Rechtbank Rotterdam 24-12-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15215

Essentie (gemaakt door AI)

Niet gebleken dat mediator uitleg heeft verschaft over betekenis van “te zijnen bate of schade” aanvaarden van toedeling. Rechtbank gaat er daarom van uit dat dit niet is gebeurd. Dit, in samenhang met feit dat vrouw geen juridische kennis had en niet werd bijgestaan door advocaat, leidt ertoe dat vaststaat dat vrouw zich niet bewust was van vergaande strekking bepaling, en dat man dit wist, althans kon weten. Overeenkomst kwalificeert ook niet als vaststellingsovereenkomst. Vrouw kan dus beroep doen op dwaling over waarde.

Datum publicatie13-01-2026
ZaaknummerC/10/693899 / HA ZA 25-132
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Vernietiging 3:196 BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vernietiging van (verdelings)overeenkomst tussen man en vrouw ogv artikel 3:196 BW: benadeling voor meer dan 25%. Vrouw heeft de toedeling niet te eigen bate of schade aanvaard (artikel 3:196 lid 4).

Volledige uitspraak


RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/693899 / HA ZA 25-132

Vonnis van 24 december 2025

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend in Middelharnis,

eiseres,

advocaat: mr. T. Abbo,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in Sommelsdijk,

gedaagde,

advocaat: mr. H.A.A. Voermans.

Partijen worden hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd.

1De zaak in het kort

1.1.

Partijen zijn na een huwelijk van bijna 23 jaar van elkaar gescheiden. Zij waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Partijen zijn in een schriftelijke overeenkomst een verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen overeengekomen, op grond waarvan de echtelijke woning (met de daarop rustende hypotheekschuld) en de aandelen in [bedrijf 1] aan de man zijn toegedeeld en de man zich heeft verplicht wegens overbedeling € 150.000,- aan de vrouw te betalen. De vrouw stelt dat zij bij deze verdeling voor meer dan 25% is benadeeld omdat de aandelen op nihil zijn gewaardeerd terwijl deze volgens haar veel meer waard waren. Daarom heeft de vrouw de overeenkomst op grond van artikel 3:196 BW buitengerechtelijk vernietigd. In deze procedure vordert zij primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, subsidiair vernietiging van de overeenkomst. Volgens de man heeft de vrouw afstand gedaan van haar recht om vernietiging te vorderen. Ook kan de overeenkomst volgens de man niet vernietigd worden omdat het een vaststellingsovereenkomst betreft. De man betwist bovendien dat de vrouw bij de verdeling voor meer dan 25% is benadeeld.

1.2.

De rechtbank oordeelt dat de verweren van de man niet slagen en wijst de primair gevorderde verklaring voor recht, voor zover het de verdeling betreft, toe.

2De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 28 januari 2025, met producties;

  • de conclusie van antwoord;

  • de akte houdende productie van de vrouw, met een aanvullende productie 10;

  • de akte houdende wijziging van eis van de vrouw;

  • het door de vrouw als aanvullende productie in het geding gebrachte financieel scheidingsrapport;

  • de mondelinge behandeling op 22 september 2025; en

  • de spreekaantekeningen van de advocaat van de man ter gelegenheid van de mondelinge behandeling.

2.2.

Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

3De feiten

3.1.

Op [datum] zijn partijen met elkaar getrouwd in algehele gemeenschap van goederen.

3.2.

Na een huwelijk van bijna 23 jaar zijn partijen van elkaar gescheiden. Op 4 januari 2023 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding uitgesproken. Op 23 januari 2023 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

In het kader van de echtscheiding hebben partijen een mediationtraject gevolgd. Zij hebben afspraken gemaakt over onder andere de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Deze afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst getiteld “vaststellingsovereenkomst” (hierna: de overeenkomst), welke door hen is ondertekend op 24 november 2022.

3.4.

Onderdeel van de huwelijksgemeenschap waren de echtelijke woning en 100% van de aandelen in [bedrijf 1] (hierna: de houdstermaatschappij), die (indirect via een stichting administratiekantoor) 50% van de aandelen in [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) hield. [bedrijf 2] hield op haar beurt 100% van de aandelen in [bedrijf 3] en [bedrijf 4]

3.5.

In artikel 21.1 van de overeenkomst staat het volgende over de aandelen in de houdstermaatschappij:

“Partijen komen samen overeen dat de waarde van deze aandelen nihil zijn. Deze waarde is bepaald in overleg en afstemming met de boekhouder/accountant.”

3.6.

