en de kinderen is er nu niet. Er zal daarom middels een ambulante beoordeling geen compleet beeld ontstaan van vaders opvoedvaardigheden en dus geen sluitende conclusie uit voortkomen. Bovendien zal zowel een klinische ouderschapsbeoordeling als een ambulante ouderschapsbeoordeling veel tijd in beslag nemen, waaronder wachttijden en de behandeling an sich. De RvdK moet concluderen dat de aanvaarbare termijn voor de kinderen inmiddels al ruimschoots is overschreden en dat [kind 1] en [kind 2] niet nog langer in die onzekerheid kunnen verkeren, vooral
gelet op de signalen die zij afgeven waarover eerder gerapporteerd. Daarbij komt ook dat de GI al uitvoerig onderzoek heeft gedaan naar het perspectief van de kinderen en de conclusie is dat dit niet meer bij een van ouders ligt. Deze conclusie is volgens de RvdK gebaseerd op een zorgvuldig en langdurig traject.
Moeder is door haar persoonlijkheidsproblematiek en psychische kwetsbaarheden niet in staat om voor de kinderen te zorgen, ook niet in de toekomst. Zij erkent dit zelf.
Vader heeft in het verleden onvoldoende samengewerkt met hulpverlening, toont onvoldoende openheid over zijn opvoedsituatie, heeft ambulante hulpverlening niet doorlopen en onderschat de complexiteit van het onderhouden van contact met moeder, waarvoor hij verantwoordelijk wordt geacht, indien hij het gezag zou behouden en de zaak zou worden verwezen naar het vrijwillig kader.
Voor [kind 1] en [kind 2] is het nodig dat anderen voor hen de beslissing nemen dat zij niet bij ouders zullen opgroeien, maar op een plek die aansluit bij wat zij nodig hebben om gezond op te groeien en dat de rechter dit vaststelt, zodat hierover ook formele duidelijkheid bestaat. Daarmee wordt ondubbelzinnige duidelijkheid gecreëerd voor alle betrokkenen. Tevens maakt het de kinderen vrij van de ballast die zij voelen door conflicterende loyaliteitsgevoelens. Hoewel vader aangeeft de kinderen niet te belasten met het feit dat zij weer bij hem komen wonen, komt in dit onderzoek een ander beeld naar voren. De kinderen zijn op de hoogte van de mening van ouders en uiten dit richting anderen. Daarnaast is bekend dat kinderen gevoelig zijn voor sfeer en spanning. Dat geldt ook voor [kind 1] en [kind 2] .
Het blijft, ongeacht waar kinderen opgroeien, belangrijk dat zij zoveel als mogelijk contact blijven houden met voor hen belangrijke volwassenen in hun leven. Duidelijkheid aan ouders kan daarbij (op termijn) bijdragen aan een zo optimaal en maximaal mogelijk contact. Nu duidelijk is dat het perspectief van [kind 1] en [kind 2] niet meer bij een van hun ouders ligt en de aanvaardbare termijn om in onzekerheid te verkeren verstreken is, moet worden bekeken welke kinderbeschermingsmaatregel de meest passende en noodzakelijk is. Hierbij dient, voor zover mogelijk, voor de lichtste en minst ingrijpende maatregelen te worden gekozen.
De RvdK heeft zich daarom gebogen over de noodzaak en wenselijkheid van een gezagsbeëindiging van ouders en de eventuele alternatieven, zoals een perspectiefbesluit zonder gezagsbeëindiging en met verwijzing van de zaak naar het vrijwillig kader of het verlengen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing met aanvullende doelen.
De minst ingrijpende maatregel zou een verblijf van [kind 1] en [kind 2] in het gezinshuis zijn met begeleiding vanuit het vrijwillig kader. De RvdK heeft afgewogen of het vrijwillig kader hiertoe toereikend zou zijn. Gelet op het feit dat vader niet achter de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis staat, het feit dat het binnen het vrijwillig kader ook niet lukte om de juiste hulpverlening van de grond te krijgen en dat ouders op geen enkele wijze met elkaar communiceren over de kinderen en dat (in ieder geval zoals moeder aangeeft) in de toekomst ook niet lukt, acht de RvdK dit geen reële optie.
