Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8172

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep waarin verzoek van ouders tot wijziging van de geslachtsnaam van drie kinderen naar een gecombineerde achternaam is toegewezen. Ambtenaar weigert op grond van de WIGG-overgangsregeling (oudste kind vóór 1-1-2016). Het hof oordeelt dat gescheiden ouders via art. 3 BG wél ruimer kunnen wijzigen dan gehuwde ouders via de WIGG, zonder dragende rechtvaardiging. Dit onderscheid is in strijd met art. 14 EVRM en het Handvest. Hof gelast ambtenaar de namen per 1-1-2026 te wijzigen en vernietigt de afwijzing. Ambt

Datum publicatie19-01-2026
Zaaknummer200.358.705/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2025:4404
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenOverig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW);
Kinderen; Gezagsgeschil 1:253a BW;
Familieprocesrecht; Proceskosten
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Gecombineerde geslachtsnaam. (Overgangs)regeling WIGG, strijd met EVRM en het Handvest.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.358.705

(zaaknummer rechtbank Gelderland 446284)

beschikking van 18 december 2025

inzake

[verzoeker1] ,

en

[verzoekster2] ,

verzoekers, hierna te noemen: de ouders,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. V.O. Agterberg in Utrecht,

en

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand.

1De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 juni 2025, uitgesproken onder zaaknummer 446284 (hierna de bestreden beschikking).

2De procedure bij het hof

2.1

Op 1 september 2025 is het beroepschrift met bijlagen van de ouders door het hof ontvangen. Op 7 november 2025 is het verweerschrift van de ambtenaar van de burgerlijke stand door het hof ontvangen.

2.2

Op 10 november 2025 hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de voorzitter en de griffier van het hof verteld wat zij vinden van het verzoek van hun ouders.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 13 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren de ouders aanwezig, bijgestaan door hun advocaat. De ambtenaar van de burgerlijke stand is zoals tevoren aangekondigd niet verschenen.

2.4

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bleek dat de ouders het verweerschrift van de ambtenaar van de burgerlijke stand niet hadden ontvangen. Een exemplaar is alsnog overhandigd en de ouders en hun advocaat hebben een leespauze gekregen om kennis te nemen van het stuk.

Vervolgens heeft de vader het standpunt van de ouders aan de hand van een schriftelijk stuk uiteengezet. Dat stuk is toegevoegd aan het procesdossier.

3De feiten

3.1.

Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015;

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2017;

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2022.

3.2.

De ouders hebben de ambtenaar van de burgerlijke stand verzocht om de achternaam van de kinderen aan te passen naar een dubbele (gecombineerde) achternaam. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft het verzoek afgewezen bij besluit van 5 december 2024. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft als reden voor de afwijzing gegeven dat het oudste kind van verzoekers is geboren vóór 1 januari 2016, waardoor het gezin niet voldoet aan de voorwaarden van de overgangsregeling van de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG), omdat die regeling alleen geldt voor gezinnen waarvan het oudste kind is geboren tussen 1 januari 2016 en 31 december 2023.

3.3

De ouders hebben de rechtbank verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat alle drie de kinderen de beide achternamen van de ouders verkrijgen in de

volgorde [naam1] [naam2] per 3 december 2024, dan wel een nader door de rechtbank

te bepalen tijdstip; en

II. de ambtenaar van de burgerlijke stand te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.4

De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft verweer gevoerd.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de ouders afgewezen.

4De omvang van het geschil in hoger beroep

4.1

De ouders zijn het niet eens met de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat alle drie de kinderen de beide achternamen van de ouders verkrijgen in de volgorde [naam1] [naam2] per 3 december 2024, dan wel een nader door het hof te bepalen tijdstip/datum.

4.2

De ambtenaar van de burgerlijke stand voert verweer en stelt dat er geen wettelijke grondslag is om het verzoek van de ouders toe te kennen.

5De motivering van de beslissing

5.1

Het hof is van oordeel dat de ouders de ambtenaar van de burgerlijke stand op goede gronden hebben verzocht de achternaam van hun kinderen te wijzigen in een combinatie van hun beider achternamen. Het hof zal de ambtenaar van de burgerlijke stand dan ook gelasten alsnog de achternaam van de kinderen te wijzigen in de door de ouders gewenste gecombineerde achternaam. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5.2

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat artikel 1:27 Burgerlijk Wetboek (BW) de mogelijkheid geeft de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de rechter voor te leggen.

