Essentie (gemaakt door AI)
Schadestaat na eerder vastgesteld beroepsfout van advocaat. Appellante stelt schade door gemiste alimentatie, niet-geëffectueerd vruchtgebruik en niet delen in woningwaarde. Hof past hypothetische vergelijkingsmaatstaf toe; man heeft volgens Trema geen draagkrachtruimte, zodat geen alimentatieschade ontstaat. Vruchtgebruik zou naar redelijke verwachting tot vijf jaar worden beperkt, maar onderwaarde van de woning (waarvan zij in werkelijkheid werd gevrijwaard) zou haar aandeel daarin overtreffen. Per saldo geen vermogensschm| Datum publicatie | 28-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.349.794/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Tuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid advocaat; Alimentatie; Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Schadestaat procedure. Beroepsfout advocaat. Vermogensvergelijking. Appellante heeft geen schade geleden als gevolg van beroepsfout van haar voormalige advocaatVolledige uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.349.794/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 184740
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellante] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. D. Kotterman te Arnhem,
tegen
[geïntimeerde] ,
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. R. Kossen te 's-Gravenhage.
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Ter uitvoering van het tussenarrest van 24 juni 2025 heeft op 19 november 2025 een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgehad. Het verslag (proces-verbaal) daarvan bevindt zich bij de stukken.
Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.
2De kern van de zaak
[geïntimeerde] heeft [appellante] in 2011 en 2012 bijgestaan in een procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap met haar voormalige partner, [naam1] (hierna: de man). De procedure in hoger beroep bij het (toenmalige) hof Arnhem (hierna: hof Arnhem) is geëindigd in een beschikking van 23 augustus 2012. In die beschikking heeft het hof Arnhem overwogen dat partijen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof van 26 juli 2012 overeenstemming hebben bereikt. Deze overeenstemming is vastgelegd in de beschikking.
In een eerdere procedure heeft dit hof, het hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden), beslist dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [appellante] door haar, zonder haar voldoende te informeren over de consequenties daarvan en zich ervan te vergewissen dat die consequenties haar duidelijk waren en zij daarmee instemde, te adviseren in te stemmen met de op de mondelinge behandeling van 26 juli 2012 met de man getroffen regeling en dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de vermogensschade die daardoor is ontstaan.
In dit geding (‘de schadestaatprocedure’) gaat het om de vraag of er vermogensschade is en zo ja, hoe hoog die schade is.
3De feiten
Het geschil tussen partijen heeft de volgende achtergrond.
[appellante] en de man hadden vanaf 1990 een affectieve relatie. [in1] 2005 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. [in2] 2009 zijn zij een geregistreerd partnerschap aangegaan. Omdat geen partnerschapsvoorwaarden zijn overeengekomen was sprake van een wettelijke gemeenschap van goederen. [in3] 2009 hebben [appellante] en de man in een notariële akte een convenant afgesloten, waarin het volgende is vastgelegd:
“Zij wensen de gevolgen van de eventuele toekomstige beëindiging van hun geregistreerd partnerschap reeds nu voor alsdan te regelen als volgt:
A. TEN AANZIEN VAN DE VERPLICHTING TOT ONDERHOUD:
1. De man zal voor het levensonderhoud van de vrouw aan deze betalen een bedrag per
maand, te berekenen volgens de zogenaamde Tremanormen of een daarvoor in de plaats
tredende regeling, te voldoen bij vooruitbetaling op een alsdan door de vrouw aan te
wijzen bankrekening, op of omstreeks de eerste dag van iedere maand, ingaande op de
eerste dag van de maand, volgende op die waarin het geregistreerd partnerschap zal zijn
geëindigd.
2. De uitkering tot levensonderhoud is onderworpen aan de wettelijke indexeringsregeling.
3. Indien de vrouw een nieuw huwelijk aangaat, neemt met ingang van de dag van sluiting
van dat huwelijk de uitkering tot levensonderhoud een einde.
