Essentie (gemaakt door AI)
Man verzoekt nihilstelling partneralimentatie. Vaststaat dat sinds vaststelling nieuwe woonlasten man, hogere arbeid vrouw en uithuisplaatsing van de minderjarige zijn ingetreden. Rechtbank oordeelt dat art. 1:157 lid 4 BW niet langer van toepassing is wegens ontbreken hoofdzorg bij vrouw; duur wordt bepaald naar de hoofdregel, waarbij de maximale termijn is verstreken. Vastgesteld wordt dat aanspraak vrouw eindigt per datum verzoekschrift; man nog verschuldigd € 715,75 plus wettelijke rente tot die datum. Overige (lagel| Datum publicatie | 07-01-2026 |
| Zaaknummer | 450322 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Nihilstelling; Rechtswege: einde alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 1:157 lid 4 BW. Termijn partneralimentatie geëindigd, want geen zorg meer voor minderjarige in verband met uithuisplaatsing.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/450322 / FA RK 25-1307
Datum uitspraak: 22 december 2025
Beschikking partneralimentatie
in de zaak van
[naam man] ,
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.T. Bakker uit Driebergen-Rijsenburg,
en
[naam vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.M. Suurmeijer uit Utrecht.
1Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ontvangen op 14 april 2025;
-
het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ontvangen op 10 juni 2025;
-
aanvullende producties van de man, ontvangen op 19, 20 en 21 november 2025;
-
een aanvullend verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ontvangen op 21 november 2025;
-
aanvullende producties van de vrouw, ontvangen op 24 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
-
de man met zijn advocaat;
-
de vrouw met haar advocaat en een tolk.
2Wat vaststaat
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de vrouw.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 augustus 2021 beslist dat de man vanaf 1 september 2021 een bedrag van € 181,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Na indexatie per 1 januari 2025 is dit een bedrag van € 215,69 per maand. Het door partijen opgestelde echtscheidingsconvenant is onderdeel geworden van de echtscheidingsbeschikking en de rechtbank heeft een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vastgelegd. Hieruit volgt dat de man daarnaast vanaf 1 september 2021 (maar niet eerder dan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) een bedrag van € 1.287,- per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen. Na indexatie per 1 januari 2025 is dit een bedrag van € 1.533,72 per maand.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 september 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 26 april 2026.
3Het verzoek
De man verzoekt de rechtbank de echtscheidingsbeschikking van 5 augustus 2021 te wijzigen, in die zin dat de bijdrage die de man levert in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (partneralimentatie) op nihil wordt gesteld met ingang van de dag van het indienen van het verzoekschrift.. Kosten rechtens.
4Het verweer
De vrouw voert verweer.
1 Zij meent dat het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie moet worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de vrouw de rechtbank als zij de partneralimentatie op nihil zou stellen te bepalen dat dit zal ingaan op de datum van de dagtekening van deze beschikking.
Bovendien verzoekt zij de rechtbank bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
- de partneralimentatie wordt vastgesteld op € 399,- per maand en hierbij te bepalen:
o primair, dat die verplichting zal ingaan vanaf de datum van de dagtekening van deze beschikking;
o subsidiair, dat die verplichting ingaat op de datum van het verzoekschrift;
- de man wordt veroordeeld tot nabetaling aan de vrouw van de achterstallige partneralimentatie over 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van elke termijn tot de dag van volledige betaling.
5De beoordeling
Wijzigen partneralimentatie
Toepasselijk kader
Artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft voor dat een alimentatieverplichting, die eerder is vastgesteld of overeengekomen, kan worden gewijzigd of ingetrokken als de omstandigheden sindsdien zodanig zijn veranderd dat deze niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Gewijzigde omstandigheden
De man stelt terecht dat de alimentatieverplichting moet worden aangepast omdat er destijds geen rekening is gehouden met zijn huidige woonlasten. De rechtbank stelt vast dat in het echtscheidingsconvenant
2 staat dat er geen rekening is gehouden met de woonlasten van de man. In de berekening, in post 123, staat dat de woonlasten voor de partneralimentatie op 0 zijn gezet. De rechtbank concludeert dat uit die opmerking blijkt dat het destijds een bewuste keuze van partijen is geweest om de woonlasten van de man niet mee te nemen in de berekening. Dat is op zichzelf logisch omdat de man destijds geen woonlasten had. Dit betekent echter niet dat partijen daarmee ook beoogden dat, als de man later woonlasten zou krijgen, dit niet zou kunnen leiden tot het wijzigen van de alimentatieverplichting. De rechtbank oordeelt daarom dat het feit dat de man inmiddels wel woonlasten heeft op zichzelf een gewijzigde omstandigheid is als bedoeld in artikel 1:401 BW, die maakt dat de eerder vastgestelde alimentatieverplichting moet worden gewijzigd.
Het feit dat de vrouw (meer) is gaan werken, wat blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgaaf en loonstroken is eveneens een gewijzigde omstandigheid die van invloed is op de hoogte van de partneralimentatie. Net als het feit dat [de minderjarige] uit huis is geplaatst. Dit maakt dat de rechtbank zal nagaan of de vastgestelde alimentatieverplichting nog voldoet aan de wettelijke maatstaven en of dit aanleiding geeft om de alimentatieverplichting te wijzigen of in te trekken.
Eindigen van de alimentatieverplichting
Toepasselijk kader
Uit artikel 1:156 lid 1 BW volgt dat de rechter aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten voor zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen.
