Parket bij de Hoge Raad 23-01-2026, ECLI:NL:PHR:2026:112

Essentie (gemaakt door AI)

Conclusie P‑G Coenraad in cassatie: Hof stelt kinderalimentatie vast voor zoon (€250) en bijdrage voor dochter (€105) zonder rekening te houden met twee jongste kinderen van vader. P‑G: klachten hierover slagen; hof miskent uitgangspunt van gelijke verdeling van draagkracht over alle kinderen en had, bij gebrek aan gegevens, een schatting moeten maken [[HR 2012:BX1295; HR 2023:1480]]. Klachten over omgangsregeling falen; keuze om invulling aan bijna 16‑jarige zoon over te laten is toereikend gemotiveerd. Conclusie: vernietig

Datum publicatie29-01-2026
Zaaknummer25/01181
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Zorgregeling / omgang / informatie;
Alimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie en onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige. Berekening alimentatie bij kinderen uit twee relaties. Omgangsregeling: invulling overlaten aan (bijna) 16-jarig kind? Art. 1:377a BW.

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01181

Zitting 23 januari 2026

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

[de man] ;

hierna: de man,

advocaat: mr. N.C. van Steijn

tegen

1. [de vrouw] ;
hierna: de vrouw; en

2. [de dochter] ;

hierna: de dochter.

1Inleiding en samenvatting

1.1

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben een minderjarige zoon (bijna 16 jaar ten tijde van de bestreden beschikking) en een inmiddels jongmeerderjarige dochter (19 jaar ten tijde van de bestreden beschikking). De man heeft uit een nieuwe relatie nog twee, jongere, minderjarige kinderen.

1.2

Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van partijen over de zoon beëindigd en bepaald dat de vrouw het eenhoofdig gezag over de zoon toekomt. De rechtbank heeft een omgangsregeling bepaald waarbij de invulling van de omgangsregeling aan de zoon wordt overgelaten. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw en van de dochter om te bepalen dat de man maandelijks € 250,- per kind moet betalen aan respectievelijk kinderalimentatie en bijdrage in levensonderhoud en studie van de dochter afgewezen.

1.3

Het hof heeft de beslissingen van de rechtbank over de beëindiging van het gezag en de omgangsregeling bekrachtigd. Daarnaast heeft het hof bepaald dat de man vanaf de datum van zijn beschikking € 250,- per maand kinderalimentatie voor de zoon en een bijdrage van € 105,- per maand voor levensonderhoud en studie van de dochter moet voldoen (hierna gezamenlijk ook: de kinderbijdragen).

1.4

In cassatie richt de man diverse klachten tegen het oordeel van het hof over de kinderbijdragen. Dit oordeel is volgens de man onjuist of onbegrijpelijk, omdat het hof de twee jongste kinderen van de man buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van de kinderbijdragen voor zijn beide oudste kinderen. Ook richt het middel zich tegen de bekrachtiging door het hof van de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling, waarbij de invulling van de omgangsregeling aan de zoon is overgelaten.

1.5

Ik meen dat de klachten over de beslissing van het hof betreffende de kinderbijdragen grotendeels slagen. De klachten over de beslissing betreffende de omgangsregeling slagen niet.

2. Feiten 1 en procesverloop

2.1

De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad.

2.2

De vrouw en de man zijn de ouders van:

- [de dochter] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [plaats] (hierna: de dochter); en

- [de zoon] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [plaats] (hierna: de zoon),

hierna ook gezamenlijk genoemd: de kinderen.

2.3

De man heeft nog twee minderjarige kinderen uit een andere relatie. Deze kinderen zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 2015 en [geboortedatum] 2017. Zij worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de jongste kinderen van de man.

2.4

Partijen hebben in 2013 een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend. Daarin is onder meer bepaald dat de (toen nog minderjarige) dochter haar hoofdverblijfplaats heeft bij de man en de zoon bij de vrouw. Ook is een zorgregeling overeengekomen in de vorm van co-ouderschap.

2.5

Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 25 januari 2021, heeft de vrouw de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) kort gezegd, en voor zover in cassatie van belang, verzocht te bepalen dat de dochter het hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben en de tussen partijen overeengekomen zorgregeling te wijzigen in die zin dat de kinderen één weekend per veertien dagen bij de man verblijven.

2.6

Bij aanvullend verzoekschrift van 26 november 2021 heeft de vrouw de rechtbank ook verzocht om het gezamenlijk gezag over de kinderen te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. Daarnaast heeft zij haar verzoek over de omgang gewijzigd, in die zin dat zij de rechtbank verzoekt de man elke omgangsregeling te ontzeggen, voor onbepaalde tijd of voor een door de rechtbank te bepalen duur, althans de voormalig geldende omgangsregeling stopt te zetten. Ook heeft zij verzocht te bepalen dat de man een bijdrage van € 250,- per maand per kind moet betalen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

2.7

De man heeft geen verweerschrift ingediend naar aanleiding van de (aanvullende en gewijzigde) verzoeken van de vrouw.

2.8

Op 11 augustus 2021 hebben de kinderen hun mening kenbaar gemaakt in kindgesprekken.

2.9

Op 7 december 2021 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de advocaat van de man, en een zittingsvertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad).

2.10

Bij deelbeschikking van 18 januari 2022 2 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de dochter bij de vrouw zal zijn. In deze beschikking heeft de rechtbank de beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag en de zorg- of omgangsregeling aangehouden om partijen de gelegenheid te geven deel te nemen aan een hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, met als doel dat partijen op een constructieve manier met elkaar overleggen en samenwerken, ook met het oog op mogelijk herstel van contact en omgang van de man met de minderjarigen. Voor zover dit traject niet zou slagen, heeft de rechtbank de raad verzocht te beoordelen of een raadsonderzoek nodig is. Ook heeft zij de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, een advies aan de rechtbank uit te brengen over, kort gezegd, de verzoeken van de vrouw met betrekking tot het gezag en zorg- of omgangsregeling.

2.11

Ook de behandeling van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de kinderbijdrage heeft de rechtbank bij beschikking van 18 januari 2022 aangehouden in afwachting van het verweerschrift van de man tegen dit verzoek.