4. Deze uitkering vervalt NIET wanneer ten aanzien van de vrouw overtuigend wordt
aangetoond dat zij na de beëindiging van het geregistreerd partnerschap samenleeft of
heeft samengeleefd met een ander dan de man, als ware zij met hem gehuwd.
5. Wijziging van de verplichting tot bijdrage in het levensonderhoud bij rechterlijke uitspraak
op grond van gewijzigde omstandigheden is niet mogelijk.
6. De verplichting tot bijdrage in het levensonderhoud eindigt twaalf (12) jaar na het eindigen van het geregistreerd partnerschap.
7. Voor zover bovenbedoelde alimentatie tijdens voormelde periode van twaalf (12) niet
toereikend zou zijn voor de vrouw om in haar levensonderhoud te voorzien, alsmede voor
de periode na voormelde periode van twaalf (12) komen partijen overeen -mede gebaseerd op een morele verzorgingsplicht van de man om de vrouw bij het einde van het geregistreerd
partnerschap verzorgd achter te laten- dat de man en de vrouw naar evenredigheid van hun
inkomen bijdragen in de kosten van de huishouding van de vrouw.
Tot de kosten van de huishouding van de vrouw worden in voorkomende gevallen onder meer gerekend:
- de kosten van door haar gebruikte vervoermiddelen;
- onroerende-zaakbelasting en heffingen ter zake van woninggebruik;
- de servicekosten, verschuldigd aan een vereniging van eigenaren;
- de uitgaven terzake van de verzekering en noodzakelijk onderhoud van de woning, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering en de kosten van medische verzorging.
Uitdrukkelijk bepalen partijen dat indien ter financiering van de door de vrouw te bewonen
woning en van zaken, aangeschaft voor de huishouding, een geldlening is aangegaan, de
rente zal worden gerekend tot de kosten van de huishouding, zodat deze rente eveneens
naar evenredigheid van hun inkomen voldaan dient te worden.
8. De verplichting voor de man om naar evenredigheid van zijn inkomen bij te dragen in de
kosten van de huishouding van de vrouw vervalt NIET in het geval als bedoeld onder 3, doch wel voor de periode dat de vrouw een dienstbetrekking heeft, evenwel -indien sprake
is van verval in verband met het hebben van een dienstbetrekking- met uitzondering van de
verplichting tot bijdrage in vorenvermelde rentebetaling. De verplichting voor de man om
naar evenredigheid van zijn inkomen bij te dragen in vorenbedoelde rentebetaling blijft
bestaan ook voor de periode dat de vrouw een dienstbetrekking heeft, tenzij sprake is van
een geval als bedoeld onder 3.
(…)
C. TEN AANZIEN VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE WONING
l.a. Indien de eigendom van de gezamenlijke woning tot de gemeenschap behoort, zullen
partijen deze woning onverdeeld laten.
b. De man zal meewerken aan het vestigen van een recht van vruchtgebruik op deze woning
ten behoeve van de vrouw binnen zes maanden na de beëindiging van het geregistreerd
partnerschap.
Voormeld recht van vruchtgebruik zal niet omvatten een recht voor de vruchtgebruiker om
de betreffende woning te vervreemden, aangezien na ontbinding van het geregistreerd
partnerschap dit slechts door partijen gezamenlijk zal kunnen geschieden.
Het vruchtgebruik eindigt op het moment dat ook de onder A. bedoelde bijdrage van de
man eindigt.”
[appellante] en de man hadden een gemeenschappelijk appartement aan
[adres1] te [plaats2] (hierna: de woning).
De relatie tussen [appellante] en de man is in 2010 beëindigd. [appellante] heeft in
januari 2011 een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend bij de (toenmalige) rechtbank Arnhem (hierna: rechtbank Arnhem). In die procedure heeft zij onder meer ook verzocht om een door de man te betalen partneralimentatie van € 2.000,- per maand en om het voortgezet gebruik van de woning. De man heeft tegen de beide laatste verzoeken verweer gevoerd. Hij heeft de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat het convenant nietig is. In deze procedure werd [appellante] bijgestaan door een andere advocaat.