Uit artikel 1:157 lid 1 BW volgt dat als de rechtbank geen termijn heeft bepaald, de alimentatieverplichting eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar. Uit het vierde lid van dit artikel volgt dat de alimentatieverplichting pas eindigt nadat de kinderen van partijen de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft in zijn verzoekschrift zeer uitvoerig gemotiveerd dat en waarom hij van mening is dat de vrouw niet langer recht heeft op partneralimentatie omdat haar niet langer een beroep zou toekomen op artikel 1:157 lid 4 BW. De rechtbank vat het verzoek van de man daarom op als een verzoek tot nihilstelling van de alimentatieverplichting, danwel een verzoek tot vaststelling van het feit dat de vrouw geen recht meer heeft op partneralimentatie en de man dus ook geen partneralimentatie meer verschuldigd is. Nu de rechtbank pas toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot nihilstelling nadat zij heeft vastgesteld dat de man partneralimentatie verschuldigd is, beoordeelt zij eerst of de vrouw, nu de omstandigheden zijn gewijzigd, nog steeds recht heeft op partneralimentatie.
De rechtbank stelt voorop dat uit het echtscheidingsconvenant
3 volgt dat partijen ervan uit zijn gegaan dat de man op grond van artikel 1:157 lid 4 BW gehouden is de vrouw partneralimentatie te betalen totdat [de minderjarige] 12 jaar is. De man stelt dat dat uitgangspunt onjuist is en wijst in dat kader op de wetsgeschiedenis
4 van artikel 1:157 lid 4 BW. Hieruit blijkt dat dit artikellid geldt voor de situatie dat de alimentatiegerechtigde de zorg heeft voor jonge kinderen van de echtgenoten en die zorg eraan in de weg te staat om het vermogen om met arbeid inkomen te verwerven volledig te benutten. Dat is het geval als die zorg hoofdzakelijk bij de alimentatiegerechtigde berust. Dat is hier anders. Er is niet alleen sprake van co-ouderschap, waarbij de zorg gelijkelijk is verdeeld tussen de ouders, ook is [de minderjarige] uit huis geplaatst. De vrouw neemt daardoor slechts beperkte zorgtaken voor haar rekening. Het ligt, gezien de recente verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en het door partijen ter zitting benoemde perspectiefonderzoek, niet in de lijn der verwachting dat dit op korte termijn zal veranderen. Dat de vrouw stelt dat het, gezien de problematiek van [de minderjarige] , niet in haar belang is om haar naar de opvang te brengen is daarom (nu) niet relevant. Dat de vrouw afspraken heeft met hulpverleners is in dit kader evenmin relevant, nu het nakomen van die afspraken niet hetzelfde is als het bieden van de dagelijkse zorg. De zorgtaken van de vrouw gaan niet ten koste van haar mogelijkheden om zelf in haar behoefte te voorzien. De vrouw mag dan ook in staat worden geacht te kunnen werken aan herstel van het inkomensverlies zodat zij in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien. Dat betekent de rechtbank vaststelt dat artikel 1:157 lid 4 BW niet (langer) van toepassing is en de duur van de alimentatieverplichting moet worden bepaald aan de hand van de hoofdregel van art.1:157 lid 1 BW. Hieruit volgt dat de vrouw geen recht (meer) heeft op partneralimentatie omdat de maximale termijn gelijk aan de helft van de duur van het huwelijk is inmiddels verstreken.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw niet langer recht heeft op partneralimentatie, komt zij niet meer toe aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek tot nihilstelling.
Ingangsdatum
De wet
5 laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben. Vanwege die gevolgen past de rechtbank dit uitgangspunt naar analogie toe bij het bepalen van het moment dat de alimentatieverplichting eindigt.
De rechtbank bepaalt dat de datum van het indienen van het verzoekschrift, dat wil zeggen 14 april 2025, geldt als datum waarop de alimentatieverplichting is geëindigd. De vrouw had vanaf het moment dat [de minderjarige] uit huis is geplaatst nog maar zeer beperkte zorgtaken. Er was vanaf dat moment geen belemmering meer om meer te gaan werken om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Vanaf het moment dat het verzoekschrift van de man was ingediend kon en moest zij er dan ook daadwerkelijk rekening mee houden dat de alimentatieverplichting zou eindigen.
Nu de rechtbank vaststelt dat de alimentatieverplichting met ingang van de datum van het indienen van het verzoek, dat wil zeggen per 14 april 2025 is geëindigd, had de man tot die datum een alimentatieverplichting.
De rechtbank berekent dit bedrag op [(€ 1.533,72/30) * 14 =] € 715,75. Over dit bedrag is de man wettelijke rente verschuldigd vanaf de vervaldatum tot aan de dag van voldoening. Omdat de vrouw voor de inning van partneralimentatie al een titel (namelijk de eerdere beschikking) heeft, zal de rechtbank alleen een ‘verstaansbeslissing’ in het dictum opnemen.
Overig
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.
Proceskostenveroordelin g
Het verzoek ‘kosten rechtens’ vat de rechtbank op als een verzoek om een beslissing te nemen over de verdeling van de proceskosten. De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen zijn elkaars ex-partners en moeten daarom ieder de eigen proceskosten betalen.
6De beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat de aanspraak van de vrouw op partneralimentatie vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, dat wil zeggen vanaf 14 april 2025, is geëindigd en bepaalt dat de man daarom vanaf die datum geen partneralimentatie meer verschuldigd is;
verstaat dat de man nog een bedrag van € 715,75 aan alimentatie aan de vrouw verschuldigd is, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vervaldatum van die verplichting tot aan de dag van algehele voldoening;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken voor het overige af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. K. van der Lee, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van R. van den Berg, griffier, op 22 december 2025. |
||
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
De vrouw heeft in een aanvullend verweerschrift het petitum gewijzigd. De rechtbank is daarom uitgegaan van dit gewijzigde petitum.
Paragraaf 2.3.
Paragraaf 2.5.
De man wijst in dit kader op kamerstukken II 2014/15, 3 4231, 3, p. 22.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
