Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep in zaak waarin rechtbank erkenning door niet-biologische vader /buurman vernietigde. Hof toetst aan art. 8 EVRM en stelt voorop dat juridische en biologische werkelijkheid behoren te sporen; geen zeer bijzondere omstandigheden aanwezig om erkenning te laten voortbestaan. Wel omgang: nauwe persoonlijke betrekking tussen man en kind blijft uitgangspunt en man voor meisje belangrijke hechtingsfiguur met wie zij vanaf haar geboorte band heeft opgebouwd. Zij noemt hem “pappa” en heeft regelmatig omgang met hem.
| Datum publicatie | 14-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.348.685_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Vernietiging erkenning; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen | Burgerlijk Wetboek Boek 1 205 |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 1:205 BW, vernietiging erkenning door niet-biologische vader. Het hof acht het van belang dat de juridische werkelijkheid overeenkomt met de biologische werkelijkheid. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er in dit geval geen zeer bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om van dit standpunt af te wijken.Volledige uitspraak
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 24 juli 2025
Zaaknummer: 200.348.685/01
Zaaknummers 1e aanleg: C/02/406661 FA RK 23-853 en C/02/421501 FA RK 24-1875
in de zaak in hoger beroep van:
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans,
tegen
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: [de man] ,
zonder advocaat.
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
mr. F.J.I. van den Branden, advocaat te Terneuzen, in haar hoedanigheid van bijzondere
curator over [minderjarige] , hierna te noemen: de bijzondere curator.
Als informanten in deze zaak worden aangemerkt:
-
de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de GI;
-
de heer [informant], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [informant] , advocaat: mr. M. Falkena.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 augustus 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 november 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [de man] toe te wijzen, het verzoek van [de man] om omgang af te wijzen en [de man] te veroordelen in de kosten van het DNA-onderzoek.
Van de kant van [de man] is geen verweerschrift ingekomen.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 3 maart 2025, heeft de bijzondere curator benoemd dat de rechtbank terecht en op juiste gronden het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [de man] heeft afgewezen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de moeder, bijgestaan door mr. C.G. Huijsmans;
-
de bijzondere curator;
-
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
-
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
-
[informant] .
[de man] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-
de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 5 juni 2023 en 23 juli 2024;
-
het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen op 8 januari 2025;
-
het V6-formulier met bijlagen (producties 4-12) van de advocaat van de moeder d.d. 22 mei 2025;
-
het e-mailbericht van mr. Falkena namens [informant] d.d. 19 mei 2025;
-
het V6-formulier met bijlagen (bijlagen 14-20) van de advocaat van de moeder d.d. 26 mei 2025;
-
de brief met bijlagen van de GI d.d. 27 mei 2025;
-
het V6-formulier met bijlage (productie 13) van de advocaat van de moeder d.d. 3 juni 2025;
-
de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de moeder overgelegde spreekaantekeningen.
3De beoordeling
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie is [minderjarige] op [geboortedatum] 2021 geboren. [de man] heeft [minderjarige] op 2 november 2020 erkend. De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] woont bij de moeder.
[de man] heeft op 15 februari 2023 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank (in de zaak met zaaknummer C/02/406661 / FA RK 23-853). Daarin verzoekt hij de rechtbank te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat hij één keer in de veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur omgang kan hebben met [minderjarige] dan wel een zodanige omgangsregeling te bepalen als de rechtbank juist acht.
De moeder heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan. Zij verzoekt de rechtbank op voet van het bepaalde in artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over [minderjarige] een bijzondere curator te benoemen, die namens haar een verzoekschrift ex. artikel 1:205 lid 1 sub a BW kan indienen en te bepalen dat [de man] zijn medewerking dient te verlenen aan een DNA-onderzoek, waarbij zijn DNA wordt vergeleken met het DNA van [minderjarige] .
Bij vonnis in kort geding van 2 maart 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, bepaald dat [de man] en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar tweemaal per week op woensdag- en zondagmiddag van 14.30 uur tot 18.00 uur. Tevens is de raad verzocht om ten behoeve en vooruitlopend op de onderhavige bodemprocedure een onderzoek te verrichten om vervolgens een rapport en advies uit te brengen over het verzoek van [de man] tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] .
