Rechtbank Rotterdam 29-12-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15355

Essentie (gemaakt door AI)

Vader verzoekt beëindiging gezamenlijk gezag, hoofdverblijf bij hem en nihilstelling kinderalimentatie. Gezag: op basis van o.a. GI/raad en langdurige conflicten, medische/toestemmingsprocedures en beperkte stabiliteit bij moeder, is onaanvaardbaar klemcriterium vervuld; gezag uitsluitend aan vader toegewezen art. 1:253n BW, met toepassing van art. 1:251a BW. Verzoek hoofdverblijfplaats: vader niet-ontvankelijk in dit verzoek, gezien zijn eenhoofdig gezag art. 1:253a BW.

Datum publicatie13-01-2026
ZaaknummerC/10/653329 / FA RK 23-1410
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Gezag;
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beëindiging gezamenlijk gezag tijdens ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, geen rechtsgrond voor vaststelling hoofdverblijfplaats.

Volledige uitspraak


Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/653329 / FA RK 23-1410

Beschikking van 29 december 2025 over het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A.C. Gocmen te Rotterdam,

ouders van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 1]) en

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 2]).

In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna: de GI,

gevestigd te Rotterdam.

1De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • de (tussen)beschikking van 10 oktober 2024;

  • het bericht met bijlagen van de GI van 20 januari 2025;

  • de berichten van de man van 14 januari 2025 en 15 april 2025;

  • het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 23 juli 2025;

  • het proces-verbaal van 26 augustus 2025;

  • het bericht met bijlage van de vrouw van 22 september 2025.

1.2.

De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Daarbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de GI, vertegenwoordigd door [naam 1];

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2].

1.3.

De oudste minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2De verdere beoordeling

2.1.

Bij (tussen)beschikking van 10 oktober 2024 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de onderhoudsbijdrage en het ouderlijk gezag van de minderjarigen. De rechtbank verwijst naar wat over die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.

2.2.

Gezag

2.2.1.

De man heeft bij aanvullend verzoek van 23 juli 2025 verzocht het gezag van de vrouw over de minderjarigen te beëindigen.

2.2.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

2.2.3.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

2.2.4.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.

2.2.5.

De minderjarigen staan sinds juli 2024 onder toezicht van de GI en zijn daarbij uit huis geplaatst. De onder toezichtstelling is verlengd tot 5 oktober 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 5 april 2025. De GI heeft het volgende aangevoerd.

2.2.5.1. Sinds de uithuisplaatsing is gewerkt aan eventuele terugplaatsing van de kinderen bij de vrouw. Tot op heden is het met heel veel begeleiding vanuit de GI niet gelukt om de vrouw het gezamenlijk gezag te laten uitvoeren. De kinderen hebben daar veel last van gehad. Zo zijn er procedures nodig geweest (met de GI als verzoeker) over vervangende toestemming medische behandeling, vervangende toestemming narcose bij de kindertandarts en vervangende toestemming paspoort. In al die zaken gaf de man wel zijn toestemming en vrouw niet.

2.2.5.2. De afgelopen periode is gezien dat de (thuis)situatie van de vrouw enkel verslechterde. Zij is in september 2025 opgenomen geweest met een zorgmachtiging. Inmiddels is deze opname beëindigd. De vrouw volgt haar behandeling vanuit een tijdelijk verblijf bij haar moeder. Er is nu een voorzichtig positieve ontwikkeling in de manier van in gesprek gaan met de vrouw over haar leven, maar zodra het over de man gaat vervalt de vrouw in oud gedrag en beschuldigingen. Gezamenlijk gezag wordt in deze omstandigheden die al vanaf 2023 spelen, erg ingewikkeld. Het toekomstperspectief van de minderjarigen ligt niet meer bij de vrouw ligt en de GI onderzoekt of dat wellicht wel bij de man kan liggen.

2.2.5.3. De kinderen hadden voor de uithuisplaatsing geruime tijd geen contact gehad met hun vader en een negatief beeld van hem. Stapsgewijs is gewerkt aan contactherstel tussen de kinderen en de man. Dit verloopt positief. Er is een bezoekregeling opgebouwd en de minderjarigen logeren thans om de week bij de man en gaan dan de volgende dag weer naar school. In de andere week haalt de man ze op vanuit school en brengt hij ze om 18.30 uur weer bij pleegouders. De kinderen hebben vooral behoefte aan duidelijkheid en ervaren grote onrust bij de huidige situatie. Het gezag alleen bij de man zal hen de nodige rust geven, waarbij het gezag consistent wordt uitgevoerd en de GI op dezelfde voet verder gaat met het contact tussen hen en hun moeder, alleen niet meer gericht op de uitoefening van het gezag.

2.2.6.

De raad ondersteunt de zienswijze van de GI en adviseert het gezag uitsluitend aan de man toe te wijzen en deze beslissing niet aan te houden tot de vrouw een stabiele rol kan vervullen als gezaghebbende ouder. Er is frequent contact tussen de man en kinderen. Tussen de vrouw en de kinderen is zeer beperkt contact. Het herstel van dit contact is nog een lang traject, terwijl dat bij de man anders ligt.

2.2.7.

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Daarom is wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen noodzakelijk. De rechtbank wijst het verzoek van de man toe.

2.3.

Verblijfplaats

2.3.1.

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn.

2.3.2.

Artikel 1:253a BW geeft de rechtsgrond voor het bepalen van de hoofdverblijfplaats. Dit artikel is echter alleen van toepassing bij gezamenlijk gezag. In een situatie waarin sprake is van eenhoofdig gezag is er geen juridische basis voor een verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats.

2.3.3.

Omdat wordt beslist dat het ouderlijk gezag over de kinderen nu alleen aan de man toekomt, is een beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen dus juridisch niet mogelijk en ook niet nodig. De man wordt daarom in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.

Zorgregeling

2.4.1.

Omdat het primaire verzoek van de man tot wijziging van het gezag wordt toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan het subsidiaire verzoek van de man tot bepaling van een zorgregeling tussen hem en de minderjarigen.

2.4.2.

Voor zover de vrouw haar eerder in deze procedure gedane verzoek/standpunt handhaaft dat de omgang tussen de man en de kinderen voorlopig zou moeten stoppen, oordeelt de rechtbank dat uit de beslissing ten aanzien van het gezag volgt dat dit verzoek zal worden afgewezen.

2.5.

Onderhoudsbijdrage

2.5.1.

De man verzoekt wijziging van de beschikking van 23 juli 2024 in die zin, dat de in die beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen wordt bepaald op nihil.

2.5.2.

De vrouw verweert zich niet tegen dit verzoek.

2.5.3.

De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond, met inachtneming van het navolgende.

2.5.4.

De ingangsdatum wordt in redelijkheid, en overeenkomstig het verzoek van de man, bepaald op de datum van de beschikking omdat de minderjarigen al langdurig geen hoofdverblijf meer hebben bij de vrouw en alleen de man gezag dragende ouder zal zijn.

2.6.

Proceskosten

2.6.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3De beslissing

De rechtbank:

3.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan aan de man toekomt;

3.2.

bepaalt dat van deze beslissing, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;

3.3.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen wordt bepaald op nihil, met ingang van heden;

3.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.6.

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om vaststelling van de hoofdverblijfplaats;

3.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 29 december 2025.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733