Gerechtshof Den Haag 29-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2913

Essentie (gemaakt door AI)

Appel in kort geding over verhuizing met minderjarigen. Ondanks uitgangspunt dat vervangende toestemming verhuizing in bodemprocedure hoort en in kort geding terughoudendheid past, acht hof een uitzondering gerechtvaardigd, gezien de ontstane precaire woon- en leefsituatie van alle betrokkenen. Volgt vernietiging vonnis waarin verhuisverbod en toevertrouwing aan vader is gegeven en vervangende toestemming aan moeder voor verhuizing naar X en inschrijving kinderen op school aldaar. Met zorgregeling voor vader.

Datum publicatie27-01-2026
Zaaknummer200.335.468/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Verhuizing met kind;
Familieprocesrecht; Kort geding art. 254 Rv
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kort geding: vervangende toestemming verhuizing. De moeder is ondanks een verhuisverbod met de minderjarigen verhuisd. Uitgangspunt is dat de voorzieningenrechter terughoudend moet zijn met het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing en een bodemprocedure hiervoor de aangewezen weg is. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het belang van de minderjarigen of de verzorgende ouder rechtvaardigen dat in kort geding vervangende toestemming wordt verleend. Het belang van de minderjarigen is hierbij een overweging van de eerste orde.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.335.468/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/667836 / KG ZA 23-967

Arrest in kort geding van 29 oktober 2024

in de zaak van

[de vrouw] ,

ingeschreven in [plaats 1] , feitelijk wonend in [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N. Schuerman, kantoorhoudend in Rotterdam,

tegen

[de man] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.A. Hoogendijk, kantoorhoudend in Rotterdam.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

locatie: Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

1De zaak in het kort

1.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond. Zij zijn de met het gezag belaste ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. Hoewel de man daar niet mee instemde, heeft de vrouw vorig jaar een huurwoning in [plaats 1] geaccepteerd. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank het door de man gevorderde verhuisverbod toegewezen, en voor zover zij reeds is verhuisd, de vrouw verplicht om met de minderjarigen terug te verhuizen naar de [gemeente] . Daarnaast heeft de rechtbank de door de vrouw gevorderde vervangende toestemming tot verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 1] afgewezen en de minderjarigen voorlopig, met ingang van
1 december 2023 tot het moment dat de vrouw een eigen woning in de [gemeente] heeft betrokken, toevertrouwd aan de man. Zowel de vrouw als de man is van het vonnis in hoger beroep gekomen.

1.2

Na het bestreden vonnis is de vrouw met de kinderen ingetrokken bij haar moeder. In de weekenden verblijven zij in de woning in [plaats 1] . Zij heeft de huur van haar oude huurwoning in [plaats 2] steeds verlengd. Per eind september 2024 heeft zij echter niet meer de beschikking over deze huurwoning.

1.3

Het hof gaat allereerst in op de vraag of vervangende toestemming tot verhuizing in kort geding kan worden verleend en beoordeelt vervolgens de diverse vorderingen.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 4 december 2023, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 28 november 2023 (hierna: het bestreden vonnis). Daarin heeft de vrouw haar grieven geformuleerd en een vordering gedaan tot schorsing ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

  • de memorie van antwoord van de man tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, met bijlagen;

  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;

  • het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 11 december 2023 met bijlage, ingekomen bij het hof op 25 maart 2024;

  • het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 12 augustus 2024 met bijlagen, ingekomen bij het hof op 13 augustus 2024;

  • het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 22 augustus 2024 met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

2.2

Bij brief van 21 augustus 2024 heeft de raad bericht niet ter zitting aanwezig te zijn.

2.3

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter met de minderjarigen gesproken.

2.4

Op 27 augustus 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3Procedure bij de rechtbank

3.1

De man heeft de vrouw gedagvaard en gevorderd, samengevat:

  • de vrouw te verbieden om met de minderjarigen naar [plaats 1] te verhuizen dan wel om de vrouw te verplichten om met de minderjarigen terug te verhuizen, op straffe van een dwangsom;

  • de minderjarigen voorlopig toe te vertrouwen aan de man.

