Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep waarin GI vervangende toestemming krijgt voor gezinsopname in GGZ-kliniek [plaats B] ondanks weigering van vader. Hof kwalificeert opname (observatie, diagnostiek en behandeling) als medische behandeling onder WGBO en past art. 1:265h BW toe. Noodzaak is voldoende onderbouwd gelet op langdurige gedragsproblematiek kinderen en falen ambulante hulp; moeder is gemotiveerd. Grief over niet-horen kinderen faalt door herstel in hoger beroep. Bestreden beschikking wordt bekrachtigd; verzoek tot schorsing wordt afge| Datum publicatie | 06-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.360.204/01 en 200.360.204/02 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; 1:265h BW Medische behandeling bij OTS |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Deze zaak gaat over een gezinsopname in de gezinskliniek in plaats B, waarvoor de vader geen toestemming geeft. De rechtbank heeft de GI vervangende toestemming verleend voor opname van de kinderen en de moeder en waar nodig de vader in de gezinskliniek in plaats B. De vader is het daar niet mee eens.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.360.204/01 en 200.360.204/02
zaaknummer rechtbank: C/13/770813 / JE RK 25-428
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam,
en
Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,
gevestigd in [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: GI,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [kind 1] , geboren [in] 2014 in [plaats A] (hierna [kind 1] );
- [kind 2] , geboren [in] 2016 in [plaats A] (hierna: [kind 2] );
- [kind 3] geboren [in] 2020 in [plaats A] (hierna: [kind 3] ), samen te noemen: de kinderen;
- [de moeder] (hierna: de moeder), advocaat: mr. K.E. van Lotringen te Amsterdam.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.
1De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een gezinsopname in de gezinskliniek in [plaats B] , waarvoor de vader geen toestemming geeft. De rechtbank heeft de GI vervangende toestemming verleend voor opname van de kinderen en de moeder en waar nodig de vader in de gezinskliniek in [plaats B] . De vader is het daar niet mee eens.
2De procedure in hoger beroep
De vader is op 10 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 17 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
De GI heeft bij brief van 14 november 2025 meegedeeld verweer te zullen voeren op de zitting en daarbij stukken ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een stuk van de vader van 19 november 2025 met bijlage.
De zitting heeft op 21 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-
de vader bijgestaan door zijn advocaat en mr. M.P.R. Ekering;
-
de moeder bijgestaan door haar advocaat;
-
de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;
-
de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
Zowel de advocaat van de vader als de vertegenwoordiger van de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd en voorgedragen.
[kind 1] en [kind 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij zijn op 25 november 2025 op gesprek geweest bij de voorzitter, waarvan het hof bij bericht van 26 november 2025 kort en zakelijk verslag aan partijen heeft gedaan. De advocaten en de GI zijn in gelegenheid gesteld daarop te reageren, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt.
3De feiten
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders) zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op 29 september 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 augustus 2022 in de registers van de burgerlijke stand. Tijdens het huwelijk zijn de kinderen geboren. De ouders hebben gezamenlijk gezag over de kinderen.
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
Bij beschikking van 11 oktober 2023 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld tot 11 oktober 2024. Daarna is de ondertoezichtstelling verlengd, laatstelijk tot 11 oktober 2026.
