Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin stichting (schoolbestuur) gebiedsverbod vordert tegen grootmoeder wegens intimiderend gedrag en stelselmatige schending van een eerder toegangsverbod. Voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat veiligheid schoolgemeenschap is geraakt en legt een locatieverbod op voor uitsluitend het schoolterrein (gebouw en plein) voor zeven maanden, gelet op proportionaliteit en breng/haalsituatie. Machtiging sterke arm wordt verleend. Gevorderde 100‑meterzone en lijfsdwang worden afgewezen. Dwangsom wordt gematd| Datum publicatie | 15-01-2026 |
| Zaaknummer | 11998016 VV EXPL 25-86 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
In deze procedure vordert de stichting dat aan grootmoeder een gebiedsverbod wordt opgelegd tot het betreden van (de omgeving van) de basisschool van haar kleinkinderen. Volgens de stichting vertoont de grootmoeder grensoverschrijdend gedrag tegenover de schoolgemeenschap waardoor een onveilige situatie is ontstaan. De grootmoeder houdt zich daarbij niet aan het aan haar opgelegde toegangsverbod. De voorzieningenrechter wijst het locatieverbod gedeeltelijk toe en legt aan de grootmoeder een (gematigde) dwangsom op.Volledige uitspraak
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: 11998016 \ VV EXPL 25-86
Vonnis in kort geding van 13 januari 2026
in de zaak van
STICHTING ARLANTA,
te Dokkum ,
eisende partij,
hierna te noemen: de stichting,
gemachtigde: mr. G. Visser,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P. Bollema.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van de stichting
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2De kern van de zaak
In deze procedure vordert de stichting dat aan [gedaagde] een gebiedsverbod wordt opgelegd tot het betreden van (de omgeving van) de basisschool van haar kleinkinderen. Volgens de stichting vertoont [gedaagde] grensoverschrijdend gedrag tegenover de schoolgemeenschap waardoor een onveilige situatie is ontstaan. [gedaagde] houdt zich daarbij niet aan het aan haar opgelegde toegangsverbod. De voorzieningenrechter zal het locatieverbod gedeeltelijk toewijzen en aan [gedaagde] een (gematigde) dwangsom opleggen.
3De feiten
[gedaagde] is de grootmoeder van [kind 1] en [kind 2] (hierna: de kinderen). De ouders van de kinderen hebben gezamenlijk het gezag over hen.
Beide kinderen staan als leerling ingeschreven op de basisschool [school] (hierna: de school), die valt onder het bevoegd gezag van de stichting. Op de school zijn ongeveer [getal] leerlingen ingeschreven.
In het leerlingvolgsysteem van [kind 1] is door zijn leerkracht het volgende opgenomen:
Op 30 juni komt de beppe van [kind 1] [voorzieningenrechter: [gedaagde] ] zonder afspraak om 14:30 mijn klas in en begint mij vanuit een kwade toon aan te spreken op alles wat haar frustreert aangaande [kind 1] . Ze is kwaad dat [kind 1] moet blijven zitten (…) Vervolgens briest ze alles eruit over wat [moeder van kinderen] [voorzieningenrechter: de moeder van de kinderen] allemaal fout doet. Ik krijg ongevraagd al deze bedreigingen over mij heen. (…) Ze intimideert mij en staat voor de ingang van mijn klassenlokaal waar 4 kleine kinderen bij staan. Ze is kwaad en blijft kwaad. Alle frustratie komt eruit.
De directrice van de school heeft in een e-mail van 30 juni 2025 aan de vader van de kinderen, de zoon van [gedaagde] , het volgende geschreven:
Ik neem contact met je op naar aanleiding van een incident waarbij jouw moeder zich vandaag verbaal onacceptabel heeft uitgelaten tegen een van mijn collega’s op [school] .
(…)
Eerder heb ik aangegeven dat de communicatie met school uitsluitende via jou en [moeder van kinderen] [voorzieningenrechter: de moeder van de kinderen] verloopt. Toch wil ik graag deze week nog een gesprek met jouw moeder voeren om dit nogmaals persoonlijk met haar te bespreken en toe te lichten.
Op 1 juli 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] , de directrice en de kwaliteitscoördinator van de school. De directrice heeft hiervan een gespreksverslag opgemaakt waarin, voor zover relevant, het volgende staat vermeld:
1Communicatie richting school
o Er is benoemd dat mevrouw [gedaagde] [voorzieningenrechter: [gedaagde] ] in eerdere contacten niet op een respectvolle manier communiceerde.
o Mevrouw [gedaagde] gaf aan dit niet als verbaal geweld te ervaren, maar benadrukte dat zij enkel wil weten hoe het met [kind 1] gaat.
