Essentie (gemaakt door AI)
Moeder vordert ontbinding met terugwerkende kracht van drie notariële schenking-leningsovereenkomsten (papieren schenkingen) met zoon, wegens onvoorziene omstandigheden. De rechtbank oordeelt dat partijen bij het sluiten niet hebben verdisconteerd dat moeder de 6%-rente structureel niet meer kan dragen; voortzetting vergt onaanvaardbare levensstijlaanpassing. Onder verwijzing naar art. 6:258 BW wordt ontbinding per 1-1-2024 toegewezen. Zoon moet na die datum ontvangen €11.790 aan moeder terugbetalen, met wettelijke rente| Datum publicatie | 16-01-2026 |
| Zaaknummer | C/15/361810 / HA ZA 25-59 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Alkmaar |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Familieprocesrecht; Nietigheid/vernietiging/ontbinding; Erfrecht; Schenking tijdens leven erflater |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Deze zaak draait om de vraag of bepaalde tussen partijen gesloten overeenkomsten (van schenking en daaraan gekoppelde lening) met terugwerkende kracht moeten worden ontbonden wegens onvoorziene omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. De rechtbank legt uit waarop zij dit oordeel baseert.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/361810 / HA ZA 25-59 WD
Vonnis van 24 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A. Lof,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.J. van de Graaf.
De zaak in het kort
Deze zaak draait om de vraag of bepaalde tussen partijen gesloten overeenkomsten terugwerkende kracht moeten worden ontbonden wegens onvoorziene omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. De rechtbank legt uit waarop zij dit oordeel baseert.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 7 mei 2025;
- de conclusie van antwoord, met 21 producties;
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Voorafgaande aan de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van [eiseres] :
- de producties 6 tot en met 14;
van de zijde van [gedaagde] :
- de producties 22 en 23.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
[eiseres] is de moeder van [gedaagde] en van [zoon] . [eiseres] is daarnaast de niet hertrouwde weduwe van [erflater] . Laatstgenoemde is de vader van [gedaagde] en [zoon] .
In de periode 1997 tot en met 2012 heeft [eiseres] verschillende bedragen aan [gedaagde] en [zoon] geschonken. Het betroffen zogenaamde schenkingen “op papier”, waarbij het geschonken bedrag niet aan [gedaagde] en [zoon] werd uitbetaald, maar middels een overeenkomst van geldlening schuldig werd verklaard. Over het door [eiseres] jegens [gedaagde] en [zoon] schuldig erkende saldo dient [eiseres] op grond van de geldleningsovereenkomst jaarlijks 6% rente te betalen.
Bij de totstandkoming van de schenking- en lening overeenkomsten is een notaris betrokken geweest. De schenking- en lening overeenkomsten zijn neergelegd in 8 notariële aktes.
Het totaal op papier geschonken bedrag aan [gedaagde] en [zoon] is € 465.041,17 per persoon. Dit bedrag is in verschillende porties geschonken. De laatste schenking op papier dateert van 21 september 2012. Met ingang van laatstgenoemde datum betaalt [eiseres] zowel aan [gedaagde] als aan [zoon] een rentebedrag van € 27.902,45 per jaar. Daarvoor betaalde [eiseres] een lager rentebedrag, omdat het geschonken/ geleende bedrag lager was.
[eiseres] heeft als inkomstenbronnen een AOW-uitkering, een pensioen van Aegon en een nabestaandenpensioen van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel. Haar jaarinkomen bedraagt € 19.489,00 bruto.
[eiseres] bewoont een eigen woning. De eigen woning vertegenwoordigt een overwaarde.
[eiseres] heeft [gedaagde] verzocht om (gedeeltelijk) af te zien van zijn aanspraak op betaling van rente. [gedaagde] heeft geweigerd om aan dit verzoek van [eiseres] te voldoen. [eiseres] heeft een gelijk verzoek aan [zoon] gedaan. [zoon] heeft aan [eiseres] toegezegd geen aanspraak te zullen maken op de volledig verschuldigde rentebetaling.