Bij beschikking van 3 juni 2025 heeft dit hof de volgende
zorgregeling vastgesteld:
“bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zodra de moeder een
geschikte woning voor drie kinderen heeft, als volgt;
-
van maandag na school tot woensdag naar school verblijven de kinderen bij de moeder;
-
om de week van woensdag na school, tot maandag naar school verblijven de kinderen bij de vader, en in de andere week bij de moeder;
-
de vakanties worden in overleg tussen de ouders 50/50 verdeeld, zo nodig met behulp van de Gl;
-
er is één contactmoment (bellen of appen) met de kinderen voor de vader op zondagmiddag, en één voor de moeder op vrijdagavond of zaterdagochtend, indien de kinderen op dat moment bij de andere ouder verblijven;
bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tot het moment dat de moeder
een geschikte woning voor drie kinderen heeft, als volgt:
-
van maandag na school tot woensdag naar school verblijven de kinderen hij de moeder;
-
van woensdag na school tot donderdag naar school verblijven de kinderen hij de vader;
-
van donderdag na school tot maandag naar school om de week hij de moeder en de andere week bij de vader;
-
de vakanties worden in overleg tussen de ouders 50/50 verdeeld, zo nodig met behulp van de GI;
-
er is één contactmoment (bellen of appen) met de kinderen voor de vader op zondagmiddag, en één voor de moeder op vrijdagavond of zaterdagochtend, indien de kinderen
op dat moment bij de andere ouder verblijven."
De moeder heeft de Poolse nationaliteit. De vader en de kinderen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
4De omvang van het hoger beroep
In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, op verzoek van de GI vervangende toestemming verleend voor een medische behandeling, te weten opname van de kinderen en de moeder en - waar nodig - de vader in de gezinskliniek in [plaats B] . Deze toestemming vervangt de toestemming van de vader.
De vader verzoekt:
-
de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen;
-
de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot het verlenen van vervangende toestemming voor medische behandeling alsnog af te wijzen.
De GI voert verweer en concludeert tot afwijzing van het hoger beroep van de vader en bekrachtiging van de bestreden beschikking.
5De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over de verzoeken. Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing.
In de zaak 200.360.204/01
Het wettelijk kader
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265h van het Burgerlijk Wetboek (BW) vervangende toestemming verlenen voor een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien de behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.
Op een medische behandeling is de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) van toepassing. De WGBO (artikelen 7:446 tot en met 7:468 BW) bevat bepalingen omtrent de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Ingevolge artikel 7:446 lid 2 BW wordt onder handelingen op het gebied van de geneeskunst (een medische behandeling) verstaan:
a. alle verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen - rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand te verlenen;
b. andere dan de onder a bedoelde handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon, die worden verricht door een arts of tandarts in die hoedanigheid.
De standpunten
De vader stelt dat de gezinsopname bij GGZ [plaats C] niet valt aan te merken als een medische behandeling en dat de GI niet heeft aangetoond dat de voorgestelde behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de kinderen af te wenden. Het gaat beter met de kinderen en het lukt de vader niet om met de gezinsvoogd in gesprek te komen over ambulante hulpverlening. De vader vindt dat de belangenafweging niet toereikend is en dat ambulante hulp als minder ingrijpende maatregel moet worden ingezet.
De GI voert aan dat het doel van de opname is om het al lang bestaande hardnekkige gezinspatroon te doorbreken door middel van een intensief behandeltraject van zestien weken. Met inzet van ambulante hulpverlening van iHUB is dit niet gelukt. De opname in de gezinskliniek bestaat uit observatie, begeleiding door gezinstrainers en behandeling, waaronder gespecialiseerde GGZ-behandeling in de vorm van traumagerichte interventies en behandeling van persoonlijke psychiatrische problematiek. Het patroon dat moet worden doorbroken is dat de moeder vooral ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] in haar opvoedrol moet worden verstevigd, waarbij ook een gedragsverandering bij de vader nodig is. Bij de kinderen speelt ernstige problematiek waar mogelijk behandeling voor nodig is en tijdens de opname zal verder worden gekeken naar de invulling van de ouderrol, met het doel dat de veiligheid van de kinderen voldoende is gewaarborgd en verdere ontwikkelingsbedreiging kan worden afgewend. Na de opname van zestien weken zal hulp in het ambulante kader worden voortgezet.
De moeder is het eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij vindt de opname nodig.
