Rechtbank Noord-Nederland 12-01-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:78

Essentie (gemaakt door AI)

Partnerdoding, waarna suïcide vader. Oma mz verzoekt ontzetting GI uit voogdij en toewijzing voorlopige voogdij aan haar. Rb: kind (nu 5) ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd en GI heeft niet verantwoord gehandeld: geen eenduidig verhaal over partnerdoding (kind 3 versies voorgehouden), niet volgen Handelingsprotocol na partnerdoding, te late specialistische hulp, onvoldoende regie en afwegingen bij plaatsing bij oma vz en later de buren. Voogdij GI beëindigd per nader te bepalen datum. Spoedonderzoek Raad hoe nu verder.

Datum publicatie15-01-2026
Zaaknummer153177 / 25-1903
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsAssen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Voogdij GI art. 1:302 e.v. BW;
Kinderen; Voogdij
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek door grootouder tot beëindiging voogdij gecertificeerde instelling ex artikel 1:328 en 1:329 BW. De rechtbank is van oordeel dat de gecertificeerde instelling bij de uitvoering van de voogdijmaatregel zijn taken niet zodanig heeft georganiseerd dat dit tot verantwoorde hulp heeft geleid voor de minderjarige. Aan de in artikel 4.1.1 lid 1 en 2 van de Jeugdwet bedoelde kwaliteitseisen is in dit geval niet voldaan. Dat de moeder van de minderjarige door zijn vader om het leven is gebracht, waarna de vader suïcide heeft gepleegd, de context waarin dit geweld plaatsvond alsmede de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van de minderjarige in verleden, heden en toekomst zijn door de gecertificeerde instelling onvoldoende onderkend. Beslissingen van de gecertificeerde instelling met betrekking tot de plaatsing van de minderjarige, de informatie die hem is gegeven over de toedracht van het overlijden van zijn ouders en het contact tussen de minderjarige en de familie van moederszijde zijn niet zorgvuldig tot stand gekomen. Tussenbeschikking waarin een raadsonderzoek is gelast

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Assen

Zaaknummer: C/19/153177 / FA RK 25-1903

Beschikking van de meervoudige kamer van 12 januari 2026

in de zaak tussen

[verzoekster] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: oma moederszijde (mz),

advocaat: mr. J.G.M. ter Avest, kantoorhoudende Utrecht,

en

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord

en Veilig Thuis Groningen,

gevestigd te Assen,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

advocaat: mr. A.R.H. Baas, kantoorhoudende te Groningen,

betreffende

[naam 1] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 augustus 2025;

  • het F9-formulier met bijlagen namens oma mz, ontvangen op 25 november 2025;

  • twee geluidsopnamen namens oma mz, ontvangen op 25 november 2025;

  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 9 december 2025;

  • een F9-formulier met bijlagen namens oma mz, ontvangen op 10 december 2025.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 december 2025. Daarbij waren aanwezig:

  • oma mz met haar advocaat;

  • [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;

  • mr. Baas, advocaat van de GI;

  • [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad.

1.3.

Door mr. Ter Avest is gepleit aan de hand van een pleitnota, die aan het dossier is toegevoegd. Door oma mz is een brief voorgelezen, die ook aan het dossier is toegevoegd.

2De feiten

2.1.

[minderjarige] is het kind van [moeder] en [vader] . Beide ouders van [minderjarige] zijn op [datum] 2024 overleden.

2.2.

Deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2024 de GI tot voogd over [minderjarige] benoemd. Daarvoor was de GI reeds belast met de voorlopige voogdij.

2.3. 2.4.

[minderjarige] woonde na het overlijden van zijn ouders tot 14 september 2025 bij oma vaderszijde (vz). Sindsdien woont [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van [naam 2] en [naam 3] , de voormalige buren van de ouders van [minderjarige] , hierna ook te noemen: de pleegouders.

3Het verzoek

3.1.

Op 21 augustus 2025 heeft oma mz de rechtbank verzocht om:

1. de GI te verbieden over te gaan tot plaatsing van [minderjarige] bij [pleegouders] , althans deze maatregel op te schorten totdat in de bodemprocedure nader onderzoek is verricht naar een geschikte plaats voor [minderjarige] ;

2. de GI uit de voogdij te ontzetten en de voorlopige voogdij over [minderjarige] aan oma mz toe te wijzen;

3. de dagelijkse zorg van [minderjarige] voorlopig aan oma mz toe te vertrouwen totdat in de bodemprocedure is beslist;

4. de GI te veroordelen in de kosten van de procedure.

Oma mz verzoekt deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Bij brief van 10 december 2025 heeft oma mz de verzoeken onder 1. en 3. ingetrokken, zodat nog enkel beslist dient te worden op de verzoeken onder 2. en 4..

