Rechtbank Den Haag 19-11-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26514

Essentie (gemaakt door AI)

Ouders wonen ver van elkaar. Dit is gegeven waarmee ze moeten dealen. Dochter (2015) mag daarvan niet de dupe worden. Niet in belang dochter als zij standaard vaker dan een weekend per vier weken haar hockeywedstrijden en andere weekendactiviteiten in haar woonomgeving zal moeten missen. Dochter voortaan standaard 1x per vier weken van vrijdag (na school) tot zondag 20.00 uur bij vader. Vakanties gelijk verdeeld. Ponykosten en dure reisjes met vader geheel voor rekening vader. Moeder hoeft niet indirect mee te betalen.

Datum publicatie22-01-2026
ZaaknummerC/09/676346 / FA RK 24-8510
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Alimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kinderalimentatie en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 24-8510

Zaaknummer: C/09/676346

Datum beschikking: 19 november 2025

Kinderalimentatie en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 26 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.E. Groot te Heerhugowaard.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Emmen.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift van de moeder;

  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de vader, ingekomen op 23 januari 2025;

  • het verweerschrift op zelfstandig verzoek van de moeder, ingekomen op 14 februari 2025;

  • het F9-formulier van 25 februari 2025 van de vader;

  • het F9-formulier van 14 oktober 2025 van de moeder, met bijlagen;

  • het F9-formulier van 17 oktober 2025 van de vader, met brief en bijlagen.

De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Op 29 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot 2018.

  • Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 25 september 2015.

  • [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt:

- te bepalen dat de vader met ingang van 1 december 2024 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 714,- per maand aan de moeder moet voldoen, dan wel een bedrag en ingangsdatum zoals de rechtbank juist acht;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken en verzoekt zelfstandig:

  • een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] éénmaal per veertien dagen van vrijdag 16.00 uur (althans na schooltijd) tot en met zondag 20.00 uur bij de vader zal verblijven;

  • de vakanties te verdelen in die zin dat [minderjarige] 2/3 deel hiervan bij de vader zal verblijven;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

Beoordeling

Zorgregeling

Gebleken is dat [minderjarige] nu gemiddeld één weekend per vier/zes weken van vrijdag tot zondag bij de vader is. Dit loopt sinds september 2019.

De vader stelt dat hij vanwege de grote reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] te weinig betrokken is bij de ontwikkeling van [minderjarige] . De vader verzoekt uitbreiding van de regeling zoals die nu loopt, in die zin dat [minderjarige] om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond bij de vader zal verblijven.

De moeder vindt het prima om vast te leggen dat [minderjarige] één weekend per vier weken bij de vader is. De moeder stelt dat het, gelet op de reisafstand, voor [minderjarige] te belastend is om vaker dan een keer per vier weken deze reis te moeten maken. Zeker nu zij ouder wordt en (sport)activiteiten in het weekend heeft, wil zij deze niet om het weekend moeten missen. De vader kan ook bijvoorbeeld eens in de maand bij een sportactiviteit (hockey) van [minderjarige] komen kijken.

De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting aangegeven dat, nu [minderjarige] al langere tijd is gewend om eens per vier weken een weekend naar de vader te gaan, het in haar belang is dat dit wordt vastgelegd. De rechtbank volgt dat advies en zal als reguliere zorgregeling bepalen dat [minderjarige] een weekend in de vier weken bij de vader zal zijn van vrijdag 16.00 uur (althans na schooltijd) tot zondag 20.00 uur. De rechtbank verwacht van de vader dat hij [minderjarige] uiterlijk 20.00 uur weer bij de moeder thuisgebracht zal hebben, in verband met de bedtijd van [minderjarige] voor de nieuwe schoolweek. De rechtbank begrijpt de wens van de vader om [minderjarige] vaker bij zich te hebben, maar de rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] als zij standaard vaker dan een weekend per vier weken haar hockeywedstrijden en andere weekendactiviteiten in haar woonomgeving zal moeten missen. De grote reisafstand tussen de ouders is een gegeven en daar moeten de ouders samen een weg in vinden waarbij [minderjarige] daar niet de dupe van moet worden. Het staat [minderjarige] uiteraard vrij om, als zij tussendoor vaker naar [plaats 1] wil, vaker naar haar vader te gaan. De moeder heeft op de zitting toegezegd dat zij dit mogelijk zal maken. Ook heeft de vader op de zitting aangegeven dat hij bij de sportactiviteiten in het weekend wil komen kijken, maar dat dat niet op structurele basis kan. De rechtbank zal voornoemde reguliere zorgregeling vastleggen en het meer of anders verzochte afwijzen.

