Essentie (gemaakt door AI)
Cassatie in nalatenschapszaak waarin partner-zorgverlener mede-erfgenaam wil zijn op basis van uitleg testament 17-12-2015. Kinderen voeren vernietiging aan op grond van art. 4:59 lid 1 BW en exceptie van verjaring. HR bevestigt: beroep op art. 4:59 lid 1 BW kan te allen tijde verwerend via art. 3:51 lid 3 BW. Uitzondering art. 4:60 onder b BW beoordeelt men naar moment van testeren; geen analoge toepassing op samenwoners. BIG-registratie geen vereiste; eiseres kwalificeert als beroepsbeoefenaar. Beroep verw-| Datum publicatie | 16-01-2026 |
| Zaaknummer | 24/02973 |
| Procedure | Cassatie |
| Formele relaties | Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:515; In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:3037 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Uitleg testament; Familieprocesrecht; Nietigheid/vernietiging/ontbinding |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vermogensrecht; verjaring. Erfrecht (art. 4:54 BW; art. 4:59 BW; art. 4:60 BW) . Erfgenaam verleende via thuiszorgorganisatie zorg aan erflater vanaf 2014 en trouwde met hem in 2016. Kinderen van erflater vorderen verklaring voor recht dat erfgenaam op grond van art. 4:59 lid 1 BW geen rechten kan ontlenen aan testament uit 2015. Aanvallend of afwerend beroep op vernietigbaarheid testamentaire making (art. 3:51 lid 3 BW) ? BIG-registratie vereist voor uitoefening beroep in de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 BW? Peilmoment voor beoordeling of uitzondering voor echtgenoot zich voordoet. Dient voor toepassing van art. 4:60 lid 2 BW samenwonende met wie erflater affectieve relatie had, met echtgenoot gelijkgesteld te worden?Volledige uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02973
Datum 16 januari 2026
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres] ,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele,
tegen
1. [verweerster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [de kinderen] ,
advocaat: aanvankelijk M.E.M.G. Peletier, thans R.T. Wiegerink.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/05/377895 / HZ ZA 20-398 van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2021 en 30 juni 2021;
b. de arresten in de zaak 200.300.585 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 oktober 2022 en 30 april 2024.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof van 30 april 2024 beroep in cassatie ingesteld.
[de kinderen] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van [eiseres] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de kinderen] zijn de kinderen van [de erflater] (hierna: de erflater) en [de moeder] (hierna: de moeder).
(ii) De moeder is overleden in januari 2015.
(iii) [eiseres] heeft als zorgverlener bij thuiszorgorganisatie Icare gewerkt. Samen met ander personeel van Icare verleende [eiseres] als eerste verantwoordelijke in ieder geval vanaf 15 oktober 2014 zorg aan de erflater. In de Anamnese Verpleging en Verzorging is over de gezondheid van de erflater onder meer het volgende opgenomen:
“*Dhr. heeft sinds 2013 diagnose parkinson gerelateerde dementie (Lewy body) zich uitend in oppervlakkige tremoren, licht afhangende mond, moeite met regie en structuur en verminderde concentratie.
* Dhr. heeft sinds 2012 prostaatcarcinoom waarvoor hormoontabletten
* Dhr. heeft in het verleden huidkanker gehad en een nieuwe hartklep gekregen ivm verkalking
(sclerose)
* Dhr. staat onder controle bij uroloog, hartspecialist, dermatoloog en geriater. (...)
* Ivm ontbreken dagritme vergeet dhr. te eten (...)
* Dhr. is dagritme/structuur kwijt na overlijden van echtgenote
* Huishouden wordt verzorgd door (klein)dochter
* (...) kan niet zelf voor (...) medicatie zorgen: mist het overzicht, [vergeet] het in te nemen of pakt teveel zakjes tegelijk.
* (...) heeft moeite met verlies zelfstandigheid en lichamelijke/geestelijke achteruitgang.”
(iv) Op enig moment tussen 2 januari 2015 en eind maart 2015 heeft [eiseres] een relatie met de erflater gekregen.
(v) In april 2015 is [eiseres] door Icare ontslagen. Aanleiding tot het ontslag was de melding door [de kinderen] dat [eiseres] met hun vader een relatie was aangegaan.
(vi) De erflater heeft eind maart 2015 de zorgrelatie met Icare beëindigd.
(vii) [eiseres] heeft na medio april 2015 zelf de zorg voor de erflater geheel op zich genomen.
(viii) Na mei 2015 hebben [de kinderen] geen contact meer met hun vader gehad.
(ix) Op 9 juni 2015 heeft [eiseres] zich ingeschreven op het adres van de erflater.