3.3.

Oma mz vindt dat de GI haar plichten als voogd ernstig heeft verzaakt en wil zelf belast worden met de voorlopige voogdij, totdat door een bijzondere curator of de Raad onderzocht is wat het beste voor [minderjarige] is. Oma mz wijst erop dat de GI onder verscherpt toezicht van de Inspecties staat. Volgens oma mz kan de wijze waarop de GI ten aanzien van [minderjarige] haar taken heeft vervuld hier niet los van worden gezien, ondanks dat door de GI wordt gesteld dat dat in dit dossier niet speelt. Volgens oma mz ontbreekt het de GI aan deskundig en gespecialiseerd personeel om een casus zoals deze, waarin sprake is van femicide en intieme terreur, op een juiste wijze te behandelen. Hierdoor zijn door de GI veel fouten gemaakt en is niet de zorg in acht genomen die van een goede voogd mag worden verwacht. Oma mz legt - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag aan dit standpunt.

3.4.

Ten eerste is oma mz het niet eens met de plaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin. Oma mz achtte het meer in het belang van [minderjarige] dat hij in een neutraal pleeggezin zou worden geplaatst, vanwege de zeer complexe voorgeschiedenis van [minderjarige] . Nu [minderjarige] inmiddels al een tijd bij [pleegouders] verblijft, acht oma mz het niet in zijn belang dat hij weer opnieuw zou moeten verhuizen. Hij heeft al zoveel meegemaakt. Oma mz blijft echter de plek waar [minderjarige] is geplaatst, te weten naast de woning waar [minderjarige] zijn ouders overleden zijn, een voor hem niet passende leefomgeving vinden. [minderjarige] heeft daar zelf veelvuldig het geweld van zijn vader richting zijn moeder meegemaakt. [minderjarige] heeft daar nu (ogenschijnlijk) nog geen last van, maar dat betekent niet dat dit in de toekomst zo blijft. Oma mz verwijst in dit kader naar de overgelegde brief van kinderpsychiater P. Dijkshoorn.

3.5.

Oma mz maakt zich ten tweede zorgen over de wijze waarop wordt omgegaan met 'het verhaal' over het overlijden van de ouders [minderjarige] . De GI heeft pas in het voorjaar 2025 KOEN ingeschakeld om [minderjarige] te informeren over wat er met zijn ouders is gebeurd. Dit is gedaan met behulp van een Words & Pictures boekje. Omdat de bij [minderjarige] betrokken volwassenen het niet eens zijn over welk verhaal aan [minderjarige] verteld dient te worden, is besloten om [minderjarige] meerdere versies van het gebeurde voor te houden. Oma mz vindt dit voor [minderjarige] verwarrend en schadelijk. Oma wil dat aan [minderjarige] zo snel mogelijk een eenduidig verhaal wordt verteld. Oma mz vreest dat als dat niet snel gebeurt, [minderjarige] een vertekend en negatief beeld van zijn moeder zal meekrijgen vanuit vaders netwerk. Oma mz verwijst in dit kader naar de brief van het Openbaar Ministerie (OM), waaruit duidelijk blijkt wat de toedracht is geweest van de dood van de moeder van [minderjarige] . Dat de GI vast blijft houden aan de mogelijkheid dat er meerdere aannemelijke scenario's aangaande de doodsoorzaak zouden kunnen zijn, is voor oma mz onbegrijpelijk.

3.6.

Ten derde ontbreekt het de GI volgens oma mz aan essentiële kennis en deskundigheid om tot een zorgvuldige beoordeling van [minderjarige] zijn veiligheid, welzijn en huidige en toekomstige behoeften te komen. Er was in het gezin waarin [minderjarige] opgroeide sprake van onderliggende structurele en acute onveiligheid. De GI heeft deze gezinsdynamiek onvoldoende geduid en de ernst ervan niet onderkend. Oma mz verwijst in dit kader naar het rapport van Veilig Thuis van 29 januari 2024, waarin een uiterst zorgwekkend beeld wordt geschetst van de onveilige thuissituatie waarin [minderjarige] langdurig heeft verkeerd. Volgens oma mz kan daaruit worden afgeleid dat [minderjarige] niet slechts getuige is geweest van zeer ernstig huiselijk geweld, maar dat hij ook als slachtoffer van dit huiselijk geweld dient te worden beschouwd. Dit wordt ook onderbouwd met de overgelegde geluidsopnames.

3.7.

