Essentie (gemaakt door AI)
Kinderalimentatie voor twee kinderen waarin ingangsdatum wordt gesteld op 23 juni 2023 (datum voorlopige voorziening). Behoefte 2023 € 1.481 p/m. Draagkracht man berekend op NBI € 3.123 en € 708 p/m; woonbudget toegepast, geen rekening met onvoldoende onderbouwde schulden en incidentele aandelenopbrengsten, bruto jaarinkomen afgerond € 40.000. Draagkracht vrouw NBI € 3.051 en € 673 p/m; woonbudget toegepast, schulden buiten beschouwing. Zorgkorting 35%; tekort € 100 p/m gelijk verdeeld. Bijdrage man € 120 per kind p/m, vanaf| Datum publicatie | 05-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.354.408/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Terugwerkende kracht alimentatie; Familieprocesrecht; Vovo art. 822 Rv |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Het gaat in deze zaak om vaststelling van de kinderalimentatie.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.354.408/01
zaaknummer rechtbank: C/15/337856 / FA RK 23-1251
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in (het principaal) hoger beroep,
verweerder in (het incidenteel) hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. F.J. ten Seldam te Limmen,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in (het principaal) hoger beroep,
verzoekster in (het incidenteel) hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Koudstaal te Bloemendaal.
1De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om vaststelling van de kinderalimentatie voor de twee kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , van partijen.
2De procedure in hoger beroep
De man is op 9 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 13 februari 2025 (hierna de bestreden beschikking).
De vrouw heeft op 19 juni 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 4 augustus 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een stuk van de vrouw van 30 september 2025 met bijlagen;
- een stuk van de vrouw van 2 oktober 2025 met bijlagen;
- een stuk van de vrouw van 8 oktober 2025 met bijlagen.
[minderjarige 1] heeft bij een op 12 augustus 2025 bij het hof ingekomen brief laten weten wat zij van de zaak vindt. De voorzitter heeft tijdens de zitting een korte samenvatting hiervan aan partijen voorgehouden.
De zitting heeft op 9 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
3De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze relatie is in oktober 2020 geëindigd.
Uit deze relatie zijn de volgende kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2009 in [plaats B] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2012 in [plaats A] .
Bij beschikking van 23 juni 2023 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv bepaald dat de man een voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw moet betalen van € 227,- per maand per kind.
4De omvang van het hoger beroep
Bij de bestreden beschikking is– onder andere – bepaald dat de man met ingang van 13 februari 2025 een bedrag van € 176,-- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bepalen op nihil met ingang van 23 juni 2023, althans op een lager bedrag dan € 176,-- en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie zal vaststellen.
De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans om het hoger beroep te verwerpen. Voorts verzoekt de vrouw – in incidenteel beroep – te bepalen dat:
-
de man vanaf 23 juni 2023 tot 13 februari 2025 € 227,-- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en te indexeren vanaf 2023 te voldoen voor de eerste van de maand waarop de betaling betrekking heeft;
-
de man € 300,-- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 13 februari 2025 te voldoen voor de eerste van de maand waarop de betaling betrekking heeft;
-
de bijzondere verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen (zoals doch niet uitsluitend: studiekosten, beugels, dansvooropleiding, topsport/selectie dansen NK/WK) door de man en de vrouw gelijkelijk worden verdeeld;
-
de man te veroordelen in de proceskosten.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het incidenteel appel van de vrouw.
5De motivering van de beslissing
Ingangsdatum
Tussen partijen is in geschil van welke ingangsdatum het hof uit dient te gaan.
De man verzoekt het hof aan te sluiten bij 23 juni 2023, zijnde de datum waarop de rechtbank een bedrag aan kinderalimentatie in de voorlopige voorzieningen procedure heeft vastgesteld. De vrouw voert verweer.