In artikel 21.2 van de overeenkomst staat het volgende over de aandelen in [bedrijf 2]:

“Onder [bedrijf 2] hangen 2 B.V.’s ([bedrijf 4] en [bedrijf 3]), waarvan de waarde geconsolideerd is in [bedrijf 2] Partijen komen samen overeen dat deze B.V.’s geen waarde hebben. De waarde is bepaald in overleg en afstemming met de boekhouder/ accountant.”

3.7.

De overwaarde van de woning werd vastgesteld op € 287.877,-. De woning en de aandelen zijn toegedeeld aan de man, en de op de woning rustende hypotheekschuld is toegerekend aan de man. Partijen zijn overeengekomen dat de man wegens overbedeling € 150.000,- aan de vrouw moet betalen volgens een betalingsregeling waarbij de man

vanaf 2 januari 2023 € 30.000,-- en uiterlijk op 31 december 2028 € 120.000,- aan de vrouw moet betalen.

3.8.

In artikel 25.1 van de overeenkomst staat voorts het volgende:

“Finale kwijting

De partijen verklaren hierbij de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben verdeeld en zij verklaren tevens behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in

deze vaststellingsovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen, zonder enig voorbehoud. Partijen verklaren dat zij ieder onderhandelingsvaardig zijn geweest en verklaren dat wat ieder belangrijk vond in deze vaststellingsovereenkomst naar tevredenheid is opgenomen.

Partijen verklaren dat de ontbonden gemeenschap van goederen naar wederzijds genoegen is verdeeld en dat in geval dat voor één van de partijen een benadeling in de vermogensverdeling van meer dan een kwart wordt vastgesteld, de partij waarvan wordt vermoed dat hij omtrent deze benadeling heeft gedwaald, deze toedeling niettemin te zijnen baten of laste aanvaardt, waarbij hij voor zover vereist uitdrukkelijk afstand doet van het recht om op deze grond een vernietiging van de verdeling te vorderen.”

3.9.

In september 2024 heeft de vrouw zich tot haar advocaat gewend nadat de man niet aan de betalingsregeling voldeed. Het bestuderen van de stukken door de advocaat leidde tot vragen over de waardering van de aandelen.

3.10.

Bij brief van haar advocaat van 23 september 2024 heeft de vrouw artikel 21 van de overeenkomst, betreffende de verdeling van de aandelen, buitengerechtelijk vernietigd.

3.11.

Op 19 december 2024 heeft Groenewegen & Lukaart Corporate Finance B.V. (hierna: G&L) op verzoek van de vrouw een rapport uitgebracht. Volgens dit rapport “is de

assumptie dat de aandelenwaarde van [bedrijf 2] nihil is niet voldoende onderbouwd en met in achtneming van de cijfers onwaarschijnlijk”. Bij brief van dezelfde dag heeft de advocaat van de vrouw de gehele overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd.

4Het geschil

4.1.

De vrouw vordert – na wijziging van haar eis – dat de rechtbank bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

- voor recht verklaart dat de indertijd tussen partijen gesloten overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd;

subsidiair:

- de indertijd tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst vernietigt.

4.2.

De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, dan wel afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

5.1.

De rechtbank zal eerst ingaan op het verweer van de man dat de vrouw haar recht om vernietiging van de verdeling te vorderen wegens dwaling heeft prijsgegeven. Vervolgens gaat de rechtbank in op het verweer dat de verdeling niet vernietigd kan worden omdat deze is opgenomen in een vaststellingsovereenkomst. Daarna bespreekt de rechtbank het verweer dat de verdeling niet vernietigbaar is omdat de vrouw bij de verdeling niet voor meer dan een vierde is benadeeld.

De vrouw heeft haar recht om vernietiging van de overeenkomst te vorderen wegens dwaling niet prijsgegeven

5.2.

De vrouw stelt dat de verdeling vernietigbaar is omdat zij heeft gedwaald omtrent de waarde van de aandelen van de houdstermaatschappij (hierna: de aandelen) en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld. Zij beroept zich dus op artikel 3:196 lid 1 BW.

5.3.

Op grond van artikel 3:196 BW is een verdeling vernietigbaar wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld (lid 1). Wanneer een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen, wordt de benadeelde vermoed te hebben gedwaald omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden (lid 2). Een verdeling is echter niet op grond van dwaling omtrent de waarde vernietigbaar indien de benadeelde de toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard (lid 4).

5.4.

