Rechtbank Den Haag 25-11-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25233

Essentie (gemaakt door AI)

Wijzigingsverzoek voorlopige voorzieningen waarin de man verlaging kinderalimentatie en vaststelling voorlopige partneralimentatie vraagt. Toets aan art. 824 lid 2 Rv: strenge maatstaf. Vaststaat dat eerdere alimentatie zonder draagkrachtvergelijking en zorgkorting is bepaald; tevens gewijzigde financiële situatie door uitdiensttreding. Rechtbank rekent behoefte €1.410 p/m, draagkracht man €733 en vrouw €1.668; met 15% zorgkorting stelt zij kinderalimentatie vast op €282 p/m vanaf beschikking. Verzoek voorlopige partner­

Datum publicatie08-01-2026
ZaaknummerC/09/692486 / FA RK 25-7449
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging voorlopige voorzieningen kinderalimenatie. Afwijzing verzoek vaststelling partneralimentatie, vanwege manier waarop partijen tijdens huwelijk kosten deelden. Geen aanleiding voor toepassing hofnorm.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-7449

Zaaknummer: C/09/692486

Datum beschikking: 25 november 2025

(Wijziging) voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 2 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F.D. van Damme in Beverwijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.J. de Jongh-Moolenaar in Sassenheim.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de man;

  • het bericht van 31 oktober 2025, met bijlagen, namens de man;

  • het bericht van 3 november 2025, met bijlagen, namens de man;

  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de vrouw;

  • het bericht van 7 november 2025, met bijlage, namens de man;

  • het aanvullend verweerschrift namens de vrouw.

Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat.

Verzoek en verweer

Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2025 is – voor zover hier aan de orde – met uitvoerbaarverklaring bij voorraad bepaald dat:

  • de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats], [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

  • de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

  • de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige bij zich te hebben:

  • in de ene week van zaterdag 18.00 uur tot maandag 17.00 uur en in de andere week op maandag van 8.00 uur tot 17.00 uur;

  • gedurende vakanties en feestdagen conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken gemaakt worden, met uitzondering van de kerstdagen 2025, waarbij [minderjarige] op tweede kerstdag bij de man zal zijn;

  • op verjaardagen van de vader, opa en oma van vaderszijde en Vaderdag, in onderling overleg te bepalen;

  • de man aan de vrouw met ingang vandaag voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige](bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 678,60 per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De man verzoekt voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank nu:

  • een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 54,- per maand vaststelt, met ingang van 9 juli 2025, althans een lagere kinderalimentatie vast te stellen met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;

  • een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van € 997,- per maand vaststelt, met ingang van 16 september 2025, althans een zodanige voorlopige partneralimentatie en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man steunt zijn verzoek op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd en dat de rechtbank bij het geven van de beslissing is uitgegaan van onjuiste gegevens.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Wijziging voorlopige kinderalimentatie

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken als de omstandigheden na het geven van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of als bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven.

Voorlopige voorzieningen betreffen naar hun aard ordemaatregelen met een voorlopig karakter, bestemd om tijdens de duur van de echtscheidingsprocedure te voorzien in een oplossing voor moeilijkheden die rijzen doordat de echtscheidingsprocedure aanhangig is of zal worden gemaakt.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij wijziging van een voorlopige voorziening moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid, mede ter voorkoming van een verkapt hoger beroep, aan een streng criterium heeft willen binden. De wetgever heeft met het opnemen van de zinsneden “in zodanige mate” en “alle betrokken belangen in aanmerking genomen” tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging in omstandigheden en niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan, tot een wijziging of

intrekking kan leiden. Er gelden daarom strenge eisen ten aanzien van de stelplicht van de partij die om wijziging verzoekt.

De rechtbank zal hierna, aan de hand van deze strenge maatstaf, beoordelen of het door de man gestelde ertoe leidt dat de bij beschikking van 9 juli 2025 vastgestelde voorlopige voorzieningen, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, niet in stand kunnen blijven.

