Essentie (gemaakt door AI)
Zelfstandig verzoek van vader tot wijziging kinderalimentatie en invoering gezamenlijke kinderrekening. Vader wil verlaging van €263 p.p.p.m. (geïndexeerd uit €225) wegens hogere inkomsten moeder en gestelde lagere winst. Rechtbank oordeelt dat inkomensstijging moeder op zichzelf geen relevante wijziging vormt nu vader voldoende draagkracht heeft. Draagkracht berekend op basis van winst 2024 en fiscale kortingen; stiefdochter niet meegenomen. Verzoek tot kindrekening vereist overeenstemming; ontbreekt. Alle verzoeken van de| Datum publicatie | 27-01-2026 |
| Zaaknummer | C/09/693724 / FA RK 25-8144 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Wijziging van omstandigheden |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
1:401 BW, 1:395 BW: wijziging kinderalimentatie, toepassing ECLI:NL:GHDHA:2025:93 en geen draagkrachtvergelijking, winst uit onderneming, onderhoudsverplichting stiefkind, geen kindrekeningVolledige uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FARK 25-8144
Zaaknummer: C/09/693724
Datum beschikking: 19 december 2025
Kinderalimentatie
Beschikking op het op 25 augustus 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.C. Meijler in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.V. van der Bom in Den Haag.
Procedure
Deze zaak betreft een zelfstandig verzoek tot wijziging van kinderalimentatie op een verzoek van de moeder betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Dat verzoek is gedaan op 25 juli 2025 en bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaak- en rekestnummer C/09/689180 FA RK 25-5680. In die zaak is op 5 december beschikking gewezen.
De rechtbank heeft nadien opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
-
het op 4 december 2025 bij de rechtbank binnengekomen aanvullende verweerschrift van de moeder tegen de aanvullende/gewijzigde verzoeken van de vader;
-
de op 8 en 11 december 2025 zijdens de vader overgelegde producties 19-22.
Op 15 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de moeder bijgestaan door haar advocaat;
-
de vader bijgestaan door mr. K. van Doorn, waarnemend voor zijn advocaat.
Feiten
-
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
-
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 1] .
-
De vader heeft de kinderen erkend en de ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast, op grond van een aantekening van 8 juni 2020 in het gezagsregister.
-
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
-
De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Tsjechische nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 30 september 2020 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de vader met ingang van 1 juli 2020 aan de moeder een kinderalimentatie dient te voldoen van € 75, - per maand per kind en is het ouderschapsplan opgenomen in de beschikking.
- In het aan voornoemde beschikking gehechte ouderschapsplan hebben de ouders in artikel 7 afspraken opgenomen met betrekking tot de kinderalimentatie:
“7.1 Kosten van de kinderen
De kosten van de kinderen zijn door de ouders conform de gangbare tabellen begroot op €376,00 per maand en per kind, berekend aan de hand van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3650,00 per maand en een bedrag aan kinderopvangkosten van
€ 200,00 per maand. Voor wat de draagkracht van de vader wordt rekening gehouden met de door hem ten behoeve van zijn zoon [jongmeerderjarige] te betalen alimentatie en kosten contactregeling.
