Essentie (gemaakt door AI)
Verdrag van Istanbul. Hoger beroep waarin verzoek van vader om vervangende toestemming tot erkenning van minderjarige centraal staat. Na raadsonderzoek en advies van raad en bijzondere curator oordeelt het hof dat erkenning de moeder schaadt in een ongestoorde verhouding met kind gelet op haar trauma en angst na partnergeweld en de houding van vader. Belang kind vergt rust en stabiliteit; reële risico’s voor ontwikkeling bij erkenning. Bekrachtiging afwijzing erkenning.
| Datum publicatie | 16-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.346.011/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Erkenning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Er wordt geen vervangende toestemming voor erkenning verleend aan de biologische vader, omdat dit de belangen van de moeder op een ongestoorde verhouding met het kind schaadt en als gevolg daarvan de evenwichtige ontwikkeling van het kind zelf.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.346.011/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 145232)
beschikking van 23 december 2025
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. C. van Tellingen-Okken te Groningen,
en
[verweerster] (de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Blokzijl te Meppel.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
mr. C.C.N. Cats (de bijzondere curator),
kantoorhoudende te Emmen,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over
[minderjarige] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.
1Het verloop van het geding in hoger beroep
Voor het verloop van het geding tot 22 oktober 2024 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
Het verdere verloop blijkt uit:
- het verweerschrift;
- een journaalbericht namens de man van 31 oktober 2024 met productie(s);
- een journaalbericht namens de man van 7 november 2024;
- een rapport van de raad van 10 juni 2025;
- een journaalbericht namens de bijzondere curator van 24 september 2025;
- een journaalbericht namens de man van 7 november 2025 met bijlage(n).
De mondelinge behandeling heeft op 13 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw (digitaal), bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator;
- een vertegenwoordiger van de raad.
Namens de vrouw is ter zitting bezwaar gemaakt tegen overlegging van genoemd journaalbericht namens de man van 7 november 2025, waarbij een evaluatie van GGZ Drenthe van 6 november 2025 is gevoegd. Volgens de vrouw had de man zijn behandelend psycholoog, die de evaluatie heeft geschreven, ook eerder om een evaluatie kunnen vragen. De vrouw is primair van mening dat het journaalbericht van 7 november 2025 buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het te laat is ingediend. Voor het geval het hof daarover anders oordeelt is de advocaat van de vrouw ter zitting ingegaan op de inhoud van de evaluatie. Hoewel de evaluatie buiten de in het procesreglement opgenomen termijn voor het indienen van aanvullende stukken is overgelegd, neemt het hof dit stuk wel mee in zijn beoordeling. Gezien de recente datum kon dit stuk niet eerder worden overgelegd. Bovendien beschrijft de evaluatie het hulpverleningstraject van de man en die informatie vindt het hof relevant voor de beoordeling omdat het een actueel beeld schetst van de situatie van de man. Verder is ter zitting naar voren gekomen dat de psycholoog, die de evaluatie heeft geschreven, net een andere functie heeft gekregen en verder niet meer bij de man betrokken zal zijn. Het is denkbaar dat deze evaluatie eerst ter gelegenheid van die omstandigheid is geschreven. Daarbij komt dat de vrouw ter zitting voldoende gelegenheid heeft gehad om op de relatief korte en eenvoudig te doorgronden inhoud van de evaluatie te reageren.
2De feiten
Partijen hebben van mei 2021 tot juli 2022 een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op 5 maart 2023 [minderjarige] geboren. DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . De vrouw heeft het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vrouw. [minderjarige] is niet door de man erkend en hij heeft [minderjarige] nooit ontmoet.
De vrouw heeft op 31 juli 2021 aangifte gedaan van mishandeling door de man.
De man is bij vonnis van de politierechter van 22 juli 2022 wegens mishandeling van de vrouw veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
3De motivering van de beslissing
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 13 juni 2024 de verzoeken van de man om hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] , om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en om een omgangsregeling dan wel een informatieregeling te bepalen afgewezen. De rechtbank achtte zich voldoende geïnformeerd om tot deze beslissing te komen en heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod van de raad om onderzoek te doen.