Het hof zal voor de ingangsdatum aansluiten bij de door de man verzochte ingangsdatum van 23 juni 2023. Gebleken is dat de rechtbank op 23 juni 2023 als voorlopige voorziening heeft bepaald dat de man een bedrag aan kinderalimentatie van € 227,-- per kind per maand dient te voldoen. Dit betreft een voorlopige bijdrage en – zoals de man terecht stelt – is de rechter in de bodemprocedure daaraan niet gebonden. De voorlopige bijdrage is vastgesteld zonder inzage in de financiële positie van partijen. Het hof acht het gerechtvaardigd dat een bijdrage wordt vastgesteld die daar wel mee strookt. Gebleken is dat de man tot op heden niets heeft betaald van de opgelegde kinderalimentatie door de rechtbank zodat de vrouw zich niet geconfronteerd ziet met een terugbetalingsverplichting.
Behoefte
De behoefte van de kinderen is niet meer in geschil, aangezien de man zijn grief ten aanzien van de behoefte heeft ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling.
De behoefte van de kinderen bedraagt € 1.365,-- per maand in 2020. Geïndexeerd naar 2023 is de behoefte € 1.481,-- per maand.
Draagkracht van de man
Inkomen
Partijen verschillen van mening met welk inkomen aan de kant van de man gerekend dient te worden.
De vrouw stelt dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven en houdt het ervoor dat hij een inkomen kan genereren van € 99.257,-- bruto per jaar, bestaande uit een te verwachten winst uit onderneming van zijn eenmanszaak van € 36.273,-- bruto per jaar, inkomsten uit [bedrijf 1] b.v. van € 27.984,-- bruto per jaar en € 35.000,- bruto per jaar zijnde de inkomsten uit de verkoop van een paar aandelen in [bedrijf 2] b.v. in 2025.
De man voert verweer en stelt in zijn stukken dat hij in 2023 een inkomen genoot van € 33.076,-- bruto per jaar minus een verlies uit onderneming van € 1.100,-- bruto per jaar en in 2024 een winst uit onderneming van € 36.273,--. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij verwacht dat zijn inkomen in 2025 vergelijkbaar zal zijn met genoemd inkomen dat hij in 2024 heeft gegenereerd, te weten € 36.273,-- bruto per jaar.
Wat het inkomen van de man betreft, overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat de man zijn inkomsten voor een groot deel heeft gegenereerd als ondernemer. Uit de overgelegde aangiftes IB van de afgelopen jaren blijkt dat het inkomen van de man per jaar fluctueert:
-
2020: € 41.678,-- bruto (inkomen uit [bedrijf 3] b.v., [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , productie 2 van de man);
-
2021: € 91.091,-- bruto (inkomsten uit [bedrijf 3] b.v., productie 24 van de man);
-
2022: € 104.059,-- bruto (inkomsten uit [bedrijf 3] b.v., productie 21 van de man);
-
2023: € 33.076,-- bruto (inkomsten uit [bedrijf 3] b.v. en een verlies uit eenmanszaak [eenmanszaak] , productie 22 van de man);
-
2024: € 36.273,-- bruto (inkomsten uit eenmanszaak [eenmanszaak] productie 32 van de man).
