Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8519

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep over wijziging partneralimentatie. Partijen erkennen gewijzigde inkomens art. 1:401 lid 1 BW, zodat herbeoordeling plaatsvindt. Behoefte vrouw staat vast; behoeftigheid betwist. Hof oordeelt dat wegens gezondheid niet meer werken dan 24 uur per week kan worden verlangd (grief 1 faalt). Hof rekent echter met redelijke bijdrage van inwonende meerderjarige zoon van € 500 per maand als inkomenscomponent (grief 2 slaagt). Daardoor geen aanvullende behoefte zolang zoon inwoont. Nihilstelling per 1 januari 2026.

Datum publicatie23-01-2026
Zaaknummer200.355.879
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Behoeftig/behoefte
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging partneralimentatie. Behoeftigheid. Bijdrage inwonend meerderjarig kind van 28 jaar die in eigen levensonderhoud voorziet.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.355.879

(zaaknummer rechtbank Overijssel 322531)

beschikking van 23 december 2025

inzake

[verzoeker] ,

wonende in [woonplaats1] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.M. Hendriksen,

en

[verweerster] ,

wonende in [woonplaats1] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.M. Elferink.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo (hierna ook: de rechtbank), van 21 maart 2025, uitgesproken onder het hiervoor gemelde zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 juni 2025;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht namens de vrouw van 31 oktober 2025 met een begeleidende brief en een productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- de man en zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

3De feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is op 13 februari 2020 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Bij beschikking van 17 januari 2022 heeft de rechtbank (met wijziging van echtscheidingsconvenant van 22 januari 2020 en de echtscheidingsbeschikking van 7 februari 2020) bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2022 aan de vrouw als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) € 387,- per maand moet betalen. Geïndexeerd is de partneralimentatie in 2025 € 453,- per maand.

4De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man de partneralimentatie te wijzigen, afgewezen.

4.2

De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en komt daarvan in hoger beroep. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de bij beschikking van 17 januari 2022 vastgestelde partneralimentatie met ingang van 11 oktober 2024 vast te stellen op nihil.

4.3

De vrouw voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel indien en voor zover het hof van mening is dat zij terug dient te betalen dit te maximaliseren tot een bedrag van maximaal € 100,- per maand.

5De motivering van de beslissing

wijziging van omstandigheden

5.1

In de eerste plaats is de vraag aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat hun inkomens zijn gewijzigd sinds de beschikking van 17 januari 2022 waarvan wijziging wordt verzocht. Dit is naar het oordeel van het hof een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de partneralimentatie rechtvaardigt.

huwelijksgerelateerde behoefte

5.2

De in het echtscheidingsconvenant van 22 januari 2020 door de man en de vrouw vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 2.100,- netto per maand is niet in geschil. Geïndexeerd is de behoefte van de vrouw in 2025 € 2.578,- netto per maand.

behoeftigheid

5.3

De man stelt de behoeftigheid van de vrouw ter discussie. Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en die inkomsten ook niet redelijkerwijs kan verwerven.

5.4

De man stelt in grief 1 samengevat dat de vrouw op geen enkele wijze heeft onderbouwd wat zij heeft gedaan om haar werkweek sinds begin 2020 van 24 uur per week uit te breiden naar 36 uur per week, zodat zij wel in staat zou zijn om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat de vrouw om medische redenen met ingang van 8 januari 2025 niet kon werken, staat los van de vraag of de vrouw aan de op haar rustende inspanningsverplichting heeft voldaan in de jaren 2021 tot en met 2024. Bovendien blijkt uit de overgelegde medische informatie niet wat de huidige ziekte van de vrouw betekent voor haar mogelijkheden om weer te gaan werken en bovendien werkt zij inmiddels weer. De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een zodanige verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw dat zij in staat is volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

5.5

De vrouw voert verweer en stelt samengevat dat zij onvoldoende verdiencapaciteit heeft om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Volgens de vrouw was zij voordat zij de diagnose chronische lymfeklierkanker kreeg al langere tijd extreem vermoeid. De vrouw stelt dat zij nog steeds erg moe is en dat haar gezondheidssituatie op dit moment stabiel is, maar ze wordt niet meer beter en zal haar hele leven elke zes maanden worden onderzocht en op basis daarvan mogelijke behandelingen moeten ondergaan. Inmiddels werkt ze vanaf 22 juli 2025 weer 24 uur per week, maar vanwege haar ziekte en vermoeidheid is zij niet in staat meer uren te werken.

