Essentie (gemaakt door AI)
Voorlopige voorziening. Verzoek vader om vervangende toestemming om kind (15) vanuit VS naar Nederland te laten terugkeren. Moeder verblijft illegaal met 4 kinderen in VS en staat inmiddels in belangstelling ICE. Kans meer dan reëel dat (potentieel traumatiserende) deportatieprocedure zal volgen, met mogelijk opsluiting en langere tijd van onzekerheid. Ned. rechter in gegeven omstandigheden < IVRK bevoegd om te beslissen en wijst verzoek toe zonder moeder te horen. Geplande zitting zal doorgaan om partijen alsnog te horen.
| Datum publicatie | 21-01-2026 |
| Zaaknummer | C/05/461288 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; IPR familierecht; Familieprocesrecht; Hoor en wederhoor |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening 223 Rv. Verzoek om vervangende toestemming om kind (15) vanuit de VS naar Nederland te laten terugkeren. Moeder verblijft illegaal met vier kinderen in de VS en staat inmiddels in de belangstelling van ICE. Nederlandse rechter acht zich in de gegeven omstandigheden bevoegd op grond van het IVRK (anders dan in kort geding in december) en wijst het verzoek toe voordat moeder is gehoord. Geplande zitting zal doorgaan om partijen alsnog te horen.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/05/461288 / FA RK 25-4423
Datum uitspraak: 15 januari 2026
beschikking over vervangende toestemming
in de zaak van
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.S. Zijderveld in Wageningen,
en
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
zonder woonplaats in Nederland,
verblijvend in de staat [naam staat] , [land verblijfplaats] .
1Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift van de vader, ontvangen op 30 december 2025;
-
de brief namens de vader van 13 januari 2026 met bijlagen;
-
het bericht namens de vader van 15 januari 2026.
De moeder heeft (nog) geen verweerschrift ingediend.
Er is een mondelinge behandeling gepland op 27 januari 2026.
2De feiten
Uit het huwelijk van de ouders zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:
- [de minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna: [de minderjarige 1] ;
- [de minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna: [de minderjarige 2] ;
- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige 3] ;
- [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige 4] .
Het verzoek in deze zaak gaat over [de minderjarige 3] .
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 maart 2022 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Het huwelijk is op 8 april 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. Zij hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 september 2023 de zorgregeling die in het ouderschapsplan is overeengekomen gewijzigd naar een opbouwende zorgregeling waarbij wordt toegewerkt naar een verblijf van de kinderen bij de vader om de week van vrijdagmiddag tot zaterdagmiddag.
De vader heeft zijn toestemming verleend voor een vakantie van de moeder met de kinderen naar de Verenigde Staten van Amerika voor de periode van 13 oktober 2025 tot en met 17 oktober 2025. De moeder en de kinderen zijn daarna niet teruggekeerd naar Nederland.
De vader heeft op 27 november 2025 een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en wijziging van het gezag over hen. Deze zaak is geregistreerd onder nummer C/05/460054. Op het moment van indienen was er nog een advocaat van de moeder bekend. Zij heeft zich daarna onttrokken.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 16 december 2025 zich onbevoegd verklaard met betrekking tot de vordering van de vader tot teruggeleiding van de kinderen naar Nederland en de vordering tot voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] aan de vader en tot vervangende toestemming om met hen naar Nederland te reizen. In datzelfde vonnis heeft de voorzieningenrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig aan de vader toevertrouwd en vervangende toestemming verleend aan de vader om [de minderjarige 2] naar Nederland te laten vliegen en om met [de minderjarige 1] naar Nederland te vliegen. [de minderjarige 1] , die bijna 18 is, heeft sindsdien te kennen gegeven dat hij in de VS wil blijven.
Op dit moment verblijven alle vier kinderen nog met hun moeder in de VS. Zij verblijven daar inmiddels illegaal. De moeder heeft bericht ontvangen van de Amerikaanse autoriteiten dat de visa van haar en de kinderen zijn verlopen. Medewerkers van de Immigration and Customs Enforcement (ICE) hebben recent bij de moeder aan de deur gestaan. De moeder en de kinderen zitten ondergedoken op een onbekend adres. De advocaat van de vader heeft intensief mailcontact met het consulaat-generaal. Uit e-mailberichten van het consulaat-generaal volgt dat de inschatting is dat de moeder en de kinderen vrijwel zeker gedeporteerd zullen worden vanwege hun illegale verblijf in de VS.
