Rechtbank Den Haag 19-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26773

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking waarin partneralimentatie opnieuw wordt vastgesteld op grond van art. 1:401 lid 4 BW wegens onjuiste gegevens in een eerdere hofbeschikking die alimentatie op nihil stelde. Vrouw toont aan dat man sinds 2020 substantieel hoger salaris/uitkeerbare winst had en dividend had kunnen uitkeren; rekening-courantschuld loopt juist op. Verweer ‘gewijzigde omstandigheden’ faalt bij gebrek aan onderbouwing. Alimentatie herleeft met terugwerkende kracht per 27-05-2020, oplopend volgens indexatie tot € 3.482 per maand per

Datum publicatie27-01-2026
ZaaknummerC/09/686645 / FA RK 25-4335
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Onjuiste gegevens en wijziging alimentatie; Terugwerkende kracht alimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging partneralimentatie omdat hof is uitgegaan van onjuiste gegevens. Vrouw heeft voldoende aangetoond dat man achteraf bezien aanzienlijk meer inkomsten heeft gehad, althans in redelijkheid had kunnen hebben.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-4335

Zaaknummer: C/09/686645

Datum beschikking: 19 december 2025

Alimentatie

Beschikking op het op 10 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.A. Ossentjuk te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 10 juni 2025;

  • het verweerschrift van de zijde van de man, ingekomen op 4 augustus 2025;

  • het bericht van 11 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • de brief van 18 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • het bericht van 19 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Op 21 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Van de zijde van de vrouw is een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2017.

- Bij beschikking van 29 november 2017 van het gerechtshof Den Haag is – voor zover hier van belang – de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 2.673,- per maand.

- Bij beschikking van 22 oktober 2018 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – het verzoek van de man om de door hem aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud vanwege het ontbreken van draagkracht aan zijn zijde per 1 juni 2018 op nihil te bepalen, afgewezen.

- Bij beschikking van 18 november 2020 van het gerechtshof Den Haag is voormelde beschikking van 22 oktober 2018 vernietigd en is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 27 mei 2020 op nihil bepaald.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt:

- de beschikking van 18 november 2020 van het gerechtshof Den Haag te vernietigen waardoor de eerder door het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 29 november 2017 vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 2.673,- per maand zal herleven, dan wel, opnieuw rechtdoende de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te bepalen ten laste van de man overeenkomstig het bedrag dat werd bepaald in de eerdere beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 november 2017, te weten op een bedrag van € 2.673,- per maand in het jaar 2017, met jaarlijkse indexeringen vanaf 1 januari 2018, dan wel een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen bijdrage te bepalen;

- te bepalen dat de man met terugwerkende kracht vanaf 27 mei 2020 dient te betalen aan de vrouw een bedrag van € 2.837,- bruto per maand (zijnde € 2.673,- in 2017 vermeerderd met indexeringen) jaarlijks te indexeren, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage, met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

- te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 3.482,- bruto per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage;

- de man te veroordelen in de kosten van deze procedure,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Onjuiste gegevens

Bij beschikking van 18 november 2020 is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 27 mei 2020 op nihil bepaald. De vrouw stelt nu over stukken te beschikken waaruit blijkt dat het destijds door de man geschetste negatieve scenario op grond waarvan de alimentatieverplichting op nihil werd gesteld, zich niet heeft voorgedaan. Naar de rechtbank begrijpt verzoekt zij om die reden de alimentatie met ingang van 27 mei 2020 te bepalen op een bedrag van € 2.837,- per maand, zijnde de in de beschikking van 29 november 2017 bepaalde partneralimentatie van € 2.673,- per maand geïndexeerd naar 2020.

