Rechtbank Limburg 21-01-2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:496

Essentie (gemaakt door AI)

Incident ex art. 223 Rv waarin zoons vragen om voorlopige voorziening dat bewindvoerder van partner erflater erfbelasting voor hun legaten voorschiet. Testament bevat expliciete voorschotverplichting; legaten nog niet uitgekeerd. Verweer dat bepaling naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wordt verworpen. Voorlopige voorziening wordt toegewezen: bewindvoerder moet aan Belastingdienst betalen en betalingsbewijs aanleveren, op straffe van gematigde dwangsom. Proceskosten worden gecompenseerd.

Datum publicatie27-01-2026
ZaaknummerC/03/347736 / HAZA 25-521
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsMaastricht
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Legaat
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vonnis in incident ex artikel 223 Rv. De rechtbank veroordeelt de bewindvoerder om aanslagen erfbelasting te betalen aan de Belastingdienst voor het geval aan eisers een dergelijke aanslag wordt opgelegd in verband met het legaat dat aan hen is toegekend. Erflater heeft in het testament bepaald dat de erfgenaam de erfbelasting moet voorschieten als eisers daarom vragen. De rechtbank acht het beroep op die bepaling in het testament niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/347736 / HA ZA 25-521

Vonnis in incident van 21 januari 2026

in de zaak van

1 [zoon 1] ,

te [plaats 1] ,
2. [zoon 2],

te [plaats 2] ,

eisende partijen in de hoofdzaak,

eisende partijen in het incident,

hierna samen te noemen: [de zoons] ,

advocaat: mr. E.R. Peeters,

tegen

1. [de bewindvoerder], in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [partner erflater],

te [plaats 3] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder en [partner erflater] ,

advocaat: mr. A.L. van den Bergh,
2. [de dochter],

te [plaats 4] ,

thans geen advocaat (mr. J.B.G. Gelissen heeft zich onttrokken per 19 december 2025),

gedaagde partijen in de hoofdzaak,

verwerende partijen in het incident.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding, tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, met producties 1 t/m 41,

  • de akte overlegging productie 42 van [de zoons] ,

  • het B2-formulier van 19 december 2025 van mr. Gelissen waarin hij zich onttrekt als advocaat van [de dochter] (gedaagde sub 2),

  • de conclusie van antwoord in het incident van de bewindvoerder met producties 1 t/m 8

  • de akte in het incident ex artikel 223 Rv van de bewindvoerder (correctie tekst conclusie van antwoord in het incident)

  • correctie op akte in het incident ex artikel 223 Rv van de bewindvoerder.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De relevante feiten in het incident

2.1.

[de zoons] en [de dochter] zijn geboren uit het huwelijk tussen de heer
[de erflater] (hierna: erflater) en mevrouw [de moeder] (hierna: moeder). Het huwelijk tussen erflater en de moeder van [de zoons] en [de dochter] is in 2012 ontbonden.

2.2.

Met ingang van 12 november 2013 zijn erflater en [partner erflater] gaan samenwonen en voerden zij een gemeenschappelijke huishouding. Op 5 november 2015 zijn zij een samenlevingscontract aangegaan.

2.3.

Erflater is op 22 november 2020 overleden.

2.4.

Bij testament van 5 november 2015 1 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij [partner erflater] tot enig erfgenaam benoemd en is aan [de zoons] en aan [de dochter] , ten laste van de verkrijging van [partner erflater] , gelegateerd een bedrag (nominaal) gelijk aan de waarde van het erfdeel dat zij in de nalatenschap zouden hebben genoten indien zij tezamen met [partner erflater] , tezamen en voor gelijke delen, erfgenaam waren geweest.

2.5.

Verder is in het testament – voor zover van belang – het volgende bepaald.

“C. NADERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT GELEGATEERDE BEDRAGEN

1. Vastlegging grootte gelegateerde bedragen; waardering

Binnen één jaar na mijn overlijden moet een akte worden opgemaakt, waarbij de grootte van de gelegateerde bedragen wordt vastgelegd aan de hand van een boedelbeschrijving, op basis van een waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming over de (wijze van) waardering door één of meer deskundigen, waarvan de benoeming plaatsvindt, en het aantal wordt vastgesteld, door de kantonrechter van mijn laatste woonplaats.