Vervolgens moet worden bezien of een verlenging van de huidige maatregelen tot de mogelijkheden behoort of dat het gezag van ouders beëindigd moet worden. De RvdK komt tot de conclusie dat de ondertoezichtstelling de afgelopen 5 jaar niet tot voldoende stabiliteit en een volledige afname van de zorgen heeft geleid, waardoor [kind 1] en [kind 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Moeder geeft daarbij aan dat het ouderlijk gezag dusdanig veel van haar vraagt, dat zij deze verantwoordelijkheid niet langer kan dragen. Tot slot is het doel van een ondertoezichtstelling met machtiging uithuisplaatsing dat wordt toegewerkt naar een terugplaatsing bij ouder(s) niet meer aan de orde. Zoals reeds toegelicht, is dat niet haalbaar. De RvdK acht het daarom in het belang van [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk om het gezag van ouders over hen te beëindigen.
Omdat het beëindigen van het gezag een zware maatregel is mag deze maatregel alleen worden genomen als het proportioneel is en er geen lichtere alternatieven zijn. De RvdK is van mening dat het belang van de kinderen om bij de gezinshuisouders op te groeien en het hebben van (formele) duidelijkheid over waar zij opgroeien prevaleert boven het belang van vader/ouders om het gezag over hen te behouden. De kinderen krijgen bij gezinshuisouders de stabiliteit, rust en hulp die zij nodig hebben. Een lichtere maatregel zoals de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is, zoals hiervoor overwogen, daarnaast niet meer de geëigende maatregel, nu het perspectief van de kinderen niet meer bij ouders ligt. De RvdK is van mening dat voortzetting van de uithuisplaatsing in het vrijwillig kader niet haalbaar is, omdat vader niet achter de uithuisplaatsing staat en hier niet duurzaam en consistent mee instemt. Daarom is de RvdK van mening dat het beëindigen van het gezag naast de wettelijke vereisten ook voldoet aan artikel 8 EVRM.
(… )
De RvdK hoopt dat een beëindiging van het gezag van ouders hen rust en duidelijkheid zal geven en dat ouders kunnen gaan werken aan (acceptatie) van hun rol als niet-verzorgende ouder. De RvdK vindt het belangrijk om te noemen dat ouders altijd de vader en moeder van de kinderen blijven.”
Conclusies van de rechter
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken hoe het met de kinderen gaat. Alle betrokkenen konden bevestigen dat [kind 1] een zachtaardig jongetje is met een ontwikkelingsachterstand en [kind 2] een meisje dat zo nu en dan veel begrenzing vraagt. Het betreft kwetsbare kinderen die veel hebben meegemaakt bij hun ouders thuis, daardoor zijn beschadigd en die om die reden al jaren niet meer bij hun ouders wonen. Het is dan ook terecht dat de Raad concludeert dat dat deze kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.
Ook is in het rapport terecht geconcludeerd dat de ouders niet zelf de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging kunnen dragen. De moeder kampt met ernstige persoonlijke problematiek en geeft zelf aan de uitoefening van het gezag te zwaar te vinden. Ze stelt daarbij het belang van de kinderen voorop. Bij de vader leeft de grote wens dat de kinderen bij hem komen wonen, hetgeen impliceert dat hij vindt dat hij voor hen kan zorgen. Wat betreft de onderzoeken die hebben plaatsgevonden naar het ouderschap van de vader vermeldt het rapport het volgende:
“Ouders verbleven in september 2020 bij CBP Samenhuis voor ouderschapsdiagnostiek. De zorgen waren zo groot dat er geen sprake meer was van enig toekomstperspectief. CBP Samenhuis wilde de samenwerking met ouders stoppen, omdat er sprake was van een situatie waar onvoldoende verbetering in mogelijk was.
