Rechtbank Limburg 05-01-2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:347

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding tussen ex-echtgenoten over uitvoering convenant m.b.t. echtelijke woning. Volgens Haviltex geldt uit art. 7 een resultaatsverplichting met harde termijn (uiterlijk 30-04-2025); overschrijding activeert verkoopregeling van art. 8. Belangenafweging: man krijgt laatste kans om financiering en ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid te realiseren. Bij uitblijven bevestiging uiterlijk 31-01-2026 moet man meewerken aan verkoop, levering en notariële afwikkeling, op straffe van dwangsom.

Datum publicatie23-01-2026
Zaaknummer347635
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsRoermond
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Medewerking verkoop woning ex-partners. Inspanningsverplichting, belangenafweging.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/347635 / KG ZA 25-477

Vonnis in kort geding van 5 januari 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

wonende te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mr. R.C. van Bakel,

tegen

[gedaagde partij] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

advocaat: mr. S.X.J. Zuidema.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 22 december 2025
- de pleitnota van [eisende partij] .

2De feiten

2.1.

[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn ex-echtgenoten.

2.2.

Partijen zijn op 7 oktober 2005 met elkaar gehuwd te [plaats 3] . Bij beschikking van [datum] 2025 is de echtscheiding uitgesproken en op 25 februari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben onderling een regeling getroffen die is vermeld in het aan de beschikking gehechte convenant en ouderschapsplan, welke deel uitmaken van de echtscheidingsbeschikking.

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning staande en gelegen te [adres 1] (hierna te noemen: de woning). [gedaagde partij] woont op dit moment in de woning.

2.4.

Voor zover relevant zijn partijen met betrekking tot de woning in het echtscheidingsconvenant het volgende overeengekomen:

‘’7. De woning wordt aan de man toegedeeld en zal door de man worden overgenomen onder de voorwaarde dat hij de financiering rond kan krijgen en de bank de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid zal ontslaan en vervolgens uiterlijk 30 april 2025 of zoveel eerder als mogelijk blijkt te zijn het notarieel transport betreffende de overname van de woning door de man zal hebben plaatsgevonden. De man zal zich daartoe inspannen. Toedeling van de in artikel 5 genoemde woning aan de man geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de Rabobank en de besloten vennootschap Leentje Beheer B.V. de vrouw ontslaan uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschuld. Waarna de man de uit de hypothecaire geldlening voortvloeiende verplichtingen als zijn eigen schuld zal voldoen. De resterende overwaarde na verkoop zal gelijkelijk over partijen worden verdeeld.

8. Voor het geval de bank niet bereid zou zijn om de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, zullen partijen de woning binnen 4 weken na de weigering van de bank te koop zetten bij een nog nader aan te wijzen makelaar tegen een nog nader overeen te komen vraagprijs, waarbij het advies van de makelaar leidend dient te zijn.

9. Uiterlijk bij gelegenheid van het notarieel transport betreffende de overname van de woning door de man zal de helft van de overwaarde aan de vrouw worden voldaan.’’

2.5.

[eisende partij] heeft [gedaagde partij] – na eerdere aanmaningen – op 2 oktober 2025 een laatste kans geboden om de woning over te nemen. [eisende partij] heeft daarbij aangegeven dat zij haar tijdelijke woning op korte termijn moet verlaten, maar dat zij door haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening geen andere woning kan kopen.

2.6.

Op 28 november 2025 heeft de hypotheekadviseur van [gedaagde partij] bevestigd dat de hypotheekaanvraag van [gedaagde partij] compleet bij BLG ligt en dat thans uitsluitend de inhoudelijke beoordeling door de bank resteert. Daarbij geeft de hypotheekadviseur aan dat er sprake is van een maatwerkdossier waarbij het niet ongebruikelijk is dat de beoordeling langere tijd in beslag neemt.

2.7.

[gedaagde partij] is er tot op hedenniet in geslaagd om de woning op zijn naam te zetten en [eisende partij] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen.

3Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde partij] gebiedt om binnen één week na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan [makelaar] gevestigd aan de [adres 2] tegen een door deze makelaar te bepalen marktconforme vraag- en laatprijs van de woning staande en gelegen te [adres 1] en de helft van de kosten van de makelaar te dragen op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom met een maximum;

II. [gedaagde partij] gebiedt om binnen één week na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan het verkooptraject van de woning staande en gelegen te [adres 1] , waaronder het bezichtigingswaardig en schoonhouden van de woning en het afgeven van de sleutels aan voornoemde makelaar, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom met een maximum;

III. [gedaagde partij] gebiedt om na uitvoering van deze geboden zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning staande en gelegen te [adres 1] aan een derde en de levering van de woning aan die derde, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom met een maximum;

IV. bepaalt dat indien [gedaagde partij] niet voldoet aan het hierboven onder III bepaalde, het vonnis in de plaats treedt van het deel van de koopovereenkomst of de akte van levering waaruit blijkt van de wilsverklaring van [gedaagde partij] dat hij de woning staande en gelegen te [adres 1] (mede) verkoopt c.q. levert;

V. bepaalt dat door de verlijdende notaris na levering de verkoopopbrengst van de woning staande en gelegen te [adres 1] wordt gebruikt om de daarop rustende hypothecaire geldlening(en) bij BLG met leningnummer [nummer] en bij Leentje Beheer B.V. af te lossen en dat hetgeen na betaling van de makelaars- en overige verkoopkosten daarna resteert zonder nadere verrekening aan beide partijen voor de helft zal worden uitgekeerd;

VI. althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie acht;

VII. [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten en de nakosten van deze procedure daaronder begrepen het salaris advocaat.

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] .

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

4.2.

Het spoedeisend belang volgt in dit geval uit de aard van de zaak. Als uitgangspunt in situaties als deze geldt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Dit betekent dat het aandeel in de woning van de een aan de ander moet worden overgedragen of dat de woning moet worden verkocht aan een derde. Vast staat dat partijen na het eindigen van de relatie nog steeds in onverdeeldheid verkeren en [eisende partij] nog altijd hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheekschuld. Voorts heeft [eisende partij] onweersproken gesteld dat zij haar huidige woonruimte in januari 2026 moet verlaten, terwijl zij geen nieuwe hypotheek kan afsluiten zolang zij niet uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid is ontslagen. Daarmee is het spoedeisend belang van [eisende partij] bij haar vorderingen gegeven.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.

[eisende partij] vordert nakoming van de afspraken uit het tussen partijen gesloten convenant. De afspraken zoals opgenomen in artikel 7 van het convenant houden volgens haar in dat [gedaagde partij] uiterlijk op 30 april 2025 het onverdeelde aandeel in de woning had moeten overnemen en zij uiterlijk op die datum ontslagen had moeten zijn uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] ook na 30 april 2025 nog de mogelijkheid gegeven om de woning over te nemen. Omdat [gedaagde partij] er nog altijd niet in is geslaagd om de woning over te nemen en [eisende partij] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, moet de woning conform artikel 8 van het convenant worden verkocht aan een derde.

4.4.

[gedaagde partij] betwist de stellingen van [eisende partij] . Volgens hem volgt uit de zin ‘’De man zal zich daartoe inspannen’’ zoals opgenomen in artikel 7 van het convenant, dat partijen uitdrukkelijk hebben gekozen voor een inspanningsverplichting aan de zijde van [gedaagde partij] en niet voor een resultaatsverplichting. [gedaagde partij] heeft aan deze inspanningsverplichting voldaan. De hypotheekadviseur van [gedaagde partij] heeft op 28 november 2025 aan [gedaagde partij] en zijn advocaat bevestigd dat de aanvraag tot ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, inclusief inkomensverklaring, volledig en compleet bij BLG ligt en dat het thans wachten is op de inhoudelijke beoordeling door de bank. Mede in verband met het feit dat [gedaagde partij] pas anderhalf jaar geleden een eigen onderneming is gestart, zijn de doorlooptijden bij geldverstrekkers langer dan gebruikelijk. Het ligt buiten de invloedssfeer van [gedaagde partij] dat het traject langer duurt dan gewenst. Daarbij is eveneens van belang dat voor de aanvraag bij de bank ook een echtscheidingsbeschikking van de rechtbank en de inschrijving daarvan in de registers van de burgerlijke stand nodig zijn. De echtscheidingsbeschikking is pas op [datum] 2025 gewezen en deze is op 25 februari 2025 ingeschreven. Verder geldt volgens [gedaagde partij] dat partijen in artikel 8 van het convenant zijn overeengekomen dat pas tot verkoop van de woning aan een derde zal worden overgegaan, wanneer de bank niet bereid is om [eisende partij] te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Van een dergelijke weigering door de bank is op dit moment nog geen sprake. Ook om die reden kan nog geen sprake zijn van verkoop van de woning aan een derde.