Zoals uit het bovenstaande blijkt, heeft de man in de jaren 2021 en 2022 hogere inkomsten genoten dan in de hierboven vermelde andere jaren. De jaren 2020, 2023 en 2024 laten een gemiddeld bruto jaarinkomen van om en nabij € 37.000,-- zien. Gelet hierop vindt het hof het niet reëel om uitsluitend uit te gaan van het meest recente jaarinkomen, nu dit geen stabiel en representatief beeld geeft van de duurzame verdiencapaciteit van de man. Hetzelfde geldt voor het door de vrouw gestelde, te weten dat uitgegaan zou moeten worden van een inkomen van € 99.257,-- bruto per jaar. De man heeft voldoende onderbouwd gesteld dat hij door zijn huidige werkzaamheden voor [bedrijf 1] b.v., het statiegeldproject, minder tijd heeft om inkomsten te genereren uit zijn eenmanszaak [eenmanszaak] . Ook vindt het hof het niet redelijk om jaarlijks aanvullend rekening te houden met de verkoop van aandelen uit zijn onderneming [bedrijf 2] b.v. van een bedrag ter hoogte van € 35.000,--. Dit zijn incidentele inkomsten die de man naar verwachting niet elk jaar zal genieten. Het hof acht het, mede gelet op de jaren waarin de man een hoog inkomen genoot (in 2021 en 2022) en het gemiddelde van de inkomsten van € 37.000,-- bruto per jaar over een langere periode (2020, 2023, 2024 en het door de man verwachte inkomen in 2025), redelijk en billijk om voor de berekening van zijn draagkracht uit te gaan van een afgerond bruto jaarinkomen van € 40.000,--. Hiermee wordt enerzijds rekening gehouden met teruglopende resultaten in de laatste jaren en anderzijds met de structurele mogelijkheden van de man als ondernemer. Voor zover dit jaarlijkse inkomen het inkomen van de man in de afgelopen jaren overstijgt, mag van hem worden verwacht dat hij dit aanvult met de opbrengst uit de verkoop van de aandelen.
Het hof berekent het netto besteedbaar inkomen van de man in 2023 op een bedrag van € 3.123,-- per maand (zie de aangehechte berekening).
Schulden
Voor zover de man verzoekt rekening te houden met de door hem gestelde schulden, overweegt het hof als volgt. De man stelt dat hij schulden heeft, waaronder een huurachterstand en belastingschulden, ter onderbouwing waarvan hij een overzicht van belastingachterstanden (zie productie 38 en 40) en een aantal rekeningafschriften (productie 49) heeft overgelegd. Deze stukken geven echter onvoldoende onderbouwing. Productie 38 ziet enkel op belastingachterstanden van [bedrijf 3] b.v. Productie 40 ziet wel op een belastingachterstand van de man zelf, maar voor het hof is niet duidelijk of deze schulden nog steeds bestaan en of deze schulden vermijd- en/of verwijtbaar zijn. Dat geldt eveneens voor de gestelde huurachterstand. Uit de overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt hoe hoog deze schuld was en is, hoe deze schuld is ontstaan of deze inmiddels volledig is afbetaald en door wie de betalingen aan Elan Wonen zijn verricht. De man heeft immers zelf tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de schulden die hij heeft (voor een deel) afgelost worden met het geld dat hij heeft ontvangen uit de verkoop van de aandelen van [bedrijf 2] b.v. Daarmee zouden de schulden in ieder geval vermijdbaar kunnen zijn.
Nu deze schulden op onvoldoende zijn aangetoond en evenmin is gebleken dat deze noodzakelijk zijn aangegaan ziet het hof geen aanleiding om hiermee bij de vaststelling van de draagkracht rekening te houden.
Woonbudget
Partijen verschillen van mening of uitgegaan dient te worden van de werkelijke hogere woonlast van de man of van het woonbudget, hetgeen het uitgangspunt is.
De man stelt dat zijn feitelijke woonlasten (€ 1.398,- in 2023, thans € 1.600,-) hoger zijn dan het woonbudget (€ 937,-) en verzoekt het hof hiermee rekening te houden bij het bepalen van zijn draagkracht. Het hof ziet echter geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. Het uitgangspunt is dat bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie aansluiting wordt gezocht bij de forfaitaire woonlast. Daarbij wordt voorkomen dat keuze-afhankelijk of bovenmatige lasten voor rekening van de kinderen komen. Bovendien is gebleken (zie hierna onder 5.23) dat beide partijen onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien. Indien het hof rekening zou houden met de door de man gestelde hogere woonlasten, zou dit betekenen dat het aandeel dat hij kan bijdragen in de kosten van de kinderen lager wordt. Dit vindt het hof, gelet op het uitgangspunten dat de belangen van de kinderen voorop staan, niet wenselijk. Dat de man bij toepassing van het woonbudget relatief meer bijdraagt maakt dit niet anders. De gevolgen van de door hem gekozen of door hem te dragen hogere woonlasten kunnen in deze omstandigheden niet op de kinderen worden afgewenteld. Het hof gaat daarom uit van het woonbudget.
