Essentie (gemaakt door AI)
Hof stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in zaak over ondertoezichtstelling. Twist: ontvankelijkheid van een (voorwaardelijk) nieuw OTS-verzoek naast een verlengingsverzoek, betekenis van gelijke motivering, en gevolgen van het HR‑arrest ECLI:HR:2021:1113 voor hoger beroep als OTS van rechtswege eindigt. Vragen zien op rechtsbescherming, ontvankelijkheid en mogelijkheid van ‘herleven’ van OTS na gegrond hoger beroep. Verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van HR‑antwoord.| Datum publicatie | 12-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.442_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Formele relaties | Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2025:3328 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW; Familieprocesrecht; Prejudiciële vragen |
| Wetsverwijzingen | Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 392 |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Het hof stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad ex artikel 392 e.v. Rv: Ontvankelijkheid gelijktijdig verzoek om nieuwe ondertoezichtstelling bij verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Ontvankelijkheid beroep bij een reeds van rechtswege geëindigde ondertoezichtstelling in hoger beroep.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 8 januari 2026
Zaaknummer : 200.356.442/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/433530 / JE RK 25-560
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. W.H.F.L. Rademakers,
Deze zaak gaat over:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna samen te noemen: de kinderen.
Als belanghebbende merkt het hof aan:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.C.G.M. van Hoof.
Als informant merkt het hof aan:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: JBB.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
6De beschikking van 20 november 2025
Bij (tussen)beschikking van 20 november 2025 heeft het hof bepaald dat de vader en de moeder zich schriftelijk mogen uitlaten over het voornemen van het hof om ex artikel 392 e.v. Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen rechtsvragen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
7. Het verdere geding in hoger beroep
Het hof heeft na de (tussen)beschikking kennisgenomen van de inhoud van:
-
de brief d.d. 18 december 2025 namens de vader.
-
het V6-formulier met bijlage d.d. 18 december 2025 namens de moeder.
8De verdere beoordeling
De vader heeft toegelicht dat hij zich kan vinden in het voornemen van het hof om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. De vader kan zich in hoge mate vinden in de inhoud van de geformuleerde rechtsvragen, met een kanttekening bij vraag 1. Het hof heeft in de tussenbeschikking van 20 november 2025 overwogen dat hij niet anders kan dan het verzoek van de vader om een nieuwe ondertoezichtstelling tevens op te vatten als een verkapt verlengingsverzoek. Dat impliceert dat er betekening toekomt aan de motivering die de vader aan zijn verzoek om een nieuwe ondertoezichtstelling ten grondslag heeft gelegd. De vader geeft het hof in overweging om het aspect van de motivering in de vraagstelling aan de Hoge Raad tot uitdrukking te laten komen. Daarenboven komt het de vader voor dat er geen beletsel is voor een belanghebbende om de in vraag 1 omschreven verzoeken gelijktijdig te doen. De vraag is echter of een belanghebbende in dat geval ook in het verzoek om een nieuwe ondertoezichtstelling kan worden ontvangen. De vader stelt voor om vraag 1 te herformuleren als volgt: “Kan een belanghebbende worden ontvangen in zijn (al dan niet voorwaardelijk) verzoek op grond van artikel 1:255 BW tot het onder toezicht stellen van een minderjarige die reeds onder toezicht is gesteld indien die belanghebbende dat (voorwaardelijk) verzoek gelijktijdig doet met zijn verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van die minderjarige op grond van artikel 1:260 BW en is voor de beantwoording van die vraag van betekenis of die belanghebbende dezelfde motivering aan beide verzoeken ten grondslag heeft gelegd?”
De moeder heeft laten weten dat zij zich refereert aan het oordeel van het hof in de (tussen)beschikking van 20 november 2025, zowel ter zake het voornemen om prejudiciële vragen te stellen als ter zake de inhoud van de te stellen rechtsvragen.
Het hof overweegt als volgt.
Onder verwijzing naar de (tussen)beschikking van 20 november 2025, en gelet op voorgaande reacties van de vader en de moeder, zal het hof op de voet van artikel 392 e.v. Rv de Hoge Raad de hierna beschreven prejudiciële vragen stellen.
1. Kan een belanghebbende worden ontvangen in een (al dan niet voorwaardelijk) verzoek tot het onder toezicht stellen van een minderjarige (op grond van artikel 1:255 BW) die reeds onder toezicht is gesteld, indien dit verzoek gelijktijdig wordt gedaan met het verzoek tot verlenging van de reeds lopende ondertoezichtstelling (op grond van artikel 1:260 BW) , en is het voor de beantwoording van die vraag van belang of aan beide verzoeken dezelfde motivering ten grondslag wordt gelegd?
2. Is de gevolgtrekking die in de meeste beschikkingen van de hoven gegeven wordt aan voornoemd arrest van de Hoge Raad (ECLI:HR:2021:1113), te weten dat ook in hoger beroep een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd niet meer kan worden verlengd, de juiste, hierbij in aanmerking genomen dat in de situatie die heeft geleid tot voornoemd arrest van de Hoge Raad een situatie in eerste aanleg betrof?
3. Is een belanghebbende ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van de kinderrechter op het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling, nadat ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd na de beslissing van de kinderrechter, maar voor de beslissing van het gerechtshof?
4. Is het in dat verband van belang of een belanghebbende hoger beroep instelt terwijl op dat moment de ondertoezichtstelling nog niet, maar gedurende de procedure in hoger beroep (vóór de beschikking van het hof) van rechtswege is geëindigd?
5. Bestaat er een verschil in rechtsbescherming voor belanghebbenden in het geval een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling (gedeeltelijk) is afgewezen of in het geval een verzoek tot een eerste ondertoezichtstelling gedeeltelijk is afgewezen?
6. Kan een ondertoezichtstelling, die van rechtswege is geëindigd met terugwerkende kracht alsnog ‘herleven’ bij een gegrond hoger beroep tegen de afwijzing van een deel daarvan in eerste aanleg? Maakt het hierbij uit of het in eerste aanleg hierbij ging om een eerste ondertoezichtstelling of een verlenging van een ondertoezichtstelling?
Het hof zal de griffier verzoeken onverwijld een afschrift van de in dezen gegeven beschikkingen aan de Hoge Raad te zenden.
Gelet op het voorgaande zal iedere verdere beslissing worden aangehouden tot 6 juli 2026 pro forma, in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad.
Nadat de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen, zal het hof de vader en de moeder een termijn van drie weken geven om schriftelijk te reageren op de beslissing van de Hoge Raad, waarna het hof zal beslissen over de voortgang van de procedure.
9De beslissing
Het hof:
verzoekt de Hoge Raad om bij wijze van prejudiciële beslissing de hiervoor onder rechtsoverweging 8.3.1. geformuleerde rechtsvragen te beantwoorden;
bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van deze beschikking, alsmede van de (tussen)beschikking d.d. 20 november 2025 zendt aan de Hoge Raad;
houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 6 juli 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, E.M.D.M. van der Linden en G.M. Goes en is op 8 januari 2026 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