2. Opeisbaarheid

De gelegateerde bedragen ten laste van mijn partner zijn pas opeisbaar bij zijn overlijden.

De gelegateerde bedragen zijn evenwel ook opeisbaar, en wel onmiddellijk en zonder enige ingebrekestelling, als mijn partner:

(…)

b. onder curatele wordt gesteld of wanneer zijn gehele vermogen onder bewind wordt gesteld, doch uitsluitend indien en voorzover de curator respectievelijk bewindvoerder van mening is dat de verzorging van mijn partner door de opeisbaarheid van de vorderingen niet in gevaar komt; eventuele geschillen betreffende de opeisbaarheid zullen aan de (kanton)rechter worden voorgelegd;

(…)

VERPLICHTING VOORSCHIETEN BELASTING

Indien en voor zover mijn afstammelingen als gevolg van de makingen ten behoeve van mijn partner niet de vrije beschikking hebben over hun erfrechtelijke verkrijging en indien zij ten gevolge van hun erfrechtelijke verkrijging erfbelasting en/of (meer) inkomsten – of andere belastingen zijn verschuldigd (dan zonder deze verkrijging het geval zou zijn geweest), is mijn partner, voor zover dit niet reeds in de wet is bepaald, op hun verzoek verplicht om deze belasting(en) renteloos voor te schieten.

De verrekening van de aldus voorgeschoten bedragen vindt plaats op het moment dat mijn afstammelingen de vrije beschikking krijgen over hun (gehele) erfrechtelijke verkrijging.

(…)

EXECUTEURSBENOEMING

Ik benoem mijn partner (…)tot executeur.

Voor het geval mijn partner deze benoeming tot executeur niet kan of wil aanvaarden benoem ik in zijn plaats, eventueel bij opvolging, met geheel gelijke bevoegdheden:

  • Mijn zoon, [zoon 1] , (…)

  • Mijn zoon, [zoon 2] , (…)

  • Mijn dochter, [de dochter] , (…)

(…)

Einde executele

De taak van de executeur eindigt:

(…)

b. door (…) de instelling van een (meerderjarigen)bewind als bedoeld in titel 1:19 Burgerlijk Wetboek over één of meer van zijn goederen;

(…)”

2.6.

In de verklaring van erfrecht van 9 december 2020 2 is opgenomen dat [partner erflater] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, alsook haar benoeming tot executeur.

2.7.

Op 12 augustus 2021 heeft [partner erflater] per Whatsapp-bericht een eerste boedelbeschrijving aan [de zoons] gestuurd, onder nazending van de bijlagen op
13 september 2021. 3 Bij e-mail van 3 november 2021 hebben [de zoons] en [de dochter] aan [partner erflater] laten weten dat zij zich niet kunnen verenigen met de boedelbeschrijving en hebben zij haar verzocht daarop een toelichting te geven. 4

2.8.

Partijen hebben nadien (via hun advocaten) over en weer gecorrespondeerd over de inhoud van de boedelbeschrijving, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. 5

2.9.

Bij beschikking van deze rechtbank van 6 oktober 2025 is met ingang van
7 oktober 2025 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [partner erflater] , onder benoeming van mevrouw [de bewindvoerder] tot bewindvoerder. 6

2.10.

Op 23 oktober 2025 hebben [de zoons] een verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht ingediend bij deze rechtbank 7 (zaaknummer C/03/346586 / HA RK 25-173) teneinde de waarde van de tot de nalatenschap behorende woning door een deskundige vast te laten stellen.

2.11.

Op 23 september 2025 hebben [de zoons] de (voorlopige) aangifte erfbelasting ingediend. 8 Bij brief van 15 september 2025 en e-mail van 23 oktober 2023 hebben [de zoons] aan [partner erflater] verzocht te bevestigen dat zij tijdig voor betaling van de aanslagen erfbelasting zal overgaan. 9

3Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[de zoons] vorderen – voor zover voor de beslissing in het incident van belang en samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de omvang van de gelegateerde bedragen vaststelt op een nader te bepalen bedrag en dat de bewindvoerder wordt veroordeeld de gelegateerde bedragen aan [de zoons] te voldoen. Verder vorderen zij dat de bewindvoerder wordt veroordeeld om zodra de (definitieve) aanslagen erfbelasting naar aanleiding van de aangifte van 23 september 2025 en de (nog in te dienen) definitieve aangifte erfbelasting aangaande de erfrechtelijke verkrijgingen van [de zoons] door de Belastingdienst zijn opgelegd:

  1. onder de voorwaarde dat de erfrechtelijke verkrijgingen als bedoeld onder I t/m III nog niet volledig aan [de zoons] zijn voldaan: de uit hoofde van die aanslagen door [de zoons] verschuldigde erfbelasting te voldoen c.q. voor te schieten middels voldoening ervan aan de Belastingdienst binnen de door de Belastingdienst gestelde betalingstermijn; en

  2. de uit hoofde van die aanslagen door [de zoons] verschuldigde belastingrente en/of eventuele boete(s) te voldoen middels voldoening ervan aan de Belastingdienst binnen de door de Belastingdienst gestelde betalingstermijn; en

  3. [de zoons] te voorzien van een betalingsbewijs, eveneens binnen de door de Belastingdienst gestelde betalingstermijn,

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per persoon per dag of gedeelte daarvan voor zover zij nalaat hieraan te voldoen, en te verklaren voor recht de voorgeschoten erfbelasting mag worden verrekend met de aan [de zoons] toekomende erfrechtelijke verkrijgingen, op het moment dat zij de vrije beschikking daarover krijgen.

In het incident

3.2.

[de zoons] vorderen bij wijze van een voorlopige voorziening om de bewindvoerder, voor het geval de aanslagen erfbelasting naar aanleiding van de aangifte erfbelasting van 23 september 2025 hangende dit geding zullen worden opgelegd, te veroordelen om:

  1. de uit hoofde van die aanslagen door [de zoons] verschuldigde erfbelasting, eventuele belastingrente en/of eventuele boete(s) voor te schieten middels betaling ervan aan de Belastingdienst binnen de door de Belastingdienst gestelde betalingstermijn; en

  2. aan [de zoons] een bewijs van betaling te verstrekken, eveneens binnen de door de Belastingdienst gestelde betalingstermijn,

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per persoon per dag of gedeelte daarvan voor zover zij nalaat hieraan te voldoen.

3.3.

Volgens [de zoons] is [partner erflater] op grond van het testament verplicht om, in haar hoedanigheid van erfgenaam, de door [de zoons] verschuldigde erfbelasting renteloos voor te schieten zolang [de zoons] nog niet de vrije beschikking hebben over hun erfrechtelijke verkrijgingen. Nu [partner erflater] tot heden niet heeft zorggedragen voor de aangifte erfbelasting en evenmin, ondanks herhaald verzoek, heeft bevestigd dat zij de op haar rustende verplichting om de over de legaten van [de zoons] verschuldigde erfbelasting voor te schieten, hebben [de zoons] gegronde vrees dat [partner erflater] niet aan deze verplichtingen zal voldoen. Naar verwachting wordt de aanslag erfbelasting binnen afzienbare tijd opgelegd, terwijl [de zoons] nog niets uit de nalatenschap hebben ontvangen. Als de aanslag(en) niet tijdig worden voldaan, is invorderingsrente verschuldigd en kan de Belastingdienst [de zoons] ook aanspreken op betaling ervan, aldus [de zoons]

3.4.

De bewindvoerder voert verweer. Zij stelt, kort gezegd, niet in staat te zijn om de erfbelasting voor te schieten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

In artikel 223 Rv is bepaald dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang is. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Indien aan deze twee (processuele) vereisten is voldaan, dient vervolgens de gevorderde voorziening inhoudelijk te worden beoordeeld. Evenals in kort geding komt het daarbij aan op de vraag of een afweging van de belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel op dit moment rechtvaardigt, onder meer gelet op de proceskansen in de hoofdzaak. De rechtbank oordeelt dat de gevraagde voorziening moet worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing is bepaald. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de gevraagde voorziening samenhangt met de vorderingen in de hoofdzaak.

4.3.