Volgens de man moet de voorlopige kinderalimentatie worden gewijzigd, omdat er in de beschikking van 9 juli 2025 ten onrechte geen rekening is gehouden met een zorgkorting en er geen draagkrachtvergelijking is gemaakt, waardoor er een grove wanverhouding is tussen het vastgestelde bedrag en een correcte voorlopige kinderalimentatie. Verder is sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat de man per 1 september 2025 uit dienst is getreden.

De vrouw voert daartegen aan dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv, omdat de rechtbank bij haar beschikking niet van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De voorlopige kinderalimentatie is door de vrouw berekend aan de hand van dezelfde inkomens van partijen die de man nu aan zijn verzoek ten grondslag legt. De man werd tijdens de vorige voorlopige voorzieningenprocedure ook bijgestaan door een advocaat. De omstandigheid dat de man nu geen werk meer heeft, is geen relevante omstandigheid, omdat dit verwijtbaar en vermijdbaar was.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de eerder door de vrouw verzochte en in de beschikking van 9 juli 2025 toegewezen voorlopige kinderalimentatie van € 678,60 beduidend hoger is dan het bedrag dat zou zijn vastgesteld wanneer een draagkrachtvergelijking tussen de ouders was gemaakt en ook rekening zou zijn gehouden met een zorgkorting. Op zichzelf is dit onvoldoende reden om de voorlopige kinderalimentatie te wijzigen. Omdat echter ook vaststaat dat de man per 1 september 2025 uit dienst is getreden en zijn financiële situatie om die reden is gewijzigd, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek en inhoudelijk beoordelen of sprake is van een situatie dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. Daartoe zal de rechtbank alsnog zelf een voorlopige kinderalimentatie berekenen waarbij ook een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt en een zorgkorting wordt toegepast.

Inhoudelijke beoordeling

Behoefte

Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de kosten van [minderjarige] begroot kunnen worden op een bedrag van € 990,- per maand (het maximale bedrag zoals dat volgt uit de behoeftetabel in het Tremarapport Alimentatienormen) te verhogen met een bedrag van € 420,- per maand (oppaskosten). De rechtbank zal daarom, in navolging van partijen, uitgaan van een behoefte van € 1.410,- per maand.

Draagkracht van de ouders

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze kosten door de ouders moeten worden gedragen. Daarvoor is eerst nodig dat de draagkracht van partijen wordt berekend. Dit doet de rechtbank aan de hand van ieders Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) in 2025. Vervolgens dient het bedrag aan draagkracht volgens de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen in 2025 berekend te worden aan de hand van de formule

70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.310)].

Draagkracht man

Partijen zijn het erover eens dat de uitdiensttreding per 1 september 2025 bij de berekening van de draagkracht van man buiten beschouwing moet blijven, omdat het inkomensverlies dat de man daardoor heeft, verwijtbaar en vermijdbaar was.

Voor de draagkracht van de man gaat de rechtbank daarom uit van de jaaropgave 2024 van de man. Hieruit volgt een inkomen van € 55.335 bruto per jaar (€ 66.283,- loon te verminderen met de bijtelling voor de leaseauto van € 12.948,-). Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een eigen woningforfait met een aandeel van 50% op basis van een WOZ waarde van € 570.000,- en een hypotheekrente van € 3.538,- per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de gegevens zoals door beide partijen in hun berekening opgenomen.

Dat leidt, rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, tot een NBI van € 3.367,- per maand en een draagkracht voor kinderalimentatie van € 733,- per maand.

Draagkracht vrouw

Voor de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank eveneens uit van de jaaropgave 2024 van de vrouw. Hieruit volgt een inkomen van € 92.013,- bruto per jaar. Ook aan de zijde van de vrouw houdt de rechtbank rekening met een eigen woningforfait met een aandeel van 50% op basis van een WOZ waarde van € 570.000,- en een hypotheekrente van € 3.538,- per maand.

Dat leidt, rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en kindgebonden budget tot een NBI van € 5.275,- per maand en een draagkracht voor kinderalimentatie van € 1.668,- per maand.