3.2

De vrouw heeft op haar beurt gevorderd (in reconventie):

- om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarigen naar de [adres] in [plaats 1] en de minderjarigen op dat adres in te schrijven;

- om haar vervangende toestemming te verlenen voor aanmelding van de minderjarigen bij de school [school 1] in [plaats 1] waarbij de minderjarigen per 1 december 2023 kunnen starten.

3.3

In het bestreden vonnis van 28 november 2023 heeft de voorzieningenrechter:

in conventie:

  • de vrouw verboden om met de minderjarigen te verhuizen naar de gemeente [plaats 1] ;

  • de vrouw verplicht om met de minderjarigen terug te verhuizen naar de [gemeente] indien zij reeds is verhuisd naar de gemeente [plaats 1] ;

  • bepaald dat de minderjarigen met ingang van 1 december 2023 worden toevertrouwd aan de man, tot het moment dat de vrouw een eigen woning in de [gemeente] heeft betrokken;

  • het meer of anders verzochte afgewezen;

in reconventie:

- de vorderingen van de vrouw afgewezen.

Zowel in conventie als reconventie zijn de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4Vorderingen in hoger beroep

4.1

De vrouw is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het bestreden vonnis. Zij vordert het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

I. de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring te schorsen;

II. de vorderingen van de man af te wijzen;

primair:

III. de vordering van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarigen naar de [adres] in [plaats 1] , toe te wijzen;

IV. de vordering van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor aanmelding van de minderjarigen bij de school [school 1] in [plaats 1] , toe te wijzen;

V. voorlopig te bepalen dat de ouders het halen en brengen gelijkelijk verdelen na verhuizing naar [plaats 1] in de huidige zorgregeling;

subsidiair:

VI. een voorlopige gewijzigde regeling vast te stellen waarbij de minderjarigen in de ene week van vrijdag uit school tot maandag voor school of tot zondag 20 uur bij de man verblijven naar zijn wens en waarbij de minderjarigen in de andere week van zondag uit school tot zaterdag 12.00 uur bij man verblijven en waarbij ouders worden verwezen naar het wijkteam om te overleggen over een definitieve gewijzigde zorgregeling waarbij de man voldoende wordt gecompenseerd in de zorgregeling met de kinderen na verhuizing.

4.2

De man verweert zich daartegen en vordert in het incidenteel hoger beroep:

I. de vrouw te verplichten om met de minderjarigen terug te verhuizen naar een eigen woning in de woonplaats [woonplaats] , in de nabijheid van de school van de minderjarigen ( [school 2] ) en niet meer dan 3 kilometer verwijderd van de woning van de man en om de vrouw te verplichten met de minderjarigen ingeschreven te staan op het adres van deze woning en daar (met de minderjarigen) feitelijk verblijft;

II. de minderjarigen aan de man toe te vertrouwen met onmiddellijke ingang tot het moment dat de vrouw is verhuisd naar een eigen woning in de woonplaats [woonplaats] , in de nabijheid van de school van de kinderen ( [school 2] ) en niet meer dan 3 kilometer verwijderd van de man en de vrouw staat ingeschreven op het adres van deze woning en daar (met de minderjarigen) feitelijk verblijft;

III. een gewijzigde zorgregeling vast te stellen, zoals vermeld in de memorie van antwoord;

IV. de vrouw te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dan wel dagdeel dat zij geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft te voldoen aan het te wijzen arrest, een en ander met een maximum van € 10.000,- althans een door het hof te bepalen dwangsom;

V. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure in eerste aanleg alsmede in de kosten van het hoger beroep.