[de minderjarige 2] zal aanstaande zaterdag 17 januari 2026 onder begeleiding van de honorair consul van [naam staat] naar Nederland terugkeren op basis van een noodpaspoort, omdat de moeder het paspoort niet kan of wil verstrekken. Het consulaat-generaal heeft zich bereid verklaard - als hiervoor toestemming wordt gegeven - [de minderjarige 3] op dezelfde wijze naar Nederland te laten terugkeren.
De vader heeft ook de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Veiligheid en Justitie benaderd. Deze heeft begin december een verzoek om teruggeleiding ingediend bij de Amerikaanse Centrale Autoriteit. De Amerikaanse Centrale Autoriteit heeft de moeder een zogenoemde vrijwilligersbrief gestuurd, met het verzoek vrijwillig mee te werken aan de terugkeer van de kinderen naar Nederland. Deze brief is aangetekend verzonden. De moeder heeft de brief niet in ontvangst genomen en ook nadien niet opgehaald bij het postkantoor.
Mw. [naam 1] van de Nederlandse Centrale Autoriteit heeft in een e-mail van 13 januari 2026 onder meer het volgende geschreven:
“ Zojuist heb ik telefonisch overleg gehad met de heer [naam 2] van de Amerikaanse Centrale Autoriteit. Hij gaf daarbij aan dat hij de situatie voor zowel de moeder als de kinderen als zeer zorgelijk beschouwt en dat het van groot belang is dat zij het land zo spoedig mogelijk verlaten.
In Nederland heeft de vader half december aangifte gedaan bij de politie wegens onttrekking aan het ouderlijk gezag. Omdat de civielrechtelijke procedure reeds in gang was gezet, heeft de politie/het Openbaar Ministerie hierover met ons, de Nederlandse Ca, afgestemd (dit is gebruikelijk). Destijds hebben wij het Openbaar Ministerie geadviseerd om de kinderen niet te signaleren, aangezien werd/wordt verwacht dat zij mogelijk zelfstandig naar Nederland zouden terugreizen en een signalering complicaties zou kunnen veroorzaken op de luchthaven in de Verenigde Staten. Uiteraard heb ik het Openbaar Ministerie steeds geïnformeerd over nieuwe ontwikkelingen.
[naam 2] heeft nu echter aangegeven dat het vanuit Amerikaans perspectief juist wél wenselijk is om zowel de moeder als de kinderen te laten signaleren. Indien zij (door ICE) worden aangehouden, wordt daarmee zichtbaar dat er Nederlandse betrokkenheid is en dat wordt ingezet op terugkeer naar Nederland.
(…)
Daarnaast stipte [naam 2] nog het volgende aan: er zouden complicaties kunnen ontstaan indien de kinderen zich wel vrijwillig laten deporteren, maar de moeder niet, aangezien bij een deportatie in beginsel een biologische ouder aanwezig dient te zijn. Omdat jullie ( [naam 3]
1 en [naam 4]
2) goed op de hoogte zijn van de situatie, maakte hij zich hierover vooralsnog geen grote zorgen.
(…)
Daarnaast heeft [naam 2] namens ons een verzoek uitgezet bij advocaten in het district waar de moeder en de kinderen zich momenteel bevinden, met het oog op mogelijke vertegenwoordiging van de vader op basis van legal aid/pro bono, voor het geval het alsnog noodzakelijk mocht blijken om in de Verenigde Staten een procedure tot teruggeleiding van de kinderen te voeren / erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraken van de Nederlandse rechtbank.”
3Het verzoek
De vader verzoekt op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij wijze van voorlopige voorziening vervangende toestemming voor de terugreis van [de minderjarige 3] naar Nederland. In de brief van 13 januari 2026 heeft hij verzocht om een uitspraak vóór zaterdag 17 januari 2026, vanwege de onder de feiten opgenomen recente gebeurtenissen in de VS.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het verzoek van de vader valt binnen het toepassingsgebied van de verordening Brussel II-ter
3. In artikel 7 van deze verordening is bepaald dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Hoewel [de minderjarige 3] in de Verenigde Staten verblijft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat zijn gewone verblijfplaats nog altijd in Nederland is. Hij heeft gedurende elf jaar in Nederland gewoond en verblijft momenteel - net als de moeder - illegaal in de Verenigde Staten na het verlopen van hun toeristenvisum. [de minderjarige 3] is in Nederland geworteld, is langdurig in Nederland naar school gegaan en heeft hier zijn hobby’s en zijn sociale kring opgebouwd. De Nederlandse rechter is in zoverre dan ook bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vader.