5.3

Artikel 1:5 BW geeft regels over de wijze waarop een kind zijn geslachtsnaam verkrijgt. Als een kind twee juridische ouders heeft, geeft de wet voor de geslachtsnaam van dat kind keuzemogelijkheden. Het is aan deze ouders om een keuze te maken, die zij tot uitdrukking brengen door daarover gezamenlijk een verklaring af te leggen op specifieke door de wet genoemde momenten, zoals bij de aangifte van de geboorte van een kind, bij de erkenning van een kind of bij de adoptie van een kind. Als de ouders geen keuze maken, bepaalt dit artikel welke geslachtsnaam het kind zal dragen door middel van een zogeheten ‘vangnetnorm’.

5.4

In artikel 1:7 BW is bepaald dat de geslachtsnaam van een persoon op diens verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning kan worden gewijzigd. In het Besluit geslachtsnaamswijziging (BG) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en de behandeling van dergelijke verzoeken. Tegen de afwijzing van het verzoek staat bezwaar, en vervolgens beroep bij de bestuursrechter open. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt een latere vermelding van het Koninklijk Besluit tot geslachtsnaamswijziging toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon.

5.5

Artikel 3 BG luidt – alleen de leden 1 tot en met 3 zijn hier van belang - als volgt:

1. Op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, wordt de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd:

a.in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed;

b.in de geslachtsnaam van de levensgezel van de ouder, of in de geslachtsnaam van de ouder en de levensgezel in een vrij te bepalen volgorde, indien de levensgezel anders dan als ouder de minderjarige tezamen met de ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed;

c.in de geslachtsnaam van een pleegouder of in de geslachtsnaam van beide pleegouders in een vrij te bepalen volgorde indien de pleegouder of pleegouders gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft of hebben verzorgd en opgevoed; of

d.in de gevallen, genoemd onder a tot en met c, in de geslachtsnaam die de minderjarige heeft in combinatie met de geslachtsnaam van de ouder, levensgezel dan wel pleegouder.

2. Indien de minderjarige is geadopteerd, is, onverminderd het eerste lid, ook wijziging mogelijk in de oorspronkelijke geslachtsnaam of een combinatie daarvan met de geslachtsnaam van de ouder, levensgezel dan wel pleegouder.

3. Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

5.6

Op 1 januari 2024 is de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG) in werking getreden. Door deze wet is artikel 1:5 BW aangevuld met de mogelijkheid voor de ouders om hun kind een gecombineerde geslachtsnaam te geven, bestaande uit een combinatie van (een van) de geslachtsnamen van de beide ouders.

5.7

De WIGG voorziet ook (tijdelijk) in de mogelijkheid om kinderen die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn geboren, erkend of geadopteerd en voor wie de ouders dus al eerder een naamkeuze hebben kunnen maken, alsnog een gecombineerde geslachtsnaam te geven. Uit artikel IIIB lid 1 van de WIGG volgt dat tot 1 januari 2025 kinderen van dezelfde (juridische) ouders een gecombineerde geslachtsnaam kunnen krijgen als voldaan is aan de volgende drie voorwaarden:

a. de ouders verklaren gezamenlijk dat hun kind een gecombineerde geslachtsnaam behoort te krijgen en hoe die gecombineerde geslachtsnaam zal luiden, en;

b. het oudste kind van de ouders is geboren op of na 1 januari 2016 maar voor 1 januari 2024, en

c. de door de ouders afgelegde verklaring betreft al hun kinderen.

5.8

In grief 1 voeren de ouders aan dat in de wet ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen gehuwde en gescheiden ouders. Volgens de ouders is in artikel 3 lid 1 onder a BG de leeftijdsgrens 12 jaar (met een verzorgingstermijn van ten minste drie jaren), maar artikel 3 lid 3 BG verklaart het eerste lid vervolgens van overeenkomstige toepassing op minderjarigen die de leeftijd van 12 jaar nog niet hebben bereikt, mits er een verzorgingstermijn van ten minste vijf jaren is. De BG is dus wél van toepassing op gescheiden ouders die - op het huwelijk na - in een gelijke situatie als de ouders verkeren, te weten op gescheiden ouders die de juridische ouders zijn van een kind van 8 jaar, welk kind zij al meer dan vijf jaar samen opvoeden en verzorgen, en waarvoor zij gezamenlijk een eensluidend verzoek doen om de achternaam van het kind te wijzigen in een gecombineerde achternaam. Gescheiden ouders kunnen aldus wél een gecombineerde achternaam kiezen voor hun kind van 8 jaar, maar gehuwde ouders in overigens gelijke omstandigheden niet. Dat is volgens de ouders discriminatie wegens de burgerlijke stand en dat is in strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

5.9

De ambtenaar van de burgerlijke stand voert ter verweer aan dat hij het verzoek van de ouders heeft afgewezen, omdat het oudste kind van de ouders is geboren vóór 1 januari 2016. Hierdoor voldoet het gezin niet aan de voorwaarden van de overgangsregeling van de WIGG. De overgangsregeling is expliciet bedoeld voor gezinnen waarvan het oudste kind is geboren tussen 1 januari 2016 en 31 december 2023. Deze beperking is in de wet opgenomen om een duidelijke en afgebakende groep in aanmerking te laten komen voor de regeling. Kinderen geboren voor 1 januari 2016 vallen buiten deze doelgroep, en dus is de overgangsregeling niet op hen van toepassing, aldus de ambtenaar van de burgerlijke stand.