De man beroept zich primair op lid 4 van artikel 3:196 BW en voert aan dat van vernietiging wegens dwaling geen sprake kan zijn omdat de vrouw in artikel 25 van de overeenkomst de toedeling te eigen bate of schade heeft aanvaard. De man stelt dat de vrouw met het opnemen van artikel 25 in de overeenkomst heeft verklaard dat zij onderhandelingsvaardig was en dat zij instemde met de inhoud van de overeenkomst. Er is volgens de man geen sprake van onwetendheid, juridische ongelijkheid of gebrekkige wilsvorming. De vrouw voert hiertegen aan dat zij nimmer gewezen is op de verstrekkende gevolgen van artikel 25 van de overeenkomst en niet op de hoogte was van de waarde of de orde van grootte van de waarde van de aandelen, zodat zij niet wist waar zij afstand van deed.

5.5.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de vrouw niet gebonden is aan de aanvaarding in artikel 25 van de overeenkomst en dus geen afstand heeft gedaan van het recht om vernietiging te vorderen op grond van artikel 3:196 BW. Daaraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

5.6.

Van aanvaarding als bedoeld in artikel 3:196 lid 4 BW kan slechts sprake zijn als de benadeelde zich bewust was van de strekking van die aanvaarding, of als de andere deelgenoot ervan uit mocht gaan dat de benadeelde zich daarvan bewust was. Dit volgt uit de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Bovendien is nodig dat de benadeelde zich bewust was van de waarde van de gemeenschap. Daarom is voor het slagen van een beroep op artikel 3:196 lid 4 BW vereist dat de benadeelde de waarde van de te verdelen gemeenschap kende, althans wist in welke orde van grootte de waarde van de gemeenschap lag. Dit volgt uit Hoge Raad 7 juli 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697.

5.7.

Gebleken is dat partijen niet juridisch onderlegd zijn en dat zij zich bij de besprekingen die hebben geleid tot de ondertekening van de overeenkomst niet hebben laten bijstaan door eigen advocaten. Het concept van de overeenkomst is opgesteld door de mediator. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat partijen de bepaling van artikel 25 er niet nadrukkelijk in hebben laten zetten, en dit is door de man niet weersproken. De vrouw heeft ook verklaard dat zij destijds de gevolgen van deze bepaling niet kon overzien en dat zij zich niet herinnert dat de strekking van deze bepaling aan haar is uitgelegd. Ook dit is door de man niet weersproken. Weliswaar heeft de man ter zitting verklaard dat er voldoende tijd is genomen om de overeenkomst stap voor stap door te nemen, maar dat de mediator uitleg heeft verschaft over de strekking van artikel 25, met name over de betekenis van het “te zijnen bate of schade” aanvaarden van de toedeling, volgt daar niet uit. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit niet is gebeurd. Dit, in samenhang met het feit dat de vrouw geen juridische kennis had en niet werd bijgestaan door een advocaat, leidt ertoe dat vaststaat dat de vrouw zich niet bewust was van de vergaande strekking van het bepaalde in artikel 25, en dat de man dit wist, althans kon weten.

5.8.

Uit de vaststaande feiten blijkt bovendien dat de vrouw niet op de hoogte was van de werkelijke waarde van de te verdelen gemeenschap, en evenmin wist in welke orde van grootte die waarde lag. De rechtbank licht dit als volgt toe. Vast staat dat partijen de waarde in het economisch verkeer van de onderneming niet hebben laten vaststellen. Weliswaar heeft de man ter zitting verklaard dat de onderneming volgens de accountant van de onderneming, Visser & Visser, destijds ten minste € 300.000,- waard was, en dat hij die waarde heeft teruggekoppeld aan de mediator, maar de man heeft ook verklaard dat de waarde in het economisch verkeer van de onderneming gedurende de mediation nauwelijks aan de orde is geweest omdat vanaf het begin vaststond dat de vrouw zou afzien van een uitkoopsom voor de aandelen, en de vrouw heeft verklaard dat zij zich dat bedrag niet kan herinneren. Volgens de man was de vrouw bekend met de financiële situatie van de onderneming omdat zij bij de onderneming in dienst was en zij zelf de jaarstukken aan de mediator heeft gegeven, en omdat de financiële situatie van de onderneming voorafgaande aan de mediation tussen partijen is besproken. De vrouw heeft echter onweersproken verklaard dat zij wel op de loonlijst stond maar dat zij niet echt in de onderneming werkte, dat zij, evenals de man, niet kan balanslezen, en dat zij de jaarstukken uitsluitend aan de mediator heeft gegeven omdat die daarom vroeg. Dat de financiële situatie van de onderneming is besproken, is door de vrouw niet betwist, maar gesteld noch gebleken is dat de vrouw hierdoor een reëel beeld van de waarde van de onderneming heeft gekregen. Ter zitting is gebleken dat de man de vrouw heeft voorgehouden dat het bedrijf het misschien niet zou overleven als het geld (om de vrouw uit te kopen) eruit werd gehaald. Gesteld noch gebleken is echter dat de man in een gesprek met de vrouw de eerdergenoemde waardering van ten minste € 300.000,- heeft genoemd.