Oma mz heeft verschillende verzoeken bij de GI neergelegd, waaronder traumabehandeling voor [minderjarige] , een gesprek met de gedragswetenschapper en aandacht voor uitlatingen van oma vz aan [minderjarige] . De GI heeft hier niets mee gedaan. Ook heeft de GI het Handelingsprotocol gezag, omgang en hulp na partnerdoding volgens oma mz niet gevolgd. Oma mz voelt zich door de GI totaal niet serieus genomen met betrekking tot de door haar gedane voorstellen over het opvoedperspectief van [minderjarige] . Bij oma mz bestaat het idee dat het voor de GI bij haar besluitvorming geheel niet van belang was hoe de moeder van [minderjarige] om het leven is gekomen. Oma mz gaat er vanuit dat wanneer de vader van [minderjarige] nog in leven en gedetineerd zou zijn geweest, de GI heel andere beslissingen zou hebben genomen.

4Het verweer van de GI

4.1.

Door de GI is bij verweerschrift van 9 december 2025 - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. Het woonperspectief van [minderjarige] is na uitgebreid onderzoek in het netwerkpleeggezin bepaald. Oma mz is het niet eens met de door de GI ingezette route. Er hebben gesprekken plaatsgevonden tussen oma mz en de GI, om uitleg te geven over de keuzes van de GI rondom [minderjarige] zijn (woon)perspectief. Hoewel oma mz formeel geen partij is binnen de voogdijmaatregel, is oma mz wel meegenomen in het proces. Omdat oma mz zich niet kon vinden in de gang van zaken is zij een kort geding gestart. Bij kort geding vonnis van 1 september 2025 is oma mz niet-ontvankelijk verklaard in één eis en zijn de overige eisen afgewezen. Oma mz is niet in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis.

4.2.

In het kader van de plaatsing van [minderjarige] heeft Elker een grondige afweging gemaakt tussen een netwerkplaatsing en een bestandsplaatsing. Het breakdown risico bij een plaatsing in een voor [minderjarige] onbekend gezin is vele malen groter dan bij plaatsing in een bekend gezin. De inhoudelijke afweging om tot de plaatsing bij [pleegouders] over te gaan, is dan ook weloverwogen gemaakt. De belangen van [minderjarige] zijn hierbij altijd leidend geweest. Het vraagstuk omtrent de wijze van overlijden van de ouders van [minderjarige] is door de GI in de keuzes omtrent [minderjarige] , de in te zetten hulpverlening en behandeling, alsmede de benadering van [minderjarige] , meegenomen. De GI heeft daarbij begrip voor het verdriet en de boosheid van oma mz aangaande de dood van haar dochter. Er is veel gebeurd in de relatie tussen ouders van [minderjarige] en [minderjarige] zal daar zaken van hebben meegekregen. [minderjarige] laat echter geen sterke kindsignalen zien over wat hij heeft meegemaakt. Er is en blijft steeds aandacht voor het welzijn van [minderjarige] , hoe hij zich in de toekomst zal gaan ontwikkelen en hoe de verwerking voor [minderjarige] zal verlopen. Voor hem zal passende hulp geboden worden.

4.3.

[minderjarige] was blij met het bericht dat hij bij [pleegouders] en hun dochters mag wonen. In observaties lijkt hij geen triggers te ervaren ten aanzien van het feit dat de woning waar hij nu verblijft naast die van zijn ouders is gelegen. Binnen het onderzoeksteam van Elker is ook met het traumateam besproken of deze setting een contra-indicatie oplevert. Alles afwegende is de plek bij [pleegouders] een goede plek.

Op 4 september 2025 is in een MDO-kernbeslissing besloten dat [minderjarige] op 14 september 2025 verhuist naar zijn pleegouders. Op 16 september 2025 is door de GI besloten dat de omgang tussen [minderjarige] en oma mz één keer per vier weken een nacht wordt, waarbij spontane bezoeken in onderling overleg kunnen worden afgestemd. Op 14 oktober 2025 vond het startgesprek speltherapie bij GGZ Drenthe plaats. [minderjarige] heeft wekelijks speltherapie. De pleegouders weten goed aan te sluiten bij [minderjarige] .

Wat betreft de benadering richting [minderjarige] is KOEN al in november 2024 door de gedragswetenschapper van de GI benaderd. Het OM heeft eerder telefonisch aan de GI meegedeeld dat er meerdere scenario's over de dood van ouders mogelijk zijn, waardoor er verschillende visies naast elkaar bestaan. Dat is een gegeven waar [minderjarige] mee opgroeit. Het Words & Pictures-boekje hierover is al met [minderjarige] doorgenomen. [minderjarige] heeft hier goed en niet afwijkend of bijzonder op gereageerd. GGZ Drenthe pakt dit verder met [minderjarige] op.