In haar beschikking van 17 november 2011 heeft de rechtbank Arnhem de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken, partijen bevolen over te gaan tot de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen, bepaald dat [appellante] gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking het recht heeft om in de woning te blijven wonen en aan de man een alimentatieverplichting van € 267,- per maand opgelegd.
De rechtbank heeft het door de man gedane verzoek afgewezen.
De beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap van [appellante] en
de man is [in4] 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
[geïntimeerde] heeft namens [appellante] tegen de beschikking van de rechtbank Arnhem
hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem. Het beroep betrof de hoogte van de alimentatie. In het beroepschrift is aangegeven dat er bij de man meer draagkrachtruimte is. Om die reden diende volgens [appellante] een hogere, door het hof ‘in goede justitie’ te bepalen alimentatie te worden vastgesteld.
De man heeft in hoger beroep verweer gevoerd en incidenteel appel ingesteld. In het incidenteel appel heeft de man aangevoerd dat de door de rechtbank vastgestelde alimentatie te hoog is en dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om voor recht te verklaren dat het convenant nietig is, heeft afgewezen.
Op 26 juli 2012 heeft bij het hof Arnhem de mondelinge behandeling in hoger
beroep plaatsgevonden. Tijdens deze behandeling zijn [appellante] en de man ter beëindiging
van hun geschil een minnelijke regeling overeengekomen.
Op 23 augustus 2012 heeft het hof Arnhem een beschikking gegeven. Het hof Arnhem heeft het volgende overwogen:
“Ter mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt. Hieruit leidt het hof af dat partijen hun verzoeken in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gewijzigd. Zij hebben verklaard ter beëindiging van hun geschil het volgende te zijn overeengekomen:
- het appartement aan de [adres1] te [plaats2] (…) wordt zonder verdere verrekening aan de man toegescheiden; de man neemt het verlies van de onderwaarde voor zijn rekening.
- de vrouw zal het appartement uiterlijk op 1 februari 2013 verlaten;
- de man neemt de eigenaarslasten van het appartement, zijnde de hypotheeklasten, de kosten van de vereniging van eigenaren en de gemeentelijke belastingen, tot 1 februari 2013 voor zijn rekening;
- met ingang van 1 februari 2012 en ook voor de toekomst wordt de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wegens gebrek aan draagkracht op nihil gesteld; wijziging van deze afspraak is niet mogelijk;
- met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap van goederen zijn partijen overeengekomen dat zij zich tot [naam2] , notaris te [plaats1] , zullen wenden, die bij wijze van bindend advies de verdeling van alle baten en schulden, met uitzondering van de hypotheekschuld met betrekking tot het appartement, zal vaststellen.”
Het hof Arnhem heeft vervolgens de beschikking van de rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en de woning zonder verrekening aan de man toegescheiden, waarbij de man het verlies van de onderwaarde voor zijn rekening
neemt, en bepaald dat [appellante] het appartement uiterlijk 1 februari 2013 zal verlaten. Verder
heeft het hof Arnhem met ingang van 1 augustus 2012 en ook voor de toekomst de bijdrage
van de man in de kosten van levensonderhoud van [appellante] wegens gebrek aan draagkracht
op nihil gesteld en bepaald dat wijziging hiervan niet mogelijk is.
Dit hof, het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft in een arrest van 20 juli 2021 op vordering van [appellante] voor recht verklaard dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [appellante] door haar, zonder haar voldoende te informeren over de consequenties daarvan en zich ervan te vergewissen dat die consequenties haar duidelijk waren en zij daarmee instemde, te adviseren in te stemmen met de op 26 juli 2012 tijdens de zitting van het hof Arnhem met haar ex-partner getroffen regeling en dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de vermogensschade die daardoor is ontstaan.