Bij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, voor het geval dat het hof overgaat tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van de vordering van de vrouw in reconventie onder primair:

I. a. een regeling in de verzorging en opvoeding vast te stellen waarbij de minderjarigen, in het weekend dat de man niet hoeft te werken, van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur bij hem verblijven;

b. vaststellen dat de vakantie- en feestdagenregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 27 oktober 2021 ongewijzigd van kracht blijft;

c. vaststellen dat het halen en brengen gelijkelijk wordt verdeeld tussen partijen, waarbij de man de minderjarigen op zondag terugbrengt naar de vrouw en de vrouw de minderjarigen op vrijdag naar de man brengt;

d. vaststellen dat de man maandelijks de kosten voor het halen en/of brengen inhoudt op de alimentatie, totdat eventueel een herziening van de kinderalimentatie heeft plaatsgevonden.

4.3

De vrouw kan zich vinden in hetgeen de man heeft gevorderd bij het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

5Beoordeling in hoger beroep

5.1

Het hof neemt tot uitgangspunt dat een procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de belangen van de betrokkene(n) vragen om een onmiddellijke voorziening die van kracht is totdat de rechter in een bodemzaak een definitieve beslissing heeft gegeven. De kort geding rechter dient ervoor te waken dat hij met zijn voorlopige voorziening vooruitloopt op de definitieve beslissing die in de bodemzaak zal volgen. In gevallen zoals in deze zaak zal de kort geding rechter terughoudend moeten zijn met het geven van vervangende toestemming voor de verhuizing van minderjarigen, omdat een verhuizing een ingrijpende gebeurtenis is voor minderjarigen en tot worteling in de nieuwe woonomgeving kan leiden, die een andersluidende uitspraak in de bodemprocedure onmogelijk kan maken. Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw – nadat zij hiervoor geen toestemming kreeg van de man – zelf een bodemprocedure had dienen te starten om te verzoeken om vervangende toestemming om te verhuizen. Dit heeft zij echter nagelaten, zodat zij de man in de situatie heeft gedwongen dat hij een kort geding procedure moest starten om de verhuizing zonder zijn toestemming te voorkomen. Daarbij heeft zij zowel het belang van de man als dat van de kinderen veronachtzaamd en alle betrokkenen, inclusief zichzelf, in een zeer moeilijke positie gebracht. Het uitgangspunt dat vervangende toestemming in een bodemprocedure dient te worden gevraagd, neemt echter niet weg dat in uitzonderlijke gevallen het belang van de minderjarigen en/of van de verzorgende ouder kan rechtvaardigen dat in kort geding vervangende toestemming wordt verleend voor een verhuizing. Bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing zal de rechter alle omstandigheden van het geval in acht moeten nemen, waarbij het belang van het kind een overweging van de eerste orde is, maar in voorkomend geval andere belangen zwaarder kunnen wegen dan het belang van het kind. Hoewel het hof van oordeel is dat de voorzieningenrechter destijds op goede gronden heeft geoordeeld zoals hij heeft gedaan, acht het hof een dergelijke geval hier inmiddels aan de orde, door de precaire situatie die naar aanleiding van voornoemd handelen van de vrouw is ontstaan en die de belangen van de kinderen aanzienlijk nadeel toebrengt. Het hof overweegt daartoe het volgende.

5.2

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt het volgende. Partijen hebben samengewoond in een huurwoning aan de [adres] , in de wijk [wijk] in [woonplaats] . Na het uiteengaan is de vrouw met de minderjarigen blijven wonen in deze huurwoning en is de man bij zijn ouders in dezelfde wijk ingetrokken. Al langere tijd verkeert de huurwoning aan de [adres] in zeer slechte staat en reeds voor het uiteengaan van partijen heeft de vrouw zich ingeschreven bij Woonstad Rotterdam om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Vanaf dat moment heeft de vrouw vergeefs op diverse – in haar ogen – geschikte huurwoningen gereageerd in de regio Rotterdam. Nadat de vrouw heeft gereageerd op een huurwoning in [plaats 1] , heeft zij deze op 5 oktober 2023 samen met de minderjarigen bezichtigd. De vrouw stond op dat moment op de vijfde plaats voor deze huurwoning. Na de bezichtiging kreeg de vrouw op 6 oktober 2023 bericht dat deze huurwoning aan haar was toegewezen. Diezelfde dag heeft de man haar laten weten niet met een verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 1] in te stemmen. Ondanks de bezwaren van de man, heeft de vrouw op 10 oktober 2023 Woonstad Rotterdam bericht de huurwoning in [plaats 1] te accepteren, heeft zij met de minderjarigen een basisschool in [plaats 1] bezichtigd en haar huurcontract van de woning aan de [adres] opgezegd. Na het bestreden vonnis heeft de vrouw het huurcontract van haar woning aan de [adres] steeds verlengd, maar is zij feitelijk met de minderjarigen bij haar moeder, die ook in de wijk [wijk] woont, ingetrokken. Gelijktijdig heeft zij de woning in [plaats 1] aangehouden. Inmiddels wonen de vrouw en de minderjarigen al meer dan een half jaar bij de oma moederszijde. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij en de minderjarigen in de weekenden in [plaats 1] verblijven als een soort vakantiehuis. De verhuurder heeft meegedeeld dat hij vanaf september 2024 niet langer instemt met de verlenging van de huurovereenkomst van de woning aan de [adres] .