Bij beschikking van 5 juni 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van
5 juni 2023. Tussen betrokkenen is niet in geschil dat de ondertoezichtstelling is sindsdien verlengd, laatstelijk tot 5 december 2025.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 juli 2023 is (in de zaak met zaaknummer C/02/406661 / FA RK 23-853) uitvoerbaar bij voorraad bepaald onder wijziging van het vonnis in kort geding van 2 maart 2023 dat [de man] en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot begeleide omgang eenmaal per week gedurende drie uur. Verder is er een DNA-onderzoek bevolen met betrekking tot de vraag of [de man] de biologische vader is van [minderjarige] . De behandeling van de zaak ten aanzien van een definitieve omgangsregeling, de benoeming van de bijzondere curator en de definitieve kostenveroordeling zijn aangehouden.
Uit de rapportage van Verilabs van 3 november 2023 blijkt dat uitgesloten is (0% kans) dat [de man] de vader is van [minderjarige] .
Bij beschikking van genoemde rechtbank van 9 januari 2024 is in de procedure met zaaknummer C/02/406661 / FA RK 23-853 mr. F.J.I. van den Branden benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .
De bijzondere curator heeft op 19 februari 2024 de rechtbank namens [minderjarige] verzocht de erkenning van [minderjarige] door [de man] te vernietigen, ten aanzien van welk verzoek de bijzondere curator concludeert tot afwijzing. Dit verzoek heeft een apart procedurenummer gekregen: C/02/42 1501 /FA RK 24-1875.
[de man] heeft verweer gevoerd en heeft verzocht dit verzoek af te wijzen. De moeder stemt in met het verzoek van de bijzondere curator en verzoekt de rechtbank dit verzoek tot vernietiging van de erkenning toe te wijzen.
Bij beschikking provisionele voorziening van 10 mei 2024 heeft de voornoemde rechtbank een informatieregeling bepaald, in die zin dat partijen elkaar op basis van een door de GI aan te leveren format per e-mail zullen informeren over [minderjarige] , waarbij de moeder [de man] de eerste dag van iedere maand zal informeren en [de man] de moeder op zijn beurt de vijftiende dag van iedere maand.
De verzoeken van [de man] tot het bepalen van een voorlopige omgangsregeling, waarbij er
sprake is van onbegeleide omgang tussen [de man] en [minderjarige] en extra omgangsmomenten,
alsmede het verzoek van de moeder om [de man] te verbieden zich te presenteren als papa
naar [minderjarige] zijn door de rechtbank afgewezen.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 30 augustus 2024, heeft de rechtbank het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [de man] afgewezen.
De rechtbank heeft verder, onder wijziging van het vonnis in kort geding van 2 maart 2023, als definitieve omgangsregeling bepaald dat [de man] en [minderjarige] gerechtigd zijn tot onbegeleide omgang met elkaar gedurende:
-
elke woensdag van 14:30 tot 16:30 uur;
-
drie keer per jaar een dag van 9:00 tot 16:30 uur, in onderling overleg tussen partijen
nader te bepalen, waarbij [de man] de moeder die dag uiterlijk een maand ervoor een voorstel zal doen;;
- elk jaar op de verjaardag van [de man] ( [geboortedatum] ) gedurende twee uur aaneengesloten vanaf
een in onderling overleg te bepalen tijdstip;
- Tweede Kerstdag van 14:30 tot 16:30 uur;
waarbij beide partijen de mogelijkheid hebben om gedurende zes weken per jaar op vakantie
te gaan en de wekelijkse contactmomenten tussen [de man] en [minderjarige] in die weken geen
doorgang zullen vinden. Beide partijen dienen dit een maand hieraan voorafgaand te melden
bij de andere partij.
Ten slotte heeft de rechtbank de moeder en [de man] ieder voor de helft de kosten van het deskundigenonderzoek door Verilabs toegewezen en beiden veroordeeld om aan de griffier van deze rechtbank elk te voldoen: € 342,50 voor ingevolge artikel 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorlopig in debet gestelde deskundigenkosten.