5.10

Het hof is van oordeel dat grief 1 van de ouders slaagt.

De stelling van de ouders dat het voor gescheiden ouders wel mogelijk is om in een verder gelijke situatie op grond van artikel 3 BG alsnog een gecombineerde achternaam aan te vragen voor hun kinderen, is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, juist. In artikel 3 lid 3 BG is immers bepaald dat het artikel ook geldt ten aanzien van kinderen jonger dan twaalf jaar, met dien verstande dat dan de verzorgingstermijn van ten minste vijf jaren uit lid 3 geldt. Het BG biedt gescheiden ouders derhalve een aanzienlijk ruimere mogelijkheid tot naamswijziging dan het overgangsrecht van de WIGG (gehuwde) ouders biedt. Of dat onderscheid bij de invoering van de WIGG is onderkend is uit de memorie van toelichting bij de WIGG niet af te leiden en als het al is onderkend ontbreekt in ieder geval een toelichting waarom onderscheid in dit geval gerechtvaardigd is. Bij gebreke van die toelichting is dat onderscheid naar het oordeel van het hof, zoals de ouders terecht hebben aangevoerd, in strijd met het EVRM en het Handvest.

5.11

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat in dit geval de (overgangs)regeling van de WIGG in strijd is met de voornoemde verdragen en de daaruit voor de ouders en hun kinderen voortvloeiende (grond)rechten. Die strijdigheid voor deze ouders en hun kinderen is alleen op te heffen door de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de geslachtsnaam van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] alsnog te wijzigen in een dubbele achternaam. Dat zal het hof dan ook doen.

5.12

In het licht van het voorgaande behoeft grief 2 van de ouders geen behandeling meer.

Proceskosten

5.13

Voor verzoekschriftprocedures is, met betrekking tot de proceskosten, bepaald dat de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten kan inhouden (artikel 289 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 362 Rv) . Daarbij geldt als uitgangspunt dat het aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten of hij in het gegeven geval aanleiding vindt een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.

5.14

De ouders hebben in eerste aanleg verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand te veroordelen in de proceskosten. Het hof ziet in dit geval aanleiding om de ambtenaar van de burgerlijke stand als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de door de ouders gemaakte proceskosten in beide instanties. Een ander oordeel zou betekenen dat de kosten voor de ouders gemoeid met het herstel van hun door het discriminatoire karakter van de door de ambtenaar van de burgerlijke stand toegepaste overgangsregeling van de WIGG geschonden rechten door hen zouden moeten worden gedragen. Die kosten dienen gelet op dat karakter voor risico en rekening van de overheid te komen.

Het hof begroot de kosten aan de zijde van de ouders op € 1.428,- aan salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten à € 614,-) en op € 331,- voor griffierecht voor de procedure bij de rechtbank.

De kosten voor de procedure in hoger beroep stelt het hof vast op € 2.428,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten à € 1.214) en op € 362,- voor griffierecht.

6Slotsom

Gelet op vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de verzoeken van de ouders alsnog toewijzen.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 juni 2025 en opnieuw beschikkende;

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] met ingang van

1 januari 2026 de geslachtsnaam van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015 in [geboorteplaats] in het onder hem berustende register van geboorten, te wijzigen in ‘ [naam1] [naam2] ’, zodat haar naam met ingang van 1 januari 2026 luidt: [de minderjarige1] ;

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2017 in [geboorteplaats] , in het onder hem berustende register van geboorten, te wijzigen in ‘ [naam1] [naam2] ’, zodat haar naam met ingang van1 januari 2026 luidt: [de minderjarige2] ;

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2022 in [geboorteplaats] , in het onder hem berustende register van geboorten, te wijzigen in ‘ [naam1] [naam2] ’, zodat haar naam met ingang van 1 januari 2026 luidt: [de minderjarige3] ;

veroordeelt ambtenaar in de kosten van deze procedure in beide instanties aan de zijde van de ouders begroot (in totaal) op:

-€ 693,- voor griffierecht;

-€ 3.656,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, P.B. Kamminga en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 18 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733