Het advies van de raad
De raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad is bezorgd dat er van de kinderen nu te veel gevraagd wordt in de situatie met ouders die met elkaar niet tot oplossingen kunnen komen. De kinderen hebben schade opgelopen, wat ook blijkt uit hun gedragsproblematiek. De raad vreest dat de kinderen uiteindelijk niet anders kunnen dan voor de ene of voor de andere ouder kiezen. Systeembehandeling voor het gezin is nodig, en dat brengt veel verandering met zich mee, die in een ambulante setting en in een thuissituatie die niet stabiel genoeg is, niet goed kan worden opgevangen. Alles wat nodig blijkt te zijn, bijvoorbeeld traumabehandeling, kan tijdens de gezinsopname meteen worden geboden. Bij ambulante hulpverlening zal dat veel langer duren, ook vanwege wachtlijsten. Ambulante behandeling zal ook daardoor veel onrust geven en er zal veel tijd verstrijken voor de gewenste uitkomst kan worden bereikt. En dan is gezinsopname een gepasseerd station. Ambulante hulpverlening is in dit stadium dus niet effectief. Vanuit de intensieve aanpak in de gezinsopname kan er met een nieuwe blauwdruk naar de thuissituatie worden teruggekeerd. De raad heeft verder benadrukt dat deelname van de vader aan de gezinsopname de impact ervan aanmerkelijk zal vergroten.
De beoordeling door het hof
Het hof dient de vraag te beantwoorden of het verzoek tot opname en daarmee de observatie in de GGZ [plaats C] Gezinspsychiatrie in [plaats B] (hierna: GGZ-kliniek [plaats B] ) een medische behandeling is en zo ja, of die behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de kinderen af te wenden.
Het hof beantwoordt beide vragen bevestigend. De integrale gezinsbehandeling die de GGZ-kliniek [plaats B] biedt, betreft een psychiatrische behandeling waarin, na onderzoek, de benodigde interventies plaatshebben en therapieën aan het gezin worden geboden. Ook het onderzoek en de observatie ter beantwoording van de vraag welke behandeling voor de kinderen nodig is, valt onder de begripsbepaling medische behandeling van de WGBO, waartoe het hof verwijst naar zijn uitspraak van 2 augustus 2011 (ECLI:NL:GHAMS:2011:BT1670). In dit geval gaat het om opname van de kinderen en de moeder, en waar nodig de vader, om te bezien welke behandelingen de minderjarigen en de moeder nodig hebben om door middel van therapie traumatische gebeurtenissen te verwerken en welke hulp zij verder nodig hebben om patronen te doorbreken. Het hof concludeert kort gezegd dat het verzoek van de GI om vervangende toestemming betrekking heeft op een beoogde medische behandeling.
Verder is het hof van oordeel dat de GI voldoende heeft onderbouwd dat de behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de kinderen af te wenden. Gebleken is dat de kinderen al meerdere jaren kampen met gedragsproblematiek die samenhangt met de belaste en spanningsvolle gezinssituatie van partijen. Ondanks dat het met de kinderen beter lijkt te gaan op school, is de problematiek nog steeds aanwezig. Er zijn onder andere zorgen over zowel de fysieke als de verbale agressie van de jongens. Zo blijkt uit het door de vader ingediende verslag van school van 30 oktober 2025 dat [kind 2] het nog regelmatig moeilijk heeft in de klas. Als voorbeeld wordt genoemd dat hij ontzettend boos wordt tijdens het maken van een toets, zijn middelvinger opsteekt naar andere kinderen, zijn dicteeschrift verscheurt en dat hij op die momenten niet kan aangeven wat er aan de hand is en dat hij communicatie met de docent ontwijkt. In het overgelegde gezinsplan van 22 augustus 2025 worden incidenten genoemd, waarbij [kind 1] een schaar naar de gezinsmanager gooide en met een stoel achter haar aanrende. In het verslag geeft de voormalig gezinsmanager aan dat de jongens als zij boos worden niet meer door lijken te hebben wat er om hen heen gebeurt en dat hun gedrag extreem en gevaarlijk is. Zij merkt op dat de jongens achteraf spijt hebben van hun gedrag, maar dat zij het ook moeilijk vinden om hierover te praten. Het beoogde doel van de opname in de GGZ-kliniek in [plaats B] is om de gezinspatronen te doorbreken en hulp in te zetten om de (mogelijk traumatische) gebeurtenissen waarmee de kinderen geconfronteerd zijn te verwerken. Voor de opname en observatie in de GGZ-kliniek in [plaats B] is gekozen, omdat de tot nu toe ingezette hulp niet heeft geleid tot een verandering van de gezinspatronen. De opname in de GGZ-kliniek [plaats B] wordt gezien als laatste middel om de al jaren lang bestaande problematiek te doorbreken en de co-ouderschapsregeling zoals door het hof is bepaald te laten slagen. Mede van belang is dat de moeder zeer gemotiveerd is voor de gezinsopname. Het hof ziet het geschetste gedrag van de kinderen en het feit dat de moeder in de huidige situatie niet in staat is overwicht te laten gelden en de kinderen haar niet lijken te respecteren, ook als een ernstig gevaar voor hun (geestelijke) gezondheid.