Vader heeft zich in december 2020 vrijwillig laten onderzoeken door het Psychologen Kollektief Groningen (PKG). Hij wil aantonen in staat te zijn om zonder moeder voor [kind 1] en [kind 2] te kunnen zorgen. Uit het onderzoek komen krachten naar voren, maar er wordt ook gesteld dat het niet wenselijk is dat vader als alleenstaande ouder voor [kind 1] en [kind 2] gaat zorgen. Er komt naar voren dat er sprake is van een minder dan gemiddeld intelligente, positief ingestelde, zelfverzekerde, emotioneel stabiele en sociaal goed aangepaste man die als individu voldoende gerijpt is, maar nog een tekort aan een aantal ontwikkelingsvaardigheden ervaart. Met name in de assertiviteit, in conflicthantering en een teveel aan flexibiliteit/aanpassing in de relatie met andere mensen (bron: PKG, 2020).
In de periode januari tot maart 2021 zijn er door de WSS verkennende gesprekken gevoerd het SIMBA. Simba is in maart het traject gestart voor ouderschap diagnostiek bij vader thuis. Zij zouden langdurig stut en steun kunnen bieden. Dit traject is onvoldoende van de grond gekomen en in juli 2021 gestopt.
In september 2021 is PRO Talent bij vader in huis gestart met ambulant ouderschapsdiagnostiek. In februari 2022 adviseert PRO talent het volgende:
“Basisopvoeding in gezinshuis en in de weekenden en vakanties daar waar mogelijk naar vader. Vader kan in deze afgebakende periodes prima voor de kinderen zorgen, maar volledige zorg voor de kinderen is niet wenselijk voor de kinderen.”
Sinds de onderzoeken plaatsvonden is de nodige tijd verstreken, maar dat op zichzelf genomen zegt niets over een eventuele verbetering van het vermogen van de vader om kinderen te verzorgen en op te voeden. Dat de vader zijn leven nu beter heeft georganiseerd, zegt daarover op zichzelf evenmin iets. Daarnaast is het een feit dat de vader in de periode 2022/2023 zeer onvoorspelbaar was in zijn gedrag naar de hulpverlening en de kinderen toe. De hulpverlening kon lange tijd geen contact met hem krijgen. De vader had toen ook geen contact met de kinderen. In deze fase heeft de Raad ook verzocht om het gezag van de vader te beëindigen. Dat verzoek is afgewezen bij beschikking van 1 augustus 2023. Dat was niet omdat de vader wel in staat leek om de zorg op zich te nemen. Integendeel, er werd een patroon geconstateerd van terugtrekken uit de communicatie en afbreken van de omgang, dat uiterst zorglijk was. Het was vanwege een procedurele zwakte in het onderzoek dat het verzoek werd afgewezen: de vader was onvoldoende betrokken bij het onderzoek van de Raad. Hoewel die omstandigheid goed beschouwd in zijn risicosfeer lag - hij was niet te bereiken - is het verzoek van de Raad afgewezen gelet op het verstrekkende karakter van dat verzoek.
Inmiddels verzet het belang van de kinderen zich tegen een terugkeer naar de vader en ook tegen een nadere ouderschapsbeoordeling, zoals hij dat graag wil. [kind 1] en [kind 2] zijn beschadigde kinderen die stabiliteit nodig hebben en duidelijkheid over hun perspectief. De Raad heeft toegelicht - net als de andere betrokkenen - dat de kinderen spanning ervaren doordat het voor hen niet duidelijk is waar zij zullen opgroeien. Bij de kinderen leeft het idee dat zij misschien nog bij de vader kunnen gaan wonen. Zij zijn met dit onderwerp bezig, hebben er spanning van en weten van de datum van de mondelinge behandeling van deze zaak. Het is niet aanvaardbaar om deze kinderen langer in onzekerheid te laten verkeren.
Omdat er niet langer wordt toegewerkt naar een terugkeer naar huis, zijn een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet langer de geëigende maatregelen. Een verwijzing naar het vrijwillige kader is ook geen mogelijkheid. De vader kan niet accepteren dat het perspectief van de kinderen niet bij hem ligt. Daarmee zou het verblijf van de kinderen in het gezinshuis in gevaar komen. Daarnaast onderkent de vader niet dat de moeder in haar fragiele toestand niet in staat is om met hem te communiceren, iets wat dan noodzakelijk zal zijn. Daarmee zou ook de positie van de moeder in gevaar komen.