Conclusies en afspraken
De communicatie over [kind 1] verloopt uitsluitend via de gezaghebbende ouders (beide ouders).
School blijft neutraal en houdt beide ouders op de hoogte van de ontwikkeling van [kind 1] .
Na de zomervakantie start een zorgprocedure conform gemaakte afspraken met de ouders.
Mevrouw [gedaagde] is welkom op school voor praktische zaken (brengen/halen), maar ontvangt geen informatie over de ontwikkeling van [kind 1] .
Indien er sprake is van dreigende communicatie, zal de school passende maatregelen nemen.
De directrice van de school heeft op 4 september 2025 een verslag opgemaakt van gebeurtenissen op die dag. Hierin staat, voor zover relevant:
Op 4 september 2025, om net iets over 08:30 uur, zag ik mevrouw [gedaagde] samen met mevrouw [vriendin vader] (vriendin van vader) richting mijn kantoor lopen. Nog voordat we het kantoor bereikten, begon mevrouw [gedaagde] op luide toon te uiten dat er volgens haar sprake was van verkeerde communicatie omtrent de documenten die eerder met vader waren meegegeven.
Bij binnenkomst in mijn kantoor bleef mevrouw [gedaagde] staan en richtte zich direct tot mij. Zij sprak op een luide, verhitte en dwingende toon, waarbij zij benadrukte dat in de betreffende documenten volgens haar onjuistheden waren opgenomen. Zij stelde dat zowel de school als de leerkracht verantwoordelijk waren voor deze vermeende fouten en eiste een excuus namens de leerkracht.
(…)
Ik heb aangegeven dat ik daar niet op kan ingaan en dat de school uitsluitend communiceert met de gezaghebbende ouders. Hier geeft mevrouw [gedaagde] terug dat wij ons laten manipuleren. Tevens geef ik aan dat wanneer mevrouw [gedaagde] zich niet aan deze afspraken kan houden, ik genoodzaakt zal zijn andere stappen te ondernemen. Waaronder schorsing van het schoolplein. Mevrouw geeft aan dat ik dat maar moet proberen, want het schoolplein is toch openbaar terrein.
Hierop reageerde mevrouw [gedaagde] met de uitspraak dat ik dat “maar moet doen”, gevolgd door: “Wanneer jullie oorlog willen, kun je oorlog krijgen.”. Deze uitspraak wordt gedaan op een luide, felle toon. Ik ben niet bang voor jullie geeft ze ook aan. Daarnaast geeft mevrouw [gedaagde] expliciet aan dat wij dit gesprek waarschijnlijk als dreigend of intimiderend zullen ervaren, en dat dit haar niets uitmaakt. (…)
In een e-mail van 26 september 2025 heeft de directrice van de school aan de vader van de kinderen geschreven:
(…) Voor uw moeder geldt dat zij op dit moment wél de kinderen naar school mag brengen. Dit conform de afspraken die er zijn op school. Wel benadruk ik nogmaals dat contact met de leerkrachten niet mogelijk en niet wenselijk is. Dit ook in lijn met de veiligheid die ik wil waarborgen in de gehele school. Wanneer zij zich hier niet aan houdt, zie ik mij genoodzaakt om verdere maatregelen te treffen. (…)
In een brief van 2 oktober 2025, verzonden naar de vader van de kinderen, heeft de school [gedaagde] en de vader uitgenodigd voor een mediationgesprek. In deze brief schrijft de directrice van de school:
Via u richten wij ons tot uw moeder, mevrouw [gedaagde] [voorzieningenrechter: [gedaagde] ], aangezien wij niet beschikken over haar adresgegevens. Wij nodigen haar als grootmoeder en u als vader en wettelijke vertegenwoordiger, uit voor een mediatongesprek. Doel hiervan is om onder onafhankelijke en professionele begeleiding te komen tot heldere afspraken die bijdragen aan de veiligheid, rust en samenwerking binnen onze school.
(…)
Op dit moment gelden onderstaande afspraken totdat er op grond van de uitkomsten van mediation aanpassingen gedaan worden.