Vakanties

De ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie bij de vader zal zijn. Ook zijn de ouders het eens dat de meivakantie bij helfte wordt gedeeld in die zin dat [minderjarige] de ene week bij de moeder is en de andere week bij de vader, waarbij de week van koningsdag bij de vader zal plaatsvinden.

Ten aanzien van de zomervakantie wil de vader dat [minderjarige] meer dan de helft bij hem verblijft (vier weken), omdat hij dan makkelijker vakanties kan plannen. De moeder wil dat de zomervakantie bij helfte wordt verdeeld, ook in verband met vakanties. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het belang van [minderjarige] om drie aaneengesloten weken in de zomervakantie bij haar moeder en drie aaneengesloten weken bij de vader te zijn. Bij deze verdeling kunnen beide ouders vakanties plannen. Verder is [minderjarige] op [geboortedatum] in de zomervakantie jarig. De vader heeft aangegeven dat het niet vaak voorkomt dat zij op haar verjaardag bij hem is. De rechtbank zal bij de verdeling van de zomervakantie ook bepalen dat het uitgangspunt is dat [minderjarige] het ene jaar haar verjaardag bij de moeder viert en het andere jaar bij de vader, zodat de ouders daarmee rekening kunnen houden bij het verdelen van de zomervakantie.

Ten aanzien van de kerstvakantie heeft de vader aangegeven dat hij dan vaak, met [minderjarige] , naar zijn familie in [land] op bezoek wil. Hij wil dan voor twee weken gaan, omdat één week daarvoor te kort is. De moeder wil ook dat [minderjarige] met kerst bij haar is. De rechtbank zal in het belang van [minderjarige] bepalen dat zij het ene jaar de hele kerstvakantie bij de vader is en het andere jaar bij de moeder. Gebleken is dat [minderjarige] vorig jaar (2024) met de vader is mee geweest naar [land]. Daarom zal [minderjarige] dit jaar (oneven jaren) in de kerstvakantie bij de moeder zijn, en in de even jaren bij de vader.

De rechtbank zal deze vakantieverdeling vaststellen en het meer of anders verzochte afwijzen.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De moeder verzoekt als ingangsdatum 1 december 2024 omdat zij toen haar verzoek heeft ingediend. De vader heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom en in het belang van [minderjarige] als ingangsdatum 1 december 2024 vaststellen.

Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] moet worden berekend in 2018 en dat het netto besteedbaar gezinsinkomen toen hoger was dan € 6.000,- per maand. De tabelbehoefte in 2018 bedraagt dan € 960,- per maand. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 1.157,- per maand.

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld. Daarvoor is het van belang de draagkracht van de ouders te berekenen.

Draagkracht vader

Het inkomen van de vader is tussen partijen niet in geschil. De rechtbank zal de draagkracht berekenen aan de hand van zijn salarisstrook december 2024, waaruit een bruto salaris blijkt van € 12.152,10 per maand, een pensioenpremie van € 811,68 per maand, een premie AOP van € 22,90 per maand en een eindejaarsuitkering van € 1.190,91 per maand. Daarvan uitgaand en rekening houdend met een vakantietoeslag van 8% berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader op € 7.596,- per maand.

Het NBI van de vader is hoger dan € 2.065,- per maand, zodat de rechtbank conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) voor de berekening van de draagkracht van de vader de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.270)] als uitgangspunt zal nemen.

De draagkracht van de vader bedraagt volgens bovenstaande formule:

70% x [7.596 – (2.278,80 + 1.270)] = afgerond € 2.833,- per maand.

