Essentie (gemaakt door AI)
Tegen vaststelling verdeling woning en toedeling aan vrouw heeft man niet gegriefd, dus heeft 16 april 2025 als moment van verdeling te gelden. Hoofdregel is om voor waarde uit te gaan van moment verdeling. Dat is alleen anders als partijen zelf andere waardepeildatum afspreken of als uit eisen redelijkheid en billijkheid andere datum voortvloeit. Dat verdeling enige tijd heeft geduurd, ongeacht of dat aan (een van) partijen te wijten zou zijn, leidt er niet toe dat van andere waardepeildatum moet worden uitgegaan. | Datum publicatie | 29-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.910 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Afd. 8.2 Verrekenbedingen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Verrekening lijfrentepolis, verdeling woning, ontslagvergoeding en schenking.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.910
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 523889 en 527214)
beschikking van 22 januari 2026
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. N.R. Coffi,
en
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.L.M. Louwen.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 juli 2022, 27 januari 2023, 4 mei 2023, 16 juni 2023, 13 oktober 2023 en 16 april 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Laatstgemelde beschikking wordt hierna ook aangeduid als ‘de bestreden beschikking’.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 48 tot en met 58, ingekomen op 16 juli 2025;
- het verweerschrift met producties 33 tot en met 38;
- een journaalbericht van mr. Louwen van 12 november 2025 met productie 39
- een journaalbericht van mr. Coffi van 17 november 2025 met producties 59 tot en met 67
en een aangepast verzoek in hoger beroep.
De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig.
3De feiten
Partijen zijn [in] 2005 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.
De vrouw heeft op 22 juni 2021 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken voor nevenvoorzieningen gedaan. Nadien hebben beide partijen hun verzoeken voor de nevenvoorzieningen nog gewijzigd.
Bij de beschikking van 8 juli 2022 is de inhoudelijke behandeling van de verzoeken uitgesteld tot een nader te bepalen zittingsdatum.
Bij de beschikking van 27 januari 2023 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en zijn beslissingen genomen voor de destijds nog minderjarige kinderen van partijen. De beslissing over de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling is aangehouden en aan partijen is verzocht de rechtbank nadere informatie te sturen.
De echtscheidingsbeschikking is op 31 maart 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
Bij de beschikking van 4 mei 2023 is de beslissing over de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling wederom aangehouden en is aan partijen nogmaals verzocht de rechtbank bepaalde informatie te sturen.
Bij de beschikking van 16 juni 2023 is een deskundige benoemd om, kort gezegd, geldstromen inzichtelijk te maken. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Bij de beschikking van 13 oktober 2023 is een aanvullend voorschot ten behoeve van de deskundige begroot. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
-
bepaald dat de gezamenlijke bankrekeningen moeten worden beëindigd en de saldi tussen partijen moeten worden verdeeld;
-
bepaald dat de vrouw € 78.487,62 van de saldi van de bankrekeningen op haar naam bij helfte moet delen met de man;
-
de gezamenlijke echtelijke woning aan [adres] in [woonplaats] onder voorwaarden toegedeeld aan de vrouw tegen de nog te taxeren waarde op 1 februari 2024, en zo zij niet aan de voorwaarden voldoet bepaald dat de woning moet worden verkocht aan een derde;
-
bepaald dat het saldo op de peildatum 22 juni 2021 van een SpaarZeker-verzekering bij Interpolis tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld;
-
bepaald dat het saldo op de peildatum 22 juni 2021 op een bankrekening op naam van de vrouw waarop een ontslagvergoeding is ontvangen/gestort bij helfte tussen partijen wordt gedeeld na dit saldo eerst te hebben verminderd met een latente belastingclaim van 52%;
-
de kosten van de deskundige vastgesteld en bepaald dat de vrouw de helft daarvan aan de man moet betalen;
-
de beschikking uitvoerbaar bij voorraad bepaald; en
-
de verzoeken van partijen voor het overige afgewezen.