4.4.

De GI betwist dan ook dat zij ernstig tekort is geschoten in haar taak om de belangen van [minderjarige] te waarborgen, zoals door oma mz gesteld. De in artikel 1:328 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde beëindigingscriteria zijn niet van toepassing en er is geen sprake van dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het verzoek van oma mz om de voogdij van de GI te beëindigen dient dan ook afgewezen te worden. Ook voor het toewijzen van voorlopige voogdij en toevertrouwing van [minderjarige] aan oma mz bestaat volgens de GI geen wettelijke basis. De GI verzoekt oma mz te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5Het advies van de Raad

5.1.

De Raad is van mening dat er bij [minderjarige] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De Raad ziet op basis van de overgelegde brief van het OM maar één reëel scenario over de toedracht van het overlijden van de moeder van [minderjarige] , namelijk dat zij om het leven is gebracht door de vader van [minderjarige] . De GI dient daar vanuit te gaan en hier voortvarend een kernbeslissing over te nemen, zodat er één verhaal komt richting [minderjarige] . Alle neuzen dienen dezelfde kant op te komen.
De Raad heeft zorgen over de huidige plaatsing. De Raad vindt het zorgelijk dat de pleegouders zeggen, dat zij ook andere dingen hebben gezien en gehoord over de relatie tussen ouders en daarover kunnen vertellen. Wat gaat deze plaatsing op lange termijn voor [minderjarige] betekenen? De Raad begrijpt dat [minderjarige] nu als vijfjarige onbevangen kind kan zijn op die plek. Maar de vraag is of het pleeggezin ook het eenduidige verhaal in volle omvang kan omarmen en of zij hun eigen gevoelens terzijde kunnen zetten. Zo niet, dan gaat [minderjarige] tussen de regels door een andere boodschap horen. Dat is een extra zorg qua ontwikkelingsbedreiging.
De Raad is van mening dat ook voor het contact tussen [minderjarige] en oma mz specialistisch maatwerk nodig is om te kijken wat hij hierin nodig heeft. De GI geeft telkens aan dat het contact tussen de moeder van [minderjarige] en oma mz in de periode voor haar overlijden heel beperkt was. Maar hierin speelt de achtergrond van intieme terreur en het daarmee gepaard gaande isoleren van moeder van de rest van haar familie door vader ook een rol. De GI dient daar iets mee te doen.
De Raad biedt aan om onderzoek te doen naar de voogdij en wat het beste is voor [minderjarige] en de rechtbank hierover te adviseren. De Raad zal de zaak dan met spoed oppakken.

6De beoordeling

6.1.

De rechtbank kan op verzoek van de Raad, het OM, een bloed- of aanverwant van de minderjarige tot en met de vierde graad of - ingeval artikel 1:336a BW toepassing heeft gevonden - degenen die de minderjarige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de voogdij van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet beëindigen (artikel 1:329 BW) .

6.2.

Oma mz behoort tot de kring van personen en instanties die een dergelijk verzoek kan doen. Oma mz is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.

6.3.

De rechtbank kan - voor zover van belang - de voogdij van de GI beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en (…) de GI haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent als bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet (…) (artikel 1:328 BW) .

6.4.

Op grond van artikel 4.1.1 lid 1 van de Jeugdwet verlenen de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verantwoorde hulp, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.

Het tweede lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zich op zodanige wijze organiseren, zich kwalitatief en kwantitatief zodanig voorzien van personeel en materieel en zorg dragen voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp.

Op grond van het derde lid neemt de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard.

6.5.

Op grond van voornoemde criteria dient de rechtbank te beoordelen of de beëindiging van de voogdij in dit concrete geval noodzakelijk is voor het onbedreigd opgroeien van [minderjarige] . Enkel wanneer aan alle gronden is voldaan, kan worden overgegaan tot beëindiging van de voogdij. De rechtbank is van oordeel dat aan alle gronden is voldaan en dat de voogdij van de GI over [minderjarige] dient te worden beëindigd. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom.

Ernstige ontwikkelingsbedreiging

6.6.