Verdeling van de kosten

De man heeft een draagkracht van € 733,- per maand en de vrouw heeft een draagkracht van € 1.668,- per maand. De ouders hebben samen dus een draagkracht van € 2.401,- per maand. Dat is voldoende om te voorzien in de behoefte van [minderjarige] van € 1.410,-.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 733 / 2.401 x 1.410 = € 430,-

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.668 /2.401 x 1.410 = € 980,-

samen € 1.410,-.

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 430,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 980,- per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op de voorlopige zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2025 en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, acht de rechtbank een zorgkorting van 15% redelijk. Dat komt hier neer op € 148,- per maand (15% van de tabelbehoefte van € 990,-).

De zorgkorting komt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man.

Conclusie

De rechtbank berekent de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie aldus op een bedrag van € 282,- (430 minus 148) per maand. Gelet op het grote verschil met het eerder door de vrouw berekende en toegewezen bedrag van € 678,60 en het nu berekende bedrag is de rechtbank van oordeel dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening van 9 juli 2025 niet langer in stand kan blijven.

De rechtbank zal de voorlopige kinderalimentatie wijzigen met ingang van de datum van deze beschikking, dat is 25 november 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de man verzocht, de voorlopige kinderalimentatie met terugwerkende kracht te wijzigen, omdat geen sprake is van de situatie dat de eerder vastgestelde kinderalimentatie gebaseerd is geweest op onvolledige of onjuiste gegevens.

Aanhechten berekening

De rechtbank hecht de door haar gemaakte berekening van de kinderalimentatie aan deze beschikking.

Voorlopige partneralimentatie

De man verzoekt in deze procedure ook (voor het eerst) om een vaststelling van een voorlopige partneralimentatie.

De rechtbank stelt voorop dat ook een vaststelling van voorlopige partneralimentatie het karakter heeft van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een eventuele bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarbij is het uitgangspunt dat een summier onderzoek wordt gedaan en zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de actuele situatie, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Allereerst moet worden beoordeeld of de man behoefte heeft aan een bijdrage van de vrouw in zijn levensonderhoud.

De behoefte van de man is tussen partijen in geschil. De man heeft zijn behoefte berekend met behulp van de Hofnorm. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de Hofnorm hier moet worden toegepast.

De rechtbank overweegt als volgt. Aan de hand van de Hofnorm wordt de huwelijksgerelateerde behoefte van een onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De Hofnorm biedt veelal een bruikbare vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte vaststellen, maar in dit geval is dat naar het oordeel van de rechtbank niet zo. Op de zitting is gebleken dat partijen tijdens het huwelijk alle kosten bij helfte deelden. Beide partijen hadden een inkomen uit arbeid. Maandelijks maakte ieder van hen een bedrag van € 1.500,- over op een gezamenlijk bankrekening, waarvan partijen de vaste lasten betaalden. De vrouw heeft gesteld dat ook de overige extra uitgaven steeds werden gedeeld. De man heeft dit niet of onvoldoende weersproken en dit strookt ook met de wijze waarop in eerste instantie de kosten van [minderjarige] door de vrouw waren berekend en verdeeld. De rechtbank acht deze afspraken over een gelijke verdeling van kosten tijdens de samenleving van partijen, gelet op de korte duur van het huwelijk en het inkomen van beide partijen, ook niet onbegrijpelijk. De rechtbank ziet daarom in dit geval geen aanleiding om met behulp van de Hofnorm de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen op een bedrag dat hoger is dan het eigen netto besteedbaar inkomen van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen. Tijdens het huwelijk heeft de man namelijk ook niet geprofiteerd van het (hogere) inkomen van de vrouw.

De man heeft tijdens het huwelijk in zijn eigen levensonderhoud voorzien en hij kan geacht worden dat ook nu nog te kunnen doen. De omstandigheid dat de man met ingang van

1 september 2025 (op zijn initiatief) uit dienst is getreden, moet voor zijn rekening en risico blijven.

De rechtbank ziet geen reden om een voorlopige partneralimentatie vast te stellen en zal het verzoek van de man hiertoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank – in zoverre met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2025 –:

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 25 november 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] van € 282,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, ook kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 november 2025.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733