De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
Primair:
I. vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] door de man;
II. te bepalen dat de man, samen met de vrouw, wordt belast met het ouderlijk gezag over
[minderjarige] ;
III. een omgangsregeling te bepalen tussen de man en [minderjarige] van één middag per week gedurende een halfjaar, uit te breiden met een overnachting na een halfjaar tot één weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen vanaf de
3-jarige leeftijd, dan wel een regeling vast te stellen die het hof juist acht;
Subsidiair:
IV. te bepalen dat de vrouw maandelijks aan de man informatie dient te verstrekken over de gezondheid en ontwikkeling van [minderjarige] , maandelijks foto's van hem dient te verstrekken aan de man, dan wel een informatieregeling vast te stellen die het hof juist acht.
In het kader van regievoering heeft het hof kort na binnenkomst van het beroepschrift de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of er factoren zijn die pleiten tegen een erkenning van [minderjarige] door de man, en – voor het geval het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning zal worden toegewezen – naar het door de man verzochte gezamenlijke gezag over [minderjarige] en de mogelijkheden voor het vaststellen van een omgangsregeling/zorgregeling dan wel informatieregeling.
De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Zij verzoekt het door de man ingestelde beroep af te wijzen en de beschikking van 13 juni 2024 te bekrachtigen en de verzoeken van de man af te wijzen.
De raad heeft op 10 juni 2025 een rapport uitgebracht. De raad adviseert het hof het verzoek van de man om erkenning van [minderjarige] af te wijzen. De raad is tot de conclusie gekomen dat erkenning de vrouw schaadt in een ongestoorde verhouding met [minderjarige] . De raad heeft zijn advies ter zitting gehandhaafd.
Hoewel de bijzondere curator het verzoek van de man in haar verslag van 10 januari 2024 en ter zitting in eerste aanleg nog toewijsbaar achtte, volgt de bijzondere curator thans het advies van de raad, zoals dat is neergelegd in het raadsrapport.
Gezag, omgang en informatieregeling
De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn primaire verzoeken onder II en III en zijn subsidiaire verzoek onder IV ingetrokken. Daarom behoeven het ouderlijk gezag, de zorg-/omgangsregeling en de informatieregeling geen bespreking meer. Ook grief 1 van de man over het door de rechtbank ten onrechte passeren van het aanbod van de raad om een raadsonderzoek te verrichten behoeft geen bespreking meer, nu de raad in opdracht van het hof inmiddels een raadsonderzoek heeft verricht.
Erkenning
Het hof komt tot hetzelfde oordeel over de erkenning als de rechtbank. Het hof is het eens met de raad en de bijzondere curator dat het verzoek van de man om [minderjarige] te erkennen niet alsnog moet worden toegewezen. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt die – na eigen onderzoek – tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
Bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 1:204 lid 3 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek komt het aan op een afweging van de belangen van betrokkenen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. De rechter moet het belang en de aanspraak van de verwekker en het kind op erkenning afwegen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. De rechter geeft geen vervangende toestemming voor erkenning als de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind hierdoor zouden worden geschaad, of als de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind hierdoor in het gedrang zou komen. Bij de afweging van deze belangen van de moeder en het kind gaat het noodzakelijkerwijs om een verwachting over toekomstige feiten en het feit dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is.