4De omvang van het geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil:
a. de verdeling en verrekening van de SpaarZeker-verzekering;
b. de verdeling van de woning;
c. de splitsing van een door de vrouw ontvangen ontslagvergoeding en de omvang van de belastinglatentie;
d. of € 3.000 door de vrouw als schenking is ontvangen en wat dat betekent.
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, althans zo begrijpt het hof het beroepschrift. Kort weergegeven verzoekt de man het hof, na aanpassing van zijn verzoeken:
-
voor recht te verklaren, primair, dat de aanspraken/rechten op de SpaarZeker-verzekering bij Interpolis enkel hem toekomen, dus zonder nadere verrekening met de vrouw, en subsidiair dat hem een vergoedingsrecht toekomt ten aanzien van de ingelegde bedragen te vermeerderen met een (geschat) rendement;
-
te bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld tegen de marktwaarde op de datum van levering, door de al getaxeerde waarde van € 840.000 te corrigeren met de door het CBS gestelde prijsontwikkeling sinds de taxatie;
-
te bepalen dat als de woning niet aan de vrouw wordt toegedeeld, deze moet worden verkocht aan een derde;
-
te bepalen dat het saldo per 22 juni 2021 van het gedeelte van de door de vrouw ontvangen ontslagvergoeding dat oorspronkelijk op een rekening werd ingelegd tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, primair middels splitsing en subsidiair door voldoening van de helft van het saldo aan de man verminderd met een latente belastingclaim
van 19,07%;
- te bepalen dat de vrouw het in rechtsoverweging 4.2 van de bestreden beschikking genoemde bedrag met de man dient te verrekenen, vermeerderd met € 3.639,44.
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof om alle grieven van de man ongegrond te verklaren, zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Die voorwaarden houden in dat zij zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. In de huwelijkse voorwaarden is een verrekenbeding opgenomen dat geldt bij overlijden en bij echtscheiding. Op grond daarvan dienen partijen, nu sprake is van de echtscheiding, hun vermogens te verrekenen zodat ieder gerechtigd is tot een waarde gelijk aan waartoe zij gerechtigd zouden zijn als wanneer zij in algehele gemeenschap van goederen zouden zijn gehuwd. Concreet betekent dit dat ieder in waarde recht heeft op de helft van het totale vermogen. Van die verrekening zijn in de huwelijkse voorwaarden echter bepaalde vermogensbestanddelen uitgesloten, te weten goederen die partijen voor het huwelijk al hadden, goederen en schulden die behoren tot bedrijfs- of beroepsvermogen en hetgeen door partijen krachtens schenking of erfenis is verkregen. Partijen zijn in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij verplicht zijn aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de een is onttrokken ten bate van de ander naar het bedrag of de waarde van de onttrekking op de dag van de onttrekking.
Partijen zijn het tijdens de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk niet eens geworden over de uitvoering van dat verrekenbeding. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking daarover een beslissing genomen. Met een aantal onderdelen van die beslissing is de man het niet eens en die zal het hof hierna bespreken.
a. de SpaarZeker-verzekering bij Interpolis
De man verzoekt het hof te bepalen dat de SpaarZeker-verzekering geheel aan hem toekomt, zonder nadere verrekening van de waarde. Voor de beoordeling van dat verzoek moet eerst komen vaststaan of de rechten uit deze verzekering van partijen samen zijn, zoals de vrouw stelt, of dat deze enkel aan de man toekomen. Dat is eenvoudig vast te stellen aan de hand van het polisblad van de verzekering, dat onderdeel uitmaakt van het procesdossier. Daaruit blijkt dat beide partijen zowel verzekeringsnemer als begunstigde zijn. Het hof leidt daaruit af dat de rechten uit de SpaarZeker-verzekering aan beide partijen samen toebehoren. De man heeft niet aangeboden (tegen)bewijs te leveren.
