Rechtbank Den Haag 26-09-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25102

Essentie (gemaakt door AI)

Uitleg inkomstenbegrip huwelijkse voorwaarden. Letterlijke tekst huwelijkse voorwaarden duidt er op dat met ‘inkomsten uit arbeid’ in art. 4 enkel wordt gedoeld op inkomen uit loondienst zoals dat is opgenomen in Wet IB 1964 en niet op winst uit aanmerkelijk belang en/of winst die valt onder vennootschapsbelasting, temeer ook omdat partijen in art. 3 rondom voldoening kosten huishouding wel (ruimer) begrip ‘inkomen’ hebben gehanteerd en aldaar niet enge begrip ‘inkomsten uit arbeid’ hebben benoemd.

Datum publicatie07-01-2026
ZaaknummerC/09/673763 / FA RK 24-7255
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Afd. 8.2 Verrekenbedingen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Uitsluiting elke gemeenschap van goederen, behoudens een gemeenschap van inboedel. Niet nagekomen periodiek verrekenbeding ex artikel 1:141 lid 3 BW. Verdeling eenvoudige en beperkte gemeenschappen. Gebruiksvergoeding en partneralimentatie. De aandelen in de B.V. van de man behoren naar het oordeel van de rechtbank niet tot het te verrekenen vermogen. Dividenduitkeringen vanuit de B.V. behoren eveneens niet tot de te verrekenen "inkomsten uit arbeid" op grond van de huwelijkse voorwaarden: "De rechtbank concludeert dan ook dat onder “inkomsten uit arbeid” dient te worden verstaan inkomen uit loondienst en (in ieder geval) geen dividenduitkeringen. De (letterlijke) tekst van de huwelijkse voorwaarden duidt er dan ook op dat met ‘inkomsten uit arbeid’ in artikel 4 enkel wordt gedoeld op het inkomen uit loondienst zoals dat is opgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en niet op winst uit aanmerkelijk belang en/of winst die valt onder de vennootschapsbelasting, temeer ook omdat partijen in artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden rondom de voldoening van de kosten van de huishouding wel een (ruimer) begrip ‘inkomen’ hebben gehanteerd en aldaar niet het enge begrip ‘inkomsten uit arbeid’ hebben benoemd. Deze uitleg sluit ook het meeste aan bij de feitelijke situatie bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en de zin die partijen in die omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het inkomstenbegrip mochten toekennen en naar wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten."

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 24-7255 (echtscheiding) en FA RK 25-1246 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/673763 (echtscheiding) en C/09/680504 (verdeling)

Datum beschikking: 26 september 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 10 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.C. Braun te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P. Vellekoop te Honselerdijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • het F9-formulier van 21 oktober 2024 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het F9-formulier van 6 juni 2025 van de vrouw, met bijlagen;

- het F9-formulier van 1 juli 2025 van de man, met bijlagen;

- het F9-formulier van 11 juli 2025 van de vrouw, met bijlagen;

- het F9-formulier van 11 juli 2025 van de man, met bijlage.

Op 22 juli 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum 1] 1989 te [plaats 1].

- Zij zijn de ouders van de volgende meerderjarige kinderen:

- [naam 1], geboren op [geboortedatum 1] 1995 te [geboorteplaats], overleden op
[datum 2] 1996.

- [naam 2], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats],

- [naam 3], geboren op [geboortedatum 3] 2000 te [geboorteplaats].

- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende dat zij elke gemeenschap van goederen uitsluiten met een periodiek verrekenbeding.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

Uitsluitend gebruik echtelijke woning (voortgezet gebruik)

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] in ([postcode 1]) te [plaats 1], met inboedel en dat de man deze woning niet mag betreden gedurende zes maanden na (de inschrijving van) de echtscheiding;

Gebruiksvergoeding versus partneralimentatie (voorwaardelijk)

- voor het geval de rechtbank een gebruiksvergoeding ten laste van de vrouw vaststelt, over dezelfde periode een (voorlopige) partneralimentatie ten laste van de man vast te stellen, gelijk aan het bruto equivalent van de gebruiksvergoeding, die de vrouw aan de man dient te betalen;

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

- de man te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van de beschikking ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan haar uit te betalen de somma van € 3.114.810,- + p.m., ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, bestaande uit het aandeel van de vrouw in de 90% aandelen van de man in de [bedrijfsnaam] B.V. (na aftrek AB-claim) van € 2.856.105,- en het netto-aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de verkoop van de 10% aandelen aan de kinderen van € 258.705,- te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de vrouw verschuldigde bedrag van € 3.114.810,- + p.m. tot aan de dag waarop betaling geheel heeft plaatsgevonden;

- te bepalen dat de rekening-courantschuld van de man aan [bedrijfsnaam] B.V. volledig door de man dient te worden gedragen, dat hij deze als eigen schuld dient te voldoen en de vrouw hiervoor dient te vrijwaren;

Verdeling eenvoudige gemeenschappen

- de echtelijke woning aan de [adres 1] in ([postcode 1]) [plaats 1] toe te delen aan de vrouw primair voor € 1,5 miljoen, subsidiair voor de taxeren waarde en daarbij te bepalen deze woning voor 61,3% is gefinancierd door de vrouw;

- te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft volgens de beleggingsleer in verband met de door haar privégelden (sinds 2012) gedane aflossingen op de hypothecaire geldlening van de echtelijke woning, te weten:

