Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding tussen ex-echtgenoten over meewerken aan meeneemregeling bij overname hypotheken en levering echtelijke woning aan vrouw. Kernpunt is of man moet instemmen met overname onder gunstige rentevoorwaarden. Voorzieningenrechter oordeelt dat vrouw geen spoedeisend belang stelt of aantoont (art. 254 Rv). Afspraken over meeneemregeling zijn niet gemaakt; man wil meewerken aan levering zonder meeneemregeling. Vorderingen 1–4 worden afgewezen; kosten gecompenseerd.| Datum publicatie | 22-01-2026 |
| Zaaknummer | C/02/441586 KG ZA 25-580 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De vorderingen van de vrouw om de man (kort gezegd) zijn medewerking te laten verlenen aan alle te regelen zaken met betrekking tot de hypotheken en de gunstige hypotheekvoorwaarden dan wel het vonnis in de plaats te laten treden van de wilsverklaring van de man zijn afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw onvoldoende gesteld waar de spoedeisendheid van de vorderingen uit blijkt.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/441586 / KG ZA 25-580
Vonnis in kort geding van 22 december 2025
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties.
De zaak is besproken op de zitting van 12 december 2025. Bij die gelegenheid zijn de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
-
zij zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2005 tot 21 juli 2025;
-
bij beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2025 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Uit deze beschikking volgt verder dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Voor zover nu van belang is hierover het volgende in de beschikking opgenomen: “4.10. Nadat de mondelinge behandeling tweemaal is geschorst voor minnelijk overleg hebben partijen de rechtbank te kennen gegeven dat zij alsnog overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Zij hebben daarbij tot uitgangspunt genomen het verdelingsvoorstel van de vrouw zoals dat is opgenomen onder punt 9 in haar verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, ontvangen op 12 juli 2024.
Deze overeenstemming luidt als volgt.
(…)
4.13. De echtelijke woning van partijen, gelegen aan [adres]
te [woonplaats] wordt toebedeeld aan de vrouw. Partijen zijn daarbij uitgegaan van een waarde per de tussen hen overeengekomen peildatum van
€ 279.000,=. (…) Bij de toedeling van echtelijke woning zal de vrouw de daaraan verbonden hypothecaire geldlening, partijen genoegzaam bekend (per de door hen overeengekomen peildatum ter hoogte van € 200.000,=) voor haar rekening nemen en als eigen schuld voldoen. Toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de man zal worden ontslagen uit de hoofdelijkheid met betrekking tot voornoemde hypothecaire geldlening. (…)
Partijen hebben verklaard dat zij over en weer op eerste verzoek hun
medewerking zullen verlenen aan de, voor toedeling aan een der partijen, noodzakelijke notariële leveringen.”.
3Het geschil
De vrouw vordert – samengevat – het volgende:
-
de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan alle te regelen zaken teneinde de hypotheken met [leningsnummer 1] (ad € 125.000,=) en [leningsnummer 2] (ad € 75.000,=) en de gunstige hypotheekvoorwaarden op naam van de vrouw te laten stellen, door onder meer afstand te doen van de meeneemregeling, uiterlijk binnen zeven dagen na het vonnis;
-
te bepalen dat als de man niet aan de veroordeling onder 1. voldoet, het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van de man en alle door hem te verrichten (rechts)handelingen bij de Rabobank en/of overige financiële instellingen teneinde ervoor zorg te dragen dat afstand wordt gedaan van het rentecontract/de meeneemfaciliteit betreffende voornoemde leningsnummers, zodat deze hypotheken geheel op naam van de vrouw gesteld kunnen worden;
-
te bepalen dat als de man niet binnen zeven dagen na een verzoek van de notaris zijn volledige medewerking heeft verleend, het vonnis in de plaats treedt van alle door de man te verrichten (rechts)handelingen bij de notaris, teneinde de woning over te dragen en te leveren aan de vrouw;
-
te bepalen dat, wanneer de man niet tijdig zijn volledige medewerking heeft verleend, het vonnis in de plaats treedt van de door de man te verrichten (rechts)handelingen bij de notaris, teneinde de woning over te dragen en te leveren aan de vrouw;
-
de man te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de nakosten.