4.5.

Vast staat dat het [gedaagde partij] niet is gelukt om de woning over te nemen en [eisende partij] (uiterlijk 30 april 2025) te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde partij] niet in zijn standpunt dat uit artikel 7 van het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant slechts een inspanningsverplichting voor [gedaagde partij] volgt. Bij de uitleg van een overeenkomst komt het niet alleen aan op een zuiver taalkundige uitleg, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-norm). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.

4.6.

Ten tijde van het opstellen van het convenant was nog onduidelijk of [gedaagde partij] de woning kon overnemen en [eisende partij] kon laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter fungeert de zin ‘’De man zal zich daartoe inspannen’’ in artikel 7 van het echtscheidingsconvenant als een aansporing voor [gedaagde partij] om de verplichtingen die volgen uit de voorgaande zin zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 april 2025, te realiseren. De uitleg van [gedaagde partij] dat de zin betekent dat geen sprake is van een resultaatsverbintenis maar van een inspanningsverlichting volgt de voorzieningenrechter niet. Dat volgt alleen al uit het gebruik van de zinsnede ‘uiterlijk 30 april 2025 of zoveel eerder als mogelijk blijkt te zijn’. Deze tekst biedt immers geen enkele ruimte voor een datum die gelegen is na 30 april 2025. Een redelijke lezing van artikel 8 van het convenant houdt dan ook in dat niet alleen bij een weigering van de bank, maar ook als de termijn van artikel 7 niet wordt gehaald, de woning moet worden verkocht aan een derde. [eisende partij] kan dus in beginsel vorderen dat [gedaagde partij] medewerking dient te verlenen aan verkoop van de woning aan een derde.

4.7.

In het kader van dit kort geding dient evenwel ook een belangenafweging plaats te vinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van de [gedaagde partij] om nog een beperkte termijn te krijgen om de woning alsnog over te nemen en [eisende partij] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan zwaarder weegt dan het belang van [eisende partij] bij onmiddellijke start van het verkooptraject aan een derde. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.

4.8.

Het belang van [eisende partij] om voor het einde van januari 2026 een nieuwe woonruimte te vinden c.q. over een bedrag te beschikken om een woning te kunnen financieren wordt niet behaald door het starten van het verkooptraject ten behoeve van verkoop en levering van de woning aan een derde. Als de vorderingen van [eisende partij] worden toegewezen is het volstrekt onrealistisch dat de woning voor het einde van januari 2026 is verkocht en geleverd aan een derde. Ook al zou een verkoopopdracht aan de makelaar (zoals ter zitting onweersproken door [eisende partij] gesteld) ‘in de startblokken staan’, dan heeft nog te gelden dat ook met de levering bij de notaris de nodige tijd gemoeid zal zijn. Het achterliggende belang van [eisende partij] , ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, is evenwel voorstelbaar en dit belang is ook voldoende spoedeisend. De snelste manier om dit te bereiken is evenwel als [gedaagde partij] erin slaagt de woning alsnog over te nemen. [gedaagde partij] heeft onbetwist gesteld dat er op dit moment een complete aanvraag ter beoordeling aan de bank voorligt en dat daar binnen enkele weken op zal worden beslist.

4.9.