Bezoek aan de school uitsluitend voor het halen en brengen van de leerlingen
Haal- en brengmomenten verlopen conform schooltijden en afspraken; wijzigingen uitsluitend na voorafgaande afstemming met directie of leerkracht.
De directie behoudt zich het recht voor een gesprek te onderbreken of te beëindigen wanneer veiligheid of orde in het geding is.
Eventuele communicatie gaat alleen met gezaghebbende ouders met de directie en op afspraak.
Het mediationgesprek heeft geen doorgang gevonden.
In een aangetekende brief van 28 oktober 2025, verzonden aan [gedaagde] , heeft de stichting geschreven:
Uw kleinzonen [kind 1] en [kind 2] zijn door hun ouders ingeschreven op [school] in [plaats] . In de afgelopen periode hebben meerdere onregelmatigheden plaats gevonden tussen u en enkele medewerkers, de directeur, een ouder en een leerling van school. Door deze onregelmatigheden is de veilige sfeer op school negatief beïnvloed. Dat is voor ons niet acceptabel.
Om deze reden ontvangt u met ingang van heden een tijdelijk toegangsverbod tot en met 20 december 2025. Ik ga er nader op in.
Aanleiding
Als grootouder heeft u geen gezag en maakt u geen deel uit van de schoolgemeenschap. [school] is naar u toe geen verantwoording schuldig noch heeft zij verplichtingen richting u.
In de afgelopen periode hebben zich de volgende onregelmatigheden voorgedaan:
30 juni 2025: U kwam zonder afspraak het klaslokaal binnen, sprak de leerkracht op dwingende toon aan en uitte uw frustraties over beslissingen rondom [kind 1] .
1 juli 2025: U werd door de schoolleiding aangesproken vanwege eerder dreigend gedrag richting teamleden en herhaaldelijke pogingen om informatie over uw kleinzoon te verkrijgen.
12 september 2025: U haalde [kind 1] voortijdig van school ondanks eerder gemaakte afspraken.
23 september 2025: U sprak op luide toon in de school over vertrouwelijke documenten, eiste excuses van personeel en kondigt juridische stappen aan;
25 september 2025: Ondanks schriftelijke bevestiging dat communicatie uitsluitend via gezaghebbende ouders mag verlopen, bleef u zich actief gedragen binnen de schoolomgeving in strijd met deze afspraken;
10 oktober 2025: U betrad zonder toestemming het schoolplein, sprak een leerling aan over een privékwestie en negeerde aanwijzingen van het personeel.
27 oktober 2025: In de ochtend was u aanwezig op het schoolplein samen met de vriendin van de vader en bleef u langere tijd zowel op het plein als in de school. In de middag, omstreeks 14.30 uur, kwam de moeder van de kinderen overstuur de school binnen. U zou de moeder bij het hek op een niet-vriendelijke, onheuse manier aangesproken en tegengehouden. Meerdere kinderen zouden hiervan getuige zijn geweest, evenals enkele andere ouders. Moeder gaf aan zich op school ernstig in haar veiligheid bedreigd te voelen.
(…)
Kwalificatie
Uw bovengenoemde gedragingen als grootouder zijn voor ons niet acceptabel. Wij kwalificeren uw gedrag als grensoverschrijdend en ontwrichtend.
De leden van de schoolgemeenschap (leerlingen, ouders en medewerkers) hebben recht op een veilige schoolomgeving. De hiervoor genoemde gedragingen hebben voor onrust gezorgd bij zowel leerlingen, medewerkers en enkele ouders. Uw gedrag heeft de veiligheid in en op de school aangetast.
Maatregelen
De Stichting Arlanta is bezitter van het schoolgebouw en het terrein van [school] . Namens de Stichting Arlanta krijgt u een tijdelijk toegangsverbod opgelegd voor zowel het gebouw als het terrein van [school] met ingang van heden tot en met 20 december 2025.
De directeur van de school heeft op 30 oktober 2025 een verslag opgemaakt van gebeurtenissen van die dag. In dit verslag staat, voor zover relevant:
Op donderdag 30 oktober 2025 arriveerde mevrouw [gedaagde] bij de school. Zij stapte uit haar auto, terwijl ik mij bij het hek bevond met de feitelijke brief waarin het tijdelijke plein- en schoolverbod werd bevestigd. De betreffende brief was reeds op woensdag 29 oktober 2025 aangetekend en per post aan mevrouw verzonden.