De man voert op zitting mondeling verweer.
4De beoordeling
Vorderingen 1 tot en met 4
De vrouw legt aan haar vorderingen onder 1 tot en met 4 het volgende ten grondslag. Zij wenst het eigendomsdeel van de man in de echtelijke woning nog steeds over te nemen, door overname van de huidige hypotheken, met toepassing van de meeneemregeling.
De meeneemregeling houdt in dat de vrouw de huidige hypotheek overneemt onder de huidige, gunstigere voorwaarden (de rente is dan ongeveer 2,3% in plaats van ongeveer 4% zoals bij nieuwe hypotheken het geval is). Sinds augustus 2025 probeert de vrouw de man een formulier te laten ondertekenen, zodat de vrouw gebruik kan maken van de gunstigere voorwaarden. De man reageert echter niet op haar verzoeken, waardoor het de vrouw niet lukt om met de gunstige hypotheekvoorwaarden tot een gewenste en overeengekomen uitkoop van de man te komen. De man heeft volgens de vrouw geen gegronde redenen om zijn medewerking te weigeren.
De vrouw baseert haar vorderingen in de eerste plaats op nakoming van een overeenkomst. In de echtscheidingsprocedure zijn partijen namelijk overeengekomen dat de echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld, waarbij zij de hypothecaire geldlening voor haar rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen. Hoewel toen niet is gesproken over de gunstigere voorwaarden, was dit volgens de vrouw inherent aan de gemaakte afspraken. Bovendien was de man niet voornemens een andere woning te kopen, althans dat niet heeft aangegeven. Voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat partijen dit niet zijn overeengekomen, is de weigering van de man in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De man weigert mee te werken, omdat hij het de vrouw niet gunt. De man heeft echter geen belang bij het weigeren van zijn medewerking.
Tot slot is de vrouw van mening dat de man verplicht is tot het meewerken aan de verdeling en/of de vrouw het recht heeft om niet langer in een onverdeelde gemeenschap te blijven.
Het spoedeisend belang is er volgens de vrouw in gelegen dat van haar niet verlangd kan worden dat zij nog langer in een onverdeelde boedel blijft zitten. Er is al op 3 maart 2025 overeenstemming bereikt, vastgelegd in de beschikking van [datum 2] 2025. De vrouw leidt bovendien schade door de oplopende rente en de vertraging geeft haar veel onzekerheid en stress. Bovendien is er een fiscaal nadeel nu ze slechts 50% van de hypotheekrente mag aftrekken in box 1, terwijl zij alle lasten van de woning betaalt.
Tijdens de zitting heeft de man verweer gevoerd tegen de vorderingen. Hij heeft in dat kader aangevoerd dat de meeneemregeling, dus het overnemen van de gunstigere hypotheekvoorwaarden, geen verplichting is om de hypotheek op naam van de vrouw te zetten en dus de woning over te nemen. De vrouw kan de vervolgstappen zetten om de woning over te nemen en de man zal hier zijn medewerking aan verlenen. Indien de meeneemregeling kan worden gesplist, kan de vrouw aanspraak maken op 50% daarvan, de overige 50% is van de man. De man weet namelijk nog niet of hij zelf gebruik wil maken van de meeneemregeling en wenst die mogelijkheid te behouden. Er wordt bovendien ten onrechte van uit gegaan dat de man niet zou meewerken bij de notaris aan de levering van de woning aan de vrouw, maar de man wacht juist op de akte van verdeling. De verdeling kan dan ook plaatsvinden.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat de meeneemregeling voorziet in het overnemen van de hypotheek onder de gunstigere hypotheekvoorwaarden (waaronder de hypotheekrente) zoals die golden toen partijen de hypotheek afsloten. Dat is het cruciale geschilpunt tussen partijen. Het gaat hier echter om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de vrouw ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dit volgt uit artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld waar de spoedeisendheid van haar vorderingen uit blijkt.