1
De vrouw verzet zich tegen de door de man gevraagde toestemming om [minderjarige] te erkennen. De vrouw stelt dat zij bij erkenning van [minderjarige] door de man in een zodanige toestand komt te verkeren dat zij [minderjarige] niet meer een stabiel opvoedingsklimaat kan bieden. De vrouw kampt met psychische problemen als gevolg van de relatie die zij met de man heeft gehad. De vrouw stelt dat de relatie van partijen zich kenmerkte door huiselijk geweld van de man richting haar, waarvoor de man strafrechtelijk is veroordeeld. De foto’s van het betreffende letsel bij de vrouw zitten in het dossier. De vrouw voert aan dat de man haar niet alleen fysiek mishandelde, maar dat hij ook controles uitvoerde. Zo controleerde de man de locatie van de vrouw, moest zij haar telefoon bij hem inleveren en controleerde en inspecteerde hij haar geslachtsdeel. De vrouw is nog altijd ontzettend bang voor de man. Hoewel zij de man sinds het verbreken van de relatie niet meer heeft gezien, heeft hij nog wel via anderen geprobeerd contact met haar op te nemen. Volgens de vrouw vindt de man het toepassen van huiselijk geweld, zowel fysiek als psychisch, normaal. Zij heeft vernomen dat hij dat bij meerdere ex-partners heeft gedaan en dat hij is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen een ex-partner. Ook stelt de vrouw dat een ex-partner een aangifte of melding van huiselijk geweld heeft ingetrokken onder druk van de man. Meerdere ex-partners zijn erg bang voor de man. De vrouw heeft sinds 2023 psychische hulp voor spanning- en stressklachten gerelateerd aan de relatie met de man. In 2024 is zij gestart met EMDR-therapie. Na een eerdere onderbreking vanwege een toename in klachten door het ingestelde hoger beroep is de EMDR-therapie in aanloop naar de zitting wederom gestaakt, omdat dit momenteel de draagkracht van de vrouw overstijgt. De vrouw heeft de zitting digitaal bijgewoond, omdat zij de confrontatie met de man niet aandurfde.
Uit de in het dossier aanwezige informatie van de psycholoog van de vrouw en de huisarts, alsmede het raadsrapport blijkt dat het onderwerp ‘de man’ en het verband tussen de man en [minderjarige] , de vrouw diepe angst (doodsangst) inboezemt en er sprake is van een trauma. De vrouw is hiervoor in behandeling, maar door de verzoeken van de man aan eerst de rechtbank (september 2023) en vervolgens het hof (september 2024) en nu weer het raadsonderzoek (2025) stagneert de behandeling en ervaart de vrouw telkens weer een toename van stress. Dit uit zich bij de vrouw in spanningsklachten, overprikkeling, fysieke reacties maar ook vanuit de angst en spanning vergeten te ademen, paniekaanvallen en hyperventilatie. Nadien zijn er dagen nodig om bij te komen. Ondanks de vrouw haar trauma (doodsangst of de man wel of niet nu of in de toekomst een rol kan krijgen) pakt zij de zorg voor [minderjarige] adequaat op. De behandelaar geeft aan dat rust en duidelijkheid nodig zijn voor de vrouw om haar evenwichtig in haar functioneren te kunnen laten zijn, zodat zij volledig beschikbaar kan zijn voor [minderjarige] in de zorg- en opvoedingstaken. Ook voor het slagen van de behandeling zijn rust en duidelijkheid nodig. Over de duur van de behandeling kan de behandelaar niets zeggen en wellicht is een doorverwijzing nog nodig. De behandelaar zag na de bestreden beschikking een stijgende lijn bij de vrouw. Er was rust en duidelijkheid. Het instellen van het hoger beroep heeft de vrouw (opnieuw) teruggeworpen en haar trauma wederom getriggerd.
Tegenover de uitvoerige en onderbouwde stellingen van de vrouw over de ervaringen met de man en de zware druk die dit op haar en op haar relatie tot [minderjarige] legt, heeft de man ermee volstaan om enerzijds de door de vrouw gestelde gedragingen van de man richting haar te ontkennen, althans te bagatelliseren en anderzijds als zijn eigen belang bij erkenning slechts naar voren te brengen dat hij als vader een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] . Zowel tijdens het onderzoek van de raad als ter zitting van het hof heeft de man geen ruimte laten zien voor erkenning van het trauma van de vrouw en het geweld in de relatie. De man voelt zich slachtoffer van de vrouw en vindt de strafrechtelijke veroordeling onterecht. Hij vindt dat de vrouw de zaken veel groter maakt dan ze zijn en dat zij een vies spelletje speelt. Hij voert aan dat de vrouw haar aangifte tegen hem heeft ingetrokken vanwege haar eigen aandeel in het handgemeen. De man begrijpt niet dat de vrouw bij hem is gebleven als het allemaal zo erg was als zij zegt. In eerdere relaties heeft volgens de man geen geweld plaatsgevonden. Uit het raadsrapport komt naar voren dat de man vanaf januari 2024 GGZ-hulp heeft van Optimaal Leven voor onder andere het onrecht dat hem in zijn ogen door de vrouw is aangedaan. Een hulpvraag met betrekking tot of reflectie op de partnerrelatie en veroordeling heeft de man niet. Binnen de hulpverlening van de man is (nog) geen diagnostiek verricht.