- € 71.900,- in 2012;

- € 28.100,- in 2013;

- € 100.000,- in 2014;

- € 50.000,- in 2018;

- € 50.000,- in 2019,

en dat voor de berekening van deze vergoedingsrechten uit zal worden gegaan van de WOZ-waardes van de woning in het jaar waarop de betreffende financiering plaatsvond, afgezet tegen de waarde waarvoor de woning aan de wordt toegedeeld;

- voor het geval de rechtbank de echtelijke woning toedeelt aan de man, deze toedeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en daarbij te bepalen dat de man de vrouw bij notariële levering van de woning aan hem een overbedelingsvordering dient te voldoen, waarbij de vergoedingsrechten van de vrouw worden verdisconteerd, alsmede een bedrag van € 21.951,- voor de recent door de vrouw aangeschafte keuken;

- de woning aan de [adres 2] te ([postcode 2]) [plaats 1] toe te delen aan de vrouw en daarbij te bepalen dat zij uit hoofde van deze toedeling niets aan de man verschuldigd is, nu de financiering van deze woning volledig uit privégelden van de vrouw is voldaan;

- de woning aan de [adres 3] in [plaats 2] ([land]) toe te delen aan de vrouw en daarbij te bepalen dat zij uit hoofde van deze toedeling niets aan de man verschuldigd is, nu de financiering van deze woning volledig uit privégelden van de vrouw is voldaan;

- de man te veroordelen om binnen drie maanden na afgifte van de in deze te wijzen beschikking zijn medewerking dient te verlenen aan de notariële levering van voormelde onroerende zaken aan de vrouw bij een door haar aan te wijzen notaris, bij gebreke waarvan de vrouw verzoekt te bepalen dat de in dezen te wijze beschikking in de plaats komt van de toestemming casu quo de handtekening van de man en de beschikking ex artikel 3:300 BW dezelfde kracht heeft als de toestemming/handtekening van de man;

- te bepalen dat de verrekenvordering van de vrouw dient te worden gesaldeerd met de vordering van de man uit hoofde van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van partijen;

- de man uit hoofde van de pensioenafwikkeling te veroordelen aan haar te voldoen een bedrag van € 318.458,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte ten aanzien van de pensioenafwikkeling – nog verweer tegen het overige, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken en heeft hij verzocht:

Echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 1]

- te bepalen dat de waarde van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] middels een bindende taxatie zal worden vastgesteld op de volgende wijze: de man heeft in punt 32 van dit verzoekschrift drie makelaars voorgesteld, van wie de vrouw er één kiest die vervolgens van partijen binnen twee weken na de beschikkingsdatum de opdracht zal krijgen om een bindende taxatie uit te voeren van de woning, e.e.a. in het bijzijn van beide partijen;

- te bepalen dat de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] tegen de aldus bepaalde waarde wordt toegedeeld aan de man;

- te bepalen dat van de getaxeerde waarde een bedrag van € 450.534,- aan de man toekomt en dat de man 50% van de resterende waarde aan de vrouw dient te voldoen ten tijde van de notariële levering van de woning aan hem;

- te bepalen dat de levering van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] aan de man binnen vier weken na de beschikkingsdatum zal plaatsvinden en dat beide partijen onvoorwaardelijk en voortvarend dienen mee te werken aan de levering van de woning;

- te bepalen dat de man met ingang van de beschikkingsdatum met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 1];

- te bepalen dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding dient te voldoen van
€ 1.500,- per maand vanaf 1 september 2023 tot de datum waarop de man terugkeert naar de echtelijke woning dan wel, subsidiair, de datum waarop de echtelijke woning aan de vrouw geleverd wordt;

Bankrekeningen

- de vrouw te gelasten om de bankafschriften van alle op haar naam staande bankrekeningen te overleggen vanaf de huwelijksdatum tot de peildatum
1 september 2023;

Bedrijfspand aan de [adres 4] te [plaats 1]

- te bepalen dat de vrouw uit hoofde van de investeringen uit het gezamenlijk vermogen van partijen in de [adres 4] te [plaats 1] binnen vier weken na de beschikkingsdatum € 13.017,10 aan de man dient te voldoen;

Woning aan de [adres 2] te [plaats 1]

- te bepalen dat de waarde van de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] middels een bindende taxatie zal worden vastgesteld op de volgende wijze: de man heeft in punt 32 van dit verzoekschrift drie makelaars voorgesteld, van wie de vrouw er één kiest die vervolgens van partijen binnen twee weken na de beschikkingsdatum de opdracht zal krijgen om een bindende taxatie uit te voeren van de woning, e.e.a. in het bijzijn van beide partijen;

- te bepalen dat de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] tegen de aldus bepaalde waarde wordt toegedeeld aan de vrouw;

- te bepalen dat van de getaxeerde waarde een bedrag van € 58.983,44 aan de man toekomt en dat de vrouw 50% van de resterende waarde aan de man dient te voldoen ten tijde van de notariële levering van de woning aan haar;

- te bepalen dat de levering van de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] aan de vrouw binnen vier weken na de beschikkingsdatum zal plaatsvinden en dat beide partijen onvoorwaardelijk en voortvarend dienen mee te werken aan de levering van de woning;

Woning aan de [adres 3] te [plaats 2] ([land])