De wens van de vrouw om op korte termijn uitvoering te geven aan de toedeling van de woning aan haar, leidt er niet zonder meer toe dat sprake is van een spoedeisend belang. Er is namelijk niet gebleken dat voor de uitvoering van de afspraak tussen partijen om de woning aan de vrouw toe te delen, de voorwaarde geldt dat zij hiervoor de meeneemregeling nodig heeft en dat de man daarom hiermee moet instemmen. De vrouw kan ook zonder deze meeneemregeling de uitvoering van de toedeling van de woning aan haar in werking zetten. De man heeft ter zitting namelijk verklaard dat hij zijn medewerking zal verlenen aan de levering van de woning aan de vrouw middels notariële akte, zoals partijen ook zijn overeengekomen. Zoals hierna blijkt, zijn partijen naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien niets overeengekomen over de meeneemregeling, zodat dat geen onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gemaakte afspraken.
De vrouw heeft daarnaast gesteld dat het spoedeisende belang is gelegen in de oplopende rente door wanprestatie van de man. Volgens de vrouw komt de man de door haar veronderstelde overeenkomst niet na, zodat de vrouw schade lijdt omdat de huidige hypotheekrente oploopt en er daarom sprake is van wanprestatie. Volgens de vrouw was inherent aan de gemaakte afspraken dat zij de hypotheek kan overnemen tegen de gunstigere voorwaarden. De vrouw verwijst hierbij naar de afspraken tussen partijen die zijn gemaakt in de echtscheidingsprocedure, zoals vastgelegd in de beschikking van [datum 2] 2025. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit rechtsoverweging 4.13. van die beschikking niet volgt dat partijen hebben gesproken over de voorwaarden van de hypotheek, meer specifiek de meeneemregeling. De man heeft tijdens de zitting aangevoerd dat daar destijds niet over is gesproken. Ook namens de vrouw is bevestigd dat de meeneemregeling niet expliciet is besproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw onvoldoende gesteld dat er sprake is van een wanprestatie aan de zijde van de man, nu niet is vast komen te staan dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de huidige hypotheek tegen dezelfde gunstigere voorwaarden zou overnemen. Ook daarin wordt geen spoedeisend belang gezien.
Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat er een termijn verbonden is aan de meeneemregeling. De vrouw heeft aangegeven dat de kans bestaat dat zij de echtelijke woning zonder de meeneemregeling niet kan overnemen. Dit standpunt heeft de vrouw echter niet met stukken onderbouwd. Ook daarin kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang worden gezien.
Tot slot heeft de vrouw gesteld dat sprake is van een fiscaal nadeel, doordat zij slechts 50% van de hypotheekrente mag aftrekken zolang de man nog eigenaar is van de woning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende concreet is gesteld wat dit voor financiële gevolgen voor de vrouw heeft. Dit houdt bovendien geen verband met de meeneemregeling, maar is het gevolg dat de woning nog niet geleverd is aan de vrouw. Zoals gezegd, is de man bereid daar aan mee te werken. Ook hierin wordt geen spoedeisend belang gezien.
Gelet op al het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat de vorderingen van de vrouw onder 1 tot en met 4 worden afgewezen.
Vordering onder 5
Ter onderbouwing van haar vordering tot veroordeling van de man in de proceskosten (vordering 5) stelt de vrouw dat hij geen gegronde redenen heeft om zijn medewerking te weigeren. De vrouw wordt nu onnodig op kosten gejaagd.
De man voert hiertegen verweer.
Aangezien de vorderingen van de vrouw worden afgewezen, ligt een veroordeling van de man in de proceskosten niet in de rede. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het gebruikelijk is om bij juridische geschillen tussen (ex-)echtgenoten de proceskosten te compenseren, omdat een zaak als deze met vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden gepaard gaat. De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande de kosten van het geding compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Benjaddi, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid
mr. van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