2.12

Bij bericht van 15 november 2022 heeft de man enkele inkomensbescheiden ingebracht. De man heeft geen verweerschrift ingediend. Er heeft geen afzonderlijke mondelinge behandeling over de kinderbijdrage plaatsgevonden.

2.13

Partijen hebben deelgenomen aan het hulpverleningstraject. De conclusie van het eindverslag van Traject Ouderschap Blijft van 25 april 2023 is dat, hoewel er weinig verandering te merken is in de onderlinge communicatie, de ouders hebben aangegeven het traject voldoende te vinden, waarmee het traject is afgesloten.

2.14

Bij bericht van 7 juni 2023 heeft de raad medegedeeld geen reden te zien voor een raadsonderzoek. Met betrekking tot de verzoeken rondom het gezag en de zorg-/omgangsregeling vermeldt het bericht:

“Beide kinderen hebben tijdens het traject [Ouderschap Blijft; A-G] aangegeven wat hun wensen ten aanzien van het contact met vader zijn. [De dochter] wil op dit moment helemaal geen contact met vader en [de zoon] heeft een manier gevonden om het contact met vader vorm te geven op een manier die bij hem past. Vader heeft aangegeven niet anders te kunnen dan zich hierbij neer te leggen, is van mening dat de kinderen hierin beïnvloed worden door de moeder en legt het initiatief tot contact bij de kinderen.

De RvdK is van mening dat mede gelet op de leeftijd van de minderjarigen (17 en 14 jaar) het in hun belang is dat wanneer de rechtbank een uitspraak doet aan de hand van de bevindingen tijdens het traject en het eindverslag van Ouderschap Blijft. Hierbij kan eventueel ter zitting besproken worden of het haalbaar is dat het contact tussen [de zoon] en vader een wat meer structureel karakter krijgt. De RvdK ziet ten aanzien van het gezamenlijk gezag, ondanks dat er geen goede communicatie tussen ouders is, nu geen gronden om moeder eenhoofdig met het gezag te belasten. Te meer omdat vader en [de zoon] contact met elkaar hebben.”

2.15

De vrouw heeft haar verzoeken met betrekking tot het gezag over en de omgang met de dochter ingetrokken omdat haar dochter inmiddels meerderjarig is. Met betrekking tot de zoon handhaaft zij haar verzoeken, met dien verstande dat zij haar verzoek om ontzegging van de omgang wijzigt in een verzoek om wijziging van de omgangsregeling, in die zin dat de invulling daarvan aan de zoon wordt overgelaten. 3

2.16

De voortgezette mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 22 april 2024. Daarbij waren partijen, vergezeld door hun beider advocaten, en een vertegenwoordiger van de raad aanwezig.

2.17

De zoon heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nogmaals zijn mening kenbaar te maken in een kindgesprek.

2.18

Bij beschikking van 27 mei 2024 4 heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigd en bepaald dat het gezag over de zoon voortaan aan de vrouw toekomt. Ook heeft de rechtbank het ouderschapsplan gewijzigd in die zin dat de invulling van de omgangsregeling aan de zoon wordt overgelaten. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw en, naar ik begrijp, van de dochter om vaststelling van door de man te betalen kinderbijdragen afgewezen, omdat niet aan de stelplicht is voldaan.

2.19

De vrouw en de dochter zijn op 26 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de eindbeschikking van de rechtbank. De vrouw verzoekt het hof, kernachtig weergegeven, de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover dit de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de kinderbijdragen betreft. Zij verzoekt het hof, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man een kinderbijdrage van € 250,- per maand per kind moet betalen vanaf de datum van de indiening van het aanvullend verzoek daartoe, 26 november 2021.
De dochter verzoekt de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover dit de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage voor haar betreft, en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man aan de dochter een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 250,- per maand met ingang van 4 augustus 2023 moet voldoen.

2.20

De man heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de vrouw en de dochter niet-ontvankelijk te verklaren in hun beroep, dan wel het beroep af te wijzen. De man heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld, waarin hij, voor zover in cassatie van belang, verzoekt de beschikking van de rechtbank te vernietigen op het punt van de beëindiging van het gezamenlijk gezag, en het gezamenlijk gezag in stand te laten. Ook verzoekt hij het hof alsnog een omgangs-/zorgregeling tussen de man en de zoon vast te stellen, waarbij de zoon minimaal eenmaal per maand een weekend bij de man verblijft, dan wel een regeling die het hof redelijk acht.

2.21

De vrouw en de dochter hebben verweer gevoerd in incidenteel hoger beroep en hebben het hof verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidentele hoger beroep, dan wel zijn grieven ongegrond te verklaren en zijn hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten voor zover deze het ouderlijk gezag en de zorgregeling betreft.

2.22

De mondelinge behandeling heeft op 7 februari 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren de vrouw, de man en de dochter aanwezig, vergezeld door hun advocaten. De advocaat van de vrouw en de dochter heeft in de hoofdzaak een pleitnotitie overgelegd en deze voorgedragen. 5 Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2.23

De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met de zoon gesproken.

2.24

Bij beschikking van 12 maart 2025 6 (hierna ook: de bestreden beschikking) heeft het hof, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, de eindbeschikking van de rechtbank vernietigd ten aanzien van de afwijzing van het verzoek van de vrouw en van de dochter tot vaststelling van kinderbijdragen, en bepaald dat de man met ingang van 12 maart 2025 aan de vrouw een bedrag van € 250,- aan kinderalimentatie voor de zoon moet voldoen en aan de dochter een bijdrage van € 105,- per maand voor levensonderhoud en studie van de dochter. Voor het overige heeft het hof de eindbeschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

2.25

Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 2 april 2025, heeft de man – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. Hij heeft daarbij een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel gemaakt in verband met het ten tijde van het indienen van de procesinleiding nog ontbrekende proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hoger beroep. Het proces-verbaal is bij de griffie binnengekomen op 10 juni 2025 en de aanvullende procesinleiding van de man op 18 juni 2025.

2.26

De vrouw en de dochter hebben geen verweerschrift ingediend.

3Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 betreft de kinderbijdragen. Onderdeel 2 ziet op de omgangsregeling.

Onderdeel 1: kinderbijdragen

3.2

Het eerste onderdeel is gericht tegen r.o. 5.16 tot en met 5.18 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank als volgt overwoog:

Draagkrachtvergelijking

5.16.