De volgende vraag die dan beantwoord moet worden is of aan de man een vergoedingsrecht toekomt ten aanzien van deze verzekering; het subsidiaire verzoek van de man. De man stelt namelijk dat enkel hij de premies van deze verzekering heeft betaald en wel vanuit vermogen dat is uitgesloten van de verrekening op grond van het beding uit de huwelijkse voorwaarden. De vrouw betwist dat.
Partijen zijn een verrekenbeding overeengekomen dat inhoudt dat zij bij echtscheiding met elkaar afrekenen alsof tussen hen de algehele gemeenschap van goederen had bestaan met uitzondering van voorhuwelijks, geërfd en geschonken vermogen en ondernemingsvermogen (het alsof-beding). Het hof gaat bij de beoordeling van grief 1 van de man veronderstellenderwijs ervan uit dat partijen met dit alsof-beding niet alleen willen aansluiten bij de regels in titel 7 van Boek 1 BW over de omvang van de wettelijke gemeenschap, maar ook bij de regels over het ontstaan van vergoedingsrechten. Alleen in dat laatste geval kunnen immers vergoedingsrechten ontstaan als schulden van de pseudo-gemeenschap (de premies voor de verzekering) zijn betaald met geld van een van partijen dat niet tot de pseudo-gemeenschap behoort (het voorhuwelijks vermogen van de man).
1
De vraag is dan ook of de man de premies van de verzekering heeft betaald met voorhuwelijks vermogen. Niet ter discussie staat dat de man de premies van de verzekering doorgaans betaalde. Dat deed hij van een rekening die enkel op zijn naam stond. Op die rekening stond vermogen (geld) dat hij ten huwelijk heeft aangebracht. Op grond van de huwelijkse voorwaarden valt dat vermogen voor zover het er al was voor het huwelijk niet onder het verrekenbeding. Volgens de man betaalde hij vanuit dit vermogen en het rendement daarop de premies van de verzekering. Op deze wijze kon hij volgens zijn verklaring een hoger rendement op zijn vermogen behalen. Het hof stelt vast dat op die rekening van de man niet alleen het aangebracht vermogen stond, maar ook ander vermogen; zo kwam op die rekening tijdens het huwelijk ook het salaris van de man binnen. Dat salaris is geen van de verrekening uitgesloten vermogen. Uit de stukken blijkt niet dat de man de premies enkel van aangebracht vermogen betaalde. Als gezegd stond op de betreffende bankrekening zowel vermogen dat niet onder de verrekening viel als vermogen dat er wel onder viel. Betalingen van die rekening kunnen dus zowel met van de verrekening uitgesloten vermogen zijn gedaan als met niet van de verrekening uitgesloten vermogen of met een combinatie van beide. De man heeft niet aangetoond dat of in hoeverre de premies telkens zijn betaald ten laste van het geld dat al bij het aangaan van het huwelijk op de rekening stond of het rendement op dat geld. Daarmee is niet komen vast te staan dat schulden van de pseudo-gemeenschap (de premies voor de verzekering) zijn betaald met geld van een van partijen dat niet tot de pseudo-gemeenschap behoort (het voorhuwelijks vermogen van de man) en dat voor de man een vergoedingsrecht op de pseudo-gemeenschap is ontstaan waarmee bij de uitvoering van het alsof-beding rekening moet worden gehouden.
Bovendien is niet duidelijk wat er dan totaal aan premies door de man is voldaan, wat daarvan voor 1 januari 2012 is betaald en wat daarna. Dat laatste kan van belang zijn, omdat per 1 januari 2012 een wettelijke regeling voor vergoedingen is ingevoerd die vooral van belang is voor de omvang van vergoedingen (hier in het bijzonder artikel 1:96 lid 4, tweede zin BW) . De man heeft niet met concrete bedragen toegelicht welke premies hij op welk moment heeft betaald, zodat zelfs als er wel een vergoedingsrecht van de man was ontstaan de omvang van dat vergoedingsrecht niet kan worden vastgesteld.