3Het geschil
[eiseres] vordert - samengevat – dat de rechtbank
(i) de tussen partijen gesloten overeenkomst die is neergelegd in de aktenummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] , ontbindt met ingang van 1 januari 2024;
(ii) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 11.790,00, te vermeerderen met rente en kosten.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Door de jarenlange verplichting tot betaling van rente aan [gedaagde] en [zoon] is het vermogen van [eiseres] zodanig geslonken dat zij met ingang van 1 januari 2024 niet meer in staat is om volledig aan de renteverplichting te voldoen. Partijen hebben dit bij het sluiten van de schenkings- en de daaraan gekoppelde leningsovereenkomsten niet onder ogen gezien. Ook de notaris die bij de overeenkomsten betrokken is geweest, heeft partijen niet op deze mogelijkheid gewezen. Dit alles brengt mee dat drie van de acht overeenkomsten met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 op grond van de redelijkheid en billijkheid moeten worden ontbonden, in die zin dat [eiseres] met ingang van 1 januari 2024 niet meer aan de daarin opgenomen renteverplichting jegens [gedaagde] hoeft te voldoen. De na 1 januari 2024 aan [gedaagde] gedane rentebetaling van € 11.790,00 is onverschuldigd gedaan en dient door hem te worden terugbetaald. Dit alles aldus [eiseres] .
[gedaagde] voert verweer op, kort gezegd, de navolgende gronden. [gedaagde] betwist dat [eiseres] in zodanige financiële omstandigheden verkeert dat zij de aangegane rentelasten niet langer meer kan dragen. Dit blijkt niet uit de door [eiseres] overgelegde financiële bescheiden. [eiseres] houdt informatie achter en weigert [gedaagde] inzicht te verschaffen in haar financiële situatie. Daarbij komt dat [gedaagde] belang heeft bij continuering van de overeengekomen rentebetalingen. De rentebetalingen vormen al jarenlang een structureel onderdeel van de huishoud- en gezinsbegroting van [gedaagde] en worden meer in het bijzonder aangewend voor de financiering van de particuliere school van [naam] , de zoon van [gedaagde] . Dit alles aldus [gedaagde] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Deze zaak draait om de vraag of de tussen partijen gesloten overeenkomsten met de in r.o. 3.1. genoemde aktenummers met terugwerkende kracht moeten worden ontbonden wegens onvoorziene omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. De rechtbank legt uit waarop zij dit oordeel baseert.
De rechtbank kan op vordering van één der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.
1
Bij de beoordeling dient de rechtbank in aanmerking te nemen dat niet beslissend is, of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren. Het komt er slechts op aan, van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd.
Met inachtneming van het voorgaande, overweegt de rechtbank als volgt.
Partijen zijn het eens over het gezamenlijke doel waarmee zij de overeenkomsten zijn aangegaan. Door middel van schenkingen op papier tegen betaling van rente, hebben zij beoogd om de heffing van erfbelasting bij toekomstig overlijden van [eiseres] , te voorkomen althans tot een minimum te beperken.
Ook zijn partijen het erover eens, zo is gebleken ter zitting, dat zij bij het sluiten van de papieren leningen gebrekkig door de notaris zijn geadviseerd. De notaris heeft namelijk verzuimd onder ogen te zien dat op de lange termijn [eiseres] in financiële problemen zou (kunnen) komen als gevolg van de aanzienlijke renteverplichtingen zie zij jegens [gedaagde] (en [zoon] ) was aangegaan. Deze mogelijkheid is om die reden niet in de overeenkomst verdisconteerd. Om die reden ligt in de overeenkomst dan ook niet besloten dat [eiseres] , om aan de aangegane renteverplichtingen te kunnen blijven voldoen, genoodzaakt zou worden om haar levensstijl aan te passen of andere financiële verplichtingen aan te gaan, zoals het gebruiken van de overwaarde van de eigen woning door middel van het sluiten van een Verzilverhypotheek, zoals [gedaagde] heeft geopperd. Dit brengt mee dat, wanneer de noodzaak tot levensstijlaanpassing of het aangaan van andere financiële verplichtingen zich voordoet, er sprake is van een door partijen niet voorziene wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 6: 258 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Partijen verschillen van mening of de financiële situatie van [eiseres] zodanig is dat het onverkort continueren van de aangegane renteverplichting [eiseres] noopt tot het aanpassen van haar levensstijl of het aangaan van andere financiële verplichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit wel het geval.