(x) Bij notariële akten van 24 juni 2015 hebben [eiseres] en de erflater een samenlevingsovereenkomst gesloten en heeft de erflater een levenstestament opgesteld waarin [eiseres] en een vriend van de erflater zijn gevolmachtigd om zijn vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen. Voorts is op diezelfde dag bij de notaris een testament van de erflater verleden.
(xi) Op 17 december 2015 is opnieuw een testament van de erflater gepasseerd.
(xii) Op 28 juli 2016 heeft de erflater een aanvullend testament laten opmaken. Daarin is onder uitdrukkelijke instandhouding van het testament van 17 december 2015 [eiseres] , behalve tot executeur, tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd en is nadere invulling gegeven aan die functie.
(xiii) Op 9 september 2016 zijn de erflater en [eiseres] met elkaar gehuwd. In hun huwelijkse voorwaarden van 8 september 2016 hebben zij iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap uitgesloten en afgesproken dat bij het einde van het huwelijk, op welke grond dan ook, geen verrekening van inkomsten of vermogen zal plaatsvinden.
(xiv) In augustus 2019 is de erflater overleden, waarna [eiseres] haar benoeming tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder heeft aanvaard.
(xv) Bij brief van 14 februari 2020 heeft een kantoorgenoot van de notaris aan [de kinderen] onder meer geschreven:
“In het testament van 17 december 2015 staat dat de wettelijke verdeling van toepassing is. Echter
door een omissie staat [ [eiseres] ] niet als mede-erfgenaam vermeld. Er zal aan de rechter een verklaring van recht worden gevraagd om dit te bevestigen (...)”
In dit geding heeft [eiseres] een verklaring voor recht gevorderd dat het testament van de erflater van 17 december 2015 zo moet worden uitgelegd dat daarin zowel de kinderen als de partner tezamen en voor gelijke delen tot erfgenamen zijn benoemd, zodat de wettelijke verdeling toepassing kan vinden. In reconventie vorderen [de kinderen] , voor het geval de vordering in conventie zou worden toegewezen, een verklaring voor recht dat de testamentaire beschikking voor zover deze strekt ten gunste van [eiseres] , is vernietigd op grond van art. 4:59 BW, althans dat [eiseres] geen rechten kan ontlenen aan de inhoud van het testament.
De rechtbank heeft de vordering van [eiseres] in conventie toegewezen. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [eiseres] op grond van art. 4:59 lid 1 BW geen rechten kan ontlenen aan de inhoud van het testament van de erflater van 17 december 2015 en het meer of anders gevorderde afgewezen.
1
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank zowel in conventie als in reconventie bekrachtigd.
2 Wat betreft de vordering in reconventie heeft het hof daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Het beroep van [eiseres] op verjaring faalt. [de kinderen] doen op de vernietigingsgrond van art. 4:59 lid 1 BW een beroep ter afwering van de rechtsvordering van [eiseres] tot verklaring voor recht dat zij mede-erfgenaam is. Op grond van art. 3:51 lid 3 BW kan een dergelijk beroep in rechte te allen tijde worden gedaan. Art. 4:54 lid 2 BW noemt ook uitdrukkelijk het geval van art. 3:51 lid 3 BW. (rov. 3.11)
Voor de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW is de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend. Aangezien [eiseres] toen het testament op 17 december 2015 werd verleden nog niet met de erflater was gehuwd, komt haar geen beroep op die bepaling toe. (rov. 3.12)
[eiseres] valt ten aanzien van de erflater onder de omschrijving ‘beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg, die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend’ in de zin van art. 4:59 lid 1 BW, zodat zij geen voordeel kan trekken uit het testament van de erflater. Vast staat dat [eiseres] in de periode van 15 oktober 2014 tot 13 april 2015 als zorgverlener bij thuiszorgorganisatie Icare zorg aan de erflater heeft verleend en na haar ontslag bij Icare voor de erflater is blijven zorgen. [eiseres] heeft in verband daarmee een PGB aangevraagd voor de erflater, waarmee zij de zorg voor de erflater op zich heeft genomen en pas in de laatste periode van het leven van de erflater heeft zij daarnaast ook nog zorg ingekocht bij een thuiszorgorganisatie. Nu [eiseres] vanaf april 2015 de – door een PGB gefinancierde – zorg voor de erflater op zich heeft genomen, gaat het hof ervan uit dat zij ook op 17 december 2015, het moment waarop het testament werd opgemaakt, gezondheidszorg aan de erflater verleende. [eiseres] heeft ook niet gesteld dat dit anders was. Dat [eiseres] niet BIG-geregistreerd was en (nog) niet over het vereiste