- te bepalen dat de woning aan de [adres 3] te [plaats 2] ([land]) wordt toegedeeld aan de vrouw;

- te bepalen dat de vrouw uit hoofde van de investeringen van de man in de woning een bedrag ad € 31.511,- aan de man dient te voldoen ten tijde van de notariële levering van de woning aan haar;

- te bepalen dat de levering van de woning aan de vrouw binnen vier weken na de beschikkingsdatum zal plaatsvinden en dat beide partijen onvoorwaardelijk en voortvarend dienen mee te werken aan de levering van de woning;

Rekening-courantschuld

- te bepalen dat de man de rekening-courantschuld aan de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. voor zijn rekening neemt en dat de vrouw uit dien hoofde binnen vier weken na de beschikkingsdatum een bedrag van € 16.568,50 aan de man dient te voldoen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

De man en de vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, waarin zij in artikel
1 hiervan elke gemeenschap van goederen hebben uitgesloten, behoudens een gemeenschap van inboedel.

Artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gedragen worden in verhouding tot ieders inkomen. Voor zover de inkomsten ontoereikend zijn, worden die kosten gedragen in verhouding tot ieders vermogen.

Artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden bevat een periodiek verrekenbeding:

Na afloop van elk kalenderjaar zullen de echtgenoten bijeenvoegen al hetgeen van hun inkomsten uit arbeid van dat jaar onverteerd is gebleven of door belegging van onverteerd inkomen is verkregen en het aldus bijeengevoegde bij helfte verdelen. Hetgeen door een echtgenoot in het betrokken jaar of het daaraan voorafgaande jaar uit zijn vermogen is betaald ter dekking van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding of door een echtgenoot daaraan onverschuldigd is bijgedragen, kan hij of zij voor de deling vooruitnemen.

Tussen partijen staat vast dat zij tijdens het huwelijk niet hebben voldaan aan de overeengekomen periodieke verrekenplicht. Nu er sprake is van een niet nageleefd periodiek verrekenbeding geldt artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat het aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit dat wat verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

De rechtbank zal hierna eerst het te verrekenen vermogen bespreken, daarna de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de beperkte gemeenschap en tot slot de vordering van de man ten aanzien van de rekening-courant schuld.

Partijen zijn het erover eens dat de peildatum voor de afwikkeling van het periodieke verrekenbeding 1 september 2023 is.

Te verrekenen vermogen

Partijen hebben in deze procedure de volgende vermogensbestanddelen en schulden gesteld die (eventueel) bij de verrekening dienen te worden betrokken:

  1. aandelen in de onderneming [bedrijfsnaam] B.V.;

  2. vorderingen op de kinderen;

  3. het bedrijfspand aan de [adres 4] ([postcode 3]) te [plaats 1];

  4. e bankrekeningen;

  5. auto’s.

Ad. a – de aandelen in de onderneming [bedrijfsnaam] B.V.

[bedrijfsnaam] B.V. is opgericht in 1992, na het sluiten van het huwelijk (in 1989) en na het overeenkomen van de huwelijkse voorwaarden.

Allereerst moet de vraag worden beantwoord of de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. wel of niet tot het te verreken vermogen behoort. Als uitgangspunt geldt daarbij dat op grond van artikel 1:143 lid 3 jo. 1:136 lid 2 BW de aandelen worden vermoed te zijn gevormd uit dat wat verrekend had moeten worden, tenzij uit redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Dit bewijsvermoeden brengt met zich mee dat het aan de man is om aannemelijk te maken dat de waarde van de aandelen op de peildatum niet is gevormd uit dat wat verrekend had moeten worden (vgl. Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:161). Met de term ‘aannemelijk maken’ wordt gedoeld op een lichtere vorm van tegenbewijs. Slaagt de man hierin, dan wordt het bewijsrisico van de vrouw (weer) relevant.

De man heeft met verklaringen van zijn vader en zus onderbouwd dat hij in 1992 vijftig procent van de aandelen heeft verkregen, toen hij samen met zijn vader de onderneming [bedrijfsnaam] B.V. is gestart. Zowel de vader als de zus van de man hebben verklaard dat het gehele startkapitaal afkomstig was van de vader van de man. De vader van de man heeft daarbij verklaard dat de man de financiële middelen niet had en hij hem dit destijds geleend heeft en de aandelen heeft volgestort. De vader van de man kon dit bekostigen, omdat hij zijn aandelen in het bedrijf, dat hij had met zijn broers, aan zijn broers had verkocht. De lening is, aldus de vader van de man, later verrekend. De zus heeft voorts verklaard dat een storting door de man destijds niet nodig was door de storting door de vader van de man. Dit sluit aan bij de stelling van de man, dat hij nooit eigen of gezamenlijk vermogen van partijen in de onderneming heeft geïnvesteerd.

De vrouw heeft aangegeven dat partijen de eerste drie jaren van hun huwelijk (1989-1992) beiden fulltime hebben gewerkt en er in die tijd veel werd gespaard. In 1992 hadden partijen derhalve, aldus de stellingen van de vrouw, spaargeld, waarmee de oprichting van de B.V. / de volstorting van de aandelen door de man moet zijn gefinancierd. Onweersproken staat echter tussen partijen vast dat zij in 1994 (ca) € 100.000,- spaargeld gebruikt hebben voor de aankoop van een woning. De stelling van de vrouw zegt dan ook weinig over hoe de oprichting van de B.V. is gefinancierd. Dit geldt temeer gelet op de stellingen van de man en de door hem overlegde verklaringen.