4De omvang van het geschil
De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen. Haar grieven zien op de beslissing van de rechtbank over de vernietiging van de erkenning, de omgang tussen [de man] en [minderjarige] en de kosten van het DNA-onderzoek.
5De motivering van de beslissing
Vernietiging van de erkenning
De moeder voert het volgende aan. Uitgangspunt is dat de erkenning wordt vernietigd als de erkenner niet de biologische vader is van het kind. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er zeer bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om af te wijken van dit uitgangspunt. Er is volgens de moeder geen sprake van dergelijke omstandigheden en zij verzoekt om het inleidend verzoek van de bijzondere curator alsnog toe te wijzen.
De rechtbank kent te veel gewicht toe aan het feit dat de moeder er niet voor heeft gekozen om zich binnen de wettelijke termijn zelf te richten tot de rechtbank om de door [de man] gedane erkenning ongedaan te maken. De moeder bevond zich in een precaire situatie Zij beroept zich op haar (medische) situatie op het moment dat zij haar zwangerschap ontdekte. De relatie tussen haar en [de man] was op dat moment pril en duurde slechts een korte periode. Zij kampte met depressieve klachten. Alle omstandigheden bij elkaar hebben geleid tot de keuze om [de man] [minderjarige] te laten erkennen. Daar kreeg zij later spijt van. Het was geen bewuste keuze voor [de man] als vaderfiguur. Hoewel er enige tijd zat tussen het einde van de relatie en het moment waarop de moeder toestemming gaf voor de erkenning, betekent dat niet dat ervan uit kan worden gegaan dat de psychische klachten waar zij mee kampte waren verdwenen. [de man] heeft geprofiteerd van een periode waarin de moeder uiterst labiel was.
[de man] wist bovendien dat hij niet de biologische vader was van [minderjarige] . Er was geen sprake van een constructie die op een “familie” leek. [de man] was en is de buurman van de moeder en [minderjarige] . Een andere rol ziet de moeder niet voor hem weggelegd.
De moeder ontkent dat [minderjarige] niet beter weet dan dat [de man] haar vader is; [minderjarige] kent [de man] als haar buurman. Bovendien noemt zij haar biologische vader ( [informant] ) ook “pappa” tijdens omgangsmomenten.
De moeder betwist dat het feit dat [de man] een hechtingsfiguur is geworden voor [minderjarige] ertoe leidt dat er sprake is van een zeer bijzondere omstandigheid die maakt dat de erkenning in stand moet worden gelaten. Zij wijst erop dat [informant] óók een hechtingsfiguur is.
De moeder benadrukt dat het vonnis van de voorzieningenrechter heeft gezorgd voor een omgangssituatie die er voorheen niet was. Het feit dat [minderjarige] “in de afgelopen jaren een structureel en betekenisvol contact met de [de man] heeft opgebouwd" is een kunstmatige situatie die door de rechtbank is gecreëerd.
De rechtbank oordeelt dat het doorbreken van de ontstane hechtingsrelatie niet in het belang is van [minderjarige] en haar ontwikkeling kan schaden. Daarbij wordt ten onrechte aangenomen dat de moeder de mogelijkheid belemmert om andere varianten te onderzoeken om [de man] in het leven van [minderjarige] te houden. [de man] is de buurman van [minderjarige] en wordt ook als zodanig door haar beschouwd. Als dat de rol is die [de man] blijft vervullen in het leven van [minderjarige] , dan is dit voor [minderjarige] een stuk minder verwarrend dan de huidige situatie.
Het oordeel van de rechtbank dat de betrokkenheid van [de man] in het leven van [minderjarige] geborgd dient te blijven en dat instandhouding van het juridische ouderschap daarvoor noodzakelijk is, acht de moeder onlogisch. De ondertoezichtstelling geldt immers
om ervoor te zorgen dat [de man] contact kan blijven houden met [minderjarige] . Ook wanneer er zou worden aangenomen dat er sprake is van family-life kan [de man] , zonder juridisch ouderschap, nog het recht behouden om op de een of andere manier contact te houden met [minderjarige] .
