Essentie (gemaakt door AI)
Vrouw verzoekt eenhoofdig gezag; man voert verweer. Toets aan art. 1:253n BW jo. art. 1:251a BW. Gestelde intieme terreur onvoldoende onderbouwd; VT-rapport signaleert vooral risico op klempositie door ouderconflict. Geen onaanvaardbaar risico dat minderjarige klem raakt; verzoek van vrouw afgewezen. Voorlopige zorgregeling uitgebreid naar elke zondag 12.00–18.00 uur bij vader. Verwezen naar ouderschapsbemiddeling; zaak pro forma aangehouden met mogelijke raadsonderzoek als hulpverlening niet slaagt.| Datum publicatie | 19-01-2026 |
| Zaaknummer | C/10/690926 / FA RK 24-9233 en C/10/707918 / FA RK 25-7576 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Rechtbank wijst het verzoek om eenhoofdig gezag af. Geen sprake van intieme terreur. Voorlopige zorgregeling uitgebreid. Uniform Hulpaanbod ingezet om de onderliggende problemen tussen partijen aan te pakken.Volledige uitspraak
Team familie
Zaaknummers / rekestnummers: C/10/690926 / FA RK 24-9233
C/10/707918 / FA RK 25-7576
Beschikking van 12 januari 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak C/10/690926 / FA RK 24-9233 van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching te Rotterdam,
en
in de zaak C/10/707918 / FA RK 25-7576 van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching te Rotterdam,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
1De (verdere) procedure
Het verdere verloop van de procedure met zaaknummer C/10/690926 / FA RK 24-9233 blijkt uit:
-
de beschikking van 18 maart 2025;
-
het bericht met bijlage van de man van 31 juli 2025;
-
het bericht met bijlage van de vrouw van 17 september 2025;
-
het bericht tevens gewijzigd verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 9 december 2025.
Het verloop van de procedure met zaaknummer C/10/707918 / FA RK 25-7576 blijk uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 oktober 2025;
-
het bericht met bijlagen van de vrouw van 5 december 2025;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 8 december 2025.
De gelijktijdige mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden op 15 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1].
2De verdere vaststaande feiten
Bij beschikking van 18 maart 2025 is bepaald dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) voorlopig als volgt zal zijn:
- de man ziet de minderjarige één keer per week in Monkeytown (Rotterdam, IJsselmonde) van 12:00 uur tot 14:00 uur, te beginnen op zaterdag 22 februari 2025, waarbij de vrouw in de buurt blijft, zulks met inachtneming van dat wat verder is opgenomen onder rechtsoverweging 3.2.9.
3De (verdere) beoordeling
Gezag
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan haar toekomt.
De man voert gemotiveerd verweer.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
De vrouw stelt dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen partijen. Tijdens de relatie hebben meerdere incidenten van huiselijk geweld plaatsgevonden en zelfs na de beëindiging van de relatie ziet de vrouw (en [naam 2]) een patroon dat valt onder intieme terreur. Verder benoemt de vrouw één specifiek geval, waarbij een reis naar het buitenland geen doorgang heeft kunnen vinden, omdat de man daar niet volledig aan meewerkte. Deze omstandigheden leiden ertoe dat het gezag niet langer door beide ouders gezamenlijk kan worden gedragen, aldus de vrouw.
De man betwist dat er een onaanvaardbaar risico bestaat en stelt dat er geen grond is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. Niet alleen betwist de man een aantal van de door de vrouw gestelde incidenten in de zin dat die zich niet hebben voorgedaan dan wel zich anders hebben afgespeeld dan de vrouw aangeeft, ook stelt hij dat de meeste incidenten waar de vrouw zich op beroept, plaatsvonden voor de beëindiging van de relatie van partijen. Sindsdien zijn dergelijke incidenten niet meer voorgevallen, aldus de man.
Intieme terreur wordt gekenmerkt door een patroon van controle en dwang. Dit kan zich uiten in het isoleren, vernederen en intimideren van de partner tot ernstig fysiek en seksueel geweld. Ook kan het gaan om controle over financiën en bedreigingen van de partner. Het is een proces waarbij afhankelijkheid wordt vergroot en veerkracht wordt ondermijnd. Bij intieme terreur is er sprake van een machtsverschil tussen de partners. Eén partner, meestal de man, oefent dwang en controle uit op de ander, veelal de vrouw, door haar vrijheid te beperken, haar te isoleren en door het gebruik van, vaak ernstig, geweld, ook seksueel. Intieme terreur kan zich uiten in: het volgen van activiteiten van de ander, ook langs digitale weg, het beperken of zelfs ontzeggen van de autonomie van de ander, het vergroten van de afhankelijkheid van de ander, maar ook in: psychologische manipulatie (gaslighting), uitschelden, vernederen en bekritiseren, kinderen tegen de partner opzetten, jaloezie en chantage, seksuele dwang, misleiding, dreiging met suïcide of het bedreigen van kinderen of huisdieren en derden gebruiken of opzetten tegen de partner. De partner en de eventuele kinderen voelen zich als gevolg hiervan continu bedreigd en onveilig.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is geweest van intieme terreur door de man. De vrouw heeft enkele screenshots van de communicatie tussen partijen en een kennelijk door haarzelf opgestelde beschrijving van het verloop van de omgangsmomenten (producties 6 en 17 in de procedure 707918) overgelegd. De rechtbank ziet niet in hoe deze stukken het bestaan van intieme terreur onderbouwen. Dat partijen regelmatig van mening verschilden en ruzie hadden in de periode dat zij een relatie hadden staat wel vast evenals de omstandigheid dat de man bepaalde gedragingen die daarna plaatsvonden, zoals het soms te laat terugbrengen van de minderjarige, het meenemen van zijn moeder naar een contactmoment of het filmen van een vriendin van de vrouw, achterwege had moeten laten. De stelling van de vrouw dat [naam 2] ook een patroon van intieme terreur ziet, maakt het voorgaande niet anders. Stukken van de zijde van [naam 2] ontbreken en niet is gesteld of gebleken dat [naam 2] contact heeft gehad met de man of anderszins onderzoek heeft gedaan naar de relatie tussen partijen. De rechtbank kan zodoende niet vaststellen welke visie [naam 2] heeft op de relatie van partijen, hoe die visie tot stand is gekomen en welke waarde aan die visie moet worden toegekend.