diploma voor ziekenverzorgster beschikte, is niet relevant bij de beantwoording van de vraag of zij als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg moet worden aangemerkt in de zin van art. 4:59 BW. Van belang is dat zij haar beroep ervan had gemaakt om individuele gezondheidszorg te verrichten. Daarbij is in aanmerking genomen dat in verband met de zorg door [eiseres] een PGB werd betaald en [eiseres] gedurende meerdere jaren in de thuiszorg/wijkverpleging heeft gewerkt. Ook is voldaan aan de in art. 4:59 lid 1 BW gestelde voorwaarde dat [eiseres] de erflater heeft bijgestaan gedurende de ziekte waaraan hij is overleden. De erflater is overleden aan hartfalen en [eiseres] heeft de erflater verzorgd gedurende de periode dat hij hartproblemen had. (rov. 3.14)
3Beoordeling van het middel
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen de verwerping door het hof van het beroep op verjaring. Het onderdeel klaagt onder meer dat dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het beroep van [de kinderen] op de vernietigingsgrond van art. 4:59 lid 1 BW een aanvallend beroep is, nu dit beroep is gedaan in het kader van de reconventionele vordering van [de kinderen] dat voor recht wordt verklaard dat het testament ten gunste van [eiseres] is vernietigd op grond van art. 4:59 lid 1 BW, althans dat [eiseres] geen rechten kan ontlenen aan de inhoud van het testament. De aanvallende aard van het beroep op art. 4:59 lid 1 BW blijkt volgens het onderdeel ook uit het feit dat het hof zowel de conventionele vordering van [eiseres] als de reconventionele vordering van de kinderen heeft toegewezen. Indien het beroep op de vernietigingsgrond verwerend van aard zou zijn, had het hof de conventionele vordering van [eiseres] moeten afwijzen, aldus het onderdeel.
Het onderdeel faalt. De vordering van [eiseres] in conventie om voor recht te verklaren dat het testament van de erflater van 17 december 2015 zo moet worden uitgelegd dat daarin zowel de kinderen als de partner tezamen en voor gelijke delen tot erfgenamen zijn benoemd, was erop gericht vastgesteld te krijgen dat [eiseres] als erfgenaam uit het testament voordeel kon trekken. Die vordering moet dan ook worden aangemerkt als een op de rechtshandeling (het testament) steunende vordering als bedoeld in art. 3:51 lid 3 BW. [de kinderen] hebben zich beroepen op de vernietigingsgrond van art. 4:59 lid 1 BW in verbinding met art. 4:62 lid 1 BW ter afwering van deze vordering. Een zodanig beroep kan op grond van art. 3:51 lid 3 BW ‘te allen tijde worden gedaan’, dat wil zeggen zonder dat daaraan verjaring kan worden tegengeworpen. Aan het afwerende karakter van het beroep op de vernietigingsgrond doet niet af dat dit is gedaan in de vorm van een vordering in reconventie, en evenmin dat de vordering in conventie, die zag op de uitleg van het testament, en de vordering in reconventie, die zag op de vernietigingsgrond, beide toewijsbaar kunnen zijn. Een en ander strookt met de ratio van art. 3:51 lid 3 BW dat, zolang de wederpartij stilzit en geen beroep doet op de (vernietigbare) rechtshandeling, de andere partij niet het initiatief tot vernietiging van de rechtshandeling behoeft te nemen.
3 Het oordeel van het hof dat [de kinderen] op de vernietigingsgrond van art. 4:59 lid 1 BW een beroep doen ter afwering van de rechtsvordering van [eiseres] , is dan ook juist.
Onderdeel 2.1 bestrijdt het oordeel van het hof dat voor de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend is. Het hof heeft volgens het onderdeel miskend dat beslissend is de hoedanigheid op het moment van overlijden van de erflater. Het onderdeel betoogt daartoe dat een uiterste wilsbeschikking pas werking krijgt bij het overlijden van de erflater, en pas dan vastgesteld kan worden wie daaruit voordeel kan trekken.
Het onderdeel faalt. Art. 4:59 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend, geen voordeel kunnen trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt. De ratio van deze bepaling is de bescherming van de erflater tegen ongeoorloofde beïnvloeding.
4 De bepaling knoopt, in overeenstemming met die ratio, aan bij het bestaan van een zorgrelatie ten tijde van het testeren (‘uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt’). Art. 4:60, aanhef en onder b, BW maakt op art. 4:59 lid 1 BW een uitzondering voor beschikkingen ten voordele van iemand die bloed- of aanverwant tot de vierde graad of de echtgenoot van de erflater is. Deze uitzondering berust op de gedachte dat bij die beschikkingen verondersteld mag worden dat de beweegreden tot de bevoordeling was gelegen in de nauwe verwantschap en niet in de functie van de bevoordeelde.