4De vorderingen van [appellante] en de beslissing van de rechtbank
[appellante] heeft [geïntimeerde] vervolgens gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, en heeft in deze schadestaatprocedure van [geïntimeerde] een schadevergoeding van € 468.542 met wettelijke rente vanaf 20 juli 2021 en veroordeling in de proceskosten gevorderd.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 oktober 2024 (verder: het bestreden vonnis) die vorderingen afgewezen en [appellante] veroordeeld in de kosten van de procedure.
5De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen. Zij heeft vier bezwaren (grieven) tegen het bestreden vonnis geformuleerd, die het hof thematisch zal bespreken
Het hof zal oordelen dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Dat wordt hierna uitgelegd.
Doel en reikwijdte van de schadestaatprocedure
De schadestaatprocedure strekt er alleen toe om tot een vaststelling te komen van de schade die [appellante] heeft geleden doordat [geïntimeerde] haar, zonder haar voldoende te informeren over de consequenties daarvan en zich ervan te vergewissen dat die consequenties haar duidelijk waren en zij daarmee instemde, te adviseren in te stemmen met de op 26 juli 2012 tijdens de zitting van het hof Arnhem met haar ex-partner getroffen regeling.
1
Bij de begroting van de omvang van de schade van [appellante] gaat het, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad
2, uiteindelijk erom dat de toestand zoals die is na de tekortkoming van [geïntimeerde] wordt vergeleken met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien [geïntimeerde] niet tekort zou zijn geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens haar. Het gaat daarbij om een vergelijking tussen twee vermogenssituaties. De werkelijke situatie van [appellante] nu, waarin zij na het treffen van de regeling verkeert, dient dan ook te worden vergeleken met de hypothetische situatie waarin er geen regeling was getroffen, maar het hof Arnhem uitspraak had gedaan. Die hypothetische situatie kan niet nauwkeurig worden vastgesteld - de situatie heeft zich immers niet voorgedaan -, maar alleen worden benaderd. Bij die benadering gaat het om de redelijke verwachtingen.
Het hof is gehouden om bij de beoordeling in deze schadestaatprocedure uit te gaan van de uitgangspunten die het hof in zijn arrest in het hoofdgeding heeft geformuleerd, namelijk dat [appellante] ook in het geval (er geen regeling tot stand was gekomen en) het hof Arnhem indertijd een beschikking had gegeven in beginsel aanspraak zou hebben kunnen maken op het vruchtgebruik.
De vorderingen in dit hoger beroep
[appellante] heeft zich in dit hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van:
a) het mislopen van alimentatie;
b) het niet kunnen effectueren van het vruchtgebruik;
c) het niet kunnen delen in de waarde van de woning.
Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft [appellante] ook aanspraak gemaakt op immateriële schade en materiële proceskosten, maar deze vorderingen zijn geen onderdeel van dit hoger beroep, omdat [appellante] niet heeft gegriefd tegen de afwijzing daarvan door de rechtbank.
a) het mislopen van alimentatie
In de huidige situatie leeft [appellante] van een bijstandsuitkering. In de hypothetische situatie dat [geïntimeerde] niet tekort was geschoten en er destijds bij het hof Arnhem geen regeling was getroffen, had het hof Arnhem moeten oordelen over de destijds voorliggende verzoeken in hoger beroep. De rechtbank Arnhem had de door de man aan [appellante] te betalen alimentatie met toepassing van de Trema- normen vastgesteld op € 267 bruto per maand. [appellante] heeft zich destijds in haar appelschrift op het standpunt gesteld dat dit bedrag te laag was omdat de man naar haar mening meer draagkrachtruimte had. Zij verzocht het hof de door de man te betalen bijdrage te bepalen op een bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
De man was zijnerzijds ook in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank. Hij verzocht het hof de bijdrage in het levensonderhoud van [appellante] op nihil te bepalen.
[appellante] heeft in deze schadestaatprocedure betoogd dat zij gedurende een periode van minstens 12 jaar een alimentatie had kunnen verwerven van € 2.000 bruto per maand. Zij becijfert haar schade in dat verband op € 288.000.
[appellante] heeft aan deze vordering de stelling ten grondslag gelegd dat de man beschikte over een inkomen van € 80.000 bruto per jaar.