Mevrouw liep, zonder oogcontact te maken, met haar handen in haar zakken langs mij heen het schoolplein op. Ik sprak haar aan en verzocht haar het plein te verlaten, met de toelichting dat zij hierover een brief heeft ontvangen en dat het verbod vandaag ingaat.
Mevrouw antwoordde dat zij niet op de hoogte was van de brief en liep verder het plein op. Ik bood aan haar de brief te overhandigen, waarop mevrouw luid riep: ‘Raak mij niet aan!’ Ik heb mevrouw niet aangeraakt en haar enkel mondeling laten weten dat ik haar de brief wilde geven. Mevrouw weigerde de brief aan te nemen en liep verder de school binnen.
Binnen in de school verzocht ik haar opnieuw het pand te verlaten, waarbij ik duidelijk heb uitgelegd dat zij twee opties had:
Zelf het pand verlaten, of
Dat ik de politie zou bellen.
Mevrouw gaf aan dat ik de politie wel mocht bellen. Ik ben daarop naar een ander vertrek gelopen om de politie te bellen, terwijl mevrouw bij de kleuters bleef.
Toen ik enige tijd later terugkeerde, zag ik dat mevrouw inmiddels samen met haar schoondochter weer in de auto was gaan zitten. Ik liep over het plein naar de auto en tikte drie keer op het raampje. Het raampje werd ongeveer vier centimeter geopend.
Ik deelde mevrouw mede dat de politie was ingeschakeld. Mevrouw begon te schreeuwen, waarbij zij aangaf dat ‘wij partij kiezen voor de moeder’ en dat zij ‘gewoon op school zal blijven komen’. Ik heb haar op rustige toon uitgelegd dat dit niet aan de orde is en dat zij in de brief kan lezen waarom het plein- en schoolverbod is opgelegd, namelijk vanwege haar gedrag. En de veiligheid van leerkrachten, ouders en kinderen.
Ik plaatste de brief voorzichtig tussen de vier centimeter openstaande raampje van de auto. Mevrouw duwde de brief terug en zei dat zij ‘geen troep in de auto’ wilde. Ik nam de brief terug en gaf aan dat we het dan hierbij zouden laten en dat de politie de zaak verder zal oppakken. Daarna ben ik weggegaan.
[gedaagde] heeft in een e-mail van 30 oktober 2025 aan de stichting geschreven:
naar aanleiding van vanmorgen bij de basisschool in [plaats] even mail. Ik ben vanmorgen rond 08:30 aangevallen door de directie van de school, onder toezicht van meerdere ouders en kinderen. Ik werd door haar gestompt uitgescholden geduwd, toen ik in de auto zat met mijn schoondochter om weg te gaan kwam ze er weer aan en begon opnieuw te dreigen en schreeuwen. Ik vind dit zeer onprofessioneel gedrag en ik ga hier een aangifte van doen.
De stichting heeft in een aangetekende brief van 1 november 2025 aan [gedaagde] geschreven dat zij haar klacht en beschuldigingen “niet alleen ongegrond maar ook als onjuist” verklaart. De stichting schrijft verder:
U heeft de veilige school- en werkomgeving aangetast door in strijd met het toegangsverbod te handelen en door het inbrengen van een onjuiste beschuldiging jegens de directeur. Dit kwalificeer ik als zeer ernstig.
Om deze reden zie ik mij genoodzaakt om het aan u tijdelijke opgelegde toegangsverbod voor [school] in [plaats] te verlengen van 20 december tot en met 30 januari 2026. Mocht u onverhoopt het schoolplein en/of het schoolgebouw betreden, dan wordt wederom de politie ingeschakeld.
Bij deze nodig u nogmaals uit om te praten over de samenwerking tussen u, de directeur en het schoolteam. Ik wil graag afspraken met u maken over deze samenwerking. Ik hoop dat u op onze (eerdere) uitnodiging ingaat voor een gesprek op 12 november 2025 om 13.30 uur op het stafbureau in [plaats] .