Het belang van de ouders bij het behoud van hun positie als gezaghebbende ouder moet onder deze omstandigheden wijken voor het belang van [kind 1] en [kind 2] bij rust en duidelijkheid. Een ouder kan ook geen rechten doen gelden op maatregelen die de gezondheid en de ontwikkeling van het kind schaden (zie ook Strand Lobben/Noorwegen, par. 206), bijvoorbeeld door te eisen dat er opnieuw een onderzoek komt naar het ouderschap. Hier komt bij dat het niet zo is dat het feitelijke contact tussen de ouders en de kinderen hoeft weg te vallen bij een beëindiging van het gezag. Er is geen enkele indicatie dat dit dreigt. Integendeel, meer rust in de verhoudingen opent veeleer de mogelijkheid om de omgang uit te breiden. Naar het oordeel van de rechter is met het bovenstaande voldaan aan de vereisten van artikel 1:266 lid 1 a en b BW en de genoemde verdragsrechtelijke eisen.
De beëindiging van het gezag brengt met zich dat in het gezag over [kind 1] en [kind 2] moet worden voorzien. De rechter volgt daarin het advies dat de Raad heeft gegeven om een neutrale professionele partij als een gecertificeerde instelling als voogd te benoemen. De rechter vindt het niet wenselijk om de gezinshuisouders als voogd te benoemen, mede gelet op de complexiteit van het systeem. Daarbij komt dat de gezinshuisouders ook niet de wens hebben om met de voogdij te worden belast. De GI heeft in een brief van 16 december 2025 verklaard bereid te zijn de voogdij over [kind 1] en [kind 2] op zich te nemen.
Tenslotte. De advocaat van de vader heeft het verzoek gedaan dat de rechter met de kinderen spreekt. Dit verzoek wordt afgewezen.
Tijdens de mondelinge behandeling is dit verzoek besproken. De advocaat van de vader heeft toegelicht dat de vader het oneens is met wat in het rapport is vermeld over wat de kinderen hebben verteld. Zij stelt dat er sturend is gevraagd. De vader herkent niet wat de kinderen hebben gezegd en wil dat hier nader naar wordt gekeken.
De rechter stelt vast dat het gaat om twee kwetsbare kinderen van zeven en negen jaar oud die veel spanning ervaren over hun perspectief. Met name deze rechtszaak is voor hen beladen. De kinderen zijn, het is niet duidelijk door wie, op de hoogte gesteld van de datum van de mondelinge behandeling en menen dat de rechter dan zal bepalen of zij wel of niet bij de vader gaan wonen. In deze situatie zou een gesprek of een uitnodiging voor een gesprek een ongewenste druk op de kinderen leggen, die wellicht menen dat de uitkomst van de zaak afhankelijk is van wat zij zeggen. Gelet hierop is het strijdig met het belang van de kinderen om hen voor een gesprek uit te nodigen (ECLI:NL:HR:2013:1084). Dit is te meer het geval omdat de kinderen al een stem in deze procedure hebben doordat zij door de raadsmedewerker zijn gesproken. Bij dit alles komt ook dat het participatierecht van kinderen tot doel heeft hen een stem te geven in de beslissingen die over hen worden genomen, en niet is bedoeld om aan waarheidsvinding te doen ten behoeve van een belanghebbende.
Gelet op het bovenstaande bestaat er geen belang bij een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Het verzoek van de GI wordt daarom hier niet verder besproken. Het wordt afgewezen.
5De beslissing
De rechter:
In de zaak met zaaknummer C/18/251370 / FA RK 26-31
beëindigt het gezag van [naam moeder] , geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] en [naam vader] , geboren op [geboortedatum] 1993 in Roden over [kind 1] , geboren op [geboorteplaats] 2016 in Groningen en [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ;
benoemt de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot voogd over [kind 1] en [kind 2] ;
gelast de griffier van deze rechtbank om deze beslissing over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
In de zaak met zaaknummer C/18/245071 / JE RK 25-338
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Dijkstra, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.
Voor de GI geldt dat zij zelf hoger beroep kunnen instellen.
EO
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