De draagkracht van de man bedraagt, zoals hiervoor berekend, € 655,- per maand. Nu geen gegevens zijn overgelegd met betrekking tot de twee jongste kinderen van de man en zijn nieuwe partner, zal het hof deze bij de draagkrachtvergelijking buiten beschouwing laten. De draagkracht van de vrouw bedraagt € 759,- per maand, wat maakt dat partijen gezamenlijk een draagkracht hebben van [€ 665,- + € 769,- =] € 1.434,- per maand. Deze draagkracht is voldoende om in de totale behoefte van [€ 691,- + € 226,- =] € 917,- te voorzien.

5.17.

Het hof zal de draagkracht van de man naar rato van de behoefte over [de zoon] en [de dochter] verdelen. De behoefte van [de zoon] bedraagt € 691,-. Dit betekent dat van de draagkracht van de man een bedrag van [€ 665,- / € 1.434,- x € 691,-=] € 320,- beschikbaar is voor [de zoon]. De behoefte van [de dochter] bedraagt € 226,-, zodat [€ 665,- / € 1.434,- x € 226,-=] € 105,- beschikbaar is voor [de dochter].

Conclusie

5.18.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man toereikend genoeg is om de door de vrouw verzochte kinderalimentatie van € 250,- ten behoeve van [de zoon] te voldoen. Ook de bijdrage van € 105,- in de kosten van levensonderhoud en studie van [de dochter] kan de man, gelet op zijn draagkracht, voldoen. Dit maakt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en bepalen dat de man met ingang van 5 maart 2025, zoals verzocht een bijdrage van € 250,- per maand aan kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] verschuldigd is en een bijdrage aan kosten van levensonderhoud en studie van € 105,- per maand ten behoeve van [de dochter].”

3.3

Volgens de man is dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk. De man werkt dit uit in een aantal klachten.

3.4

In verband met de eerste klacht wijst de man op vaste rechtspraak 7 waaruit blijkt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen wordt verdeeld. Indien een ouder verschillende relaties is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten.
Volgens de man heeft het hof deze rechtspraak miskend door bij de bepaling van de draagkracht en onderhoudsverplichtingen van de man slechts rekening te houden met zijn twee kinderen met de vrouw en niet met zijn jongste kinderen met zijn nieuwe partner. Uit de overwegingen van het hof blijken geen bijzondere omstandigheden die een dergelijke ongelijke verdeling rechtvaardigen. De overweging van het hof dat geen gegevens zijn overgelegd met betrekking tot zijn jongste twee kinderen kan zonder nadere motivering de ongelijke verdeling niet dragen, aldus de man.

3.5

De tweede klacht is dat het hof heeft miskend dat kinderalimentatie van openbare orde is en dat het hof daarom gehouden was om dit punt verder te onderzoeken en zo nodig nadere inlichtingen had moeten inwinnen bij partijen. 8 Daarbij wijst de man ook op artikel 3 IVRK. Hij betoogt dat uit deze bepaling volgt dat de belangen van het kind de eerste overweging zijn bij maatregelen betreffende kinderen en dat daaruit voortvloeit dat de rechter – zo nodig ambtshalve – moet waken voor de belangen van niet bij de procedure betrokken kinderen die door de uitkomst van de procedure (financieel) kunnen worden geraakt. Het hof heeft dit volgens de man miskend door niet te onderzoeken en af te wegen wat als redelijk moet worden beschouwd jegens de andere kinderen en hun belangen af te wegen. 9

3.6

De derde klacht is dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat de man wel degelijk gegevens met betrekking tot zijn twee jongste kinderen heeft overgelegd, waarbij hij bovendien is uitgegaan van een gelijke verdeling. Hij verwijst daarbij naar zijn verweerschrift tevens incidenteel appel en twee daarbij horende producties, 10 waaruit volgens de man blijkt dat hij kosten van € 441,- voor elk van de kinderen heeft opgevoerd, althans dat wordt uitgegaan van een gelijke verdeling. In zijn aanvullende procesinleiding verwijst de man in dit verband ook nog naar een aantal passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep. 11

3.7

Tot slot luidt de vierde klacht dat het hof heeft miskend dat de wet geen rangorde toekent aan onderhoudsverplichtingen. 12 Uit de stellingen van de man vloeit voort dat hij zijn kinderen in financieel opzicht gelijk wenst te behandelen, althans is niet gebleken van het tegendeel. 13 Daarom is het onjuist of onbegrijpelijk dat het hof uitgaat van een ongelijke verdeling, althans dat het hof geen nader onderzoek heeft gedaan of de gegevens van de jongste twee kinderen heeft opgevraagd.

3.8

Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.

3.9

Ouders zijn jegens hun kinderen verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud (art. 1:392 lid 1 BW) . Bij de vaststelling van kinderalimentatie wordt rekening gehouden met enerzijds de behoefte van het kind als onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de ouders als onderhoudsplichtigen (art. 1:397 BW) . Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen (art. 1:404 lid 1 BW) . Voor jongmeerderjarige kinderen (meerderjarige kinderen die nog geen 21 jaar zijn) zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie (art. 1:395a BW) . Het hiernavolgende geldt voor zowel kinderalimentatie als deze onderhoudsbijdrage voor jongmeerderjarigen.

3.10

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt het volgende uitgangspunt. 14 Wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, moet het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen wordt verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte.
Indien een ouder verschillende relaties is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere of latere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder.

3.11

In de praktijk heeft de rechter lang niet altijd de beschikking over voldoende gegevens om de draagkracht van de andere ouder van kinderen uit de andere relatie te berekenen. Hierover heeft de Hoge Raad in 2012 het volgende geoordeeld: 15

“3.4.2. Indien de rechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de draagkracht van de andere ouder van de kinderen uit de andere relatie benodigde gegevens, staat het hem vrij die draagkracht te schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op art. 21 en 22 Rv. , rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Indien de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat die andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van die kinderen.”