Het hof houdt volledigheidshalve ook rekening met de mogelijkheid dat partijen anders dan het hof hiervoor heeft verondersteld met hun alsof-beding niet wilden aansluiten bij de regels van titel 7 van Boek 1 BW voor het ontstaan van vergoedingen. In dat geval is artikel 1:136 lid 1 BW van toepassing. Die bepaling bevat een evenredigheidsmaatstaf die inhoudt dat een goed dat voor een deel is betaald met te verrekenen vermogen slechts tot het te verrekenen vermogen behoort naar evenredigheid van dat deel. Als de man alle premies zou hebben betaald van zijn voorhuwelijks en niet in het alsof-beding te betrekken vermogen, zou dat betekenen dat (in elk geval) de waarde van zijn onverdeeld aandeel in de rechten uit de verzekering niet tot het te verrekenen vermogen aan zijn kant horen. Omdat zoals hiervoor al is geoordeeld niet is komen vast te staan dat de man de premies heeft betaald van zijn voorhuwelijks vermogen vindt artikel 1:136 lid 1 BW hier geen toepassing en kan niet worden vastgesteld dat de waarde van de rechten uit de verzekering geheel of voor een deel buiten de verrekening blijven.
Kortom, niet is komen vast te staan dat de man de premies van de SpaarZeker-verzekering enkel heeft voldaan met niet te verrekenen vermogen. Daardoor is ook niet komen vast te staan dat hem daarom een vergoedingsrecht zou toekomen of dat de rechten uit de verzekering geheel of voor een deel buiten de verrekening blijven. Voor zover de man door het betalen van de premies voor de verzekering op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht op de vrouw heeft gekregen wordt dat door de werking van het alsof-beding teniet gedaan. De man heeft zoals overwogen onvoldoende gesteld ten aanzien van zijn vergoedingsrecht en daarom komt het hof niet toe aan het voorstel/bewijsaanbod van de man om een nieuwe deskundige in te schakelen. Grief 1 van de man faalt.
b. de woning
Op de zitting van 17 oktober 2024 bij de rechtbank hebben partijen een ‘spoorboekje’ voor de verdeling van de gezamenlijke woning aan [adres] in [woonplaats] afgesproken: de woning wordt toegedeeld aan de vrouw tegen de nog te taxeren waarde en onder de voorwaarde dat zij de hypotheek overneemt en de man wordt ontslagen uit zijn (hoofdelijke) aansprakelijkheid. Lukt dat niet dan moet de woning worden verkocht. Nu partijen het niet eens konden worden over de datum waartegen de woning getaxeerd zou moeten worden, heeft de rechtbank bepaald dat de waardepeildatum van de woning 1 februari 2024 zal zijn. Daartegen richt zich de tweede grief van de man. Volgens hem is de hoofdregel dat bij verdeling wordt uitgegaan van de waarde op het moment van verdeling en hij verzoekt het hof dan ook om daarvan uit te gaan. Verder zou volgens ‘het spoorboekje’ een deel van de (hypothecaire) lening bij de UHGroep B.V. in stand moeten blijven, maar daar zal de UHGroep B.V. volgens de man niet mee akkoord gaan. Nu echter de termijn waarbinnen de vrouw de woning had moeten overnemen al is verstreken, is toedeling volgens de man niet meer aan de orde en dient de woning te worden verkocht.
De vrouw kan zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft beslist ten aanzien van de waardepeildatum. Verder constateert zij dat de man kennelijk van gedachten is veranderd ten aanzien van de lening bij de UHGroep B.V. en hij wil dat de vrouw bij toedeling van de woning de gehele lening bij UHGroep B.V. aflost. Daar heeft ze geen bezwaar tegen. Goederenrechtelijke toedeling van de woning aan haar kan volgens de vrouw op korte termijn gerealiseerd worden, nu zij de offerte van de bank heeft getekend.