Uit de stukken die aan het hof Arnhem zijn overgelegd, blijkt echter dat het inkomen van de man in de loop der jaren fors is teruggelopen. Dat hield verband met het feit dat hij niet langer als beroepsmilitair werd uitgezonden voor vredesmissies, maar een bureaufunctie had gekregen. Zijn bruto jaarinkomen bedroeg blijkens de stukken in 2010 € 66.127, in 2011
€ 53.695 en in 2012 € 46.666.
Iemand met een bruto jaarinkomen van € 46.666 is niet in staat een bruto alimentatiebijdrage te betalen die uitkomt boven de bijstandsnorm. Tussen partijen staat – zoals namens [appellante] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 19 november 2025 is erkend – ook vast dat de man volgens de Trema-normen geen draagkrachtruimte had.
Dat betekent dat àls het hof de man in de hypothetische situatie al had veroordeeld tot het betalen van een alimentatiebijdrage, die bijdrage volledig in mindering zou hebben gestrekt op de bijstandsuitkering die [appellante] ontvangt, omdat de man nimmer een bedrag gelijk aan of hoger dan de bijstandsnorm zou hebben kunnen betalen. [appellante] lijdt dan ook geen schade door het mislopen van alimentatie. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat zij in de fictieve situatie wel in staat zou zijn geweest om zelf inkomsten uit arbeid te verwerven. Zij is in de feitelijke situatie steeds aangewezen geweest op een bijstandsuitkering. Dat dit het gevolg is van de tekortkoming van [geïntimeerde] , zoals zij lijkt te suggereren, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
[appellante] heeft in haar vierde grief geklaagd dat de rechtbank bij de beoordeling van deze schadepost ten onrechte is uitgegaan van het rapport alimentatienormen (Trema) versie 2012-1. [appellante] meent dat de alimentatie niet op basis van de draagkracht van de man had moeten worden vastgesteld, maar op basis van zijn inkomen, omdat zij gezien het bepaalde in artikel A7 van het convenant aanspraak kon maken op een levenslange bijdrage van de man in de kosten van haar huishouding.
Die grief is vergeefs voorgedragen. Nog daargelaten dat [appellante] ook in dit verband van een te hoog inkomen van de man uitgaat, [appellante] heeft destijds ook niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank Arnhem dat de alimentatie volgens de Trema-normen moest worden berekend. Bovendien geldt ook hiervoor wat onder 5.8 tot en met 5.10 is overwogen.
b) het niet kunnen effectueren van het vruchtgebruik
Zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.5 uiteen is gezet, moet in deze schadestaatprocedure uit worden gegaan van het in het hoofdgeding geformuleerde uitgangspunt dat [appellante] , ook als er bij het hof Arnhem geen regeling was getroffen maar het hof uitspraak had moeten doen, aanspraak had kunnen maken op vruchtgebruik.
In zoverre is grief 1, die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat [appellante] het vruchtgebruik zou hebben geeffectueerd, terecht voorgedragen. Uit hetgeen hierna wordt overwogen volgt echter dat dat niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden. Daarvoor is het volgende redengevend.
In de huidige situatie heeft [appellante] geen recht van vruchtgebruik. [appellante] heeft betoogd dat zij als gevolg van het mislopen van het vruchtgebruik een schade lijdt van
€ 307,72 per maand (haar huurlasten minus huurtoeslag minus woonkostencomponent in de bijstandsnorm). Zij stelt dat zij na 1 februari 2013, de datum waarop zij de woning heeft moeten verlaten, nog 28 jaar gebruik had kunnen maken van het vruchtgebruik. Zij begroot haar schade wegens het niet kunnen effectueren van het vruchtgebruik daarom op
€ 103.394.