Ter afwending van het gevaar, zoals hiervoor beschreven, is het voor alle drie de kinderen nodig dat de patronen die aan dit alles ten grondslag liggen, worden doorbroken. Daartoe is hulp in het ambulante kader onvoldoende gebleken, zodat het hof de vader niet volgt in zijn visie dat met ambulante hulpverlening kan worden volstaan. Die vorm van hulp zal na de gezinsopname weer aan de orde zijn. Het hof hecht in dit kader ook belang aan het feit dat het gezin door de GGZ-kliniek [plaats B] in aanmerking wordt gebracht voor de opname. Dit duidt er eveneens op dat sprake is van ernstige problematiek.
Weliswaar zullen de kinderen gedurende de gezinsopname tijdelijk in een andere en minder vertrouwde omgeving zijn, maar zij zullen wel in de nabijheid van hun moeder, en zo mogelijk ook de vader, zijn. Ook zullen zij naar een andere school gaan waardoor hun schoolgang niet wordt onderbroken. De gezinsopname betreft bovendien een relatief beperkte periode van 16 weken, welke periode niet opweegt tegen het resultaat dat van deze intensieve behandeling is te verwachten.
De vader vindt verder dat de kinderen door de kinderrechter hadden moeten worden gehoord. Het hoger beroep heeft onder meer tot doel om een verzuim in de procedure bij de rechtbank te herstellen. Uit de bestreden beschikking kan niet worden afgeleid of de kinderen in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening te geven. Wat daar ook van zij, in hoger beroep heeft het hof na de zitting alsnog met [kind 1] en [kind 2] gesproken. Zij hebben in dat gesprek aangegeven niet te weten wat zij van een gezinsopname moeten vinden. De vader heeft daarom geen belang meer bij zijn grief.
De klacht van de vader over een te summiere motivering van de beslissing door de kinderrechter deelt het hof niet. Nog daargelaten dat ook hier geldt dat een verzuim in de procedure bij de rechtbank in hoger beroep kan worden hersteld, is het hof van oordeel dat voldoende duidelijk is welke beweegredenen tot de beslissing hebben geleid en is voldoende gerespondeerd op de relevante verweren van de vader. Ook deze grief leidt niet tot vernietiging van de bestreden beschikking.
Gelet op het bovenstaande zal het hof het verzoek van de vader afwijzen en de bestreden beschikking van de kinderrechter bekrachtigen.
In de zaak 200.360.204/02
Schorsing uitvoerbaar bij voorraad
Omdat het hof bij deze beschikking uitspraak doet in de hoofdzaak, heeft de vader geen belang meer bij zijn verzoek tot schorsing. Dit brengt mee dat het hof het verzoek van de vader tot schorsing zal afwijzen.
6De beslissing
Het hof:
In de zaak 200.360.204/01
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2025;
In de zaak In de zaak 200.360.204/02
wijst het verzoek van de vader tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. J.F. Miedema en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