Anders dan de GI is de rechtbank mét de Raad van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het ter zitting mondeling door de GI ingenomen standpunt dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, maar enkel van wat zaken die extra aandacht behoeven, is naar het oordeel van de rechtbank onnavolgbaar. Het feit dat beide ouders van [minderjarige] op dezelfde dag om het leven zijn gekomen, alsmede de wijze waarop dat is gebeurd, is op zichzelf al voldoende reden om te spreken van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt, anders dan kennelijk de GI tot op heden, dat er geen ander reëel scenario is over de doodsoorzaak van de moeder van [minderjarige] dan dat zij door de vader van [minderjarige] is gedood (waarna de vader zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook zelf van het leven heeft beroofd). Gelet op de brief van het OM met daarin een verklaring van de officier van justitie over de doodsoorzaak van de moeder kan daar volgens de rechtbank geen twijfel (meer) over bestaan. Dat er in deze situatie geen strafrechtelijke vervolging en strafrechtelijke veroordeling heeft plaats kunnen vinden, omdat de vader (dader) is overleden, maakt dit niet anders.
Inmiddels mag het een feit van algemene bekendheid zijn dat femicide in het groot deel van de gevallen voorafgegaan wordt door een patroon van steeds verder escalerend partnergeweld, waarbij kinderen die getuige zijn geweest van dat geweld als gevolg daarvan op meerdere ontwikkelingsgebieden problemen ondervinden.

6.7.

Nu de GI niet tot uitgangspunt heeft genomen dat sprake is geweest van partnerdoding, is er ook geen eenduidig verhaal aan [minderjarige] verteld over de doodsoorzaak van zijn ouders. Er zijn drie 'verhalen' opgetekend in het Words & Pictures boekje, waaronder het verhaal van de familie van vaderszijde, inhoudende dat ouders in een liefdevolle omhelzing levenloos in bed zijn aangetroffen. De rechtbank vindt het aannemelijk dat deze handelwijze van de GI heeft bijgedragen aan de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . De rechtbank vindt hiervoor steun in onder andere de door oma mz overgelegde verklaring van P. Dijkshoorn (niet praktiserend) kinder- en jeugdpsychiater. Hij stelt dat het werken met verschillende verhalen juist schadelijk is voor een kind en dat helderheid over de doodsoorzaken belangrijk is.

Criteria artikel 4.1.1. lid 1 en 3 Jeugdwet

6.8.

De rechtbank is van oordeel, alle bekende feiten en omstandigheden afwegend, dat bij de uitvoering van de voogdij over [minderjarige] er geen sprake is geweest van veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte hulp, afgestemd op de reële behoefte van [minderjarige] en de nabestaanden. De rechtbank twijfelt niet aan de goede bedoelingen van de met de uitvoering van de voogdij belaste jeugdzorgwerkers en gaat er vanuit dat zij naar beste weten en kunnen hebben geprobeerd de belangen van [minderjarige] te behartigen. De rechtbank stelt echter tegelijk vast dat er van meet af aan er bij de GI onvoldoende aandacht is geweest voor de bijzondere omstandigheden van dit geval. Uit diverse beslissingen die door de GI zijn genomen en op basis van de uitlatingen van de vertegenwoordigers van de GI ter zitting blijkt dat deze casus is benaderd als een min of meer 'gewone' voogdijzaak, terwijl specialistische expertise geboden was. Waar de GI hier intern niet over beschikte, had deze expertise extern ingeschakeld moeten worden. De rechtbank gaat hierna in op enkele concrete voorbeelden die op zichzelf, maar ook in onderlinge samenhang, voornoemde conclusies dragen.

6.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de GI ten onrechte het 'Handelingsprotocol gezag, contact/omgang en hulp na partnerdoding' (het Handelingsprotocol) niet gevolgd. Dit Handelingsprotocol geeft een stappenplan voor professionals na een partnerdoding waarbij minderjarige kinderen betrokken zijn en geldt ook indien de vader na het doden van de moeder suïcide pleegt. Het Handelingsprotocol schrijft onder meer voor dat de uitvoerend voogd zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 7 dagen een psychotraumacentrum consulteert om te overleggen over specifieke in te zetten vormen van hulpverlening voor de betrokken kinderen en de (voorlopige) plaatsing. Dit is niet gebeurd. Sterker nog, pas in oktober 2025 is voor het eerst specialistische hulpverlening voor [minderjarige] ingezet.
De jeugdzorgwerker heeft toegelicht dat in dit geval de andere ouder (de dader) niet meer in leven was en het Handelingsprotocol niet over femicide zou gaan. De GI heeft ingezet op het bewaren van de rust voor [minderjarige] , te meer omdat hij in korte tijd geconfronteerd werd met twee uitvaarten.
De rechtbank vindt deze motivering van de GI volstrekt ontoereikend en onbegrijpelijk. Het Handelingsprotocol gaat per definitie uit van de zeer complexe situatie die het geval van partnerdoding (en een geval als dit waarin beide ouders dood zijn is nog complexer dan wanneer ‘alleen’ sprake is van partnerdoding) vrijwel direct ontstaat en is nu juist geschreven als houvast voor professionals om daarin (met aandacht voor het krachtenspel tussen de families) van slachtoffer en dader) het juiste te doen voor de betrokken kinderen. De rechtbank is van oordeel dat het Handelingsprotocol in die zin geen ruimte laat voor de GI om een eigen afweging te maken. Juist in de situatie van [minderjarige] had met de grootst mogelijk voortvarendheid een psychotraumacentrum geconsulteerd moeten worden over zowel de inzet van specifieke vormen van hulpverlening als de (voorlopige) verblijfplaats van [minderjarige] .