De waarnemend directrice van de school heeft een verslag opgesteld van gebeurtenissen begin november 2025. In dit verslag staat onder andere:
Dinsdag 4 november
(…)
Beppe [voorzieningenrechter: [gedaagde] ] loopt naar het hek. (…) Ik loop naar haar toe en vraag haar of ze het plein wil verlaten. Beppe laat de telefoon zakken. Vraagt wie ik ben. (…) Nogmaals verzoek ik haar om het plein te verlaten. Inmiddels staat [conciërge van de school] [voorzieningenrechter: conciërge van de school] bij de deur. Beppe vraagt: hoezo? Van wie? Ik mag hier gewoon zijn, dit is openbaar gebied. Ik geef aan dat zij niet op het plein mag komen en dat ze dit zelf ook weet. (…) Ik vertel beppe nogmaals dat ze het plein moet verlaten en dat ik nu de politie moet bellen. Ze reageert nog steeds onverschillig “Je doet maar”
(…)
(Ik hoorde vanmiddag van [conciërge van de school] dat ze hem nog wel uitgescholden heeft bij de auto. Hij heeft niet alles gehoord omdat hij het raampje gewoon dicht had. Maar woorden als kankerlijer heeft hij wel gehoord en dat ze het heel intimiderend heeft gevonden hoe wij op het plein stonden).
(…)
Verslag [waarnemend directrice] [voorzieningenrechter: waarnemend directrice] 10-11-2025
Beppe heeft vanmorgen de kinderen samen met haar dochter naar school gebracht. Ik zag beppe een aantal keer naar mij kijken voordat ze het plein op liep. Ik heb haar vriendelijk verzocht het plein te verlaten. Daarop vroeg beppe ‘waarom?’ Ik heb aangegeven dat ze een pleinverbod heeft en dat ze daarvan op de hoogte is. Beppe gaf aan: ‘Wie ben jij om dit te bepalen?’. (…) Beppe liep inmiddels door naar de kleuteringang waar [conciërge van de school] haar heeft tegengehouden. Beppe schold [conciërge van de school] uit voor bruintje beer en zei hem wel weten te vinden. Daarnaast zei beppe dat ze morgenochtend weer zou proberen de school in te komen. (…)
Op 12 november 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] , de voorzitter van het College van Bestuur van de stichting en de directeur van de school, waarvan een gespreksverslag is opgemaakt. In dit gespreksverslag staat, voor zover relevant:
[gedaagde] [ [gedaagde] ] zegt zich geïntimideerd te voelen door de aanwezigheid van ‘een grote meneer’ op het plein. Zij voelt zich niet meer veilig op school en geeft aan haar zonen als bescherming voor haar mee te willen nemen. Zij benoemt nogmaals zich niet te laten dwingen om niet op het plein te komen. Ze geeft aan alleen voor God te buigen. Voor niks en niemand anders.
[voorzitter] [voorzitter College van Bestuur] verzoekt [gedaagde] nogmaals zich in het belang van alle kinderen aan het pleinverbod te houden. [gedaagde] geeft nogmaals aan zich geïntimideerd te voelen en de vrijheid zal nemen om haar kleinkinderen te blijven brengen en halen zolang er formeel geen rechterlijk verbod ligt.
Op 19 november 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de voorzitter van het College van Bestuur van de stichting en de heer [medewerker] van politie basisteam Noordoos Friesland. In het naar aanleiding daarvan opgemaakte gespreksverslag staat onder meer:
Dhr. [medewerker] heeft mij medegedeeld dat mevr. [gedaagde] contact met de politie heeft gezocht om aan te kondigen dat zij morgen haar kleinkinderen naar school brengt, en dus op het plein aanwezig is. Dhr. [medewerker] heeft haar dat ontraden. Hij heeft tevens verteld dat wanneer het tot een confrontatie op het plein komt, in het bijzijn van haar kleinkinderen, er een melding gedaan wordt bij Veilig Thuis.
De stichting heeft in een brief van 19 november 2025 aan [gedaagde] meegedeeld dat zij het toegangsverbod verlengt tot en met 3 juli 2026 en dat zij een procedure zal opstarten voor een straat- en contactverbod.
4Het geschil
De stichting vordert - samengevat:
I. [gedaagde] te verbieden zich te begeven op het terrein van [school] ;
II. [gedaagde] te verbieden zich gedurende de periode van twee jaar te begeven binnen een straal van 100 meter rondom het terrein van [school] ;
III. De stichting te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] een verbond als vermeld onder I en/of 2 overtreedt;
IV. [gedaagde] te veroordelen om aan de stichting een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per keer dat zij in strijd handelt met een verbod onder I en/of II, met een maximum van € 50.000,00;
V. De stichting verlof te verlenen om [gedaagde] voor de duur van een jaar in lijfsdwang te doen nemen indien [gedaagde] na verbeurte van € 5.000,00 dan wel het equivalent van vijf overtredingen, aan dwangsommen, een verbod als vermeld onder I en/of II overtreedt;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de stichting, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de stichting, met veroordeling van de stichting in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Spoedeisend belang
Gelet op de aard van de vorderingen heeft de stichting daarbij een voldoende spoedeisend belang. Bovendien is het spoedeisend belang door [gedaagde] ook niet betwist. Dit betekent dat de vorderingen van de stichting inhoudelijk kunnen worden behandeld.