5 Gelet op de ratio van de in art. 4:59 lid 1 BW neergelegde regel en van de in art. 4:60, aanhef en onder b, BW vervatte uitzondering op die regel, ligt het voor de hand om ook de vraag of de uitzondering zich voordoet, te beoordelen naar het moment van testeren. Dat is immers het moment waarop de beweegreden van de erflater tot het maken van de beschikking zich voordoet. Het oordeel van het hof dat voor de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend is, is derhalve juist.
Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat de uitzondering van art. 4:60, aanhef en onder b, BW van overeenkomstige toepassing is op een persoon die op grond van een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met de erflater samenwoonde ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking, althans op een persoon die op grond van een notarieel samenlevingscontract ongehuwd met de erflater samenwoonde ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking en die daarna met de erflater in het huwelijk treedt en ten tijde van het overlijden van de erflater nog steeds met deze gehuwd is. Het onderdeel berust op een opvatting die geen steun vindt in de tekst of in de parlementaire geschiedenis van art. 4:60, aanhef en onder b, BW. Het onderdeel faalt.
Onderdeel 3 klaagt ten eerste dat het hof heeft miskend dat uitsluitend BIG-geregistreerde personen zijn aan te merken als beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 lid 1 BW.
Met het begrip ‘beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg’ in art. 4:59 lid 1 BW en de voorloper van die bepaling, art. 953 lid 1 (oud) BW, heeft de wetgever beoogd aan te sluiten bij de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG).
6 Onder individuele gezondheidszorg wordt in de Wet BIG verstaan: “zorg die rechtstreeks betrekking heeft op een persoon en ertoe strekt diens gezondheid te bevorderen of te bewaken, het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen, waaronder geneeskunst” (art. 1 Wet BIG). Aan degene die in de registers als bedoeld in art. 3 van die wet (het zogeheten BIG-register) staat ingeschreven, is het recht voorbehouden de benaming als titel te voeren die is gegeven aan de hoedanigheid waarin zij wordt ingeschreven (art. 4 lid 1 Wet BIG). Daarnaast bevat de Wet BIG een aantal zogeheten voorbehouden handelingen, die uitsluitend mogen worden verricht door personen die een beroep uitoefenen waarop het stelsel van registratie en beroepstitelbescherming van toepassing is (art. 35 en 36 Wet BIG). De registratie in het BIG-register heeft dus gevolgen voor het mogen voeren van bepaalde beroepstitels en het mogen verrichten van de zogeheten voorbehouden handelingen, maar is niet een voorwaarde voor het mogen uitoefenen van een beroep in de individuele gezondheidszorg.
7
Het hof heeft dus met juistheid geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of [eiseres] als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 BW moet worden aangemerkt, niet beslissend is of zij BIG-geregistreerd was. De hiervoor in 3.3.1 vermelde klacht is dan ook tevergeefs voorgesteld.
Onderdeel 3 klaagt ten tweede dat het hof heeft miskend dat art. 4:59 lid 1 BW in ieder geval niet van toepassing is als een niet BIG-geregistreerd persoon in de privésfeer mantelzorg verleend heeft aan de erflater.
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat [eiseres] haar beroep ervan had gemaakt om individuele gezondheidszorg te verlenen en gedurende meerdere jaren in de thuiszorg/wijkverpleging heeft gewerkt, dat [eiseres] in de periode van 15 oktober 2014 tot 13 april 2015 als zorgverlener bij thuiszorgorganisatie Icare zorg aan de erflater heeft verleend en na haar ontslag bij Icare voor de erflater is blijven zorgen, dat [eiseres] in verband daarmee een PGB heeft aangevraagd voor de erflater waarmee zij de zorg voor de erflater op zich heeft genomen, dat zij pas in de laatste periode van het leven van de erflater daarnaast ook nog zorg heeft ingekocht bij een thuiszorgorganisatie en dat zij ook op 17 december 2015, het moment waarop het testament werd opgemaakt, gezondheidszorg aan de erflater verleende. Op grond van deze omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat [eiseres] als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 lid 1 BW de erflater heeft verzorgd, en dus niet als mantelzorger in de privésfeer.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO) .
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de kinderen] begroot op € 361,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.J. Kroeze en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en G.C. Makkink en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 januari 2026.
Rechtbank Gelderland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3269.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3037.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 232 en 238; zie ook HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2640, rov. 3.4.3.
Vgl. Kamerstukken II 1981/82, 17141, nr. 3, p. 42; Kamerstukken II 1985/86, 19522, nr. 3, p. 161.
Vgl. Kamerstukken II 1964/65, 3771, nr. 8, p. 24-25.
Vgl. Kamerstukken II 1985/86, 19522, nr. 3, p. 161; Kamerstukken II 1997/98, 17141, nr. 29, p. 3.
Kamerstukken II 1985/86, 19522, nr. 3, p. 2, 13-14, 110; Kamerstukken II 2016/17, 34629, nr. 3, p. 2.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