5.6

Het hof overweegt als volgt. De man verzoekt in hoger beroep de partneralimentatie met ingang van 11 oktober 2024 op nihil te stellen. Gelet op deze ingangsdatum en hetgeen de vrouw heeft verklaard en onderbouwd over haar gezondheid, is het hof van oordeel dat van de vrouw vanaf deze verzochte ingangsdatum niet kan worden verwacht dat zij meer werkt dan de huidige 24 uur per week. Of de vrouw in de jaren 2021 tot en met 2024 aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, is hier niet langer relevant omdat de vrouw vanwege haar gezondheid op dit moment niet in staat moet worden geacht meer uren te werken dan zij thans doet. Grief 1 faalt.

5.7

In zijn grief 2 stelt de man dat van de vrouw kan worden verlangd dat zij een bijdrage vraagt aan de 28-jarige thuiswonende zoon van partijen en dat dit een inkomenscomponent aan de zijde van de vrouw is. Volgens de man werkt de zoon fulltime en verdient hij minimaal € 2.000,- netto per maand, zodat het redelijk is dat hij € 500,- per maand aan kostgeld betaald aan de vrouw, hetgeen dan voor haar als inkomen heeft te gelden.

5.8

De vrouw voert aan dat de inwonende zoon (feitelijk) geen kostgeld betaald. Het komt vaker voor dat kinderen bij ouders verblijven gezien de huidige woningmarkt. De zoon moet een financiële buffer opbouwen om op enig moment een woning te kunnen kopen. Ook op de huurwoning markt heerst krapte en is op korte termijn geen woning beschikbaar. Volgens de vrouw is het niet redelijk om kostgeld te vragen en als inkomenscomponent te zien.

5.9

Het hof overweegt als volgt. De man heeft onbetwist gesteld dat de bij de vrouw inwonende meerderjarige zoon van 28 jaar fulltime werkt en een inkomen heeft van tenminste € 2.000,- netto per maand. De zoon moet daarmee geacht worden in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en dan valt niet in te zien waarom niet van hem kan worden verwacht dat hij maandelijks bijdraagt in de woonlasten en de kosten van de huishouding analoog aan de situatie dat sprake zou zijn van een werkende inwonende partner. Dat de vrouw om haar moverende redenen geen bijdrage vraagt aan de zoon, leidt niet tot een ander oordeel. Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk om bij de bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw rekening te houden met een te ontvangen bijdrage van de inwonende meerderjarige zoon van € 500,- per maand. Grief 2 slaagt.

5.10

Aan de orde is vervolgens de vraag in hoeverre de vrouw gelet op het voorgaande nog behoeftig is. Niet is gegriefd tegen de vaststelling van de rechtbank van het netto-inkomen van de vrouw van € 2.346,- per maand op basis van haar dienstverband van 24 uur per week en de daarbij behorende netto aanvullende behoefte € 232,- per maand, zijnde € 443,- bruto per maand. Nu het hof rekening houdt met een bijdrage van de inwonende zoon van € 500,- per maand beschikt de vrouw over voldoende inkomsten en heeft zij zolang de zoon bij haar woont geen aanvullende behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Alles afwegende zal het hof het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie om die reden derhalve toewijzen.

ingangsdatum

5.11

Het hof hanteert als ingangsdatum van de nihilstelling van de partneralimentatie 1 januari 2026 (de eerste van de maand volgend op de datum van deze beschikking). De vrouw heeft tot op heden nog geen bijdrage van de inwonende meerderjarige zoon ontvangen en het hof acht het niet redelijk dat zij met terugwerkende kracht haar inwonende meerderjarige zoon om een bijdrage moet vragen. Per 1 januari 2026 ligt dit anders.

6De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief 2. Het hof zal de bestreden beschikking ten gevolge daarvan vernietigen en beslissen als hierna onder 7. vermeld.

6.2

Gelet op het familierechtelijk karakter van de procedure, zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 21 maart 2025 en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 17 januari 2022 en stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2026 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de kosten draagt van dit hoger beroep;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, S. Kuijpers en M.E.L. Klein en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733