Corona-crisis
Partijen hebben overwogen dat deze overeenkomst tot stand komt in een voor de beide ouders onzekere periode. Voor hen beide is, als gevolg van de Corona-crisis, de financiële toekomst onzeker. De vader had een inkomen van € 45.000, - per jaar zijnde winst uit onderneming in 2018. Naar verwachting zal de winst in 2020 nog slechts ongeveer € 30.000, - bedragen, aldus een prognose van de accountant van het bedrijf van de man. Ook feitelijk is het inkomen van de man nu reeds met € 500, - netto per maand verminderd. De ouders spreken af dat, teneinde de vader niet in financiële problemen te laten komen, wordt uitgegaan van de prognose van de accountant. Tijdens de totstandkoming van het ouderschapsplan werd het inkomen van de man c.q. zijn maandelijkse aandeel in de winst verminderd met € 500, - in verband met de verminderde omzet van de onderneming. De moeder heeft een jaarinkomen van
€ 14.950,- volgens haar jaaropgave 2019. Beide partijen zijn onzeker of dit inkomen hetzelfde zal blijven. Derhalve is het door de man te betalen bedrag per maand niet op maximaal gesteld maar op een dusdanig bedrag dat de man in staat is de maandelijkse bijdrage te betalen zonder in financiële problemen te geraken. De ouders zullen aan de hand van de definitieve jaarcijfers 2020 een nieuwe berekening laten maken. Partijen komen ook overeen dat indien het inkomen van partijen na ondertekening van het ouderschapsplan significant wijzigt en/of één van de partijen daartoe aanleiding ziet, zij middels een door hun beide gekozen advocaat of mediator een herberekening van de kinderalimentatie zullen maken. Beide partijen hebben daartoe toegezegd dat zij onvoorwaardelijk hun medewerking zullen verlenen. Met ingang van de eerst volgende van de maand na ondertekening van dit ouderschapsplan en zolang de kinderen
minderjarig zijn en bij de moeder wonen/woont, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor de kinderen van € 75,00 per kind per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2021.
Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen wanneer zij bij hen zijn. Tevens betaalt iedere ouder zelf de kosten van de kinderopvang voor de dagen dat de kinderen bij hem of haar is. De moeder zal zorgdragen voor de kosten zoals van kleding, kapper; Partijen spreken af dat naast het bedrag genoemd in artikel 7.2 de man voor de helft zal bijdragen in eventuele extra uitgaven voor de kinderen, zolang die uitgaven op voorhand met hem zijn besproken en hij met het doen van die uitgaven
akkoord is gegaan. De ouders denken dan in het bijzonder aan extra uitgaven voor school; schoolreisje; contributie voor sportverenigingen en sport benodigdheden; fiets; computers; ziektekosten niet vergoed door de verzekering; orthodontist; etc.”
- Bij beschikking van 18 juli 2022 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is de door partijen bereikte overeenstemming vastgelegd en aldus met wijziging van het ouderschapsplan:
-
de door de vader met ingang van 8 december 2021 te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bepaald op € 225,- per kind per maand, onder aftrek van wat de vader tot op heden al aan de moeder heeft betaald.
-
de zorgregeling gewijzigd, in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week van zondagochtend tot en met woensdagochtend bij de vader verblijven en de andere week van zaterdag 17.00 uur tot woensdagochtend.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2025, is – voor zover hier relevant – de zorgregeling gewijzigd, in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader, met als wisselmoment vrijdag om 17.00 uur, en vastgesteld dat de regeling in de herfst- en voorjaarsvakantie begint op vrijdag om 17.00 uur en eindigt in de week daarna op zondag om 17.00 uur (9 nachten). Ook zijn partijen verwezen voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling.
-
De vader heeft tevens een zoon uit een eerdere relatie: [jongmeerderjarige] , geboren op
[geboortedatum 3] 2008 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] . -
De vader is op [dag] 2021 gehuwd met [naam] . Van het huidige gezin van de vader maakt deel uit zijn stiefdochter [minderjarige 3] , geboren op
[geboortedatum 4] 2014 in [geboorteplaats 1] .