Hoewel voor de rechtbank niet duidelijk is geworden of er daadwerkelijk sprake is geweest van een lening van de vader van de man aan de man en hoe dit vervolgens boekhoudkundig is verwerkt, is voldoende aannemelijk dat voor de verkrijging van vijftig procent van de aandelen in 1992 op dat specifieke moment geen vermogen van partijen is aangewend, maar dat de vader van de man het volledige bedrag voor de volstorting van de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. heeft voldaan. Dit sluit ook aan bij de verklaring van de vrouw, dat zij niets wist van een lening die de man zou zijn aangegaan met zijn vader. Kennelijk vond dit plaats buiten de vrouw om, zonder vermogen van de man, de vrouw en/of partijen gezamenlijk.

Over de periode na 1992 heeft de vader van de man verklaard dat de lening die hij aan de man had verstrekt in de navolgende jaren is verrekend. De man heeft naar voren gebracht dat deze verrekening heeft plaatsgevonden door vanuit de B.V. aan zijn vader een hoger inkomen te betalen en aan zijn vader een auto van de zaak beschikbaar te stellen. De vrouw betwist deze stelling, maar erkent dat zij als administrateur van de B.V. vanaf het begin van de onderneming nooit enige aflossing op een lening heeft moeten doen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat deze aflossingen inderdaad nooit door de vrouw zijn gedaan, maar waarschijnlijk zijn voldaan via een zogenoemd kasrondje, waarbij een schuld werd geboekt in zijn rekening-courant en de schuld werd afgelost middels dividenduitkeringen. Zo is het volgens de man ook gegaan in 2000, toen de vader van de man de overige aandelen aan de man heeft verkocht.

Deze door de man geschetste gang van zaken komt de rechtbank aannemelijk voor. Dit vindt ook steun in de stand van de rekening-courant die – naast de belastingschuld uit hoofde van de vervreemding van aandelen aan de kinderen – zeer beperkt is. De vrouw heeft bovendien verklaard dat er geen dividenduitkeringen zijn geweest die ten goede kwamen aan partijen in privé, terwijl de man onweersproken heeft gesteld dat er in de loop van de jaren wel degelijk incidenteel dividenduitkeringen zijn gedaan, die enkel boekhoudkundig via de boekhouder zijn verwerkt, maar nooit op de rekeningen van (een van) partijen zijn gestort. De rechtbank merkt op dat inderdaad niet geheel duidelijk is hoe een en ander precies verrekend is met de vader van de man, terwijl de man zich pas op de zitting concreet over de rekening-courant en de dividenduitkeringen heeft uitgelaten. De man heeft daarbij nagelaten inzicht te verstrekken in de wijze van boekhoudkundige verwerking. Echter, op basis van de stellingen van de vrouw dat zij niet bekend is (geweest) met een lening aan de vader van de man, zij ook nooit enige aflossing op een lening heeft moeten doen, terwijl alle betalingen door haar handen gingen en niet gebleken is van betalingen van (een van) partijen aan de vader van de man vanuit gemeenschappelijk of privé (overgespaard) vermogen, komt de rechtbank het kasrondje het meest aannemelijk voor. Het is immers voldoende vast komen te staat dat er geen betalingen direct uit het gezamenlijk of het privé (overgespaard) vermogen van partijen aan de vader van de man zijn gedaan. De rechtbank volgt daarom de stelling van de man dat de aandelen zijn verkregen middels een kasrondje, dus uiteindelijk met verrekening via de rekening-courant met dividenduitkeringen, waarbij de dividenduitkeringen nimmer aan privé ten goede zijn gekomen. Het is dan ook naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat er geen betalingen direct uit het gezamenlijk vermogen van partijen aan de vader van de man zijn gedaan. De rechtbank volgt daarom de stelling van de man dat de aandelen c.q. de aflossing van de lening aan de vader bekostigd zijn middels een kasrondje, dus met dividenduitkeringen.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of op grond van artikel 4 van de akte van huwelijkse voorwaarden dividenduitkeringen tot de te verrekenen “inkomsten uit arbeid” behoren. Als dat namelijk het geval is, dan heeft de vrouw mogelijk recht op verrekening op (een deel van) de waarde van de aandelen op grond van artikel 136 lid 1 BW. Hiervoor is artikel 4 van de akte van huwelijkse voorwaarden bepalend. De rechtbank is van oordeel dat het verrekenbeding, zoals opgenomen in dit artikel, geen dividenduitkeringen omvat. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden gekozen voor een inkomstenbegrip “inkomsten uit arbeid”. De uitleg van dit inkomstenbegrip dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Dit betekent dat moet worden gekeken naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het inkomstenbegrip mochten toekennen en naar wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank weegt daarin mee dat partijen op het moment van het passeren van de akte van huwelijkse voorwaarden allebei in loondienst waren. Het ligt dan ook voor de hand dat partijen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden primair het inkomen voor ogen hadden dat op hun beider bankrekening werd gestort uit hoofde van hun dienstverband. Partijen hebben allebei (desgevraagd) geen nadere toelichting gegeven op hoe de huwelijkse voorwaarden tot stand zijn gekomen of hoe de voorlichting van de notaris is geweest, behalve dat de huwelijkse voorwaarden werden opgesteld op verzoek van de vrouw, die daartoe geadviseerd was door haar vader. Een objectieve lezing van het begrip “inkomsten uit arbeid” duidt op een uitsluiting van dividenduitkeringen, althans geen insluiting hiervan. Ten tijde van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden gold immers de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarin een onderscheid werd gemaakt tussen inkomsten uit arbeid – de term die partijen hebben opgenomen in hun huwelijksvoorwaarden –, winst uit onderneming en winst uit aanmerkelijk belang. 1 Dividenduitkeringen vallen onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 onder de term ‘winst uit aanmerkelijk belang’ en niet onder de term ‘inkomsten uit arbeid’. De rechtbank concludeert dan ook dat onder “inkomsten uit arbeid” dient te worden verstaan inkomen uit loondienst en (in ieder geval) geen dividenduitkeringen. De (letterlijke) tekst van de huwelijkse voorwaarden duidt er dan ook op dat met ‘inkomsten uit arbeid’ in artikel 4 enkel wordt gedoeld op het inkomen uit loondienst zoals dat is opgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en niet op winst uit aanmerkelijk belang en/of winst die valt onder de vennootschapsbelasting, temeer ook omdat partijen in artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden rondom de voldoening van de kosten van de huishouding wel een (ruimer) begrip ‘inkomen’ hebben gehanteerd en aldaar niet het enge begrip ‘inkomsten uit arbeid’ hebben benoemd. Deze uitleg sluit ook het meeste aan bij de feitelijke situatie bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en de zin die partijen in die omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het inkomstenbegrip mochten toekennen en naar wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Als de feiten en omstandigheden in de loop van het huwelijk wijzigen ten opzichte van de feiten en omstandigheden bij het aangaan van het huwelijk, dan is het de verantwoordelijkheid van beide echtgenoten om hun huwelijkse voorwaarden kritisch te bezien en om te beslissen om deze al dan niet aan te passen aan de gewijzigde situatie. Als partijen dit niet doen, komt dat in beginsel voor eigen risico. Ook na de oprichting van [bedrijfsnaam] B.V. maken de redelijkheid en billijkheid daarom niet dat van een ruimer inkomensbegrip uitgegaan moet worden. De vrouw heeft op zitting ook toegelicht dat zij dacht dat als er sprake was van een verrekenbeding, dat niet werd uitgevoerd, opgepotte ondernemingswinsten sowieso onder het verrekenbeding zouden vallen. Deze onjuiste aanname komt echter voor rekening van de vrouw. De rechtbank komt op grond van voorgaande tot de conclusie dat de waarde van de aandelen niet onder het verrekenbeding valt.

