Rechtbank Den Haag 02-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26380

Essentie (gemaakt door AI)

Zowel vrouw als man dienen zich stipt dienen te houden aan zorgregeling zoals nader ingevuld in vonnis. Opmerking over autostoeltje blijft buiten dictum, wegens gebrek aan reconventionele vordering terzake. Vader moet autostoeltje aanschaffen voordat hij kind (2022) weer met auto ophaalt. Moeder mag kind niet zonder dit stoeltje meegeven als vader het kind per auto wil vervoeren. Geen dwangsom wegens risico op escalatie en beperkte draagkracht moeder.

Datum publicatie12-01-2026
ZaaknummerC/09/692807 / KG ZA 25-997
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Zorgregeling / omgang / informatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

voorziening mbt voorlopige zorgregeling

Volledige uitspraak


Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/692807 / KG ZA 25-997

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 2 december 2025

in de zaak van

[de man] te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. J.M.C. Wittens te Den Haag,

tegen:

[de vrouw] te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi, griffier.

Tevens zijn aanwezig:

  • de man, vergezeld van mr. F.G.T. Meershoek, waarnemend kantoorgenoot van zijn advocaat;

  • de vrouw, vergezeld van mr. J.G. Schnoor;

  • [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1De gronden van de beslissing

1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:

  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1], hierna: [minderjarige 1];

  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2], hierna: [minderjarige 2].

1.2.

Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

1.3.

Bij tussenbeschikking van 28 augustus 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:

  • bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig elke week op een weekenddag bij de man zullen zijn van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de man ze bij de vrouw ophaalt en ook weer terugbrengt;

  • de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen.

1.4.

De man vordert in deze procedure, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • de vrouw te veroordelen tot nakoming van de voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen, zoals neergelegd in de tussenbeschikking van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2025;

  • aan het gevorderde onder I. een dwangsom te verbinden van € 500,- voor elke dag dat de vrouw het te wijzen vonnis niet nakomt, met een maximum van € 25.000,-.

1.5.

De vrouw voert verweer tegen het gevorderde.

1.6.

Het gevorderde komt gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.

1.7.

Niet in geschil is dat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord. Partijen blijken niet in staat om goed te overleggen over de kinderen. Dat heeft erin geresulteerd dat de voorlopige zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 28 augustus 2025 wisselend is uitgevoerd en de man de kinderen niet structureel heeft gezien. Vaststaat dat partijen over en weer geregeld afwijkende afspraken over de (uitvoering van de) zorgregeling hebben gemaakt. Dat laat echter onverlet dat zowel de kinderen als de ouders belang hebben bij een vast contact tussen de man en de kinderen, waarbij onduidelijkheid zoveel mogelijk moet worden voorkomen.

1.8.

In afwachting van het raadsonderzoek in de bodemprocedure en nu partijen in onderling overleg niet tot goede andersluidende afspraken zijn gekomen, is in dit kort geding uitgangspunt dat de voorlopige regeling zoals vastgelegd in de beschikking van 28 augustus 2025 moet worden nagekomen. Op de zitting is gebleken dat de man op zaterdagen werkt en alleen op zondag vrij is. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de kinderen voorlopig iedere zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man zullen zijn, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en ze ook weer terugbrengt, nu de voorzieningenrechter deze regeling momenteel het meest in het belang van de kinderen acht. De vrouw heeft zich hier ook niet tegen verzet.

1.9.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de vordering van de man tot nakoming van de voorlopige zorgregeling zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal in het dictum voor beide partijen de verplichting tot correcte nakoming van deze zorgregeling opnemen. Dit betekent dat zowel de vrouw als de man zich stipt dienen te houden aan de zorgregeling zoals nader ingevuld in dit vonnis. Het is immers van groot belang dat zowel partijen als de kinderen daarop in de praktijk kunnen vertrouwen. De voorzieningenrechter gaat er verder van uit dat beide partijen ervoor zullen zorgen dat de omgang tussen de man en de kinderen goed verloopt. Daarbij is uitgangspunt dat de man persoonlijk aanwezig is tijdens de omgangsmomenten en dat hij de kinderen niet bij derden achterlaat. Verder gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan deze zorgregeling in de bodemprocedure zal worden geëvalueerd.

1.10.

De voorzieningenrechter merkt tot slot nog het volgende op. Gebleken is dat de man [minderjarige 2] tot op heden zonder autostoeltje in zijn auto heeft vervoerd. De vrouw heeft daar terecht bezwaar tegen. Op de mondelinge behandeling is dan ook besproken dat de man gehouden is om een autostoeltje voor [minderjarige 2] aan te schaffen voorafgaand aan het eerstvolgende omgangsmoment, bij gebreke waarvan de vrouw [minderjarige 2] niet aan de man mag meegeven als hij [minderjarige 2] met de auto wil gaan vervoeren. Dit oordeel leent zich niet voor opname in het dictum, nu de vrouw ter zake geen reconventionele eis heeft ingesteld, maar de voorzieningenrechter gaat er wel van uit dat de man deze wettelijke verplichting zal nakomen.

1.11.

De voorzieningenrechter ziet onder de gegeven omstandigheden geen reden om aan de nakoming van de aan partijen opgelegde verplichtingen een dwangsom te verbinden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het opleggen van een dwangsom de relatie tussen partijen verder op scherp zet. Dit is niet in het belang van de kinderen. Daarbij komt dat is gebleken dat de vrouw financieel feitelijk niet in staat zou zijn om een dwangsom te voldoen, zodat een dwangsom niet het beoogde effect zou kunnen hebben.

1.12.

Nu partijen ex-partners zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2De beslissing

De voorzieningenrechter:

2.1.

bepaalt dat de kinderen voorlopig iedere zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man zijn, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en ze ook weer terugbrengt;

2.2.

veroordeelt partijen tot stipte nakoming van deze voorlopige zorgregeling;

2.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

2.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

2.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

WAARVAN PROCES-VERBAAL,

…………………………………. …………………………………

mr. E.X.R. Yi mr. S.J. Hoekstra-van Vliet



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733