6.10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het ook (veel) te lang geduurd voordat de GI ingezet heeft op het verkrijgen van meer/definitieve duidelijkheid over de doodsoorzaak van de ouders van [minderjarige] . Ter zitting is gebleken dat de GI pas in augustus 2025, in het kader van de door oma mz aanhangig gemaakte kort geding-procedure, hierover contact heeft gezocht met het OM. Omdat het OM, bij gebreke aan een strafrechtelijke bewezenverklaring, hierover in het telefonische contact met de GI kennelijk geen definitieve uitspraak wilde doen, is de GI vast blijven houden aan de mogelijkheid van 'meerdere scenario's'. Oók nadat door oma mz in het kader van het kort geding de brief van het OM over de doodsoorzaak van de moeder van [minderjarige] is overgelegd. De rechtbank vindt dit onbegrijpelijk, omdat deze informatie cruciaal is (had moeten zijn) voor de beslissingen rondom [minderjarige] en de GI had veel eerder duidelijkheid hierover moeten vragen. De GI had regie moeten nemen op het hanteren van een eenduidig verhaal over de doodsoorzaak van de ouders van [minderjarige] . Door dit niet te doen heeft GI ruimte gegeven aan meerdere verhalen en de uitlatingen van onder meer oma vz en de pleegouders niet kunnen weerspreken of weerleggen. De rechtbank is van oordeel dat de GI het belang van het vertellen van één eenduidig verhaal had moeten en kunnen begrijpen. Door Elker is in het onderzoeksverslag van 24 april 2025 het belang van het weten van de doodsoorzaak van de ouders benadrukt. Elker schrijft onder meer: 'Onderzoekers zien het maken van een Words & Pictures over de ruzies, het huiselijk geweld en de ware toedracht van het overlijden van zijn ouders als een startpunt van een langer traject van behandeling van [minderjarige] , waarin traumabehandeling en rouw centraal moeten staan.' [onderstreping rechtbank]. Nogmaals, de GI had regie moeten voeren op het verhaal over de daadwerkelijke doodsoorzaak van de ouders van [minderjarige] richting alle bij [minderjarige] betrokken volwassenen en professionals. De GI had oma vz of de pleegouders begeleiding of hulpverlening kunnen aanbieden bij het begrijpen en onderkennen van het belang van [minderjarige] hierin.
Gelet op de uitspraak van de jeugdzorgwerker ter zitting dat het een utopie is dat er een eenduidige visie over het verhaal van [minderjarige] gaat zijn, verwacht de rechtbank niet dat de GI op korte termijn meer regie op dit punt zal gaan voeren. Sterker, het lijkt erop dat de GI zelfs het idee heeft ook niet van de pleegouders te mogen of kunnen verwachten dat zij een ander verhaal vertellen dan overeenkomend met hun eigen beleving.

6.11.

De rechtbank is verder van oordeel dat de GI zich onvoldoende heeft verdiept in de plaatsing van [minderjarige] na het overlijden van ouders. [minderjarige] heeft uiteindelijk een jaar en vier maanden bij oma vz gewoond. De GI heeft in deze procedure niet duidelijk kunnen maken welke afweging zij heeft gemaakt om [minderjarige] gedurende een dergelijk lange periode bij oma vz te plaatsen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de GI zich heeft laten adviseren over de bijzondere omstandigheden van deze casus in relatie tot de plaatsing bij oma vz. Temeer nu uit de stukken blijkt dat oma vz overtuigd is van een ander scenario over de doodsoorzaken van de ouders van [minderjarige] . Nu daardoor de toch al gespannen familieverhoudingen nog verder onder druk werden gezet, was een zorgvuldige afweging op basis van deskundig, gespecialiseerd advies van groot belang geweest. Ook hier is de GI in een vroeg stadium op gewezen. Al in de beschikking van 14 mei 2024 zijn door de kinderrechter de complexe familieverhoudingen benadrukt en is overwogen dat dit de reden is geweest om de GI als professionele en neutrale voogd te benoemen in plaats van een familielid van [minderjarige] . Ook Yorneo, die in eerste instantie de opdracht van de GI kreeg om een netwerkonderzoek uit te voeren, heeft de GI erop gewezen dat er sprake is van een zeer complexe situatie (waarbij een netwerkonderzoek niet volstaat). Ook op dit punt heeft de GI naar het oordeel van de rechtbank dan ook volstrekt onvoldoende voortvarendheid en professionaliteit aan de dag gelegd.