Het locatieverbod
Vooropgesteld wordt dat een locatieverbod een inbreuk vormt op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel, moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo’n inbreuk kunnen rechtvaardigen.
De vraag waarover de voorzieningenrechter zich moet buigen, is of de gestelde gedragingen van [gedaagde] met inachtneming van het toetsingskader zoals geschetst onder rov. 5.2 zodanig is (geweest), dat dit een vergaande maatregel als een locatieverbod rechtvaardigt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de stichting voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van feiten en omstandigheden die deze inbreuk op het recht om zich vrij te kunnen bewegen, kunnen rechtvaardigen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Naar aanleiding van meerdere incidenten in de periode vanaf 30 juni 2025 heeft de stichting op 28 oktober 2025 aan [gedaagde] een tijdelijk toegangsverbod opgelegd voor zowel het schoolgebouw als het schoolplein. De stichting heeft onderbouwd dat [gedaagde] dit opgelegde verbod niet naleeft. Het toegangsverbod is op 29 oktober 2025 per aangetekende post naar [gedaagde] verzonden, op het adres van haar zoon. Ook indien, zoals [gedaagde] stelt, deze brief haar op 30 oktober 2025 (nog) niet bereikt had, geldt dat de directrice van de school [gedaagde] die ochtend kenbaar heeft gemaakt dat aan haar een toegangsverbod was opgelegd. [gedaagde] heeft zich die dag desalniettemin de toegang tot de school verschaft. Vervolgens heeft [gedaagde] op 4 november 2025 opnieuw het schoolplein betreden en heeft daarbij aanwijzingen van medewerkers van de school genegeerd omdat zij meende dat zij zich op “openbaar gebied” bevond. Op 10 november 2025 heeft zij ondanks het toegangsverbod de school opnieuw betreden en heeft daarbij aangegeven dat zij de volgende dag opnieuw zou proberen de school te betreden. In het gesprek dat vervolgens op 12 november 2025 tussen [gedaagde] en de school heeft plaatsgevonden, heeft [gedaagde] aangegeven dat zij zich ‘niet laat dwingen om niet op het plein te komen’, dat zij ‘haar zonen als bescherming mee zal nemen’ en dat zij ‘de vrijheid zal nemen om haar kleinkinderen te blijven brengen en halen zolang er formeel geen rechterlijk verbod ligt’. Ook heeft [gedaagde] op 19 november 2025 tegenover de politie verklaard dat zij de volgende dag haar kleinkinderen naar school zal brengen en daarbij het plein zal betreden. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat [gedaagde] zich niet houdt aan het verbod dat haar door de stichting is opgelegd en ook niet voornemens is zich hieraan te zullen houden.
Naast het feit dat [gedaagde] het door de stichting opgelegde verbod niet naleeft, heeft de stichting voldoende uitgelegd dat het gedrag van [gedaagde] op meerdere momenten dat zij op school was, als intimiderend en hinderlijk is ervaren. Als onweersproken is gesteld dat [gedaagde] in juni 2025 zonder afspraak het klaslokaal van haar kleinzoon heeft betreden en op een toon die door de leerkracht als intimiderend is ervaren frustraties heeft geuit over beslissingen rondom haar kleinzoon. Ook daarna is [gedaagde] regelmatig zonder afspraak op school verschenen, waarbij zij een dreigende houding heeft aangenomen richting leerkrachten en directie. Zo heeft [gedaagde] op 4 juli 2025 tijdens schooltijd tegenover de directrice haar ongenoegen geuit over documenten over haar kleinzoon, waarin volgens haar onjuistheden waren opgenomen. De directrice heeft naar aanleiding van dit gesprek opgetekend dat [gedaagde] op luide, verhitte en dwingende toon tegen haar sprak en heeft aangekondigd stappen te zullen ondernemen richting de leerkracht. Ook in september 2025 hebben zich meerdere incidenten voorgedaan waarbij [gedaagde] in de school op luidruchtige toon over vertrouwelijke documenten heeft gesproken, excuses van de leerkracht eiste, dreigde met juridische stappen en heeft aangegeven “het er niet bij te laten zitten”. De voorzieningenrechter acht in dit kader van belang dat [gedaagde] niet belast is met het gezag over haar kleinkinderen en dat de school haar op meerdere momenten te kennen heeft gegeven uitsluitend te communiceren met de gezaghebbende ouders.