3.12

Over de wijze waarop de rechter met inachtneming van het hiervoor weergegeven juridisch kader berekent hoe een tekort of juist een teveel aan draagkracht eerlijk moet worden verdeeld over alle betrokken kinderen, wordt in rechtspraak 16 en literatuur 17 verschillend gedacht. Het laatste woord is daarover nog niet gezegd. In deze zaak speelt deze concrete berekeningsproblematiek niet in cassatie, dus daarop ga ik hier verder niet in.

3.13

De vaststelling en de weging van de relevante factoren voor het bepalen van de behoefte en draagkracht en daarmee het verschuldigde bedrag aan kinderbijdrage zijn voorbehouden aan de feitenrechter en kunnen in cassatie slechts op juistheid worden getoetst. De feitenrechter heeft in dit verband veel vrijheid. Aan de motivering van die vaststelling en weging door de rechter worden geen bijzondere eisen gesteld. Dat betekent dat de rechter, conform de algemene civielrechtelijke maatstaf, zijn oordeel over (de hoogte van) kinderbijdrage zodanig moet motiveren dat het voldoende inzicht geeft in de gedachtegang die ten grondslag ligt aan het oordeel zodat deze voor zowel partijen als derden controleerbaar en aanvaardbaar is, zonder dat daarbij op alle stellingen van partijen hoeft te worden ingegaan. 18

3.14

Ik keer terug naar de klachten, die zich voor een gezamenlijke bespreking lenen.

3.15

Het hof heeft mijns inziens de hiervoor onder 3.10 weergegeven vaste rechtspraak van de Hoge Raad miskend. Niet in geschil is immers dat de man onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties. Door de onderhoudsverplichting van de man tegenover zijn twee jongste kinderen bij de berekening van zijn onderhoudsverplichting voor zijn twee oudste kinderen buiten beschouwing te laten, is het hof niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag of de man voldoende draagkracht heeft om zijn onderhoudsverplichting jegens alle vier zijn kinderen te voldoen en hoe zijn draagkracht over zijn vier kinderen wordt verdeeld. Daardoor is onduidelijk of de draagkracht van de man voldoende is om aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens elk van de vier kinderen te voldoen en, in geval van een tekort aan draagkracht, in welke verhouding de draagkracht van de man over zijn vier kinderen wordt verdeeld. Dat de draagkracht van de man (ruim) voldoende is om in de behoefte van zijn twee oudste kinderen te voorzien, wil niet zeggen dat zijn draagkracht ook toereikend is om in de behoefte van alle vier zijn kinderen te voorzien.

3.16

De enkele overweging van het hof in r.o. 5.16 dat, nu geen gegevens zijn overgelegd met betrekking tot de twee jongste kinderen van de man en zijn nieuwe partner, het hof deze (kinderen, neem ik aan) bij de draagkrachtvergelijking buiten beschouwing laat, kan deze onduidelijkheid over de verdeling van de draagkracht van de man over alle vier zijn kinderen niet dragen. Ik moet het hof nageven dat de man het hof van weinig informatie over de jongste kinderen heeft voorzien en dat informatie over de draagkracht van de moeder van de jongste kinderen al helemaal ontbreekt. Daarmee heeft de man niet voldaan aan zijn volledigheids- en waarheidsplicht van artikel 21 Rv. Uit de schending van deze plicht kan de rechter de gevolgtrekking die hij geraden acht. In dit geval had het hof mijns inziens een schatting moeten maken over de behoefte van zijn twee jongste kinderen en over de draagkracht van de moeder van deze twee jongste kinderen aan de hand van de voorhanden gegevens (vgl. hiervoor onder 3.11). 19 De in dit verband relevante door de man ingebrachte gegevens zijn de volgende.

3.17

In zijn procesinleiding 20 vermeldt de man dat hij wel degelijk gegevens heeft overgelegd met betrekking tot zijn twee jongste kinderen waarbij hij bovendien is uitgegaan van een gelijke verdeling. Hij verwijst in dit verband naar de volgende passages in zijn verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep:

“32. Wanneer de draagkracht van ouders 21 naar rato wordt verdeeld en afgezet tegen de behoefte van de kinderen, zou de man aan de vrouw een bijdrage van € 25 per maand kunnen betalen voor beide kinderen. Als bijlage 7 wordt een kopie van deze berekening overgelegd.

33. Indien de vrouw daadwerkelijk haar woonlasten kan delen en bij de berekening van haar draagkracht dus rekening wordt gehouden met een ander bedrag aan woonasten, dan zou de man een bijdrage van € 19 per maand aan de vrouw dienen te betalen voor beide kinderen. Als bijlage 8 wordt een berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen overgelegd waarin deze lagere woonlasten zijn verwerkt. In die situatie bedraagt de draagkracht van de vrouw € 1.157 per maand.”

3.18

De man vermeldt in zijn procesinleiding dat uit producties 7 en 8 blijkt dat hij € 441,- aan kosten voor alle kinderen heeft opgevoerd, althans dat wordt uitgegaan van een gelijke verdeling. In deze producties is voor elk van de vier kinderen een bedrag van € 441,- per kind opgenomen onder de post “Bijdrage ouders in kosten kinderen”.

3.19

In zijn aanvullende procesinleiding wijst de man ter ondersteuning van zijn derde en vierde klacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat de man wel degelijk gegevens heeft overgelegd met betrekking tot zijn twee jongste kinderen en de wens van de man tot gelijke verdeling over al zijn kinderen op de volgende passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep:

Advocaat van de man

(…) De jongste kinderen staan op zijn adres ingeschreven, hij ontvangt de toeslagen. Hij heeft een latrelatie met zijn vriendin. Zij heeft een eigen woning. Ze zien elkaar uiteraard, maar meneer heeft de zorg voor de kinderen. (…)

(…)

Advocaat van de man

(…) De draagkracht is beperkt van mijn cliënt. Ondanks dat ik geen rekening heb gehouden met de jongste twee kinderen, moet de draagkracht hoe dan ook verdeeld worden. De kinderen wonen bij hem, hij draagt de zorg voor hen en daar moet rekening mee gehouden worden in de berekening. Dat is eigenlijk wat ik voor nu over de alimentatie wil zeggen.