6.12.

De GI heeft sinds de plaatsing van [minderjarige] in het huidige pleeggezin de omgang tussen [minderjarige] en oma mz aanzienlijk verminderd. [minderjarige] logeerde tot de pleeggezinplaatsing eens in de veertien dagen een weekend bij oma mz en stiefopa. In die tijd had [minderjarige] ook contact met de andere familieleden van moederszijde, waaronder zijn opa en oom. Deze tijd is teruggebracht naar één nachtje logeren per vier weken. Volgens de GI is dit passend bij een 'gezonde' grootouder-kind relatie en is er in overleg met het pleeggezin ruimte voor spontane bezoekjes. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de GI hierbij wederom ten onrechte voorbij aan de bijzondere omstandigheden van deze casus. De rechtbank is het met de Raad eens dat op dit punt specialistisch maatwerk noodzakelijk is, om te kijken wat [minderjarige] nodig heeft in het contact met de familieleden van moederszijde.

6.13.

De Raad heeft aangegeven zorgen te hebben over de plaatsing van [minderjarige] in het huidige pleeggezin. De rechtbank deelt deze zorgen. Doordat er tot nu toe geen regie is gevoerd op het hanteren van één verhaal over de doodsoorzaak van de ouders van [minderjarige] , is onduidelijk of de pleegouders bij aanpassing van het huidige verhaal dit ook kunnen omarmen en naar [minderjarige] kunnen uitdragen. De rechtbank kan niet vaststellen of er rekening is gehouden met eventuele toekomstige gevolgen van de plek van de plaatsing. Hoewel [minderjarige] nu kennelijk nog geen gevoelens heeft bij het wonen naast het huis waar zijn vader zijn moeder heeft gedood en daarna suïcide heeft gepleegd, is voorstelbaar dat dit, als er een eenduidig verhaal komt of als [minderjarige] ouder wordt, alsnog zou kunnen ontstaan. De rechtbank vraagt zich af of bij de huidige plaatsing rekening is gehouden met het scenario dat [minderjarige] in de toekomst zoveel last krijgt van de plaats waar hij woont, dat pleegouders mogelijk dienen te verhuizen.
Dat het de GI ontbreekt aan lange termijn visie ten aanzien van de door hen gemaakte keuzes blijkt ook uit de mededeling van de jeugdzorgwerker ter zitting, dat zij de zorgen van oma mz over de gevolgen van het vertellen van meerdere verhalen op lange termijn wel kan begrijpen, maar deze niet acuut genoeg vindt om nu al hulp op in te zetten.

6.14.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat er sprake is (geweest) van onvoldoende clientgerichte hulp, onvoldoende afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en - in dit specifieke geval - de grootouders. Hoewel de wet en overige regelgeving rondom de voogdij niet voorzien is in formele betrokkenheid van grootouders, anders dan indien zij zelf de rol van voogd of pleegouder op zich hebben genomen, is de rechtbank van oordeel dat in dit specifieke geval van de GI kon en mocht worden verwacht dat zij, in verband met de ingewikkelde loyaliteiten die in deze casus spelen, veel pro-actiever met beide families van [minderjarige] contact hadden onderhouden. Hoewel dit door de jeugdzorgwerker ter zitting is betwist, kan de rechtbank op basis van de stukken zich niet aan de indruk onttrekken dat de jeugdzorgwerkers meer aandacht hebben gehad voor de positie van oma vz, doordat [minderjarige] de eerste periode door haar werd opgevoed en verzorgd. Dat oma mz voorafgaand aan en bij aanvang van de voogdij veel minder contact had met [minderjarige] , hetgeen ook nog eens zeer wel mogelijk een gevolg was van de intieme terreur die de vader op de moeder van [minderjarige] uitoefende, had niet van invloed moeten of mogen zijn op het contact tussen [minderjarige] en oma mz in de periode vanaf 5 mei 2024.

Criterium artikel 4.1.1. lid 2 Jeugdwet

6.15.