[informant] heeft inmiddels wekelijks contact met [minderjarige] . De overweging van de rechtbank dat de rol van de biologische vader in het leven van [minderjarige] minder intensief is dan de moeder doet voorkomen klopt daarom niet meer. Zij benadrukt dat de rol van [informant] in het leven van [minderjarige] groter is dan die van [de man] .
De bijzondere curator voert, samengevat, aan dat de rechtbank terecht en op juiste gronden het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [de man] heeft afgewezen.
In de gesprekken die zij zowel met [de man] als moeder heeft gehad hebben beiden aangegeven dat op het moment dat de moeder haar zwangerschap ontdekte, het onbekend was wie de biologische vader van de toen nog ongeboren [minderjarige] was. Beiden wisten niet zeker of [de man] de biologische vader was. Het is de bijzondere curator gebleken dat er over een periode tot einde van de zomer 2022 sprake was van een situatie waarbij er frequent contact was tussen partijen en [de man] aanwezig was in het leven van [minderjarige] .
De bijzondere curator heeft ook met [informant] gesproken en begrijpt dat [minderjarige] hem “pappa” noemt. Hij maakt volgens eigen zeggen inmiddels een jaar onderdeel uit van haar leven. Dit betekent dat [minderjarige] op dit moment opgroeit met twee vaderfiguren in haar leven. De moeder lijkt niet te betwisten dat [de man] een hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , aangezien zij stelt dat [informant] óók een hechtingsfiguur is. Daarnaast stelt zij dat de omstandigheid dat [minderjarige] de afgelopen jaren een structureel en betekenisvol contact met [de man] heeft opgebouwd een "door de rechtbank gecreëerde kunstmatige situatie" is.
Met de rechtbank is de bijzondere curator van mening dat het doorbreken van de hechtingsrelatie tussen [de man] en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] is en haar ontwikkeling kan schaden. Anders dan de moeder in haar beroepschrift stelt, blijkt uit een recent gesprek dat zij niet openstaat voor het onderzoeken van een variant om [de man] in het leven van [minderjarige] te behouden. Zij noemt de band tussen [de man] en [minderjarige] "kunstmatig" en zij zal zich niet neerleggen bij de situatie als de erkenning in stand blijft en wil ook niet over die situatie nadenken.
[de man] heeft in een gesprek met de bijzondere curator benadrukt dat de strijd met de moeder hem veel energie kost, maar dat hij hoe dan ook een ongedwongen contact met [minderjarige] wil houden. Ook al is hij niet de biologische vader, [minderjarige] blijft zijn dochter en is alles voor hem. Als hij niet langer de juridische vader is, zal het contact volgens [de man] eindigen. De moeder gunt hem en [minderjarige] de wekelijkse bezoeken niet. De moeder werkt daar alleen maar aan mee omdat zij daartoe verplicht is.
Indien de erkenning van [minderjarige] door [de man] in stand blijft, maakt dat erkenning door [informant] onmogelijk. Ervan uitgaande dat [informant] inderdaad de biologische vader van [minderjarige] is (een rechtsgelding DNA-onderzoek is immers niet voorhanden), leidt de instandhouding van de erkenning door [de man] dan tot de situatie waarbij de juridische werkelijkheid afwijkt van de biologische werkelijkheid. In dit geval is het in stand houden van het juridisch ouderschap van [de man] volgens de bijzondere curator echter noodzakelijk om de betrokkenheid van [de man] in het leven van [minderjarige] te borgen. In de praktijk blijkt [minderjarige] al op de hoogte te zijn van het feit dat [informant] haar biologische vader is en hij heeft ook een plek in haar leven gekregen. Ondanks het feit dat de biologische en juridische werkelijkheid momenteel uiteenlopen, brengt het belang van de nog zeer jonge [minderjarige] met zich dat de erkenning door [de man] op dit moment niet moet worden vernietigd.
Volgens de GI is de situatie ten opzichte van de mondelinge behandeling bij de rechtbank niet veranderd. De moeder heeft geen oog voor de gevolgen van de hechtingsrelatie tussen [de man] en [minderjarige] en blijft uitspreken dat [de man] uit het leven van [minderjarige] moet verdwijnen. De GI vindt dat de erkenning door [de man] van [minderjarige] in stand dient te blijven. Verder is het noodzakelijk dat er wordt gewerkt aan een onderlinge constructieve communicatie tussen de volwassenen die betrokken zijn bij [minderjarige] . De moeder, [de man] en [informant] zijn de personen die voor [minderjarige] belangrijk zijn en daarom dienen zij op een volwassen manier met elkaar leren te communiceren.