(…)

Advocaat van de man

Ik heb hier het huishoudboekje van mijn cliënt. Meneer heeft een netto inkomen van ongeveer € 1.400, daar komt een bedrag van € 130,- aan vakantiegeld bij. € 230,- ontvangt hij aan kinderbijslag voor de jongste twee kinderen, een bedrag van € 130,- aan zorgtoeslag en € 700,- aan kindgebondenbudget. Het netto besteedbaar inkomen ligt op ongeveer € 2.500,-, € 2.600,- per maand. Daar gaat aan vaste laste ongeveer € 1.700,- van af. Dan heb ik het over huur, Eneco, water, lokale belastingen. Nog wat reserveringen voor andere uitgaven. Inkomsten min uitgaven blijft er ongeveer € 40,- over.”

3.20

Voor zover geklaagd wordt dat het hof gegevens over de jongste twee kinderen had moeten opvragen, slagen deze klachten niet, nu het hof met de onder 3.16 genoemde schatting op basis van de hiervoor vermelde gegevens had kunnen volstaan.

3.21

Voor het overige slagen de klachten van onderdeel 1, gelet op het voorgaande, wel.

Onderdeel 2: omgangsregeling

3.22

Het tweede onderdeel begrijp ik zo dat de man daarmee opkomt tegen de bekrachtiging van het oordeel van de rechtbank over de omgangsregeling door het hof (r.o. 5.22 en 5.23). Ik citeer de betreffende en de relevante daaraan voorafgaande overwegingen:

Gezamenlijk ouderlijk gezag en zorg-/omgangsregeling

Standpunten

5.20.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk ouderlijk gezag over [de zoon] heeft beëindigd. De man betwist dat er geen overleg mogelijk is. De man heeft het gevoel dat hij uit het leven van de kinderen wordt geweerd. Door het gezamenlijk ouderlijk gezag te beëindigen, wordt hij nog meer buiten spel gezet. De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van het uitgangspunt van gezamenlijk ouderlijk gezag dient te worden afgeweken. De raad heeft ook aangegeven geen reden te zien om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten. De man wil graag een rol blijven spelen in het leven van [de zoon]. De man begrijpt bovendien niet waarom de invulling van de omgang aan [de zoon] wordt overgelaten. Juist in een situatie waarin mogelijk sprake is van ouderverstoting, dient de invulling van het contact niet te worden overgelaten aan de kinderen. De man heeft begrip voor de wensen van [de zoon], maar hij acht het niet in diens belang dat er geen kader meer is voor contact.

5.21.

De vrouw voert verweer en geeft (kort samengevat) het volgende aan. Ondanks meerdere hulptrajecten, is het niet gelukt om de onderlinge communicatie te verbeteren. Hierdoor is het niet mogelijk gezamenlijk invulling te geven aan het ouderlijk gezag. Ook is de man al geruime tijd niet betrokken in het leven van [de zoon], wat invulling van het ouderlijk gezag lastig maakt. De vouw geeft aan dat er 3,5 jaar lang sporadisch contact is geweest tussen de man en [de zoon] en dat de man zelf de zorgregeling heeft stopgezet. [De zoon] stond open voor vrijblijvend contact, maar de man bleef de druk opvoeren. Inmiddels heeft [de zoon] de man al bijna een jaar niet gezien of gesproken. Het ligt volgens de vrouw op de weg van de man om het verhaal van die kinderen aan te horen, zonder verwijten maken, om op die manier het contact te kunnen herstellen.

Oordeel hof

5.22.

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is aan het hof ten aanzien van het ouderlijk gezag over [de zoon] en de omgangsregeling van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij dat heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom op dit punt in stand laten. Dit betekent dat de moeder met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de zoon] zal worden belast en dat de invulling van de omgangsregeling aan [de zoon] wordt overgelaten. Dit betekent dat de moeder met het eenhoofdig gezag over [de zoon] zal worden belast en dat de invulling van de omgangsregeling aan [de zoon] wordt overgelaten.

5.23.

Het hof neemt hiertoe nog het volgende in aanmerking. Gebleken is dat de man al geruime tijd geen contact heeft met zowel [de zoon] als [de dochter]. De vrouw beslist als hoofdverzorger feitelijk over [de zoon]. Om het ouderlijk gezag op een juiste manier invulling te geven is enige betrokkenheid in het leven van [de zoon] noodzakelijk. Hoewel de man aangeeft hier graag verandering in te willen brengen, acht het hof het niet binnen de verwachtingen dat hier binnen afzienbare tijd verandering in komt. Ook de door de man verzochte omgangsregeling acht het hof niet in het belang van [de zoon]. Doordat er al geruime tijd geen contact is en [de zoon] op dit moment geen behoefte voelt dit op te pakken, acht het hof het, mede gelet op de leeftijd van [de zoon], in zijn belang dat hij op zijn eigen voorwaarden dit contact al dan niet kan hervatten.”

3.23

De eerste en primaire klacht is, kort gezegd, dat het oordeel van het hof dat in het belang van de zoon de omgang aan de zoon wordt overgelaten, terwijl die heeft aangegeven op dit moment geen behoefte te voelen dit op te pakken, onjuist of onbegrijpelijk is, gelet op door de man in het onderdeel genoemde maatstaven en stellingen. De man beroept zich op de maatstaven voor het ontzeggen van omgang, welke maatstaven het hof zou hebben miskend. Het hof heeft volgens de man ook de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende plicht miskend om zich – zo nodig ambtshalve – zoveel mogelijk in te spannen om het recht op omgang (family life) tussen ouder en kinderen mogelijk te maken 22 en een proportionele en subsidiaire maatregel te treffen 23 en daarbij een “echte afweging” te maken tussen de belangen van de man en de zoon. Het hof heeft hoofdzakelijk naar het (veronderstelde) belang van het kind gekeken en daartegenover het belang van de man bij omgang onvoldoende afgewogen, aldus de man. Ook heeft het hof volgens de man ten onrechte onvoldoende onderzocht of een minder verstrekkende maatregel dan afwijzing van de verzochte omgang, althans om dit over te laten aan de zoon, mogelijk was, bijvoorbeeld beperkte omgang, zodat contactherstel kon worden geprobeerd.