5.9.

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw bij gebrek aan inzicht in de waarde van de onderneming en bij gebrek aan inzicht in de strekking van het bepaalde in artikel 25 van de overeenkomst niet geacht kan worden willens en wetens haar recht op vernietiging wegens benadeling voor meer dan een vierde te hebben prijsgegeven. Het bepaalde in artikel 25 van de overeenkomst kan dus niet aan de vrouw worden tegengeworpen.

De overeenkomst kwalificeert niet als een vaststellingsovereenkomst

5.10.

Tussen partijen is verder in geschil of de overeenkomst kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. Volgens de man is dat het geval. Hij betoogt dat een vaststellingsovereenkomst meer is dan een gewone overeenkomst, omdat die erop gericht is een geschil of onzekerheid definitief op te lossen of te voorkomen. Dit brengt volgens de man met zich dat de eisen om de overeenkomst te vernietigen op grond van dwaling strenger zijn dan bij een reguliere overeenkomst.

5.11.

De vrouw voert aan dat, hoewel de overeenkomst de titel “vaststellingsovereenkomst” draagt, dit op zichzelf niet voldoende is om te concluderen dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Zij stelt dat er geen onzekerheid of geschil over de te verdelen zaken bestond, en dat zij zich vooral heeft laten leiden door de verklaringen van de man zonder dat sprake was van een discussie over de waarde van de aandelen of over andere kwesties die typisch worden opgelost in een vaststellingsovereenkomst.

5.12.

Een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW is een overeenkomst waarbij partijen zich binden teneinde een onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, te beëindigen. Behoudens bijzondere omstandigheden kan geen beroep op dwaling worden gedaan ter zake van hetgeen waarover werd getwist of onzekerheid bestond (Hoge Raad 15 november 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AC4400).

5.13.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de overeenkomst op het punt van de waarde van de aandelen geen vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW inhoudt, en licht dat als volgt toe. Of iets een vaststellingsovereenkomst is, hangt af van de feiten en niet van de kwalificatie die partijen eraan geven. Er moet sprake zijn geweest van een onzekerheid of geschil. In het onderhavige geval zou die onzekerheid of dat geschil de waarde van de aandelen moeten betreffen. Gebleken is echter dat de waarde van de aandelen geen rol van enige betekenis heeft gespeeld in de besprekingen omtrent de overeenkomst. Volgens de man was die waarde niet relevant omdat de vrouw het hem gunde dat hij de onderneming, die hij met zijn vader heeft opgebouwd, kon voortzetten. De vrouw heeft dit beaamd, zij het dat zij zich wel onder druk gezet voelde om de onderneming aan de man te laten zonder een uitkoopsom te bedingen. De waarde van de aandelen was dus geen geschilpunt tussen partijen, en het was evenmin nodig om zekerheid te verkrijgen omtrent de waarde van de aandelen. Dat betekent dat partijen zich met de overeenkomst niet hebben gebonden om een geschil of onzekerheid omtrent de waarde van de aandelen te beëindigen of te voorkomen. De overeenkomst is dus geen vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de waarde van de aandelen.

5.14.

Gelet op het voorgaande, staat de overeenkomst er niet aan in de weg dat de vrouw een beroep doet op dwaling omtrent de waarde van de aandelen.

Het beroep op dwaling van de vrouw slaagt

5.15.

Ingevolge artikel 3:196 lid 2 BW wordt vermoed sprake te zijn van dwaling omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen wanneer een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen. Het moet daarbij gaan om een kwart van het deel dat de benadeelde toekomt. Indien de waarde van hetgeen de benadeelde toegedeeld heeft gekregen minder is dan 75% van de waarde die hem toekomt, dan is dus sprake van benadeling voor meer dan een vierde.

5.16.

Ter zitting is gebleken dat partijen slechts twisten over de waarde van de aandelen. De overige goederen en de schulden zijn volgens partijen tegen de juiste waarde in de verdeling opgenomen. De vrouw heeft wegens de verdeling van de overige goederen en schulden een vordering van € 150.000,- op de man verkregen. Aan haar komt dus, omdat sprake is van een algehele gemeenschap van goederen, naast dit bedrag van € 150.000,- de helft van de waarde van de aandelen toe. Dit betekent dat de vrouw voor meer dan een vierde is benadeeld indien de aandelen in de houdstermaatschappij op de in de overeenkomst overeengekomen waardepeildatum (12 mei 2022) meer dan € 100.000,- waard waren. Bij een waarde van de aandelen van € 100.000,- komt aan de vrouw immers (€ 150.000,- + € 50.000,- = ) € 200.000,- toe, en de vordering die de vrouw wegens haar onderbedeling bij de verdeling heeft verkregen (€ 150.000,-) is 25% minder dan dat bedrag.