Het is niet zeker of [informant] de biologische vader is van [minderjarige] . Daarom acht de GI een DNA-onderzoek van [informant] op zijn plaats. Tot slot benoemt de GI dat in het kader van de ondertoezichtstelling de aandacht uit zal gaan naar de ouderschapsbemiddeling tussen de genoemde drie volwassenen en dat er zicht komt op de opvoedingssituatie bij [informant] . Daarbij zal er aandacht zijn voor wat ieder van hen kan dragen.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het hof geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad deelt de visie van de GI dat de drie volwassenen in het leven van [minderjarige] moeten leren om met elkaar te communiceren.
Het is van belang dat dit professioneel wordt ondersteund. Ook dient er een DNA-test te worden gedaan ten aanzien van de vraag of [informant] de biologische vader van [minderjarige] is. Voor nu adviseert de raad om de erkenning door [de man] van [minderjarige] in stand te houden. Er is immers nog onduidelijkheid over het biologische vaderschap van [informant] .
Mocht de erkenning van [de man] alsnog worden vernietigd dan dient [de man] als hechtingsfiguur van [minderjarige] bij haar betrokken te blijven. De zorg die de raad heeft is dat bij een vernietiging van de erkenning [de man] uit het leven van [minderjarige] verdwijnt.
Het hof overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 1:205 BW kan een verzoek tot
vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het
kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft
plaatsgevonden;
b. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn
minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
c. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar
minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot
de erkenning te geven.
Een verzoek door het kind moet op grond van het vierde lid van deze bepaling worden
ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man
vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn
minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat
het kind meerderjarig is geworden worden ingediend. Evenals de rechtbank stelt het hof vast dat het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door [de man] op tijd is ingediend, zodat het verzoek inhoudelijk behandeld kan worden.
De vernietiging van de erkenning is een inmenging in het door artikel 8 lid 1 EVRM beschermde familie- en gezinsleven van [minderjarige] . Die inmenging is toegestaan indien deze aan de eisen van artikel 8 lid 2 EVRM voldoet. De inmenging moet voorzien zijn bij wet en noodzakelijk zijn in het belang van de daar genoemde doelen. De inmenging moet proportioneel zijn in het licht van het daarmee beoogde doel.
Vast staat dat [de man] niet de biologische vader is van [minderjarige] en dat aan de voorwaarde voor vernietiging op grond van de wet is voldaan. Om te kunnen beoordelen of de inmenging noodzakelijk en proportioneel is moeten in het licht van de omstandigheden van het geval de belangen van [minderjarige] , de moeder en [de man] tegen elkaar te worden afgewogen. De belangen van [minderjarige] dienen hierbij de eerste overweging te vormen (artikel 3 IVRK) .
Het hof is van oordeel dat de uitkomst van deze belangenafweging is, dat de erkenning wordt vernietigd. Het hof acht het van belang dat de juridische werkelijkheid overeenkomt met de biologische werkelijkheid. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er in dit geval geen zeer bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken en de erkenning toch in stand te laten.
Hiertoe overweegt het hof het volgende.
Er bestond tussen de moeder en [de man] gedurende een korte periode (van medio juli/augustus 2020 tot oktober 2020) een affectieve relatie. Zij waren en zijn buren van elkaar. Zij hebben nooit samengewoond. [de man] heeft, na het einde van de relatie, op 2 november 2020 de toen nog ongeboren [minderjarige] erkend. [de man] bleef daarna betrokken bij de moeder tijdens haar zwangerschap. Hij was aanwezig bij een aantal van de afspraken van de gynaecoloog en verloskundige en woonde de bevalling bij. Zij kozen samen de naam van [minderjarige] en [de man] heeft de babykamer gekocht. Na de geboorte in [maand] 2021 hielp hij bij de verzorging van [minderjarige] . Hoewel [de man] niet in gezinsverband met de moeder en [minderjarige] woonde en er geen vaste omgangsregeling gold, is wel gebleken dat hij geregeld langskwam bij de moeder en [minderjarige] en haar dan een flesje gaf of vasthield. Later paste de vader regelmatig op op [minderjarige] . Het kwam ook voor dat zij bij hem logeerde. Deze situatie heeft tot het einde van de zomer van 2022 geduurd. Partijen hebben een verschillende visie over hoe de onderlinge verhouding was na die tijd. [de man] bleef wel wekelijks contact houden met [minderjarige] totdat dit contact medio december 2022 stopte.