De vrouw heeft subsidiair naar voren gebracht dat de winstreserves van [bedrijfsnaam] B.V. op grond van artikel 1:141 lid 4 BW onder de verrekening vallen. Dit artikel is echter alleen van toepassing als partijen een ‘verrekenbeding zijn overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat’. Onder dezelfde motivering als hiervoor is de rechtbank van oordeel dat het verrekenbeding geen ondernemingswinsten omvat, zodat de winstreserves niet bij de verrekening moeten worden betrokken.

Gelet op het voorgaande vallen de waarde van de aandelen en de winstreserves van [bedrijfsnaam] B.V. niet onder het te verrekenen vermogen. De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de onderneming daarom afwijzen.

Ad. b – vorderingen op de kinderen

In 2021 heeft de man tien procent van de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. aan de kinderen overgedragen, tegen een prijs van € 258.705,-. De kinderen zijn hiervoor leningen bij de man aangegaan, die nog niet zijn afgelost. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij gerechtigd is tot de helft van de waarde van de vorderingen op de kinderen. Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. niet tot het te verrekenen vermogen behoren, is de vrouw ook niet gerechtigd tot een deel van de verkoopopbrengst daarvan. De vordering van de vrouw op dit punt wordt daarom afgewezen.

Ad. c – het bedrijfspand aan de [adres 4]

Het bedrijfspand aan de [adres 4] is in 2018 gekocht door de vrouw en staat enkel op haar naam. De man heeft op de zitting zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij verzoekt dat aan hem toekomt de helft van het bedrag aan gezamenlijk vermogen waarmee de aankoop van het bedrijfspand is gefinancierd ad € 26.034,20. Dit komt overeen met het standpunt van de vrouw. De vrouw heeft op de zitting met dit verzoek ingestemd. De rechtbank zal daarom bepalen dat aan de man uit hoofde van verrekening een bedrag van € 13.017,10 toekomt.

Ad. d – de bankrekeningen

Op de zitting heeft de man ermee ingestemd dat ieder de bankrekeningen op zijn/haar naam houdt en dat er onderling op dit punt niets meer te verrekenen valt. Nu er verder door partijen geen verzoek ten aanzien van de bankrekeningen is gedaan, stelt de rechtbank vast dat hierover niets meer te beslissen valt.

Ad. e – de auto’s

Een eventuele verrekening ten aanzien van de waarde van de auto’s op naam van ieder van de partijen is niet tussen hen in geschil. Duidelijk is dat zij allebei een eigen auto hebben en dat er geen verzoek tot verrekening voorligt. De rechtbank heeft hier daarom niets over te beslissen.