Een provisionele vordering als bedoeld in artikel 223 Rv is naar zijn aard niet gericht op de verkrijging van een definitieve beslissing over de rechtspositie van partijen, maar op het treffen van een maatregel van voorlopige aard door de rechter bij wie de hoofdzaak aanhangig is. Bij het geven van een beslissing in de hoofdzaak is de rechter door de naar hun aard voorlopige beslissingen in het provisionele vonnis niet als door een gewijsde gebonden. Een provisionele vordering kan ook strekken tot toewijzing van hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd of van een gedeelte hiervan. Artikel 223 Rv bevat geen beperking van de bevoegdheid van de rechter tot het toewijzen van een provisionele vordering van een zodanige inhoud, terwijl overwegingen van doelmatigheid ervoor pleiten om die bevoegdheid aan te nemen. 10 Tegen de achtergrond van voormeld toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat de vordering in het incident voldoet aan het tweede processuele vereiste.

4.4.

[de zoons] hebben verder voldoende belang bij toewijzing van hun vordering. [partner erflater] heeft de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard. Zij is de enig erfgenaam. Het testament van erflater bevat een duidelijke bepaling over de verplichting tot het voorschieten van erfbelasting door [partner erflater] . 11 De legaten zijn tot heden niet uitgekeerd aan [de zoons] en [de dochter] . [de zoons] hebben aan [partner erflater] het verzoek gedaan om eventueel verschuldigde erfbelasting renteloos voor te schieten. In het geval de Belastingdienst (rechtstreeks) aan [de zoons] erfbelasting in rekening brengt vanwege de legaten die nog niet uitgekeerd zijn door [partner erflater] aan [de zoons] , is zij op grond van het testament als erfgenaam verplicht de erfbelasting renteloos voor te schieten, omdat [de zoons] daarom verzocht hebben.

4.5.

De rechtbank verwerpt het betoog van de bewindvoerder dat de bepaling “verplichting voorschieten belasting” in het testament van erflater naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [partner erflater] heeft samengewoond met erflater. Zij zal daarom op de hoogte geweest zijn van zijn welstandsniveau. Haar eigen inkomstenpositie kent zij. Met die kennis heeft [partner erflater] de nalatenschap zuiver aanvaard. Tegen die achtergrond is haar huidige inkomenssituatie, vijf jaar na het overlijden van erflater, niet toereikend als onderbouwing voor haar beroep op het buitentoepassing laten van de bewuste bepaling.

4.6.

De conclusie is dat de vordering in het incident om - kort gezegd - de erfbelasting voor te schieten toewijsbaar is. Gevorderd is om aan die veroordeling een dwangsom te verbinden. Artikel 611a lid 1 Rv verzet zich niet tegen het opleggen van een dwangsom, omdat niet gevorderd wordt dat de bewindvoerder bedragen betaalt ter hoogte van de aanslagen aan [de zoons] , maar aan een derde, namelijk de Belastingdienst. De rechtbank ziet wel aanleiding de hoogte van de gevorderde dwangsom te matigen tot € 50,00 per persoon per dag en tot een maximum van € 5.000,00 per persoon.

4.7.

Gelet op de familierechtelijke aard van het geschil ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

veroordeelt de bewindvoerder voor het geval de aanslagen erfbelasting naar aanleiding van de aangifte erfbelasting van 23 september 2025 (productie 39 dagvaarding) hangende dit geding zullen worden opgelegd, om
a) de uit hoofde van die aanslagen erfbelasting door [zoon 2] en [zoon 1] verschuldigde erfbelasting, eventuele belastingrente en/of eventuele boetes(s) voor te schieten middels betaling ervan aan de Belastingdienst binnen de door de Belastingdienst gestelde betalingstermijn; en

b) aan [zoon 2] en [zoon 1] een bewijs van betaling te verstrekken, eveneens binnen de door de Belastingdienst gestelde betalingstermijn,

zulks op straffe van een dwangsom van € 50,00 per persoon per dag of gedeelte daarvan dat zij na betekening van het vonnis nalaat hieraan te voldoen, met een maximum van € 5.000,00 per persoon,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.4.

verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van vandaag (21 januari 2026) voor conclusie van antwoord en voor opgave verhinderdata partijen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

1

Productie 2 dagvaarding.

2

Productie 3 dagvaarding.

3

Productie 4 en 5 dagvaarding.

4

Productie 6 dagvaarding.

5

Producties 7 t/m 17 dagvaarding.

6

Productie 20 dagvaarding.

7

Productie 18 dagvaarding.

8

Productie 38 en 39 dagvaarding.

9

Productie 17 en 40 dagvaarding.

10

Hoge Raad 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2489

11

Zie rov. 2.5



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733