De vader heeft aangevoerd dat er daarnaast nog rekening moet worden gehouden met aanzienlijke maandelijkse lasten en bijzondere uitgaven voor [minderjarige] , te weten ponykosten van € 450,- per maand en dure vakanties met [minderjarige] . De rechtbank volgt de vader hierin niet. De kinderalimentatie wordt volgens de aanbevelingen van de expertgroep op een forfaitaire wijze berekend, waarbij rekening wordt gehouden met een bepaald bedrag aan kosten van levensonderhoud en een woonbudget. Als de werkelijke lasten hoger zijn, dan zullen die uit de vrije ruimte moeten worden voldaan. Kosten van vakanties met [minderjarige] worden gedragen door de ouder die deze kosten maakt. De rechtbank ziet in dit geval ook geen aanleiding om de maandelijkse ponykosten in mindering te brengen op de draagkracht van de vader, omdat deze kosten dan (via de draagkrachtvergelijking) ten onrechte zouden worden afgewenteld op de moeder. De draagkracht van de moeder is, zoals hieronder blijkt, beduidend geringer dan die van de vader.

De rechtbank gaat dus uit van een draagkracht aan de zijde van de vader van € 2.833,- per maand.

Draagkracht moeder

Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van de draagkracht van de moeder kan worden uitgegaan van een jaarlijkse winst uit onderneming van € 36.000,-. Daarvan uitgaand en rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 3.363,- per maand.

Het NBI van de moeder is hoger dan € 2.065,- per maand, zodat de rechtbank conform de aanbevelingen van de expertgroep voor de berekening van de draagkracht van de moeder de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.270)] als uitgangspunt zal nemen.

De draagkracht van de moeder bedraagt volgens bovenstaande formule:

70% x [3.363 – (1.009,90 + 1.270)] = afgerond € 759,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt € 3.592,- per maand.

De verdeling van de behoefte van [minderjarige] over beide ouders wordt dan berekend als volgt:

ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de vader bedraagt : 2.833 / 3.592 x 1.157 = € 913,- afgerond

het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 759 / 3.592 x 1.157 = € 244,- afgerond

samen € 1.157,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 913,- per maand voor rekening van de vader en een gedeelte van € 244,- per maand voor rekening van de moeder.

Zorgkorting

Volgens de moeder moet rekening worden gehouden met een zorgkorting van 15%. De vader heeft over de zorgkorting geen standpunt ingenomen.

Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank de richtlijn van de expertgroep, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg.

Gelet op de zorgregeling waarbij [minderjarige] een weekend per vier weken en meer dan de helft van de vakanties bij de vader is, zal de rechtbank rekening houden met een forfaitaire zorgkorting van 15%. De zorgkorting bedraagt 15% van de behoefte, dus afgerond € 174,- per maand (0,15 x 1.157). Het eigen aandeel van de vader bedraagt dan € 739,- per maand.

Conclusie

De moeder verzoekt een kinderalimentatie van € 714,- per maand. De draagkracht van de vader is daarvoor voldoende, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder zal toewijzen. De door de vader met ingang van 1 december 2024 te betalen kinderalimentatie wordt dus vastgesteld op € 714,- per maand.

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2025 tot een bedrag van € 760,-. Met ingang van 1 januari 2026 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.

Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:

- een weekend in de vier weken van vrijdag 16.00 uur (althans na schooltijd) tot zondag 20.00 uur;

*

bepaalt ten aanzien van [minderjarige] de volgende vakantieverdeling:

  • herfstvakantie: bij de vader;

  • kerstvakantie: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;

  • voorjaarsvakantie: bij de vader;

  • meivakantie: ene week bij de moeder en de andere week (de week van koningsdag) bij de vader;

  • zomervakantie: drie aaneengesloten weken bij de moeder en drie aaneengesloten weken bij de vader, waarbij het uitgangspunt is dat [minderjarige] het ene jaar haar verjaardag bij de moeder viert en het andere jaar bij de vader;

*

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 december 2024 op € 714,- per maand en met ingang van 1 januari 2025 op € 760,- per maand, voortaan bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.P. Bas als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 november 2025.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733