De rechter van de woonplaats van het kind is bevoegd om van het verzoek van de vader kennis te nemen.
4 De woonplaats van een kind is dezelfde als de woonplaats van de persoon die het gezag over dat kind uitoefent.
5 De moeder en de vader hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige 3] . Omdat de moeder op dit moment geen woonplaats heeft, aangezien zij de banden met Nederland heeft verbroken en illegaal in de Verenigde Staten verblijft, sluit de rechtbank aan bij de woonplaats van de vader. Dit is in het arrondissement van de rechtbank. Daarom is deze rechtbank bevoegd.
Op grond van artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
6 is Nederlands recht van toepassing.
Voor kinderontvoeringszaken geldt echter ook het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 (HKOV)
7. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 16 december 2025, onder meer met verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad
8, overwogen (kort gezegd) dat voor zover de vorderingen materieel neerkomen op teruggeleiding van de kinderen naar Nederland de Amerikaanse rechter bevoegd is.
De vader heeft aangevoerd dat het in het belang van [de minderjarige 3] noodzakelijk is dat er vóór 17 januari 2026 een beslissing wordt genomen en dat het voor hem niet mogelijk is tijdig toegang te krijgen tot de Amerikaanse rechter. Dit heeft er met name mee te maken dat hij nog geen advocaat heeft, doordat hij afhankelijk is van gefinancierde rechtsbijstand en een advocaat de zaak daarom pro Deo zal moeten doen. De Amerikaanse Centrale Autoriteit heeft voor de te starten procedure in de VS inmiddels advocaten aangeschreven, maar tot op dit moment nog zonder resultaat.
De rechtbank acht zich in deze situatie, gelet op de specifieke, zeer ernstige omstandigheden van het geval, bevoegd te beslissen op het verzoek. Daarbij overweegt zij het volgende.
Nederland en de Verenigde Staten zijn lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK). De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Het is een plicht van de Nederlandse Staat om hen waar nodig en mogelijk bescherming te bieden. Artikel 3, lid 2, van het IVRK bepaalt dat de Staten die partij zijn bij het verdrag zich ertoe verbinden het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en dat zij hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen nemen. Artikel 4, eerste zin, van het IVRK bepaalt dat de Staten die partij zijn, alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen nemen om de in het verdrag erkende rechten te verwezenlijken. Verder bepaalt artikel 9, lid 1, van het IVRK dat de lidstaten waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind. In procedures hierover moeten alle betrokken partijen de gelegenheid krijgen deel te nemen en hun standpunt naar voren te brengen.
9
Artikel 11 van het IVRK luidt als volgt:
-
De Staten die partij zijn, nemen maatregelen ter bestrijding van de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland.
-
Hiertoe bevorderen de Staten die partij zijn het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of het toetreden tot bestaande overeenkomsten.
Zonder afbreuk te doen aan de uitgangspunten van de Hoge Raad in het arrest van 9 december 2011 komt de rechtbank in dit geval tot een andere uitkomst dan de Hoge Raad indertijd. De belangen van [de minderjarige 3] kunnen op dit moment niet gewaarborgd worden door enkel artikel 11 lid 2 van het IVRK toe te passen. De genoemde overeenkomst betreft in dit geval het HKOV. Dat biedt in de regel een adequate bescherming. Het feit dat een procedure - in dit geval - in de Verenigde Staten gestart zou moeten worden, is op zich geen belemmering, omdat ervan moet worden uitgegaan dat een rechtsgang in de Verenigde Staten met voldoende waarborgen is omkleed. De feitelijke toegang tot de rechter dient echter wel voldoende doelmatig te zijn. Omdat de moeder en de kinderen op dit moment illegaal in de Verenigde Staten verblijven, zij feitelijk al bezoek hebben gehad van de ICE en de kans meer dan reëel is dat een (potentieel traumatiserende) deportatieprocedure zal volgen, met mogelijk opsluiting en langere tijd van onzekerheid, dient nu acuut te kunnen worden beslist over de veiligheid van [de minderjarige 3] . Alleen op die manier kan de bescherming van [de minderjarige 3] verzekerd worden, waartoe Nederland zich heeft verplicht. Bij gebreke van een tijdige rechtsingang in de Verenigde Staten dient Nederland zelf de maatregelen te nemen die nodig zijn om de rechten van [de minderjarige 3] te verwezenlijken, waaronder het recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn beide ouders.