Dat de wijze van organiseren en de kwantiteit en kwaliteit van personeel en materieel bij de GI al enige tijd fors onder druk staat, is de rechtbank bekend. De GI staat sinds 24 juli 2025 onder verscherpt toezicht van de Inspecties Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid. Door de GI is betwist dat de organisatorische en personele problemen binnen de GI van invloed zijn geweest op deze zaak. Hoewel in deze procedure niet met zekerheid kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate de algehele organisatorische en personele omstandigheden organisatie breed, direct van invloed zijn geweest op de taakuitvoering door de GI in déze specifieke zaak, zullen deze zeker niet hebben bijgedragen aan de wijze waarop de voogdij over [minderjarige] is uitgevoerd. Hoewel er in het geval van [minderjarige] wel bij aanvang van de voogdij twee jeugdzorgwerkers beschikbaar waren om de maatregel uit te voeren, heeft dit niet er toe geleid dat er ook tijdig passende hulp is ingezet. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat [minderjarige] pas op 14 oktober 2025, bijna anderhalf jaar na het instellen van de voogdijmaatregel, is gestart met therapie bij GGZ Drenthe. Uit de voorgaande overwegingen blijkt verder dat het in deze casus heeft ontbroken aan een grondige analyse van de problematiek en complexe verhoudingen van alle bij [minderjarige] betrokken volwassenen. Er is onvoldoende regie gevoerd op de hulpverlening aan [minderjarige] , maar ook op het contact en de samenwerking met de nabestaanden en de verhoudingen binnen het netwerk rondom [minderjarige] . Dit zijn gebreken in de taakuitoefening die wat de rechtbank betreft terug te voeren zijn op tekortkomingen weergegeven in het rapport van de Inspecties. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook aan dit criterium is voldaan.

Onderzoek naar voorlopige voogdij

6.16.

Bij een directe beëindiging van de voogdij ontstaat er een gezagsvacuüm en dient de rechtbank op grond van artikel 1:334 BW een andere persoon of instantie met de voogdij te belasten. Oma mz heeft zich bereid verklaard om met de voorlopige voogdij te worden belast en wil ook met de definitieve voogdij over [minderjarige] worden belast. Oma mz staat in familierechtelijke betrekking tot [minderjarige] , is erg betrokken op hem en dus niet neutraal. De rechtbank acht een neutrale voogd met een professioneel netwerk wel van belang, om te voorkomen dat de nu ingezette hulp voor [minderjarige] in gevaar komt. De complexe situatie van [minderjarige] vraagt in beginsel om een deskundige (professionele) benadering. De rechtbank kan niet beoordelen of oma mz voldoende expertise heeft en voldoende afstand kan nemen van de complexe familierelaties, om te allen tijde de belangen van [minderjarige] goed te behartigen. De rechtbank beschikt op dit moment over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen welke persoon of instantie het meest geschikt is om de voogdij uit te oefenen.

6.17.

Om die reden vindt de rechtbank een onderzoek naar de persoon of instantie die belast dient te worden met de voorlopige voogdij over [minderjarige] noodzakelijk en zal de rechtbank de voogdij van de GI niet per direct beëindigen. De Raad heeft ter zitting aangeboden onderzoek te willen doen naar de voogdij over [minderjarige] en dit onderzoek ook met spoed te kunnen oppakken. De rechtbank geeft de Raad dan ook opdracht om onderzoek te doen en te adviseren en rapporteren over de voorlopige voogdij over [minderjarige] . De rechtbank verzoekt de Raad deze rapportage uiterlijk 30 maart 2026 in te dienen. Oma mz en de GI krijgen daarna twee weken de gelegenheid, dus tot en met 13 april 2026, om hun visie hierover schriftelijk kenbaar te maken. Vervolgens zal er opnieuw een mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van de rechtbank plaatsvinden op dinsdag 28 april 2026 om 13.00 uur.

6.18.

De rechtbank zal de voogdij van de huidige GI daarom - in een nader te nemen eindbeslissing - uiterlijk per 1 juni 2026 beëindigen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat tot die tijd de GI en de betrokken jeugdzorgwerkers de voogdij over [minderjarige] naar behoren zullen blijven uitvoeren en in het belang van [minderjarige] zullen blijven handelen.

7De beslissing

De rechtbank:

7.1.

beëindigt de voogdij van Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, gevestigd te Assen over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] per een nader te bepalen datum;

7.2.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord Nederland, onderzoek te verrichten naar de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de rechtbank hierover uiterlijk op 30 maart 2026 of zoveel eerder als mogelijk rapport en advies uit te brengen;

7.3.

stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk binnen veertien dagen na ontvangst van bovengemeld Raadsrapport, derhalve uiterlijk op 13 april 2026, zich schriftelijk hierover uit te laten;

7.4.

roept de Raad, de GI en oma mz op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van dinsdag 28 april 2026 om 13.00 uur om het nog voorliggende verzoek verder te bespreken;

7.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Woudenberg, voorzitter, mr. J.S. Bartstra en mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.J. Volmbroek als griffier.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733