Volgens de in het raadsonderzoek als informant geraadpleegde wijkagent komen er in het politiesysteem meerdere meldingen in 2021 en 2022 voor (ook van buren) over ruzies tussen de man en de vrouw, waarbij sprake is van alcohol ge(mis)bruik. Ter objectivering van de verschillende verklaringen heeft de raad de justitiële documentatie van beide partijen opgevraagd. De vrouw heeft geen vermeldingen. De documentatie van de man beslaat 7 pagina’s. Uit de vermeldingen van de man komt een beeld naar voren waarin agressie/regulatieproblematiek een rode draad is. Eén antecedent betreft het mishandelen van een eerdere ex-partner van de man. Zowel bij de raad als ter zitting van het hof reageert de man in reactie op deze feiten bagatelliserend of vindt hij dat hij in de betreffende situatie het slachtoffer is geweest.
Op basis van voorgaande ziet het hof net als de raad grote belemmeringen voor het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning. De vrouw kan de gedachte aan toekomstig contact tussen [minderjarige] en de man op dit moment niet aan. Erkenning is volgens de vrouw een eerste stap en een opmaat naar meer, zoals omgang en gezag, ook al heeft de man die verzoeken voor nu ingetrokken. De mogelijkheid dat de man na erkenning van [minderjarige] verdere invloed op het gezin van de vrouw en [minderjarige] zal kunnen uitoefenen, boezemt de vrouw enorme angst in. Alleen al de gedachte hieraan brengt de vrouw dusdanig van haar stuk dat zij blokkeert, psychisch instabiel wordt en alles wil doen om haar en [minderjarige] te beschermen tegen de man. Met de raad is het hof van oordeel dat deze blokkade de vrouw in een dermate psychische onevenwichtige toestand brengt, dat die haar schaadt in een ongestoorde verhouding met [minderjarige] . Dit raakt [minderjarige] in zijn opvoedingssituatie en met name in de mate van beschikbaarheid van de vrouw. Dit gaat ten koste van zijn ontwikkeling. [minderjarige] is nog jong en heeft een moeder nodig die beschikbaar is en sensitief en responsief is. Op momenten van triggers is de vrouw dit niet. Dit is niet in [minderjarige] 's belang.