Verzoek en verweer
De vader verzoekt, na wijziging en aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de beschikking van deze rechtbank van 18 juli 2022 en het ouderschapsplan van 8 juni 2020 in die zin te wijzigen dat:
- primair
de vader met ingang van 1 mei 2024 een bijdrage van € 22,50 per maand per kind verschuldigd is, en te bepalen dat de moeder de door haar te veel ontvangen kinderalimentatie over de periode vanaf 1 mei 2024 dient terug te betalen aan de vader binnen één maand na de datum van de beschikking, althans een zodanig bedrag, ingangsdatum en terugbetalingsverplichting als de rechtbank juist acht;
- subsidiair
de vader met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een bijdrage van € 28,50 per maand per kind verschuldigd is, en te bepalen dat de moeder de door haar te veel ontvangen kinderalimentatie over de periode vanaf datum van indiening van het verzoekschrift dient terug te betalen aan de vader binnen één maand na de datum van de beschikking, althans een zodanig bedrag, ingangsdatum en terugbetalingsverplichting als de rechtbank juist acht;
- de beschikking van de rechtbank van 18 juli 2022 en het ouderschapsplan van 8 juni 2020 in die zin te wijzigen dat met ingang van 1 december 2025 partijen gebruik maken van een gezamenlijke kinderrekening en ieder van hen bij vooruitbetaling een bijdrage stort, voor de vader is dit een bijdrage van € 57,- per maand en voor de moeder een bijdrage van € 456,- per maand, althans een zodanig bedrag en ingangsdatum als de rechtbank juist acht.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Kinderalimentatie
In de beschikking van 18 juli 2022 is een door partijen bereikte overeenstemming vastgelegd. Bepaald is een kinderalimentatie van € 225 per kind per maand. Na indexering naar 2025 bedraagt de kinderalimentatie nu € 263 per kind per maand. De vader vraagt wijziging van deze beschikking.
Vast staat dat het inkomen van de moeder na het afronden van MBO-een opleiding en indiensttreding bij de overheid, medio 2024, substantieel is gestegen zodat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Niet iedere wijziging van omstandigheden is echter voldoende voor een wijzing van de overeengekomen kinderalimentatie. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de inkomensstijging van de moeder tot gevolg moet hebben dat de kinderalimentatie die partijen in 2022 zijn overeengekomen, wordt herzien.
Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee dat bij voldoende draagkracht, een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen, nog geen relevante wijziging van omstandigheden vormt die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen (zie Gerechtshof Den Haag, 8 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:93). Als er voldoende draagkracht is, moet bij de vaststelling van de kinderalimentatie een draagkrachtvergelijking worden gemaakt. Dat hoeft niet zonder meer opnieuw bij iedere wijziging van omstandigheden. In deze zaak zal de rechtbank dit ook niet doen omdat dit alleen tot gevolg zou hebben dat de ene ouder (in dit geval: de vader) ten koste van de andere ouder (in dit geval: de moeder) in een betere positie wordt gebracht. Daarvoor is redengevend dat in 2022 een draagkrachtvergelijking is gemaakt (zie productie 5 zijdens de vader) en de vader nog steeds voldoende draagkracht heeft om het overeengekomen bedrag te blijven betalen.
Dat de vader nog steeds voldoende draagkracht heeft, blijkt uit het volgende. Daarbij neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep), opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport), als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader sluit de rechtbank aan bij de winst die de vader heeft behaald in 2024 en niet, zoals de vader, van het gemiddelde van de winst over 2022, 2023 en 2024. Daarvoor is redengevend dat de vader – zoals hiervoor is overwogen – in 2020 een vergelijkbare winst heeft behaald en de vader geen verklaring heeft gegeven voor de veel lagere winst die hij nu stelt te hebben behaald in 2022 en 2023. De vader is in zijn berekening over 2022 (productie 5) bovendien zelf ook van een winst van € 59.705 uitgegaan in plaats van het bedrag waar de vader in deze procedure voor 2022 mee rekent, namelijk € 42.205. De rechtbank betrekt bij dit oordeel voorts dat de vader pas ter zitting heeft verteld dat hij samenwerkt in een vennootschap onder firma met zijn schoonvader. De vader krijgt hieruit maandelijks geld gestort, maar kan niet uitleggen op basis waarvan de hoogte van dat bedrag is bepaald en heeft evenmin de winst- en verliesrekening zoals die uit zijn belastingaangifte blijkt, met controleerbare stukken onderbouwd. Evenmin heeft de vader ook maar iets verteld, laat staan onderbouwd, over de bedrijfsresultaten in 2025. De rechtbank gaat daarom in redelijkheid uit van een winst uit onderneming van € 61.149.
De rechtbank houdt net als de vader rekening met de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling.