In de beschikking van 16 april 2025 heeft de rechtbank de woning toegedeeld aan de vrouw, onder de voorwaarden dat zij de financiering voor de toedeling van de woning kan regelen, dat zij kan regelen dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen bij de Rabobank en dat zij de helft van de overwaarde aan de man betaalt. Tegen de vaststelling van de verdeling door de rechtbank en de toedeling aan de vrouw op zichzelf heeft de man niet gegriefd en dus heeft 16 april 2025 als moment van verdeling te gelden
2. De hoofdregel is om voor de waarde uit te gaan van het moment van verdeling. Dat is alleen anders als partijen zelf een andere waardepeildatum afspreken of als uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere datum voortvloeit. De omstandigheid dat de verdeling enige tijd heeft geduurd, ongeacht of dat aan (een van) partijen te wijten zou zijn, leidt er naar het oordeel van het hof in dit geval niet toe dat van een andere waardepeildatum moet worden uitgegaan. Het hof zal de toedeling aan de vrouw daarom in stand laten, waarbij dan wel een taxatie van de waarde van de woning op 16 april 2025 zal moeten plaatsvinden en ook overigens zal het hof een (nieuw) ‘spoorboekje’ geven. Grief 2 van de man slaagt.
Met de belangen van de vrouw enerzijds en de man anderzijds wordt naar billijkheid rekening gehouden, als de marktwaarde van de woning vrij van huur en gebruik op 16 april 2025 wordt vastgesteld en de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld de woning tegen deze waarde toegedeeld te krijgen tegen vergoeding aan de man van de overwaarde. Maakt de vrouw van die gelegenheid geen gebruik dan dienen de partijen de netto opbrengst van de woning na verkoop te verdelen. Bepaald zal worden dat de verdeling moet plaatsvinden ten overstaan van mr. M.J. Scholten, notaris in Amersfoort of een andere aan het kantoor van Scholten verbonden notaris (kantooradres: Stationsstraat 77, 3811 MH Amersfoort).
Het hof zal de volgende wijze van verdeling van de woning gelasten:
A. De uitvoering van deze verdeling, de toedeling van de woning aan de vrouw, dient plaats te vinden bij notariële akte uiterlijk binnen twee maanden na de datum van deze beschikking. De kosten van de tussenkomst van de notaris en de kosten van levering van de woning komen voor rekening van partijen samen, ieder voor de helft.
Partijen dienen binnen twee weken na dagtekening van deze uitspraak allereerst de waarde vrij van huur en gebruik van de woning op 16 april 2025 te laten bepalen door een Register Makelaar Taxateur Wonen aan te wijzen door partijen samen en bij gebreke van overeenstemming door de notaris.
Binnen drie weken nadat de uitkomst van de taxatie door de notaris aan partijen is bekend gemaakt, dient de vrouw door tussenkomst van de notaris aan de man mee te delen of zij toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde wenst, onder overneming van de hypothecaire schulden.
De vrouw dient in dat geval tevens door tussenkomst van de notaris aan de man te overleggen: een onvoorwaardelijke offerte van een financier waaruit blijkt dat zij staat is de toedeling te financieren alsmede een brief van de huidige hypothecaire schuldeiser(s) waaruit blijkt van onvoorwaardelijk bereidheid de man ter gelegenheid van de toedeling van de woning aan de vrouw en de overneming door haar van de hypothecaire schulden te ontslaan uit zijn verbondenheid voor de bestaande hypotheekschulden of van onvoorwaardelijke bereidheid toestemming te geven voor overneming van de hypothecaire schulden door de vrouw.
Of de vrouw in staat zal zijn de toedeling te financieren hangt uiteraard af van de waarde die de makelaar/taxateur zal bepalen.
Indien de vrouw deze toedeling wenst en dat aan de man heeft meegedeeld, zal het hof bepalen dat partijen vervolgens binnen de hiervoor onder A vermelde twee-maandstermijn bij notariële akte dienen over te gaan tot de toedeling van de woning aan de vrouw en dient de vrouw ter gelegenheid daarvan aan de man de helft van de overwaarde te betalen via de kwaliteitsrekening van de notaris.