De vrouw doet een beroep op artikel 1:401, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond hiervan kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

In de beschikking van 18 november 2020 is het uitgangspunt van het gerechtshof geweest dat de financiële omstandigheden van de man aanzienlijk waren verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van 29 november 2017. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aangetoond dat de man achteraf bezien sinds 27 mei 2020 aanzienlijk meer inkomsten heeft gehad, althans in redelijkheid had kunnen hebben, dan de door het gerechtshof veronderstelde inkomsten. Het gerechtshof is in haar beschikking derhalve uitgegaan van onjuiste gegevens. In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.

In de jaren 2017 tot en met 2019 bedroeg het door de man vanuit [bedrijfsnaam] BV (hierna: de holding) aan hemzelf uitgekeerde salaris € 98.579,- (2017), € 80.589,- (2018) en € 56.909,- (2019). In de beschikking van 18 november 2020 is het gerechtshof voor de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan van het salaris in 2019, te weten
€ 56.909,-. Voor 2020 werd toen een salaris van € 46.000,- verwacht. Uit de in de onderhavige procedure door de vrouw overgelegde jaarstukken blijken de volgende loonkosten: € 92.040,- (2020), € 91.961,- (2021) en € 93.366,- (2022). De rechtbank gaat ervan uit dat enkel de man als directeur-grootaandeelhouder salaris uit de holding ontving en concludeert dan ook dat het salaris van de man in 2020 en de jaren daarna niet substantieel lager was dan het salaris waarvan is uitgegaan in de beschikking van
29 november 2017 (€ 97.967,-).

Het gerechtshof is in de beschikking van 18 november 2020 bij de berekening van de draagkracht van de man niet uitgegaan van enig te ontvangen dividend. Op dat moment was het de verwachting dat op korte termijn geen dividend zou kunnen worden uitgekeerd door de holding aan de man. Hiervoor was met name doorslaggevend dat de in de coronatijd opgestelde prognose 2020 van de holding een verwacht negatief resultaat liet zien van

€ 10.686,- terwijl in de jaren daarvoor nog positieve resultaten werden behaald van

€ 183.322,- (2017), € 247.111,- (2018) en € 147.724,- (2019). Uit de in de onderhavige procedure overgelegde jaarstukken blijkt dat het resultaat na belastingen (en na het betalen van voornoemde loonkosten) in 2020 € 138.282,- bedroeg, in 2021 € 194.878,- en in 2022

€ 130.220,-. Gelet op voormelde winsten, alsmede op de reserves van de holding

(€ 2.120.170,- in 2020, € 2.315.048,- in 2021 en € 2.445.268,- in 2022) is de rechtbank van oordeel dat de man zichzelf wel degelijk een hoger inkomen, bijvoorbeeld via een dividenduitkering, vanuit de holding had kunnen uitkeren. Door de man is niet onderbouwd waarom voor het continueren van de bedrijfsvoering van de vennootschap dergelijke omvangrijke reserves zouden moeten worden aangehouden.

De man heeft ervoor gekozen om zichzelf geen dividend uit te keren, maar zijn rekening-courant schuld aan de holding te laten oplopen. Blijkens de beschikking van 22 oktober 2018 bedroeg de rekening-courant schuld van de man aan de holding in 2018 € 82.881,-. Op 31 december 2020 was deze schuld opgelopen tot € 706.976,- en op € 31 december 2021 tot € 906.974,-. In 2023 heeft de man zichzelf vanuit de holding een dividend van € 600.000,- uitgekeerd om af te lossen op zijn rekening-courant schuld. De rechtbank ziet niet in waarom er in de jaren vóór 2023 geen ruimte was voor een jaarlijkse dividenduitkering van € 83.333,- (het bedrag waarmee rekening is gehouden in de beschikking van 29 november 2027). Indien dit bedrag wel jaarlijks was uitgekeerd had de rekening-courant schuld niet hoeven oplopen tot een bedrag van € 921.347,- en was het niet nodig geweest om in 2023 in één keer een bedrag van € 600.000,- aan dividend uit te keren.