3.24

In het kader van het voorgaande beroept de man zich erop dat de raad voor de kinderbescherming geen reden zag om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten. Verder beroept hij zich erop dat hij heeft aangevoerd dat hij graag een rol wil blijven spelen in het leven van zijn zoon, dat hij niet begrijpt waarom de invulling van de omgang aan zijn zoon wordt overgelaten, dat juist in een situatie waarin mogelijk sprake is van ouderverstoting de invulling van het contact niet dient te worden overgelaten aan de kinderen en dat hij begrip heeft voor de wensen van zijn zoon, maar dat hij het niet in diens belang acht dat er geen kader meer is voor contact. Ook voert de man aan dat hij erop heeft gewezen dat kinderen door de andere ouder kunnen worden beïnvloed en daardoor niet in staat zij om een afgewogen oordeel te geven over het contact. 24

3.25

De tweede en subsidiaire klacht is dat als het hof de in de eerste klacht genoemde maatstaven niet heeft miskend, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van de zoon groter is dan het belang van de man om het contact met zijn zoon te behouden/herstellen en ouderverstoting te voorkomen. Dat er al geruime tijd geen omgang is en de zoon heeft aangegeven daar geen behoefte aan te hebben is onvoldoende doorslaggevend. Dit geldt volgens de man ook voor de leeftijd van de zoon (15 ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking). Het is immers de vraag of hij op die leeftijd de eventuele gevolgen voor zijn identiteitsontwikkeling bij inperking van contact met zijn vader voldoende kan overzien. Ook blijkt niet van contra-indicaties, terwijl het hof in de afweging geen kenbare aandacht besteedt aan de belangen van de man, aldus de man.

3.26

Ter ondersteuning van zijn klachten wijst de man in zijn aanvullende procesinleiding op enkele passages op p. 10 en 11 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep.

3.27

Bij de beoordeling van dit onderdeel stel ik het volgende voorop.

3.28

Ingevolge art. 1:377a lid 1 BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouder en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. 25

3.29

Uit artikel 8 EVRM vloeit de verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, voort zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op family life tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken. 26 Het recht op omgang is een fundamenteel onderdeel van het in art. 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Artikel 8 lid 2 EVRM eist voor het aanbrengen van beperkingen op het recht op omgang dat dit bij wet is bepaald, noodzakelijk is in een democratische samenleving en een gerechtvaardigd doel dient. Beperkingen moeten voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Nationale autoriteiten hebben een beperkte “margin of appreciation” als het gaat om maatregelen die de omgang tussen ouder en kind beperken. Hoe ingrijpender de gevolgen van de beperking, des te indringender dient de noodzaak daarvan te worden getoetst. Artikel 8 EVRM eist dat een redelijk evenwicht wordt bereikt tussen de belangen van het kind en die van de ouders, en dat daarbij bijzonder gewicht wordt toegekend aan de belangen van het kind. 27

3.30

Dit brengt mij weer bij de klachten van dit onderdeel.

3.31

De eerste (rechts)klacht faalt voor zover daarin tot uitgangspunt wordt genomen dat het hof de man omgang met de zoon ontzegd heeft (art. 1:377a lid 3 BW) . Van ontzegging van omgang is in de bestreden beschikking immers geen sprake. Weliswaar wordt de door de man verzochte omgangsregeling niet toegewezen, maar er wordt wel een omgangsregeling vastgesteld, waarbij het verzoek van de vrouw wordt toegewezen. Dat dit een omgangsregeling is waarvan de invulling aan de zoon wordt overgelaten en mogelijk betekent dat feitelijk geen (of pas na verloop van tijd) omgang zal plaatsvinden, omdat de zoon dit nu niet wenst, maakt niet dat daarmee sprake is van ontzegging van de omgang. De eerste klacht mist daardoor feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden.

3.32

Ook moet het oordeel van het hof niet zo worden begrepen dat het hof daarmee de op hem rustende inspanningsplicht heeft miskend door onvoldoende te onderzoeken of een minder vergaande maatregel dan afwijzing van de door de man verzochte omgang mogelijk was, althans de omgang geheel over te laten aan de zoon, met gevaar van contactverlies. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het hof een ruimere omgangsregeling niet in het belang van de zoon acht en dat dit belang van de zoon in dit geval prevaleert boven het belang van de man bij de door hem verzochte omgangsregeling. Ook in zoverre faalt de eerste klacht. Dit brengt mij bij de tweede klacht.

3.33

Ook de tweede (motiverings)klacht faalt. Het oordeel van het hof om de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling in stand te laten is niet onvoldoende gemotiveerd of anderszins onbegrijpelijk.

3.34

In dit verband is om te beginnen van belang dat de overwegingen van het hof niet op zichzelf staan. Het hof verwijst in r.o. 5.22 immers ook naar de gronden op basis waarvan de rechtbank over het gezag en de omgangsregeling heeft beslist, en maakt deze overwegingen – na eigen afweging – tot de zijne. De rechtbank heeft in haar in appel bestreden beschikking van 27 mei 2024 ten aanzien van de door de vrouw verzochte omgangsregeling, voor zover hier van belang, als volgt overwogen: 28

“2.4 De zorgregeling/omgangsregeling

(…)

2.4.3.

De vrouw verzoekt uiteindelijk wijziging van de omgangsregeling, in die zin dat de invulling hiervan aan [de zoon] wordt gelaten.

2.4.4.

De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

2.4.5.

De rechtbank wijst het verzoek overeenkomstig het advies van de raad toe, omdat dit verzoek niet is weersproken en niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich tegen de verzochte regeling verzet.”

3.35

Daarbij moet bedacht worden dat partijen in eerste aanleg door de rechtbank zijn verwezen naar het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, mede “met het oog op mogelijk herstel van contact en omgang van de man met de minderjarigen”, aldus de rechtbank in haar deelbeschikking van 18 januari 2022 (zie hiervoor onder 2.10). 29 Dit traject heeft helaas niet het beoogde resultaat gehad, waarna de zaak is voortgezet en de rechtbank voornoemde beslissing over de omgangsregeling heeft genomen.