Verdeling eenvoudige gemeenschappen

  1. de echtelijke woning aan de [adres 1] ([postcode 1]) in [plaats 1];

  2. de woning aan de [adres 2] ([postcode 2]) in [plaats 1];

  3. de woning aan de [adres 3] in [plaats 2], [land];

Ad. a – de echtelijke woning aan de [adres 1]

Partijen willen beiden de echtelijke woning toegedeeld krijgen. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de vrouw om de echtelijke woning toegedeeld te krijgen zwaarder weegt dan dat van de man en overweegt daartoe als volgt. De man heeft in september 2022 de echtelijke woning verlaten. De vrouw gebruikt de woning dus al bijna drie jaar alleen en heeft in die tijd ook de keuken laten verbouwen. Sinds de man van de echtelijke woning heeft verlaten, betaalt de vrouw ook alle woonlasten.

De rechtbank zal de echtelijke woning in eerste instantie aan de vrouw toedelen op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Partijen zijn overeengekomen dat de woning door makelaar-taxateur Waarde voor Wonen wordt getaxeerd en dat als zij de opdracht niet willen aannemen door Woonvreugde in Hoek van Holland. Als de vrouw niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, zal de woning aan de man worden toegedeeld op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Als de man ook niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, zal de woning worden verkocht aan een derde, op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Voor wat betreft de termijn van levering van de woning aan één van partijen stelt de man zich op het standpunt dat dit binnen 4 weken na beschikkingsdatum zou moeten zijn. De vrouw geeft aan dat een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de (inschrijving van de) echtscheiding realistischer is. De rechtbank stelt vast dat een termijn van 3 maanden na de (inschrijving van de) echtscheiding een gebruikelijke en niet onrealistische termijn is, maar zal een termijn bepalen van 6 weken te rekenen vanaf de (inschrijving van de) echtscheiding waarbinnen duidelijkheid moet zijn over de haalbaarheid van een overname.

Hoe de echtelijke woning destijds is gefinancierd en hoe de overwaarde verdeeld moet worden, is tussen partijen in geschil. De vrouw heeft naar voren gebracht dat de aankoop van de grond van de woning en de bouw ervan destijds (2008) totaal € 1.330.967,07 gekost heeft, zoals ook volgt uit de memo van de heer [naam 4]. Dit hebben partijen gefinancierd middels € 727.373,05 aan overwaarde van hun voormalige woning, € 303.594,02 aan al dan niet gezamenlijk vermogen vanuit [bedrijfsnaam] B.V. en € 300.000,- aan een hypothecaire lening op naam van de vrouw bij de Rabobank.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 303.594,02, gefinancierd vanuit de B.V., geldt als een investering uit gezamenlijk vermogen. Uit de door partijen ingenomen stellingen is niet duidelijk op welke wijze het geld uit de B.V. is gehaald. Naar de rechtbank aanneemt, is er geen sprake van een door de B.V. verstrekte lening, maar van door de man opgenomen gelden uit de B.V., die in de woning geïnvesteerd zijn. Het standpunt van de vrouw zou enkel opgaan indien de dividenduitkeringen uit de B.V. geen privé vermogen van de man zijn en wel onder het te verrekenen inkomstenbegrip uit de huwelijksvoorwaarden vallen. Zoals hiervoor overwogen is de waarde van de aandelen van de B.V. wel te beschouwen als privévermogen van de man en vallen dividenduitkeringen niet onder de verrekening. De man heeft dan ook recht op teruggave van deze door hem gedane investeringen in de woning.

Aangezien de (privé) inbreng van de man heeft plaatsgevonden in 2008 dient de zogenaamde beleggingsleer niet te worden toegepast. Daarom zal de rechtbank beslissen dat de man het bedrag van € 303.594,02 toekomt.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij de hypothecaire lening op haar naam volledig met privévermogen heeft afgelost in 2012, 2013, 2014 en 2018, door schenkingen van haar ouders, en in 2019 middels een bedrag dat zij aan huuropbrengst van haar bedrijfspand had ontvangen. De vrouw stelt dat zij conform de beleggingsleer recht heeft op teruggave van het totaalbedrag € 300.000,-, alvorens de overwaarde bij helfte wordt gedeeld. De man heeft erkend dat € 200.000,- hiervan door de vrouw is bekostigd vanuit haar privévermogen via de betalingen gedaan in 2014, 2018 en 2019. Van de overige € 100.000,- aan aflossing, volgens de vrouw in 2012 een bedrag van € 71.900,- en in 2013 € 28.100,-, stelt hij dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij dit vanuit haar privévermogen heeft bekostigd.

De rechtbank overweegt dat de hypothecaire lening enkel op naam van de vrouw stond. De man heeft gesteld dat in ieder geval € 200.000,- door de vrouw vanuit privévermogen is geïnvesteerd in de woning/afgelost op de hypothecaire lening. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat zij de overige € 100.000,- ook uit privévermogen heeft bekostigd/afgelost. Het kan namelijk niet anders zijn dan dat deze bedragen uit schenkingen van de ouders van de vrouw komen en niet uit gezamenlijk vermogen van partijen. Partijen hadden immers beperkte inkomsten uit loondienst en de vrouw ontving veel schenkingen van haar ouders. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat deze bedragen door de vrouw zijn geïnvesteerd na 2012, zodat de beleggingsleer hierop van toepassing is. De vrouw heeft echter geen berekening gemaakt van de waarde van de investering conform de beleggingsleer. Daarom zal de rechtbank beslissen dat de vrouw het bedrag van € 300.000,- toekomt, nu de vrouw voor het overige onvoldoende heeft gesteld.