5.3

Het hof wijst de vrouw er allereerst nogmaals op dat zij door de huurwoning in [plaats 1] te accepteren zonder instemming van de man, en zonder de rechter om vervangende toestemming te vragen, niet in het belang van de minderjarigen heeft gehandeld. Partijen wonen en woonden dicht bij elkaar in de buurt en kunnen daardoor uitvoering geven aan een zorgregeling waarbij beide ouders, maar ook de opa en oma vaderszijde, en de oma moederszijde, een groot aandeel in de opvoeding op zich nemen. Door de door de vrouw voorgestane verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 1] zal deze zorgregeling niet langer op deze wijze kunnen worden voortgezet. Aangezien partijen gezamenlijk met het gezag zijn belast, kan de vrouw dan ook niet met de minderjarigen verhuizen zonder instemming van de man of vervangende toestemming van de rechter. Hoewel het hof ziet dat de slechte staat van de woning het voor de vrouw noodzakelijk maakte met de minderjarigen te verhuizen, mocht van de vrouw worden verwacht dat zij in overleg met de man zou treden om overeenstemming te bereiken over de mogelijke locaties van verhuizing, bij bezichtigingen de man zou betrekken en daarna in gezamenlijk overleg met de man overeenstemming zou proberen te bereiken over een eventuele verhuizing.

5.4

Het hof ziet zich nu echter geconfronteerd met de situatie waarin de minderjarigen al geruime tijd de ene helft van de week met de man bij de opa en oma vaderszijde en de andere helft van de week met de vrouw bij de oma moederszijde inwonen, terwijl zij in het weekend in [plaats 1] verblijven. De situatie bij oma moederszijde is naar het oordeel van het hof niet voor langere tijd houdbaar. De huurwoning aan de [adres] , die al geruime tijd niet geschikt meer was voor bewoning, is (ook) geen optie meer voor de vrouw en de minderjarigen om te wonen. Niet alleen de man, die het nog niet is gelukt om een eigen (sociale huur)woning te vinden, maar ook de vrouw, en daarmee de minderjarigen, beschikken daardoor inmiddels niet meer over zelfstandige woonruimte. Het hof is van oordeel dat deze situatie ernstig in strijd met de belangen van de minderjarigen komt en snel tot een einde moet komen. De minderjarigen verkeren al een jaar in onzekerheid of en waar zij een eigen plek kunnen hebben en waar zich een belangrijk deel van hun leven zal afspelen. Dat verhuizing thans noodzakelijk is, is naar het oordeel van het hof dan ook een gegeven geworden.