3.36

Met betrekking tot het gezag heeft de rechtbank bovendien overwogen (in r.o. 2.3.6) dat voor het goed uit kunnen oefenen daarvan ook een bepaalde betrokkenheid in het leven van een minderjarige is, waarvan tussen de man en de zoon al langere tijd geen sprake meer is. Ook overweegt de rechtbank dat de man aangeeft daarin verandering te willen, maar dat de bal daarvoor volgens de man bij de zoon ligt, waardoor de rechtbank niet verwacht dat hier binnen afzienbare tijd verandering in komt. Het hof bevestigt in r.o. 5.23 dat ook het hof niet verwacht dat daarin binnen afzienbare tijd verandering komt.

3.37

In r.o. 5.23 motiveert het hof nader waarom het de door de man verzochte omgangsregeling niet in het belang van de zoon acht. Daarbij noemt het hof dat er al geruime tijd geen contact is tussen de man en de zoon en dat de zoon op dit moment geen behoefte voelt dit op te pakken. Daardoor en mede gelet op de leeftijd van de zoon, acht het hof het in het belang van de zoon dat hij op zijn eigen voorwaarden dit contact al dan niet kan hervatten.

3.38

Het hof heeft in r.o. 5.20 expliciet het standpunt van de man ten aanzien van de invulling van de omgangsregeling weergegeven, waarbij het hof heeft benoemd dat de man graag een rol wil blijven spelen in het leven van de zoon, de man niet begrijpt waarom de invulling van de omgang aan de zoon wordt overgelaten, dat juist in een situatie waarin mogelijk sprake is van ouderverstoting de invulling van het contact niet moet worden overgelaten aan de kinderen, en dat de man begrip heeft voor de wensen van de zoon maar dat hij het niet in zijn belang acht dat er geen kader meer is voor contact.

3.39

Dat het hof in zijn oordeel in r.o. 5.23 niet weer expliciet de belangen van de man heeft genoemd, neemt niet weg dat in dat oordeel mijns inziens wel voldoende een afweging van die in r.o. 5.20 door het hof weergegeven belangen van de man en die van de zoon besloten ligt, waarbij die van de zoon in dit geval zwaarder wegen (zie ook hiervoor onder 3.32).

3.40

Met betrekking tot het door de man genoemde risico op ouderverstoting merk ik op dat de man in dit verband geen concrete stellingen heeft ingenomen. Weliswaar is namens de man blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hoger beroep (p. 10) verklaard dat de man het idee heeft dat sprake is van ouderverstoting en vervreemding en is in het eindverslag van het Traject Ouderschap Blijft (p. 8) vermeld dat de man tijdens het hulpverleningstraject aan de bemiddelaars heeft gemeld dat sprake is van ouderverstoting. Het blijft echter bij het uiten van een vermoeden door de man zonder daarbij concrete aanknopingspunten te noemen. Anderzijds blijkt uit genoemd eindverslag (p. 3 en p. 6) dat de vrouw openstaat voor contact tussen de kinderen en de man. Bovendien heeft zij haar verzoek om ontzegging van omgang van de man met de zoon hangende de procedure in eerste aanleg gewijzigd en uiteindelijk verzocht om een omgangsregeling waarvan de invulling aan de zoon wordt overgelaten. Ook wijs ik op de verklaring van de advocaat van de vrouw en de dochter ter zitting in hoger beroep dat de zoon toe is aan hulp als hij zijn diploma heeft gehaald, waarna wellicht het contact opgepakt kan worden. 30 Dit strookt niet met een beeld van ouderverstoting. Gelet op dit alles was het hof, specifiek ten aanzien van het punt van ouderverstoting, niet gehouden tot een nadere motivering van zijn kennelijke oordeel dat het door de man gestelde vermoeden onvoldoende reden vormt om een meer gekaderde omgangsregeling vast te stellen.

3.41

Bij dit alles is van belang dat de zoon ten tijde van de bestreden beschikking bijna 16 was. Dat het hof meeweegt dat de zoon op dit moment geen behoefte heeft aan contact en daar kennelijk veel waarde aan hecht, is gelet op de leeftijd van de zoon niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik ook op hetgeen de zoon tijdens het kindgesprek in hoger beroep heeft verklaard, zoals weergegeven door de voorzitter: 31

“(…) Hij heeft aangegeven ten aanzien van de omgang dat hij het goed vindt zoals het nu is, omdat hij nog niet klaar is voor contact. Hij heeft het gevoel dat de man niet van hem houdt. [De zoon] heeft ook aangegeven dat hij erg veel van zijn broertje en zusje houdt en dat hij hen erg mist. Hij heeft gevraagd of de voorzitter wilde vragen of de man dat aan hen wilde vertellen.”

3.42

Een kind van bijna 16 kan feitelijk niet gedwongen worden mee te werken aan een omgangsregeling die hij niet wenst. Ik wijs in dit verband ook op de aanbevelingen van het LOVF over het ouderschapsplan. 32 Aanbeveling 10 luidt, voor zover relevant , als volgt (mijn onderstreping; A-G):

“10. In hoeverre moet de rechter een door partijen opgesteld ouderschapsplan inhoudelijk toetsen?

(…)

• Voor de regeling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken voor minderjarigen van 14 jaar en ouder gelden lichtere eisen (het is bijvoorbeeld acceptabel als wordt aangegeven dat de afspraken in onderling overleg met de minderjarige zullen worden gemaakt, gelet op zijn leeftijd).”

Blijkens deze aanbeveling wordt 14 jaar als leeftijdsgrens gehanteerd om in onderling overleg met de minderjarige afspraken te maken over de zorg- of omgangsregeling. De zeggenschap die het hof in de bestreden beschikking geeft aan de zoon is in lijn met deze aanbeveling.

3.43

Tot slot: dat door het hof geen vastomlijnde omgangsregeling is getroffen, sluit niet dat er geen contact kan plaatsvinden en dat de man geen betrokkenheid bij het leven van de zoon kan tonen. Dat de zoon in hoger beroep heeft aangegeven zijn jongere broertje en zusje erg te missen, biedt mogelijk een opening voor herstel van contact met ook zijn vader. In dat opzicht vind ik het veelzeggend dat de zoon tijdens het kindgesprek bij het hof expliciet aan de voorzitter heeft gevraagd aan zijn vader te vertellen dat hij zijn broertje en zusje erg mist (zie hiervoor onder 3.41).

3.44

De klachten van onderdeel 2 falen dus.