Gelet op de uitzonderlijke situatie zal de rechtbank bovendien beslissen voordat de moeder in de gelegenheid is geweest zich over het verzoek uit te laten. Zij is conform de daarvoor geldende wettelijke bepalingen via de Staatscourant opgeroepen voor de behandeling van het verzoek op 27 januari 2026. De advocaat van de vader heeft de vergelijking getrokken met een spoeduithuisplaatsing. Wanneer het in het belang van een kind noodzakelijk is onmiddellijk maatregelen te treffen en de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige, kan het horen van belanghebbenden achteraf plaatsvinden. Gelet op het feit dat de moeder [de minderjarige 3] sinds oktober 2025 heeft onttrokken aan het ouderlijk gezag van de vader, beslissingen heeft genomen die - op basis van de thans voorhanden informatie - in strijd zijn met zwaarwegende belangen van de kinderen en bovendien zeer onvoorspelbaar is wat de moeder zal doen als zij op de hoogte raakt van dit verzoek, ziet de rechtbank aanleiding deze bepaling
10 in dit geval overeenkomstig toe te passen. Materieel is er ook geen verschil met een verzoek tot uithuisplaatsing bij de vader.
11
De rechtbank maakt zich, net als de Centrale Autoriteiten, grote zorgen over de kinderen en de keuzes die de moeder in de afgelopen maanden kennelijk heeft gemaakt. De kinderen zijn geworteld in Nederland. Of zij op voorhand op de hoogte waren van het plan van hun moeder in de Verenigde Staten te blijven, is volstrekt onduidelijk. Duidelijk is dat in elk geval [de minderjarige 2] terug wil naar Nederland en volgens de vader heeft ook [de minderjarige 3] dat inmiddels te kennen gegeven. [de minderjarige 1] lijkt dat op dit moment niet te willen, maar de precieze omstandigheden waaronder die keuze is gemaakt, zijn niet duidelijk. In Nederland zijn de kinderen geworteld, kunnen ze naar school, hebben ze vrienden en hobby’s en woont hun vader. In de Verenigde Staten zijn zij aangewezen op de illegaliteit. De kans is zeer groot dat zij zullen worden opgepakt, vastgezet en uiteindelijk het land zullen moeten verlaten. Volgens de vader heeft de moeder de paspoorten van de kinderen vernietigd, waardoor het nog de vraag is of (en op welke termijn) ze in geval van deportatie naar Nederland kunnen terugkeren. Een dergelijke traumatiserende ervaring dient de kinderen bespaard te blijven. Om die reden is het essentieel dat ook [de minderjarige 3] nu naar Nederland terugkeert. De rechtbank wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe.
De rechtbank zal de mondelinge behandeling op 27 januari 2026 laten doorgaan. De ouders kunnen dan hun standpunten nader toelichten en dan kan een definitieve afweging gemaakt worden over het belang van [de minderjarige 3] . Dit dient wel te gebeuren vanuit de situatie dat hij in Nederland verblijft. De moeder kan desgewenst aangeven of zij de mondelinge behandeling digitaal wil bijwonen door dit (via e-mail) te laten weten aan de griffie van de rechtbank. De mondelinge behandeling van de bodemzaak zal op een later moment plaatsvinden.
5De beslissing
De rechtbank:
verleent, voor de duur van de procedure, de vader toestemming, die de toestemming van de moeder vervangt, om [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , van [naam staat] naar Schiphol of een andere bestemming in of rondom Nederland te laten vliegen op een door de vader te bepalen datum en tijdstip (ter keuze van de vader in zijn aanwezigheid of zonder zijn aanwezigheid);
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de mondelinge behandeling op 27 januari 2026 om 12.00 bij deze rechtbank, locatie Arnhem.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. I.S. Oostland, griffier op 15 januari 2026. |
||
Dit betreft mevrouw [naam 3] van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Dit betreft de heer [naam 4] , de honorair consul van Nederland in [naam staat] .
Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering.
Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ‘s-Gravenhage, 19 oktober 1996.
Verdrag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.
Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834.
De vader heeft toegelicht dat de Raad voor de Kinderbescherming zich niet bevoegd acht een dergelijk verzoek te doen vanwege de feitelijke verblijfplaats van [de minderjarige 3] in het buitenland.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