Indien geen toedeling aan de vrouw plaatsvindt, dienen partijen de woning op de kortst mogelijke termijn te verkopen en de netto opbrengst bij helfte te verdelen door:
-
samen opdracht te geven aan de door hen of – bij gebreke van overeenstemming door de notaris – te benoemen makelaar om de woning aan een derde te verkopen.
-
opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;
-
al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en levering te komen;
-
mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële akte van levering;
-
medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage;
-
samen aan de notaris die belast is met de levering van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij helfte te verdelen tussen partijen.
c. de ontslagvergoeding
De vrouw heeft in november 2013 een ontslagvergoeding van een kleine € 40.000 gehad. Ze heeft dat geld gestort op een rekening met als naam ‘Aegon Ontslagvergoeding Sparen’. De ontslagvergoeding valt niet onder het uitgezonderd vermogen van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen finaal verrekenbeding. De vergoeding is niet gebruikt als aanvulling op het inkomen van de vrouw, maar is gestort op een bankrekening waar het tot 2038 vast staat; het jaar waarin de vrouw 65 jaar wordt. De rechtbank heeft de ontslagvergoeding in de verrekening betrokken. Het geschil ziet dan nog enkel op de wijze waarop de ontslagvergoeding moet worden verrekend en het te hanteren percentage van de belastinglatentie. De rechtbank heeft dit laatste op 52% gesteld. De man verzoekt primair om de betreffende rekening te splitsen, zodat partijen ieder een eigen aanspraak krijgen, en subsidiair een belastinglatentie toe te passen van 19,07%. De vrouw wil de rekening niet splitsen en stelt dat het (afkoop)percentage van 52% in lijn is met de rechtspraak op dat punt.
De ontslagvergoeding is aan de vrouw uitgekeerd en staat op een rekening op haar naam. Daarmee behoort dit, als gevolg van de huwelijkse voorwaarden, tot het vermogen van de vrouw. Splitsing van die rekening, feitelijk dus verdeling, is dan niet aan de orde. Op grond van het verrekenbeding zal de waarde moeten worden verrekend. Bij die verrekening moet dan wel rekening worden gehouden met de inkomstenbelasting die de vrouw te zijner tijd moet betalen over de uitkering van deze vergoeding als zij 65 wordt. Nu betaalt de vrouw nog geen inkomstenbelasting daarover, dus is een latentie van 52% is niet reëel; er wordt niet afgekocht. Het gaat erom wat de vrouw over zo’n twaalf jaar aan belasting moet betalen. Of dat 19,07% zal zijn is niet te zeggen, omdat het om een toekomstige gebeurtenis gaat. Voor de berekening van de belastinglatentie zou het hof een deskundige hebben ingeschakeld en heeft dit ter zitting ook gesuggereerd. Uit de reactie van partijen ter zitting begrijpt het hof dat partijen dat niet willen. Het hof zal de belastinglatentie daarom zelf schatten. Het hof schat de belastinglatentie op 30%, gelijk aan het percentage dat is opgenomen in artikel 20 lid 6 onder c Successiewet 1956 voor stamrechten. Het hof ziet aanleiding in dit geval dat forfaitaire percentage van 30% in aanmerking te nemen. Deze forfaitaire regeling in de Successiewet is door de wetgever opgenomen om schattingsproblemen bij de heffing van erf- en schenkbelasting te voorkomen en niet geschreven voor een civielrechtelijk geschil over de vaststelling van de omvang van een te verrekenen bedrag bij echtscheiding. Toch is bij een schatting zoals die nu van het hof wordt gevraagd ook hier die forfaitaire regeling een nuttig instrument voor het beslechten van een geschil zonder dat daarvoor een beroep wordt gedaan op de expertise van een deskundige en partijen daarover kosten zouden moeten maken.