3.45

De slotsom luidt dat nu de klachten van onderdeel 1 grotendeels slagen de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

4Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2025 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

De feiten onder 2.1 t/m 2.3 zijn ontleend aan r.o. 3.2 t/m 3.4 van de in cassatie bestreden beschikking. De feiten onder 2.4 zijn ontleend aan de beschikking van de rechtbank van 18 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12303.

3

Zoals blijkt uit r.o. 2.2.1, r.o. 2..3.1 en r.o. 2.4.3 van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2024, zaaknummer / rekestnummer: C/10/612071 / FA RK 21-620 (niet gepubliceerd), waarover hierna onder 2.18.

4

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/612071 / FA RK 21-620 (niet gepubliceerd).

5

Zo vermeldt de bestreden beschikking, r.o. 2.7. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hoger beroep is echter vermeld dat “de advocaten pleitnotities hebben” (op p. 3, derde volle alinea). Het proces-verbaal vermeldt vrijwel meteen daarna dat de advocaat van de vrouw en de dochter een pleitnota heeft overhandigd en voorgedragen. De pleitnota is niet aangehecht aan het proces-verbaal en is in cassatie ook niet overgelegd door de man. Van een pleitnota van de advocaat van de man blijkt verder niet uit het proces-verbaal en ook overigens niet uit het procesdossier in cassatie.

7

De man verwijst hierbij naar HR 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1480, NJ 2023/326, JPF 2023/96 m.nt. P. Vlaardingerbroek.

8

De man verwijst in dit verband naar HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689, NJ 2020/32 m.nt. S.F.M. Wortmann, en hof Den Haag 24 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1624.

9

De man verwijst hierbij naar HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1568, NJ 1995/287 m.nt. J. de Boer, r.o. 3.3 en HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689, NJ 2020/32 m.nt. S.F.M. Wortmann, r.o. 2.4.2.

10

Verweerschrift tevens incidenteel appel, nrs. 32 en 33, en de daarbij behorende producties 7 en 8.

11

Deze passages heb ik geciteerd onder 3.19.

12

De man verwijst hierbij naar artikel 1:400 lid 1 BW en HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1568 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), NJ 1995/287 m.nt. J. de Boer.

13

Ook in dit verband verwijst de man in zijn aanvullende procesinleiding naar een aantal passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, zoals door mij geciteerd onder 3.19.

14

HR 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1480, NJ 2023/326, JPF 2023/96 m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.3, met vergelijkende verwijzing naar HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:314, r.o. 3.3.2 en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:157, NJ 2017/82, r.o. 3.3.2.

15

HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, NJ 20212/498, m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2012/154, m.nt. E.W.K. Bosman, PFR-Updates.nl 2012-0132, m.nt. W.M. Schrama, r.o. 3.4.2.

16

Vgl. bijvoorbeeld de “oude” methode van berekenen in hof Amsterdam 12 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:430 en de “nieuwe” methode van berekenen in rechtbank Den Haag 8 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26521.

17

Zie o.m. M.L.C.C. Lückers, De complexiteit van het samengestelde gezin, EB 2014/62; M.D. Ramparichan, Onderhoudsverplichting stiefouder: kunnen we het domino-effect van alimentatiewijzigingen afschaffen? EB 2023/29; M. Jonker, J. Wijngaard en N.D. Van Foreest, proportioneel verdelen van draagkracht bij kinderalimentatie in samengestelde gezinnen, EB 2020/63; P.G.A. van Lieshout-Jansen, De berekening van kinderalimentatie in samengestelde gezinnen: van afgeleide draagkracht naar zuivere draagkracht, EB 2023/58; J. Franken en J. de Wit, Kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen, een knelpunt en een stappenplan, UCERF 2024/061; J.B. de Groot, Verdelen van draagkracht bij samengestelde gezinnen (g)een abc’tje I en II, EB 2024/61 en EB 2024/84; H.G. Bollen, Alimentatie bij samengestelde gezinnen: een uitwaaierend probleem, EB 2025/47.

18

Vgl. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ 2016/124 m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 2016/125, JIN 2016/8 m.nt. J.P.M. Bol, r.o. 4.2, met verwijzing naar HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262. Zie ook mijn conclusie van 22 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1261, onder 4.9, vóór HR 24 januari 2025,

ECLI:NL:HR:2025:113, voor meer verwijzingen.

19

Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, NJ 20212/498, m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2012/154, m.nt. E.W.K. Bosman, PFR-Updates.nl 2012-0132, m.nt. W.M. Schrama, r.o. 3.4.2 (zie hiervoor onder 3.11). Vgl. ook HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, NJ 2012/62, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.3, over schending van de waarheidsplicht van art. 21 Rv in een kinderalimentatiezaak.

20

Randnummer 8.

21

Waarmee wordt gedoeld op de ouders van de zoon en de dochter, dus de man en de vrouw (niet de man en zijn nieuwe partner als ouders van de jongste kinderen van de man).

22

Hierbij verwijst de man naar HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2373, NJ 2001/598, m.nt. S.F.M. Wortmann, FJR 2001/62, m.nt. I.J. Pieters; HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154, m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2014/33, m.nt. M.M. Schouten en naar de conclusie van voormalig A-G Lückers van 3 mei 2023, ECLI:NL:PHR:2023:470, onder 2.3, voor HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1459, NJ 2023/314, JPF 2024/39, m.nt. J.H. de Graaf.

23

Hierbij verwijst de man naar Asser 1-I 2020/561.

24

Hierbij verwijst de man naar zijn verweerschrift tevens incidenteel appel, randnummer 51.

25

Zie over deze bepaling o.m. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/555.

26

Zie over deze inspanningsverplichting in het bijzonder: HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154, m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2014/33, m.nt. M.M. Schouten, r.o. 3.5, onder vergelijkende verwijzing naar EHRM 17 april 2012, zaak 805/09 (Pascal/Roemenië).

27

Zie recent HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:61, r.o. 3.3.

28

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/612071 / FA RK 21-620 (niet gepubliceerd).

30

Proces-verbaal, p. 11. De vrouw heeft het voornemen tot het volgen van therapie door de zoon na zijn eindexamen beaamd (p. 12).

31

Proces-verbaal, p. 10.

32

Te raadplegen via www.rechtspraak.nl.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733