Ook de medewerkers van de school hebben last van het gedrag van [gedaagde] . De stichting heeft als onweersproken aangevoerd dat ongeveer de helft van de medewerkers van de school heeft aangegeven het gedrag van [gedaagde] als intimiderend te ervaren en zich daardoor onveilig te voelen. De directrice van de school is daarbij al enige tijd uitgevallen. De school heeft zich als gevolg van het stelselmatig overtreden van het toegangsverbod door [gedaagde] , genoodzaakt gezien de politie in te schakelen. De aanwezigheid van de politie op en rondom het schoolplein veroorzaakt onrust onder zowel leerlingen, ouders als medewerkers en zorgt voor afleiding van het leerproces. De voorzieningenrechter is van oordeel dat school een veilige plek moet zijn voor de kinderen. Niemand heeft er baat bij dat dit wordt verstoord. [gedaagde] geeft er met haar handelen geen blijk van dit te onderkennen.
Gelet op het voorstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat een locatieverbod opgelegd dient te worden. De stichting heeft gevorderd [gedaagde] te verbieden zich te begeven op het terrein van de school en binnen een straal van 100 meter rondom het terrein van de school. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] alleen een locatieverbod opleggen voor het terrein van de school (dat wil zeggen het schoolgebouw en het schoolplein). De reden daartoe is dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij, in de weken dat de kleinkinderen bij haar zoon verblijven, het halen en brengen van de kinderen op zich neemt, omdat haar zoon hier in verband met zijn werk niet toe in staat is. Indien aan [gedaagde] zou worden verboden zich te begeven in een kring van 100 meter rondom het terrein van de school zou dat inhouden dat zij de kleinkinderen op die afstand af dient te zetten en dat de kinderen na schooltijd zelfstandig vanaf het schoolplein naar [gedaagde] toe dienen te lopen. Gelet op de leeftijd van de kinderen acht de voorzieningenrechter dat niet wenselijk. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met het opleggen van (uitsluitend) een verbod zich te begeven op het terrein van de school, voldoende tegemoet wordt gekomen aan de belangen van de stichting. In verband met de eisten van proportionaliteit zal de voorzieningenrechter het verbod daarbij voor de duur van zeven maanden opleggen. Het schooljaar 2025-2026 is dan ten einde en tegen die tijd kan de situatie anders zijn. Mocht een verlenging van het locatieverbod noodzakelijk zijn, dan kan de stichting zich opnieuw tot de rechtbank wenden.
Dwangsom
De voorzieningenrechter zal de door de stichting gevorderde dwangsom toewijzen, zij het dat deze dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als na te melden. De gevorderde machtiging om dit vonnis ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal worden toegewezen.
Lijfsdwang
Ten aanzien van de gevorderde toepassing van lijfsdwang overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Lijfsdwang als sanctie op overtreding van het opgelegde locatieverbod dient zeer terughoudend te worden toegepast en kan slechts worden opgelegd als ultimum remedium: voldoende aannemelijk dient te zijn dat geen enkele andere, minder rigoureuze, prikkel tot nakoming effect heeft en het belang van de stichting toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. De voorzieningenrechter acht het voorshands voldoende aannemelijk dat het opleggen van een dwangsomsanctie aan [gedaagde] en de mogelijkheid om haar desnoods met de sterke arm van de politie te laten verwijderen in dit verband voldoende effectief zal zijn. De vordering tot toepassing van lijfsdwang zal daarom worden afgewezen.
De slotsom
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de stichting worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
146,14 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
814,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
135,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
949,00 |
6De beslissing
De voorzieningenrechter:
verbiedt [gedaagde] om zich, gedurende een periode van zeven maanden, ingaande na de betekening van dit vonnis, te begeven op het terrein van [school] , gelegen aan [adres] ,
machtigt de stichting om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] het in 6.1 bepaalde verbod overtreedt,
veroordeelt [gedaagde] om aan de stichting een dwangsom te betalen van € 250,00 per keer dat zij in strijd handelt met het verbod onder 6.1, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
54098
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