5.17.

De vrouw heeft een kopie van het jaarverslag van de houdstermaatschappij over 2022 in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat het eigen vermogen van de houdstermaatschappij eind 2022 € 537.405,- bedroeg. De vrouw heeft ook een kopie in het geding gebracht van het in 3.12 genoemde rapport van G&L. G&L heeft onder meer de jaarrekeningen over 2021 van de houdstermaatschappij en [bedrijf 2] bestudeerd en concludeert onder meer:

“Op basis van de cijfers lijkt er een vrij uitkeerbaar eigen vermogen te zijn van ca. € 400.000, waarvan 50% [bedrijf 1] toekomt.”

De vrouw concludeert op basis van deze gegevens dat de waarde van de aandelen op enkele honderdduizenden euro's bepaald had kunnen worden.

5.18.

Volgens de man kan aan het rapport van G&L geen enkele waarde worden gehecht, onder meer omdat in zijn visie slechts op basis van de discounted cash flow methode tot een juiste waardering gekomen kan worden, en die methode heeft G&L (bij gebrek aan gegevens) niet toegepast. De man heeft echter ter zitting verklaard (en daarmee erkend) dat de aandelen ten tijde van de verdeling ten minste € 300.000,- waard waren. Die waarde is bepaald door de accountant van de onderneming, Visser & Visser, en staat vermeld in een e-mail van de heer Van den Berge van Visser & Visser aan de man van 24 juni 2022. In die e-mail is ook een onderbouwing van die waardering opgenomen.

5.19.

Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de aandelen in de houdstermaatschappij op de waardepeildatum (12 mei 2022) in elk geval meer dan € 100.000,- waard waren. Dat betekent dat de vrouw bij de verdeling van de gemeenschap voor meer dan een vierde is benadeeld. Hierdoor wordt de vrouw ingevolge artikel 3:196 lid 2 BW vermoed te hebben gedwaald omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen.

5.20.

Tegen het wettelijk vermoeden van artikel 3:196 lid 2 BW staat in beginsel tegenbewijs open. De rechtbank heeft echter al vastgesteld dat de vrouw niet op de hoogte was van de werkelijke waarde van de te verdelen gemeenschap, en evenmin wist in welke orde van grootte die waarde lag (zie 5.8). Daarmee staat vast dat de vrouw heeft gedwaald omtrent de waarde van de gemeenschap (Hoge Raad 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697). Aan de levering van tegenbewijs wordt dus niet toegekomen.

Slotsom

5.21.

De slotsom van het voorgaande is dat de vrouw bij de verdeling zoals opgenomen in de overeenkomst heeft gedwaald in de zin van artikel 3:196 lid 1 BW, en dat zij geen afstand heeft gedaan van haar recht op vernietiging van die verdeling. De verdeling is dus vernietigbaar op grond van artikel 3:196 lid 1 BW.

5.22.

De vrouw heeft de gehele overeenkomst bij brief van 19 december 2024 buitengerechtelijk vernietigd, maar ter zitting heeft haar advocaat aangegeven dat slechts is bedoeld de verdeling zoals opgenomen in de overeenkomst te vernietigen. De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat de verdeling zoals opgenomen in de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd. Aan het subsidiair gevorderde wordt dan niet toegekomen.

Ieder van partijen moet de eigen proceskosten dragen

5.23.

De vrouw heeft in haar akte aangegeven dat zij zich niet langer op het standpunt stelt dat de man moet worden veroordeeld in de kosten, maar dat zij uitgaat van de hoofdregel in familierechtelijke kwesties dat beide partijen hun eigen kosten dienen te dragen. Om die reden heeft de vrouw haar vordering tot veroordeling van de man in de proceskosten ingetrokken. Gelet hierop zal de rechtbank de proceskosten van partijen compenseren, zodat ieder de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.24.

De vrouw heeft gevorderd het vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Deze vordering kan niet worden toegewezen omdat slechts een verklaring voor recht met compensatie van kosten zal worden uitgesproken. Een dergelijk vonnis leent zich niet voor tenuitvoerlegging en daarom evenmin voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad

6De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart voor recht dat de verdeling zoals opgenomen in de overeenkomst tussen partijen van 24 november 2022 buitengerechtelijk is vernietigd;

6.2.

compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
3893/2334/3310



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733