De man heeft verder naar voren gebracht dat diverse werkzaamheden en verbouwingen aan de echtelijke woning door zijn onderneming zijn uitgevoerd. Hij verzoekt daarvoor een vergoedingsrecht. Nu de B.V. geen partij is in deze procedure en de B.V. niet gelijk te stellen is met de man, heeft meneer in dit verband geen vordering op de vrouw in privé. Dit verzoek van de man zal daarom worden afgewezen. Daarbij komt dat er van alle door de man overgelegde facturen er maar drie betrekking lijken te hebben op de echtelijke woning, omdat op de overige facturen andere panden vermeld zijn.

Ad. b – woning aan de [adres 2]

De woning aan de [adres 2] is door partijen gezamenlijk in 2020 aangekocht en staat op hun beider naam. Partijen zijn het erover eens dat de woning wordt toegedeeld aan de vrouw. De man heeft op de zitting erkend dat de woning volledig door de vrouw uit privévermogen is gefinancierd en dat hem in dit verband niets toekomt. Hij stelt wel dat de B.V. nog een vordering heeft op de vrouw. Nu de B.V. geen partij is in deze procedure en de B.V. niet gelijk te stellen is met de man, heeft de man in dit verband geen vordering op de vrouw in privé. Dit verzoek van de man zal daarom worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank nog ten overvloede op dat ook op deze facturen vanuit de B.V. slechts éénmaal de vermelding [adres 2] is opgenomen en dat op andere facturen andere panden worden vermeld.

Ad. c – woning aan de [adres 3] in [plaats 2], [land]

De woning aan de [adres 3] in [land] is door partijen gezamenlijk in 2022 gekocht en staat op hun beider naam. Partijen zijn het erover eens dat de woning aan de vrouw moet worden toegedeeld. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de vrouw uit hoofde hiervan de helft van € 37.022,- aan de man zal betalen. De rechtbank zal deze woning daarom aan de vrouw toedelen en beslissen dat de vrouw aan de man € 18.511,- moet voldoen.

Verdeling beperkte gemeenschap: de inboedel

Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij, behoudens een gemeenschap van inboedel, elke andere gemeenschap van goederen uitsluiten. Tussen partijen bestaat dus ten aanzien van de inboedel een beperkte gemeenschap van goederen. Partijen zijn het erover eens dat zij de inboedel uit de echtelijke woning in onderling overleg zullen verdelen. Daarnaast hebben zij op de zitting afgesproken dat onder de inboedel ook de inboedel in de zakelijke, niet gemeenschappelijke woning in [land] valt, voor zover de vrouw kan aantonen dat bepaalde inboedelgoederen door haar privé zijn bekostigd. Deze inboedelgoederen zullen dan bij de verdeling aan de vrouw worden toegedeeld. De rechtbank zal deze overeenstemming in het dictum vastleggen.

Rekening-courantschuld tussen de man en [bedrijfsnaam] B.V.

De man stelt dat de rekening-courant schuld van € 33.137,- op de peildatum bestaat uit consumptieve uitgaven van partijen gezamenlijk. De man verzoekt te bepalen dat hij de rekening-courantschuld aan [bedrijfsnaam] B.V. voor zijn rekening neemt en dat de vrouw hem hiervan de helft dient te voldoen.

De rechtbank overweegt dat de man zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft op geen enkele wijze aangetoond dat hij uit hoofde van een beding kosten huishouding een vordering heeft op de vrouw. Uit niets blijkt dat de rekening-courantschuld is ontstaan door consumptieve uitgaven voor partijen. Daarnaast heeft de man ook niet aangetoond wat de totale uitgaven waren van partijen, wat de inkomsten waren en dat de inkomsten onvoldoende waren om deze kosten volledig te betalen, waardoor de man een schuld heeft moeten aangaan bij zijn B.V. Nu de man zijn standpunt onvoldoende heeft onderbouwd, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

In de enkele mededeling op de zitting van de man dat hij aan de hand van een grootboekrekening kan aantonen dat de schuld betrekking heeft op betalingen ten behoeve van kosten van de huishouding, ziet de rechtbank geen bewijsaanbod, nog daargelaten dat de man ook dan de overige hiervoor vermelde standpunten niet heeft ingenomen, laat staan toegelicht en onderbouwd.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Omdat de rechtbank heeft bepaald dat de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.

Gebruiksvergoeding en partneralimentatie

De man verzoekt een gebruiksvergoeding te bepalen van € 1.500,- te rekenen vanaf
1 september 2023 tot de datum dat de woning aan de vrouw wordt geleverd. Dit bedrag baseert hij niet op de overwaarde van de woning, maar op de huurprijs van een vergelijkbare huurwoning. Dit zou volgens hem rond de € 3.000,- per maand bedragen, zodat een vergoeding van € 1.500,- niet onredelijk is. De vrouw betwist dit en stelt dat de man geen schade lijdt, omdat hij in een woning van de onderneming kan verblijven. Daarnaast betaalt de vrouw alle woonlasten.