5.5

Met de acceptatie van de vrouw van de huurwoning in [plaats 1] , zijn het hof en de man voor het voldongen feit komen te staan dat buiten de woning in [plaats 1] daarvoor feitelijk geen andere opties meer mogelijk zijn. Als de vrouw haar huurwoning in [plaats 1] nu immers zal opzeggen, zal het de vrouw, gezien de schaarste op de woningmarkt, niet op korte termijn lukken om een nieuwe (sociale) huurwoning in de wijk [wijk] of binnen de door de man verzochte straal van drie kilometer te vinden. Hoewel het hof de ontstane situatie betreurt en ook ziet dat de verhuizing van de minderjarigen naar [plaats 1] pijnlijk is voor de man, omdat dit betekent dat de minderjarigen op grotere afstand van hem en zijn familie komen te wonen, hij zijn kinderen minder zal kunnen zien en hij ook meer tijd kwijt zal zijn om zijn kinderen te zien, acht het hof het nu toch in het belang van de minderjarigen dat in dit kort geding vervangende toestemming wordt verleend zodat zij naar [plaats 1] kunnen verhuizen. Het hof weegt daarbij mee dat de minderjarigen tijdens het kindgesprek hebben laten weten dat zij de huidige situatie niet prettig vinden en graag naar [plaats 1] willen verhuizen, de reisafstand met de auto van [wijk] naar [plaats 1] overzienbaar is en de woning in [plaats 1] een ruime eengezinswoning is waar beide minderjarigen een eigen kamer kunnen krijgen. Verder kan de man op dit moment ook geen alternatieve mogelijkheden bieden om te wonen. Ter zitting heeft hij slechts laten weten dat wat hem betreft een woning voor de vrouw en de minderjarigen in [plaats 3] ook een mogelijkheid zou kunnen zijn. Ook dat is echter niet dicht bij de man in de buurt, en het is maar de vraag of de vrouw daar op korte termijn zou kunnen wonen.

5.6

Dit alles leidt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en aan de vrouw vervangende toestemming zal verlenen voor verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 1] .

5.7

Nu het hof de vrouw vervangende toestemming verleent om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats 1] en de man tegen de door de vrouw voorgestelde school geen inhoudelijke bezwaren heeft aangevoerd, zal het hof de gevraagde vervangende toestemming voor inschrijving van de minderjarigen op basisschool [school 1] in [plaats 1] ook verlenen. Het hof geeft partijen echter dringend in overweging om kort na dit vonnis de basisscholen in (de buurt van) [plaats 1] te bekijken en op basis daarvan alsnog gezamenlijk een passende basisschool te kiezen voor de minderjarigen.

5.8

Aangezien ook de vrouw instemt met de door de man voorgestelde regeling in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, zal het hof het hierbij gedane verzoek van de man toewijzen.

5.9

Uit het voorgaande volgt dat het hof niet toekomt aan de subsidiaire vordering van de vrouw en de vorderingen in het incidenteel hoger beroep van de man zal afwijzen. Nu het hof in deze beschikking een eindbeslissing neemt, heeft de vrouw bij beoordeling van haar schorsingsverzoek geen belang meer.

5.10

Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter op goede gronden de proceskosten heeft gecompenseerd. Ook in hoger beroep ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen. De andersluidende vordering van de man zal het hof afwijzen.

6Beslissing

Het hof in kort geding:

  • vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 28 november 2023;

  • verleent de vrouw vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarigen naar de [adres] te [plaats 1] ;

  • verleent aan de vrouw vervangende toestemming om de minderjarigen op basisschool [school 1] in [plaats 1] in te schrijven;

  • stelt, (gedeeltelijk) in afwijking van de beschikking van 27 oktober 2021, een zorgregeling vast, die inhoudt dat:

o de minderjarigen in het weekend dat de man niet hoeft te werken, van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur bij hem verblijven;

o er een vakantie- en feestdagenregeling geldt zoals vastgesteld bij beschikking van 27 oktober 2021;

o het halen en brengen gelijkelijk wordt verdeeld tussen partijen, waarbij de man de kinderen op zondag terugbrengt naar de vrouw en de vrouw de kinderen op vrijdag naar de man brengt;

  • bepaalt dat de man maandelijks de kosten voor het halen en/of brengen inhoudt op de alimentatie, totdat eventueel een herziening van de kinderalimentatie heeft plaatsgevonden;

  • verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

  • compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover daarin de proceskosten in eerste aanleg zijn gecompenseerd;

  • wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. C.M. Warnaar, mr. A.F. Mollema en mr. A.S. Mertens - de Jong en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733