Redengevend voor dit oordeel is dat [gedaagde] niet gemotiveerd heeft weersproken de met stukken onderbouwde stelling van [eiseres] dat haar vermogen jaarlijks gemiddeld afneemt met € 64.559,86, welke afname voor een overgroot deel wordt veroorzaakt door de ten behoeve van [gedaagde] en [zoon] aangegane renteverplichting van € 55.9804,90 per jaar
2. Daarbij komt dat uit de door [eiseres] overgelegde stukken
3 blijkt dat haar banksaldo eind 2024 € 144.639,00 in totaal bedraagt en dus onvoldoende om de aangegane rentelast nog meer dan twee jaar te dragen.
De rechtbank heeft er – net als [gedaagde] - nota van genomen dat [eiseres] ter onderbouwing van het banksaldo van eind 2024 wel de belastingaangifte heeft overgelegd en niet alle bankafschriften, maar de rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door c.q. namens [eiseres] ingediende belastingaangifte.
Ook gaat de rechtbank voorbij aan de twijfels die [gedaagde] heeft over de uit de stukken blijkende vermogensafname van [eiseres] in de periode 2022/ 2023
4. [eiseres] is middels een op zichzelf niet onbegrijpelijke schriftelijke verklaring van [zoon]
5 ingegaan op de door [gedaagde] geuite twijfels en gestelde vragen. Daarbij komt dat de redenen voor de vermogensafname afname op zichzelf niet afdoen aan de feitelijke financiële situatie waar [eiseres] zich met ingang van januari 2024 in bevindt. Deze feitelijke financiële situatie, samengevat een banksaldo van € 144.639,00 tegenover een totale jaarlijkse rentelast van € 55.9804,90 per jaar, vormt de grondslag voor de gevorderde ontbinding.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] relatief kort geleden een totaalbedrag van € 9.000,00 heeft geschonken aan haar kleinkinderen (kinderen van [zoon] ). De rechtbank gaat hieraan voorbij, omdat deze schenking een relatief klein bedrag is ten opzichte van de aangegane renteverplichting.
Voor het overige heeft [gedaagde] geen feiten en omstandigheden aangedragen die meebrengen dat de vermogensafname in de periode 2022/2023 voor risico van [eiseres] dient te komen. Dit terwijl, naar is gebleken, [gedaagde] tot 2021 inzicht had in de financiën van [eiseres] .
De overige door [gedaagde] aangedragen bezwaren tegen de door [eiseres] ter onderbouwing overgelegde stukken, doen evenmin af aan de vaststelling dat [eiseres] niet meer in staat is om de aangegane rentelast nog langdurig te dragen.
Al met al staat vast dat de financiële omstandigheden van [eiseres] met ingang van 1 januari 2024 zodanig zijn dat zij zonder aanpassing van levensstijl of het aangaan van nieuwe financiële verplichtingen, niet langdurig in staat is om de ten behoeve van [gedaagde] (en [zoon] ) aangegane renteverplichting te dragen.
Aldus is sprake van een door partijen onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6: 258 lid 1 BW.
De rechtbank dient nu te bezien of die omstandigheid van dien aard is dat [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Uit voorgaande formulering volgt dat de rechtbank terughoudendheid moet betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden
6. Het is aan [eiseres] hiertoe voldoende zwaarwegende feiten en omstandigheden aan te voeren.
In dat kader zijn naar het oordeel van de rechtbank de volgende omstandigheden van belang:
(i) de familiaire betrekking tussen partijen
4.15. Partijen zijn moeder en zoon.
(ii) de lengte van de periode waarin [eiseres] de aangegane renteverplichting is nagekomen
4.16. Vast staat dat [eiseres] al vanaf 1997 rentebetalingen aan [gedaagde] verricht, zij het aanvankelijk over een relatief bescheiden hoofdsom. De actuele hoofdsom (totale geldlening) staat daarentegen al wel sinds 2012 open.