Uit het verweerschrift dat de man in het hoger beroep bij het hof Arnhem heeft ingediend, blijkt dat hij zich verzette tegen een vruchtgebruik van [appellante] . Hij heeft benadrukt dat artikel 3:178 BW bepaalt dat een deelgenoot in een gemeenschap ten allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen, dat de gemeenschappelijke woning zes maanden na ontbinding van het geregistreerd partnerschap vatbaar is voor verdeling en dat de bevoegdheid om verdeling te vorderen bij overeenkomst telkens voor ten hoogste vijf jaar kan worden uitgesloten (artikel 3:178 lid 5 BW) . De man heeft in zijn incidenteel appel bij het hof Arnhem ook gevorderd te bepalen dat partijen overgaan tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen, inhoudende dat de gemeenschappelijke goederen bij helfte tussen partijen worden verdeeld.
Het hof is van oordeel dat naar redelijke verwachting het hof Arnhem in de fictieve situatie het recht van vruchtgebruik zou hebben beperkt tot een periode van vijf jaren na ontbinding van het partnerschap, derhalve tot 2 maart 2017. Uitgaande van het maandelijkse schadebedrag dat [appellante] heeft genoemd, zou dat neerkomen op een bedrag van 60 x
€ 307,72 = € 18.463,20. Het hof laat dan (in het voordeel van [appellante] ) buiten beschouwing dat uit het convenant volgt dat [appellante] in de periode van vruchtgebruik naar evenredigheid had dienen bij te dragen in alle aan de woning verbonden lasten, zodat het maandelijkse schadebedrag lager zou zijn uitgevallen. Bij het begroten van de schade moet evenwel ook rekening worden gehouden met de overige omstandigheden in de fictieve situatie. Daarvoor is het volgende van belang.
c) het niet kunnen delen in de waarde van de woning
Vast staat dat de woning in 2012 ‘onder water’ stond. De getroffen regeling hield in dat de woning zonder verrekening aan de man werd toegedeeld, onder de verplichting de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen; hij nam het verlies van de onderwaarde voor zijn rekening.
In de huidige situatie heeft [appellante] dus niet hoeven bijdragen in het verlies van de onderwaarde van de woning.
[appellante] heeft gesteld dat de woning in 2017, toen deze in de fictieve situatie verdeeld zou zijn, een veel hogere waarde had dan in 2012, zodat op dat moment geen sprake zou zijn geweest van een onderwaarde maar zelfs van een overwaarde. [appellante] heeft die stelling echter niet van enige onderbouwing voorzien. Uit de door [geïntimeerde] als productie 6 bij conclusie van antwoord overgelegde statistieken van de gemeente [plaats2] over de gemiddelde WOZ woningwaarde in die gemeente per jaar blijkt daarentegen dat de gemiddelde woningwaarde in 2017 juist is gedaald ten opzichte van 2012. Dat betekent dat aannemelijk is dat [appellante] in de fictieve situatie ook in 2017 had moeten bijdragen in de onderwaarde van de woning. Deze onderwaarde was in juli 2012 € 56.800 en in 2017 dus zeker niet geringer. [appellante] had in de fictieve situatie in 2017 moeten bijdragen in de helft van de onderwaarde, dus met een bedrag van tenminste € 28.400. Omdat dit bedrag aanzienlijk hoger is dan de schade die [appellante] als gevolg van het gedurende vijf jaar mislopen van het vruchtgebruik volgens haar eigen stellingen leed, heeft [appellante] per saldo geen schade geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] .
Gezien het voorgaande heeft [appellante] ook geen schade geleden door het niet kunnen delen in de waarde van de woning. Ook dit onderdeel van de schadevergoedingsvordering van [appellante] is dus niet toewijsbaar. Omdat is gebleken dat [appellante] geen schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [geïntimeerde] , kunnen de andere geschilpunten tussen partijen verder onbesproken blijven.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellante] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 oktober 2024;
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
€ 2.129 aan griffierecht
€ 10.572 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x appeltarief € 5.286).
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, H. de Hek en C. Koopman, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
13 januari 2026.
Arrest in het hoofdgeding van 20 juli 2021 ECLI:NL:GHARL:2021:6944
vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483
HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