Het saldo op de rekening Aegon Ontslagvergoeding Sparen op naam van de vrouw op de peildatum 22 juni 2021, verminderd met een belastinglatentie van 30% van dat saldo, zal in de verrekening dienen te worden betrokken. In zoverre slaagt grief 3 van de man.
d. de door de vrouw ontvangen schenkingen
De vrouw stelt een totaal aan schenkingen van € 25.970 te hebben ontvangen en dat dit bedrag op grond van de huwelijkse voorwaarden buiten de verrekening moet blijven. De man heeft van de schenkingen een deel van € 3.000 betwist. De rechtbank is echter uitgegaan van het door de vrouw gestelde bedrag van € 25.970. Hierop ziet de vierde grief van de man. Hij betwist dat de op 30 december 2019 bijgeschreven € 500 en de op 7 december 2020 bijgeschreven € 2.500 schenkingen zijn. Dat zijn volgens de man terugbetalingen van gemaakte kosten, zoals ook blijkt uit de omschrijvingen daarbij. Die € 3.000 behoort volgens de man dus ook tot het te verrekenen vermogen, te vermeerderen met een rendement van € 639,44 daarop. In totaal dient volgens hem dus nog € 3.639,44 verrekend te worden. De vrouw weerspreekt dat. Volgens haar zijn dit bedragen die haar vader, na het overlijden van haar moeder, aan de vrouw en haar zuster heeft overgemaakt. Dit als dank voor de goede zorgen na het overlijden van hun moeder, niet als vergoeding van kosten.
Op door de vrouw in eerste aanleg overgelegde afschriften staat bij de overboeking van € 500 op 30 december 2019 ‘Dank voor alle inspa-’ en ‘-kosten verzorging jul - dec 2019’. Bij de overboeking van € 2.500 op 7 december 2020 staat als omschrijving ‘ONKOSTENVERGOEDING VERHUIZING’. Uit deze omschrijvingen kan het hof niet afleiden dat het hier om giften gaat, terwijl bij andere overboekte bedragen op die afschriften wel expliciet staat ‘gift’. Het hof zal daarom bepalen dat ook deze € 3.000 voor zover dat geld nog als zodanig is te identificeren op de peildatum voor de verrekening tot het te verrekenen vermogen van de vrouw behoort. Het door de man berekende rendement van € 639,44 telt het hof daar niet bij op. Het is het hof niet duidelijk geworden op welke grond dat zou moeten en bovendien is bij de overige geschonken bedragen, die de man niet betwist, ook geen rekening gehouden met enig rendement. Grief 4 van de man slaagt.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven 2 en 4 en 3 deels. Grief 1 faalt. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het de beslissingen over verdeling van de woning en de ontslagvergoeding betreft vernietigen en beslissen als hierna vermeld.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk betreft.
7De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 april 2025, voor zover het de beslissingen over verdeling van de woning het saldo op een Aegon rekening betreft (de onderdelen 4.3.en 4.5 van de beslissing van de rechtbank) en beslist in zoverre opnieuw en aanvullend:
gelast partijen over te gaan tot verdeling van de woning op de wijze als hiervoor in rechtsoverweging 5.13 en 5.14 is bepaald en bepaalt dat deze verdeling ten overstaan van notaris mr. M.J. Scholten of een andere aan het kantoor van Scholten verbonden notaris dient te geschieden;
bepaalt dat het saldo op de peildatum 22 juni 2021 op de rekening Aegon Ontslagvergoeding Sparen op naam van de vrouw, verminderd met een belastinglatentie van 30% van dat saldo, in de verrekening dient te worden betrokken;
bepaalt dat het in onderdeel 4.2 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 april 2025, vermelde bedrag van € 78.487,62 dient te worden verhoogd met € 3.000, voor zover dat bedrag nog als zodanig is te identificeren op de peildatum voor de verrekening;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 22 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389, rov. 3.2.2.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