Nu het gerechtshof van onjuiste gegevens is uitgegaan – namelijk dat het voor de man noodzakelijk was om zijn salaris te verlagen en dat geen dividend meer zou kunnen worden uitgekeerd – heeft de beschikking van 18 november 2020 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord. Derhalve ziet de rechtbank aanleiding om conform het verzoek van de vrouw de partneralimentatie met ingang van 27 mei 2020 te bepalen op een bedrag van € 2.837,- per maand (€ 2.673,- per maand geïndexeerd naar 2020). De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat het niet redelijk is om de partneralimentatie met terugwerkende kracht tot 27 mei 2020 vast te stellen. Gezien de eerder tussen partijen gevoerde procedures over ditzelfde onderwerp, was de man bekend met de onderhoudsgerechtigdheid van de vrouw en de omvang van de gerechtelijk vastgestelde behoeftigheid van de vrouw en had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de man gelegen om de vrouw te laten weten dat de slechte prognose voor het jaar 2020 en de jaren daarna niet was uitgekomen. Het kan de vrouw niet kwalijk worden genomen dat zij niet eerder een procedure is gestart. De vrouw kon pas recent over (een deel van) de jaarstukken van de man beschikken in verband met een andere procedure tussen partijen over het afstorten vanuit de vennootschap van het aan de vrouw toekomende deel van de tijdens het huwelijk daarin opgebouwde pensioenrechten. Verder is de vrouw lang bezig geweest om een advocaat te vinden die haar op basis van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand in deze complexe zaak wilde bijstaan en is dat pas gelukt na interventie van de Deken van de Orde van Advocaten.

Gewijzigde omstandigheden

Op grond van artikel 1:401, eerste lid, BW kan een rechterlijke uitspraak bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Naar de rechtbank begrijpt stelt de man zich op het standpunt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Op dit moment zou de man zich slechts een salaris van € 1.750,- per maand kunnen uitkeren.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de man om aan te tonen dat en zo ja, per wanneer, er een wijziging is opgetreden en om daarbij volledige openheid van zaken te geven, ook over zijn vermogen. Hierin is de man niet geslaagd. De man legt slechts door hem zelf geproduceerde salarisspecificaties over. Daarnaast roept het vragen op dat de man begin 2025 een hypothecaire lening van € 600.000,- is aangegaan. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat een bank een dergelijke financiering verstrekt bij het door de man gestelde inkomen.

Vast staat dat de kinderen van partijen inmiddels allebei bij de man wonen en dat de man alle kosten van de kinderen voor zijn rekening neemt. Bij beschikking van 29 november 2017 is de behoefte van de twee kinderen samen vastgesteld op € 1.495,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de twee kinderen samen
€ 1.948,- per maand. Uit de aan deze beschikking gehechte berekening blijkt dat de man uitgaande van een salaris van € 97.967,- per jaar, een dividenduitkering van € 83.333,- per jaar en kosten van de kinderen van € 1.948,- per maand nog steeds in staat is om de bij beschikking van 29 november 2017 vastgestelde partneralimentatie te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is er gezien de onduidelijkheid over de vermogenspositie van de man geen reden om bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te houden met extra lasten vanwege de aflossing op schulden.

Gelet op het voorgaande en rekening houdend met de wettelijke indexatie zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw de volgende bedragen aan partneralimentatie moet betalen:

- met ingang van 27 mei 2020: € 2.837,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2021: € 2.922,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2022: € 2.977,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2023: € 3.078,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2024: € 3.269,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2025: € 3.482,- per maand.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van de procedure. Het verzoek van de vrouw hiertoe zal dan ook worden afgewezen en de proceskosten zullen worden gecompenseerd als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt – met wijziging van de beschikking van 18 november 2020 van het gerechtshof Den Haag – dat de man aan de vrouw de volgende bedragen aan partneralimentatie moet betalen:

- met ingang van 27 mei 2020: € 2.837,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2021: € 2.922,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2022: € 2.977,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2023: € 3.078,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2024: € 3.269,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2025: € 3.482,- per maand,

vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 december 2025.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733