Vanaf de uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 maart 2023 was er tweewekelijks contact tussen [de man] en [minderjarige] . Op dit moment vindt deze omgang wekelijks plaats op de woensdagmiddag conform het bepaalde in de bestreden beschikking.
Hoewel de verstandverhouding tussen de moeder en [de man] is verslechterd en zij op dit moment geen contact meer hebben, is het duidelijk dat [de man] nog steeds een rol speelt in het leven van [minderjarige] en [de man] voor haar een belangrijke hechtingsfiguur is.
Anders dan de rechtbank, acht het hof het echter voor het behoud van deze hechtingsrelatie niet noodzakelijk om het juridisch vaderschap in stand te laten; integendeel. Het hof is gebleken dat voor langere periode de verhoudingen tussen de moeder en [de man] onder druk staan en dat dit mede komt doordat [de man] juridisch vader is, terwijl hij dat biologisch niet is. Hoewel de aanleiding en de omstandigheden waaronder de erkenning van [minderjarige] door [de man] voor het hof onduidelijk blijven en de moeder zichzelf wat dat betreft op bepaalde punten tegenspreekt, is het duidelijk dat er al langer een hevige strijd over het juridisch ouderschap van [de man] bestaat en dat er mede in dat licht een ondertoezichtstelling is.
Daarbij komt dat [minderjarige] inmiddels ook al enige tijd contact heeft met haar vermoedelijke biologische vader, [informant] . De moeder en [informant] zijn ervan overtuigd dat hij de biologische vader van [minderjarige] is. Zij baseren dit op een door hen gedane thuistest en de uiterlijke gelijkenissen tussen hem en [minderjarige] . [informant] is beschikbaar voor [minderjarige] en wil de rol van juridisch ouder op zich nemen. Hij heeft (na een opbouw) regelmatig onbegeleid contact met [minderjarige] . [informant] heeft desgevraagd verklaard tijdens de mondelinge behandeling bij het hof dat hij graag het ouderlijk gezag over [minderjarige] wil uitoefenen en zijn vaderrol wil vervullen.
Gelet op al deze omstandigheden is het in stand blijven van het contact tussen [minderjarige] en [de man] belangrijker voor [minderjarige] dan het hebben van hem als juridisch ouder.
Het bovenstaande neemt overigens niet weg dat het hof zorgen heeft over het borgen van de betrokkenheid van [de man] in het leven van [minderjarige] . Dit nu duidelijk naar voren is gekomen uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling dat de moeder in feite geen rol (meer) ziet voor [de man] in het leven van [minderjarige] en [informant] zich hierbij aansluit.
Het hof is echter van oordeel dat het in stand laten van het juridisch vaderschap niet een middel dient te zijn om de omgang tussen [de man] en [minderjarige] te bestendigen.
Het hof vernietigt daarom op dit punt de beschikking waarvan beroep en zal alsnog de erkenning van [minderjarige] door [de man] vernietigen.
Omgang tussen [de man] en [minderjarige]
De moeder vindt de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] . Zij wil voorkomen dat er bij [minderjarige] verwarring blijft ontstaan. [de man] volhardt in de wens dat hij “pappa” wordt genoemd in een situatie waarbij [minderjarige] ook al “pappa” zegt tegen [informant] . [informant] heeft als biologische vader alle recht om zijn positie als hechtingsfiguur te waarborgen. Hij is als enige de vader van [minderjarige] . Wekelijks contact tussen [de man] en [minderjarige] zal het vaderschap van [informant] in de weg zitten. [minderjarige] heeft het recht om één vader te hebben. Daarbij komt dat [de man] niet in staat is om een lange dag voor [minderjarige] te zorgen, aldus de moeder.
