Hoge Raad 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:61

Essentie (gemaakt door AI)

HR casseert in omgangsgeschil waarin hof omgang tussen moeder en minderjarige volledig ontzegt. Klachten richten zich op onvoldoende motivering en niet onderzoeken van minder ver strekkende alternatieven. Hoge Raad benadrukt het fundamentele karakter van omgang (art. 8 EVRM) en de hoge motiveringseisen; ontzegging vergt toets aan subsidiariteit en proportionaliteit. Omdat het hof niet heeft onderzocht of omgang in enige vorm kon blijven bestaan, is de motivering ontoereikend. Vernietiging en verwijzing. https://www.split-online.nl/kennisbank/uitspraken/75774?token=7dce9e389171698c3d2e2bed24647dbc

Datum publicatie16-01-2026
Zaaknummer25/00915
ProcedureCassatie
Formele relatiesConclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1137; In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:331
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Geen omgang (een van) ouders;
Jeugdbescherming / Jeugdwet; Pleegzorg
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Personen- en familierecht. Art. 1:377a BW. Motivering van ontzegging van omgang.

Volledige uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/00915

Datum 16 januari 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: de moeder,

advocaat: N.C. van Steijn,

tegen

1. [de pleegvader],

2. [de pleegmoeder],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: de pleegouders,

advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek.

1Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/10/644933 / FA RK 22-6616 van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2023;

b. de beschikking in de zaken 200.330.463/01 en 200.330.465/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025.

De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De pleegouders hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 en tot verwijzing.

De advocaat van de pleegouders heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De moeder heeft een dochter (hierna: de minderjarige), die is geboren in […] 2010.

(ii) De rechtbank Rotterdam heeft in september 2010 een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een crisispleeggezin voor de duur van vier weken verleend.

(iii) De rechtbank Rotterdam heeft in augustus 2012 de ouders ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige en een voogdes benoemd.

(iv) De rechtbank Rotterdam heeft in augustus 2018 de pleegouders benoemd tot voogden over de minderjarige.

(v) Sinds 2015 geldt een omgangsregeling waarbij de moeder en de minderjarige elkaar een uur per acht weken ontmoeten op locatie bij pleegzorg.

2.2

In dit geding verzoekt de moeder uitbreiding van de omgangsregeling. De pleegouders hebben in eerste aanleg bij zelfstandig verzoek verzocht de omgangsregeling te beperken tot een begeleid bezoek van twee keer per jaar een uur, rond de verjaardag van de moeder in maart en van de minderjarige in augustus. De rechtbank 1 heeft zowel het verzoek van de moeder als het verzoek van de pleegouders afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen (rov. 3.1.4):

“De rechtbank voelt mee met de wensen van de moeder, maar ziet nu, net als in 2020, vanwege de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en haar grote behoefte aan bijzondere zorg, geen ruimte voor uitgebreidere omgang. Tegelijkertijd lijkt het de rechtbank ook geen goed idee als de omgang nog minder vaak zal plaatsvinden dan 6 keer per jaar, omdat de band dan wellicht zal verwateren. Daarbij ziet de rechtbank ook geen noodzaak tot een ingeperkte omgang, omdat de rechtbank denkt dat een andere vorm van omgang een minder ingrijpend alternatief is om te bereiken dat de omgangsregeling minder moeizaam verloopt, ook voor [de minderjarige]. De rechtbank geeft partijen in overweging om – zoals tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid is onderzocht en besproken – van de omgangsmomenten een fijn en leuk uitje te maken zodat de sfeer wat ongedwongener wordt. (…)”

2.3

Zowel de moeder als de pleegouders zijn van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Het hof 2 heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de moeder het recht op omgang met de minderjarige ontzegd. Het heeft daartoe het volgende overwogen.

“5.9 Het hof is gebleken dat [de minderjarige] bij haar verhoor ernstige bezwaren tegen omgang met de moeder heeft. Ook is naar het oordeel van het hof omgang met de moeder anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige]. Om die redenen zal het hof de moeder het recht op omgang met [de minderjarige] ontzeggen. Het hof legt dit als volgt uit.

5.10

Hoewel het uitgangspunt is dat [de minderjarige] recht heeft op omgang met haar moeder, volgt het hof de stelling van de pleegouders dat een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is. De moeder wil de omgangsmomenten graag uitbreiden en onbegeleid laten plaatsvinden. Gebleken is dat het haar al langere tijd niet meer lukt om zich volledig in te zetten voor de huidige omgangsregeling, naar het hof begrijpt omdat zij moeite heeft met de afgesproken locatie en de begeleiding tijdens de omgangsmomenten. [De minderjarige] heeft hier veel last van, aangezien zij juist waarde hecht aan de vaste locatie en de aanwezige begeleiding. De wensen van haar moeder om de omgangsmomenten onbegeleid en op een andere locatie te laten plaatsvinden, boezemen haar veel angst in. Het huidige contact met haar moeder vraagt immers al (te) veel van haar. [De minderjarige] ervaart veel stress in de periode voorafgaand aan de omgangsmomenten en vertoont na het contact met haar moeder veelal teleurgesteld en onrustig gedrag. Verder is duidelijk geworden dat [de minderjarige] ook zelf veel weerstand heeft tegen omgang met haar moeder. Een (uitbreiding van de) omgangsregeling vraagt naar het oordeel van het hof daarom op dit moment te veel van [de minderjarige] , en dat is niet in haar belang. Het hof betreurt het ten zeerste dat [de minderjarige] het zo moeilijk heeft met het contact met haar moeder. Ter zitting heeft de pleegzorgwerker bevestigd dat er tijdens de omgangsmomenten weinig interactie is tussen [de minderjarige] en de moeder, temeer nu de moeder geen inspanningen doet om aan te sluiten bij de belevingswereld van [de minderjarige].”

3Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof niet of onvoldoende heeft onderzocht waarom niet een minder zware maatregel mogelijk was dan ontzegging van de omgang. Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 5.9 en 5.10 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van zulke ernstige bezwaren of zulke zwaarwegende belangen van de minderjarige dat zij ontzegging van de omgang rechtvaardigen. Er waren ook minder verstrekkende maatregelen mogelijk, althans, dat had onderzocht moeten worden, aldus het onderdeel.

3.2

Ingevolge art. 1:377a lid 1 BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouder en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Art. 1:377a lid 3, aanhef en onder c en d, BW bepaalt onder meer dat de rechter het recht op omgang ontzegt indien het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, respectievelijk indien omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.3

Het recht op omgang is een fundamenteel onderdeel van het in art. 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Art. 8 lid 2 EVRM eist voor het aanbrengen van beperkingen op het recht op omgang dat dit bij wet is bepaald, noodzakelijk is in een democratische samenleving en een gerechtvaardigd doel dient. Beperkingen moeten voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Nationale autoriteiten hebben een beperkte ‘margin of appreciation’ als het gaat om maatregelen die de omgang tussen ouder en kind beperken. Hoe ingrijpender de gevolgen van de beperking, des te indringender dient de noodzaak daarvan te worden getoetst. Art. 8 EVRM eist dat een redelijk evenwicht wordt bereikt tussen de belangen van het kind en die van de ouders, en dat daarbij bijzonder gewicht wordt toegekend aan de belangen van het kind. Enerzijds is het in het belang van het kind dat het zich kan ontwikkelen in een gezonde omgeving, en kan een ouder aan art. 8 EVRM niet het recht ontlenen om maatregelen te laten nemen die de gezondheid en ontwikkeling van het kind zouden schaden. 3 Anderzijds is het in het belang van het kind dat de banden met zijn familie worden gehandhaafd, behalve in gevallen waarin de familie bijzonder ongeschikt is gebleken, aangezien het verbreken van die banden betekent dat een kind van zijn wortels wordt afgesneden. Hieruit volgt dat het belang van het kind meebrengt dat familiebanden alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden mogen worden verbroken en dat alles in het werk moet worden gesteld om de persoonlijke relaties in stand te houden. 4

3.4

Gezien het fundamentele karakter van het omgangsrecht dient de motivering waarbij het recht op omgang wordt ontzegd aan hoge eisen te voldoen. 5

3.5

In dit geval was in eerste aanleg bij partijen, de raad voor de kinderbescherming en de rechtbank uitgangspunt dat de omgang tussen de minderjarige en de moeder gewaarborgd moest blijven. In hoger beroep hebben de pleegouders hun verzoek vermeerderd en primair ontzegging van de omgang tussen de minderjarige en de moeder verzocht, waarbij zij hebben aangevoerd dat het ‘mogelijk’ in het beste belang van de minderjarige is om de omgang volledig te ontzeggen. In hoger beroep heeft de pleegzorgbegeleider geadviseerd de bezoekregeling vast te stellen op een begeleid bezoek van twee keer per jaar een uur, op het kantoor van de pleegzorg, in aanwezigheid van de pleegmoeder. Bij het kindgesprek heeft de minderjarige de wens uitgesproken om maximaal twee keer per jaar omgang te hebben met haar moeder.

3.6

In het licht van het hiervoor in 3.5 weergegeven procesverloop en de hoge motiveringseisen die gelden voor een ontzegging van het recht op omgang (zie hiervoor in 3.4), heeft het hof zijn oordeel in rov. 5.10-5.12 dat aan de moeder het recht op omgang wordt ontzegd, ontoereikend gemotiveerd. Niet blijkt dat het hof heeft onderzocht of de omgang in enigerlei vorm behouden zou kunnen blijven, door bijvoorbeeld een beperking in de frequentie aan te brengen of door daaraan – al dan niet deels – een andere vorm te geven. De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten slagen derhalve.

3.7

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 januari 2026.

1

Rechtbank Rotterdam 7 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3406.

2

Gerechtshof Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:331.

3

Zie o.a. EHRM 21 juli 2022, nr. 2303/19 (Katsikeros/Griekenland), punt 55.

4

Zie o.a. EHRM 19 september 2000, nr. 40031/98 (Gnahoré/Frankrijk), punt 59.

5

Zie ook Kamerstukken II 1985/85, 18964, nr. 3, p. 11; Kamerstukken II 1993/94, 23012, nr. 5, p. 22.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733