Van de zijde van de man is een rapport overgelegd van Veilig Thuis (verder: VT) van 7 maart 2025. Uit dit rapport blijkt dat VT met beide partijen en met het Centrum voor Jeugd en Gezin en met “justitie” heeft gesproken. Dit rapport geeft aan dat de grootste zorg van VT is dat (als gevolg van de conflicten tussen de ouders) het contact en daarmee de band tussen vader en zoon verwatert hetgeen invloed kan hebben op hun toekomstige relatie. VT maakt zich tevens zorgen dat de minderjarige klem komt te zitten tussen ouders wat tot ontwikkelingsproblemen kan leiden.
Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leiden niet tot de conclusie dat er sprake is (geweest) van intieme terreur.
Met betrekking tot het niet verlenen van toestemming voor een buitenlandse reis van de vrouw met de minderjarige is gesteld en niet betwist dat de man de vrouw een volledig ingevuld en ondertekend toestemmingsformulier heeft doen toekomen, maar abusievelijk had verzuimd daar een kopie van een identiteitsbewijs bij te voegen.
De rechtbank ziet in het voorgaande, net als de raad, dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt en dat zij daarin verbetering moeten brengen. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om daar met hulpverlening aan te werken. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat het gezag over een minderjarige bij de beide ouders hoort te liggen. Er is thans geen sprake van een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
Zorgregeling
In de beschikking van 18 maart 2025 is een voorlopige zorgregeling bepaald en is de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de definitieve zorgregeling in afwachting van het resultaat van het mediationtraject. De rechtbank verwijst naar wat over dat onderwerp is opgenomen in die beschikking.
De man verzoekt – na wijziging – de zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarige iedere week van zondag 11.00 uur tot woensdag 15.00 uur, alsook de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijft. De man stelt het volgende als opbouwregeling voor:
-
de minderjarige verblijft gedurende de eerste vier weken na de datum van beschikking iedere zondag en woensdag van 12.00 uur tot 18.00 uur en iedere vrijdag van 12.00 tot 14.00 uur bij de man;
-
vervolgens verblijft de minderjarige gedurende vijf weken iedere zondag van 12.00 uur tot maandag 18.00 uur, iedere woensdag van 12.00 uur tot 18.00 uur en vrijdag van 12.00 uur tot 14.00 uur bij de man;
-
daarna verblijft de minderjarige gedurende vijf weken iedere zondag van 12.00 uur tot dinsdag 18.00 uur bij de man.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij vindt dat er contact tussen de man en de minderjarige moet zijn, maar dat uitbreiding van de zorgregeling op dit moment niet in het belang van de minderjarige is. De vastgestelde voorlopige zorgregeling wordt uitgevoerd, maar verloopt volgens haar niet goed.
De raad is van mening dat er veel wantrouwen en spanning is tussen de ouders en dat de minderjarige dat voelt. Zij adviseert hulpverlening in te zetten voor ouders om de onderliggende problemen aan te pakken.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde manier.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
-
Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de minderjarige?
-
Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
-
Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
Voorlopige zorgregeling
De rechtbank ziet geen reden om de voorlopige zorgregeling niet uit te breiden, omdat de problematiek tussen partijen speelt en niet tussen de man en de minderjarige. Daarnaast staat vast dat eerder een zorgregeling heeft bestaan, aanzienlijk uitgebreider dan de regeling vastgelegd in de beschikking van 18 maart 2025. Deze regeling was dan ook slechts bedoeld als een begin van een door partijen in mediation uit te breiden regeling. De rechtbank zal in afwachting van het hulpverleningstraject een voorlopige zorgregeling bepalen zoals in de beslissing is neergelegd.
Proceskosten
De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure C/10/707918 / FA RK 25-7576.
Het uitgangspunt in familiezaken is dat, vanwege de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken, zodat het verzoek van de man zal worden afgewezen.
4De beslissing
De rechtbank:
in de zaak van C/10/690926 / FA RK 24-9233:
bepaalt dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig als volgt zal zijn:
- de minderjarige verblijft iedere zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur bij de man;
stelt vast dat partijen, te weten:
[naam man],
wonende te [adres 1],
en
[naam vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres;
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject bewerkstelligen dat zij op een constructieve manier met elkaar overleggen en samenwerken in het belang van de minderjarige en dat zij nadere afspraken zullen maken ten behoeve van onbelast en regelmatig contact tussen de minderjarige en beide partijen;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
t.a.v. het routeringspunt
[adres 2]
e-mailadres: [e-mailadres];
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan tot
in de zaak C/10/707918 / FA RK 25-7576:
wijst de verzoeken van de man (tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten) en de vrouw (tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag) af;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 12 januari 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