Namens de GI is tijdens de mondelinge behandeling van het hof benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de bestaande omgangsregeling tussen haar en [de man] blijft bestaan en dat belangrijk is dat zij de emotionele toestemming voelt van alle betrokken volwassenen.
Ten aanzien van de omgang tussen [de man] en [minderjarige] adviseert de raad om de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling te handhaven. Het is belangrijk een vaste omgangsregeling te hebben, zodat iedereen weet waar hij aan toe is.
Het hof overweegt het volgende.
In artikel 1:377a, eerste lid, BW is bepaald dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts indien (lid 3):
-
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
-
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
-
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
-
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Vast staat dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [de man] en [minderjarige] . [de man] is voor [minderjarige] een belangrijk hechtingsfiguur met wie zij vanaf haar geboorte een band heeft opgebouwd. Zij noemt [de man] “pappa” en heeft regelmatig omgang met hem.
Hoewel [de man] geen verweer heeft gevoerd in hoger beroep, is gebleken uit hetgeen namens de bijzondere curator naar voren is gebracht, dat het ook zijn wens is dat de omgang tussen hem en [minderjarige] blijft bestaan. De procedure is destijds aangevangen bij de rechtbank met het verzoek van [de man] tot vaststelling van een omgangsregeling en op dit moment heeft hij ook daadwerkelijk wekelijks omgang met [minderjarige] .
Het hof acht het van belang dat er een duidelijke en regelmatige omgangsregeling is. Het hof acht het, mede gelet op het advies van de raad en de GI, in het belang van [minderjarige] dat de door de rechtbank bepaalde regeling blijft bestaan. Van enige ontzeggingsgrond is op dit moment niet dan wel onvoldoende gebleken. Deze door de rechtbank bepaalde omgangsregeling staat contact tussen [informant] en [minderjarige] niet in de weg.
Het hof heeft wel zorgen over de gestelde recente gedragingen van [de man] . Het hof acht het van belang dat de GI ook na de vernietiging van de erkenning blijft inzetten op bemiddeling tussen de moeder, [de man] en [informant] en dat er zicht blijft op het verloop van de omgang en de ontwikkeling van [minderjarige] .
Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Kosten DNA-onderzoek
De moeder is van mening dat [de man] alle kosten van het DNA-onderzoek moet dragen en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat beide partijen ieder voor de helft dienen bij te dragen. Dit is volgens haar ook onvoldoende door de rechtbank gemotiveerd. De moeder voert daartoe aan dat het DNA-onderzoek alleen nodig was omdat [de man] nodeloos verwarring schiep. Hij wist dat hij niet de vader van [minderjarige] was.
Het hof overweegt het volgende.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat deze kosten noodzakelijk waren om duidelijkheid te krijgen over biologische verwantschap tussen [de man] en [minderjarige] .
Niet gebleken is dat [de man] wist dat hij niet de vader van [minderjarige] kon zijn en dat hij nodeloos verwarring schiep dan wel een DNA-onderzoek heeft uitgelokt. In gesprekken met de bijzonder curator hebben de moeder en [de man] aangegeven dat op het moment dat de moeder ontdekte dat zij in verwachting was, onbekend was wie de biologische vader van de toen nog ongeboren [minderjarige] was. Wat daar ook van zij, zowel [de man] als de moeder hadden belang bij duidelijkheid over het biologisch vaderschap.
Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, uitsluitend voor zover het de vernietiging van de erkenning betreft.
4De beslissing
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 augustus 2024 ten aanzien de afwijzing van het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning van de minderjarige [minderjarige] door [de man] ;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
vernietigt de erkenning gedaan op 2 november 2020 van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] door [de man] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat de griffier niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking en voor zover daartegen geen cassatie is ingesteld, een afschrift van deze beschikking zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] in wiens registers de geboorteakte van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] zich bevindt, dit met het oog op het bepaalde in artikel 1:20 lid 1 en onder a BW;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.M.D.M. van der Linden en E.F.M. van Swaaij en is op 24 juli 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van de griffier
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