De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat uit het verslag van de persoonlijk financieel planner van [gedaagde partij] (Val van der Ham van Valida) volgt dat [gedaagde partij] voortvarend te werk is gegaan bij het aanvragen van de financiering en dat de lange duur van het traject voornamelijk te wijten is aan omstandigheden waarop [gedaagde partij] geen invloed had (zoals de datum van wijzen van de echtscheidingsbeschikking, het verkrijgen van een inkomensverklaring die door een onafhankelijke partij moest worden vastgesteld, waarvoor onder meer de definitieve jaarcijfers van alle bv's en een definitieve aangifte inkomstenbelasting over 2024 benodigd waren).

4.10.

Voor de vorderingen van [eisende partij] betekent dit het volgende. [gedaagde partij] wordt veroordeelt zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde indien hij niet uiterlijk 31 januari 2026 aantoont dat hij de woning kan overnemen en de bevestiging heeft van de bank dat [eisende partij] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Als dat niet lukt, moeten partijen samen een makelaar benaderen die de woning in de verkoop zal nemen. [gedaagde partij] wordt in dat geval ook veroordeeld tot het ondertekenen van het koopcontract en de akte van levering bij de notaris. Als [gedaagde partij] hieraan niet meewerkt, verbeurt hij een dwangsom zoals in de beslissing is vermeld.
De bevoegdheid van de rechter om te bepalen dat een vonnis in de plaats treedt van benodigde rechtshandelingen, is een discretionaire bevoegdheid. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de rechter deze bevoegdheid met voorzichtigheid moet hanteren.

Nu [eisende partij] tevens vordert om een dwangsom op te leggen in het geval [gedaagde partij] niet meewerkt aan de uit de verdeling voortvloeiende noodzakelijke rechtshandelingen en de voorzieningenrechter niet beide vorderingen tegelijkertijd toe kan wijzen zal de voorzieningenrechter enkel de gevorderde dwangsom toewijzen, nu daarmee het gewenste doel ook kan worden bereikt althans sprake is van een voldoende prikkel tot nakoming. De vordering van [eisende partij] zoals genoemd onder IV. zal om die reden worden afgewezen. Het door [eisende partij] onder V. gevorderde zal – zoals partijen ook zijn overeengekomen in de artikelen 7 en 9 van het convenant – als onweersproken worden toegewezen.

Proceskosten

4.11.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen reden om ten aanzien van de proceskosten van de hoofdregel af te wijken.

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde partij] ,

onder de voorwaarde dat hij niet uiterlijk op 31 januari 2026 heeft aangetoond dat hij de bevestiging heeft van de bank dat hij de benodigde financiering verkrijgt en [eisende partij] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid kan ontslaan,

om binnen één week ná 31 januari 2026 zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan [makelaar] gevestigd aan de [adres 2] tegen een door deze makelaar te bepalen marktconforme vraag- en laatprijs van de woning staande en gelegen te [adres 1] en de helft van de kosten van de makelaar te dragen op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,00,

5.2.

gebiedt [gedaagde partij] , in het geval de in 5.1. bedoelde verplichting tot medewerking aan het verstrekken van een verkoopopdracht intreedt, om binnen één week ná 31 januari 2026 zijn medewerking te verlenen aan het verkooptraject van de woning staande en gelegen te [adres 1] , waaronder het bezichtigingswaardig en schoonhouden van de woning en het afgeven van de sleutels aan voornoemde makelaar, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,00,

5.3.

gebiedt [gedaagde partij] , in het geval de in 5.1. bedoelde verplichting tot medewerking aan het verstrekken van een verkoopopdracht intreedt, na uitvoering van deze geboden zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning staande en gelegen te [adres 1] aan een derde en de levering van de woning aan die derde, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,00,

5.4.

bepaalt dat, in het geval de in 5.1. bedoelde verplichting tot medewerking aan het verstrekken van een verkoopopdracht intreedt, door de verlijdende notaris na levering de verkoopopbrengst van de woning staande en gelegen te [adres 1] wordt gebruikt om de daarop rustende hypothecaire geldlening(en) bij BLG met leningnummer [nummer] en bij Leentje Beheer B.V. af te lossen en dat hetgeen na betaling van de makelaars- en overige verkoopkosten daarna resteert zonder nadere verrekening aan beide partijen voor de helft zal worden uitgekeerd;

5.5.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733