Net als de raad ziet het hof ook belemmeringen in het oplossen van deze blokkade. Bij de man wordt momenteel geen reflectie op en erkenning van de problematiek in de partnerrelatie gezien. Hij geeft geen duidelijkheid over zijn rol in de ongelijkwaardige relatie en het partnergeweld. De man geeft daarnaast geen blijk van besef wat dit betekent voor de door hem gewenste rol in het leven van [minderjarige] en wat dit vraagt in het aangaan van een ouderrelatie met de vrouw. Deze opstelling van de man toont vergelijkingen met zijn delicthistorie en de wijze waarop hij zichzelf steeds als slachtoffer ziet. De man heeft weliswaar een hulpvraag en ontvangt ook hulp, maar zijn hulpvraag ziet, zo blijkt uit het raadsrapport en de berichten van zijn hulpverlener, op een ander vlak. Nergens blijkt uit dat de man de hulp en begeleiding ontvangt die nodig is om vooruitgang te boeken als het gaat om het spelen van een verantwoorde rol in het leven van [minderjarige] . De in hoger beroep overgelegde recente evaluatie van de psycholoog van de man geeft daar ook geen blijk van. Daaruit wordt immers nog altijd niet duidelijk waarop de behandeling van de man ziet. Ook ter zitting kon de man geen concrete en overtuigende antwoorden geven op de vragen naar de doelen van zijn hulpverlening. Volgens de man heeft hij in de therapie geleerd om beter te communiceren, niet gelijk in de verdediging te schieten en minder te bekvechten. Hoewel de man dat zelf ontkent, stelt het hof op basis van zijn justitiële documentatie vast dat de man zich in het verleden tegen de vrouw en anderen aan meer dan alleen bekvechten heeft schuldig gemaakt. De informatie die Optimaal Leven na afronding van het raadsonderzoek nog aan de raad heeft gestuurd, stelt het hof evenmin gerust. Daaruit blijkt dat de man in de therapeutische gesprekken weliswaar reflecteert op zijn aandeel in eerdere relaties, maar dat hij het lastig vindt om over iets te reflecteren wat in zijn ogen niet op waarheid berust. In dit verband verdient opmerking dat het raadsrapport geen volledige opsomming van de afgedane misdrijven van de man bevat, vanwege het bezwaar dat de man hiertegen heeft gemaakt in verband met negatieve beeldvorming en vanwege zijn recht op privacy. Volgens de vrouw heeft de man ook opiumdelicten gepleegd waarvoor hij gedetineerd heeft gezeten.
Alles bij elkaar kan het hof zich de angst van de vrouw voor de man voorstellen. Er zijn reële zorgen over zijn agressieregulatie, zijn alcoholgebruik en zijn rol in partnerrelaties. De man ziet deze zorgen zelf niet. Hij toont geen verantwoordelijkheidsbesef en inlevingsvermogen in de vrouw. Op basis van het Verdrag van Istanbul
2 rust op de overheid de taak om de vrouw en [minderjarige] tegen huiselijk geweld te beschermen.
Het hof stelt het belang van [minderjarige] voorop. Het belang van [minderjarige] kent twee kanten. Enerzijds is het in zijn belang dat hij duidelijkheid heeft over wie zijn vader is. Anderzijds is het in [minderjarige] belang dat zijn moeder overeind blijft staan en zij niet zwicht onder het trauma dat zij heeft als gevolg van het handelen van de man. Aangezien de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] volledig bij de vrouw ligt en mede gezien zijn jonge leeftijd, is hij helemaal afhankelijk van haar. Daarom acht het hof het belang van de vrouw dat zij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] behoudt in dit geval van doorslaggevende betekenis en zal het hof de beslissing van de rechtbank om vervangende toestemming voor de erkenning af te wijzen in stand laten. Voor het geval van een andersluidende beslissing ziet het hof reële risico’s dat [minderjarige] zal worden belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling, omdat de spanningen die erkenning bij de vrouw teweeg zal brengen onvermijdelijk hun weerslag zullen hebben op haar verhouding met [minderjarige] . Het hof acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat er rust en duidelijkheid komt en het hof acht het daarvoor noodzakelijk dat de man geen vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] krijgt. Onder die condities kan de vrouw haar behandeltraject verder doorlopen, het verleden verwerken, haar draagkracht vergroten en er voor [minderjarige] zijn.
Het voorgaande brengt mee dat [minderjarige] voor zijn statusvoorlichting afhankelijk is van de vrouw. Het hof benadrukt dat statusvoorlichting van groot belang is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Het hof acht het dan ook van belang dat de vrouw, zoals zij ter zitting heeft verzekerd, [minderjarige] in de toekomst zal voorlichten omtrent zijn afstamming. De vrouw heeft ter zitting gezegd dat zij in alles eerlijk wil zijn tegen [minderjarige] en dat zij haar nieuwe partner [minderjarige] nooit zal laten erkennen. Ook heeft de vrouw aangegeven dat zij nooit zal toelaten dat [minderjarige] haar nieuwe partner ‘papa’ noemt.
4De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 13 juni 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. van Dijk en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 23 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
HR 16 juni 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AW1860)
Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