(iii) het totale rente bedrag dat [eiseres] jaarlijks gedurende een zeer lange periode aan [gedaagde] heeft betaald
Ook staat vast dat [eiseres] vanaf 2012 jaarlijks € 27.902,45 aan rente aan [gedaagde] betaalt
7. Vanaf 2012 tot en met 2023 (11 jaar) komt dat neer op een bedrag van € 306.926,95. Daarbij komt ook nog de voor 2012 door [eiseres] aan [gedaagde] betaalde rente.
(iv) de financiële vooruitzichten van [eiseres] en de gevolgen van ongewijzigde instandhouding van de renteverplichting
4.18. Het inkomen van [eiseres] is gering en weegt bij lange na niet op tegen de aangegane renteverplichting. Dat [eiseres] in de toekomst over een hoger inkomen zal beschikken, is niet gesteld of gebleken en onder de gegeven omstandigheden ook niet waarschijnlijk.
Ongewijzigde instandhouding van de renteverplichting is voor [eiseres] niet op te brengen (zonder wijziging van levensstijl of aangaan van andere financiële verplichtingen) en zal daarom in de toekomst leiden tot een onaanvaardbare situatie.
4.19. Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] geen ongewijzigde instandhouding van de samenhangende schenking- en leenovereenkomsten kan verwachten.
De door [gedaagde] aangedragen omstandigheden doen daaraan niet af. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de rentebetalingen al jarenlang een structureel onderdeel vormen van de huishoud- en gezinsbegroting van [gedaagde] en meer in het bijzonder worden aangewend voor de financiering van de particuliere school van [naam] , de zoon van [gedaagde] . De rechtbank gaat hieraan voorbij. Ter zitting is komen vast te staan dat [naam] inmiddels in groep 8 van de lagere school zit en dat alle aan die lagere school verbonden kosten inmiddels zijn voldaan. Een dringende noodzaak voor continuering van de rentebetalingen kan hieruit niet worden afgeleid. Daarbij komt dat uit de door [gedaagde] op de zitting afgelegde verklaring blijkt dat een reguliere middelbare school voor [naam] een reële mogelijkheid is.
Voor het overige heeft [gedaagde] zijn stelling dat de rentebetalingen een structureel onderdeel van zijn begroting vormen onvoldoende concreet gemaakt.
De rechtbank neemt ook mee in de beoordeling dat ook na de ontbinding er nog een hoofdsom van € 267.541,17 openstaat waarover [eiseres] jaarlijks 6% rente aan [gedaagde] zal moeten betalen, zonder dat daar iets tegenover staat. In zoverre wordt ook bij toewijzing van de gevorderde ontbinding aan het belang van [gedaagde] bij een gezonde financiële huishouding tegemoet gekomen.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primair gevorderde ontbinding met ingang van 1 januari 2024 toewijsbaar is.
De rechtbank heeft er nota van genomen dat [zoon] ter zitting heeft uitgesproken zelf vanaf genoemde datum ook geen beroep meer te doen op de door [eiseres] met hem gesloten overeenkomsten.
Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] gehouden is het over de periode daarna door hem ontvangen rente bedrag van € 11.790,00 aan [eiseres] terug te betalen. [gedaagde] zal hiertoe worden veroordeeld. De over dit bedrag door [eiseres] gevorderde rente is onder de gegeven omstandigheden toewijsbaar vanaf 1 maand na betekening van dit vonnis. Omdat de ontbinding pas heden wordt uitgesproken, verkeert [gedaagde] nog niet in verzuim met de terugbetaling. Genoemde betalingstermijn komt de rechtbank redelijk voor.
Gelet op de familierelatie tussen partijen, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
ontbindt de tussen partijen gesloten overeenkomst zoals neergelegd in de aktenummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] met ingang van 1 januari 2024;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een bedrag van € 11.790,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maand na betekening van dit vonnis tot aan de dag van betaling,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
Zie artikel 6:258 lid 1 BW
Zie alinea 7 van de pleitnota van [eiseres] en productie 7 van haar kant
Zie alinea 9 van de pleitnota van [eiseres] en productie 14 van haar kant
Zie alinea van de pleitnota van [gedaagde]
Zie productie 8 van [eiseres]
Zie HR 20 februari 1998, NJ 1998/493 (Briljant Schreuders/ABP
½ x € 55.804,90 (zie alinea 1.3. en 1.4 van de dagvaarding)
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