De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de periode vóór de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gelden de artikelen 1:81 BW en 1:84 BW, waaruit volgt dat zolang het huwelijk nog niet is ontbonden, echtgenoten gehouden zijn elkaar het nodige te verschaffen en verplicht zijn om ten behoeve van de kosten van de huishouding allebei bij te dragen naar evenredigheid van hun inkomen/vermogen. Er is geen wettelijke grondslag om een gebruiksvergoeding vast te stellen voor de periode dat partijen nog gehuwd zijn. De rechtbank zal het verzoek tot gebruiksvergoeding daarom voor deze periode afwijzen.

Ten aanzien van de periode na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zal de rechtbank de door de man verzochte gebruiksvergoeding toewijzen. Door het voortgezet gebruik van de echtelijke woning maakt de vrouw immers gebruik van een gemeenschappelijk goed van partijen, terwijl de man hier geen gebruik van kan maken. Het door de man verzochte bedrag komt de rechtbank redelijk voor, gelet op de WOZ-waarde van de woning. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen.

Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw tot partneralimentatie ter hoogte van een eventuele gebruikersvergoeding zal de rechtbank afwijzen. De vrouw heeft dit verzoek gedaan, maar zij heeft op geen enkele wijze haar behoefte en aanvullende behoefte onderbouwd.

Pensioen

Partijen zijn het erover eens dat de vrouw aanspraak heeft op de helft van het opgebouwde pensioen van de man. De man heeft gedurende het huwelijk van partijen zijn pensioen opgebouwd in eigen beheer en heeft dit eind 2017 c.q. begin 2018 omgezet naar een oudedagsvoorziening. Op het moment van omzetting bedroeg de balanswaarde van de pensioenaanspraak € 636.915,-. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw daarvan een bedrag van € 318.458,-, toekomt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2018. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum 1] 1989 te [plaats 1];

*

bepaalt ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden het volgende, onder voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking:

1. de vrouw dient aan de man ten aanzien van het bedrijfspand aan de [adres 4] in [plaats 1], dat toebehoort aan de vrouw, een bedrag van € 13.017,10 uit hoofde van de verrekening te betalen;

*

stelt de wijze van de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen en beperkte gemeenschap als volgt vast, onder voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

  1. met betrekking tot de echtelijke woning aan de [adres 1] ([postcode 1]) in [plaats 1]:

  2. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen verstrekken binnen één week na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de gezamenlijke opdracht aan makelaar-taxateur Waarde voor Wonen tot taxatie van de woning. Als zij de opdracht niet aannemen, geven partijen makelaar-taxateur Woonvreugde in Hoek van Holland gezamenlijke opdracht. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;

b) de vrouw dient binnen zes weken na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde en met uitkering aan de man van overeenkomstig het navolgende kan overnemen binnen 3 maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

c) de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld, behoudens de hieronder te noemen vergoedingsrechten. De overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de kosten van de makelaar-taxateur;

d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;

e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2. als de vrouw de woning niet kan overnemen onder de onder 1 genoemde voorwaarden dan wordt de woning toegedeeld aan de man op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden en termijnen, waarbij geldt dat waar man staat moet worden gelezen vrouw en omgekeerd;

3. als geen van partijen de woning kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden en termijnen dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen verstrekken binnen één week nadat de onder 2. genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

b) de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld, behoudens de hieronder te noemen vergoedingsrechten. De overwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2. stelt vast dat de vrouw jegens de man een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van
€ 300.000,-, welk vergoedingsrecht eerst opeisbaar is bij de verdeling van de echtelijke woning aan de [adres 1] ([postcode 1]) in [plaats 1];

3. stelt vast dat de man jegens de vrouw een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van € 303.594,02,-, welk vergoedingsrecht eerst opeisbaar is bij de verdeling van de echtelijke woning aan de [adres 1] ([postcode 1]) in [plaats 1];

2) met betrekking tot de woning aan de [adres 2] ([postcode 2]) te [plaats 1]:

de woning wordt toegedeeld aan de vrouw, zonder verrekening van de waarde met de man;

3) met betrekking tot de woning aan de [adres 3] in [plaats 2], [land]:

de woning wordt toegedeeld aan de vrouw, uit hoofde waarvan de vrouw aan de man € 18.511,- dient te voldoen;

4) met betrekking tot de inboedel:

partijen zullen de inboedel uit de echtelijke woning in onderling overleg verdelen en ook de inboedel in de woning in [land] in eigendom van [bedrijfsnaam] B.V., voor zover de vrouw kan aantonen dat zij bepaalde inboedelgoederen uit haar privévermogen heeft bekostigd, omdat deze goederen privégoederen van de vrouw zijn;

*

bepaalt dat de vrouw uit hoofde van omzetting van het pensioen opgebouwd in eigen beheer naar een oudedagsvoorziening een bedrag toekomt van € 318.458,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2018;

*

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [plaats 1] aan de [adres 1] ([postcode 1]) en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en deze woning aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

*

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de man een gebruiksvergoeding moet betalen van € 1.500,- per maand tot aan de datum dat de woning aan een van partijen of een derde wordt overgedragen;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.S.F. de Nijs, mr. C. van Hees, mr. M.E. Visser, rechters, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 september 2025.

1

Artikel 4 lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733