De vader heeft, anders dan waar hij in zijn berekening vanuit gaat, net als de moeder recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat sprake is van co-ouderschap en zijn inkomen lager is dan dat van zijn huidige echtgenote die zijn fiscaal partner is. Zij heeft blijkens haar aangifte 2024 (productie 12 zijdens de vader) een inkomen uit dienstbetrekking van € 75.760 en maakt geen aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en voorts rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 4.077 per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.125, gebruikt de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)]. De draagkracht van de vader bedraagt dan € 1.081 per maand. Hieruit kan de vader de overeengekomen kinderalimentatie van nu € 263 per kind per maand voldoen, vermeerderd met een zorgkorting van € 161 per kind per maand (35% over de door hem gestelde behoefte van € 376 in 2020, wat geïndexeerd naar 2025 neerkomt op € 461 per kind per maand).
Ook als de rechtbank vervolgens rekening zou houden met de bijdrage die de vader stelt te betalen voor zijn zoon, namelijk gemiddeld € 225 per maand, heeft hij nog steeds voldoende draagkracht voor de overeengekomen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader betaalt dan immers € 526 kinderalimentatie voor zijn dochters en € 225 aan bijdrage ten behoeve van [jongmeerderjarige] , te vermeerderen met € 322 zorgkorting, dus in totaal € 1.073.
Dit zou anders zijn als ook rekening zou worden gehouden met de bijdrage die de vader stelt te betalen ten behoeve van zijn stiefdochter van € 116 per maand. De rechtbank is echter van oordeel dat daar geen rekening mee moet worden gehouden. De vader heeft immers niet onderbouwd wat de behoefte is van [minderjarige 3] en in welke verhouding ten opzichte van de ouders van [minderjarige 3] hij moet bijdragen. Dat de ouders van [minderjarige 3] een afspraak hebben gemaakt over wat ieder van hen moet bijdragen aan de kinderrekening, zegt daar niets over ook al is deze afspraak neergelegd in de beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap . Bovendien is de moeder van [minderjarige 3] op haar beurt ook onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nu die volgens een volledige fifty-fifty regeling bij hun beide ouders verblijven en aldus ook tot het gezin van de vader behoren. De vader heeft daarmee zelf op geen enkele wijze rekening gehouden, terwijl het bruto inkomen van de moeder van [minderjarige 3] aanzienlijk hoger is dan dat van zowel de vader als de moeder. Gelet hierop zou het onredelijk zijn om dan wel ten nadele van de moeder rekening te houden met de wettelijke onderhoudsplicht van de vader jegens zijn stiefdochter.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank af het verzoek van de vader tot verlaging van de kinderalimentatie.
Het verzoek van de vader om te bepalen dat partijen gebruik maken van een gezamenlijke kinderrekening en dat ieder van partijen daar een bedrag op dient te storten, wijst de rechtbank eveneens af. Een dergelijk verzoek kan alleen worden toegewezen als partijen het eens zijn. Bovendien zijn partijen niet in staat tot constructief overleg terwijl een goede samenwerking noodzakelijk is om succesvol gebruik te maken van een kindrekening. De vader heeft het beeld geschetst dat hij met zijn vrouw en drie meiden naar de stad gaat om te winkelen, en dan uitsluitend nieuwe kleren kan kopen voor [minderjarige 3] en niet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat de vader graag soms iets voor zijn eigen dochters zou willen kopen, is begrijpelijk. Hij kan dat echter doen uit zijn vrije ruimte van € 463 per maand (30% van zijn draagkrachtruimte) en ook de zorgkorting kan deels worden gebruikt om uitstapjes met de kinderen te financieren en hen af en toe met een cadeautje te verwennen. Maar het door de vader geschetste scenario is schrijnend voor zijn dochters en de rechtbank geeft de vader daarom nogmaals mee dat hij hen in de huidige situatie beter niet kan betrekken bij het kopen van nieuwe kleren voor [minderjarige 3] .
Beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.M.C. Guit-van den Berg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 december 2025.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