Conclusie
Gelet op het voorgaande berekent het hof de draagkracht van de man op een bedrag van (70% [3.123 – (0,3 x 3.123 + 1.175)] = € 708,-- per maand.
Draagkracht van de vrouw
Inkomen
Voor het inkomen van de vrouw volgt het hof de draagkrachtberekening van de vrouw. De vrouw heeft gerekend met haar gemiddelde inkomen uit 2022 tot en met 2024 van € 30.500,-- bruto per jaar. Ook de man heeft in zijn draagkrachtberekening gerekend met een soortgelijk bedrag. Voor (huur)inkomsten uit vermogen aan de zijde van de vrouw, zoals de man heeft gesteld, ziet het hof geen aanleiding. Aangezien het hof uitgaat van een andere ingangsdatum namelijk 2023, zal het hof een nieuwe draagkrachtberekening maken met de tarieven van 2023.
Uit de aangehechte berekening volgt dat de vrouw een netto besteedbaar inkomen heeft in 2023 van € 3.051,-- per maand.
Schulden
Voor wat betreft de schulden, zal het hof de door de vrouw aangevoerde schulden buiten beschouwing laten. De vrouw heeft deze schulden niet, althans onvoldoende onderbouwd. Alhoewel de vrouw een aantal stukken heeft overgelegd (productie 14 eerste aanleg, productie 33 en productie 39) waaruit de schulden zouden moeten blijken, is dit onvoldoende om de gestelde schulden mee te nemen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet wat de exacte hoogte is van de schulden, of de schulden nog steeds bestaan en wat de noodzaak is van deze schulden. Zonder voldoende informatie kan het hof niet beoordelen of het redelijk is om met deze schulden rekening te houden bij de berekening van de draagkracht van de vrouw.
Ook de huurschuld van € 735,-- waarop € 105,-- per maand zou worden afgelost en waar in eerste aanleg rekening mee is gehouden, wordt niet meegenomen. Het hof zal als ingangsdatum immers uitgaan van 23 juni 2023. Destijds had de vrouw de huurachterstand niet. Bovendien heeft de huurschuld slechts voor een korte periode (november 2024 tot juni 2025) op het inkomen van de vrouw gedrukt. Het hof vindt het daarom niet redelijk dat deze schuld – gelet op de zeer tijdelijke duur daarvan – structureel drukt op haar draagkracht.
Woonbudget
De man stelt dat bij de draagkrachtberekening van de vrouw rekening gehouden dient te worden met de lagere werkelijke woonlasten van de vrouw. Uit hetgeen de man stelt begrijpt het hof dat de man het onredelijk vindt dat het tekort in draagkracht door beide partijen wordt gedragen. Om dit te voorkomen dient uitgegaan te worden van de lagere woonkosten van de vrouw.
Het hof volgt de man echter niet en zal rekenen met het woonbudget. Volgens de aanbevelingen in het Rapport alimentatienormen wordt in beginsel uitgegaan van een forfaitair woonbudget, ongeacht de feitelijke hoogte van de woonlasten. Dit systeem beoogt uniformiteit en voorspelbaarheid te waarborgen. Nu de man geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan toepassing van het forfaitaire woonbudget aan de zijde van de vrouw onredelijk zou zijn, ziet het hof geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het hof zal daarom uitgaan van het woonbudget en niet met de werkelijke lagere woonlasten van de vrouw.
Conclusie
Gelet op het voorgaande berekent het hof de draagkracht van de vrouw in 2023 op een bedrag (70% [3.051 – (0,3 x 3.051 + 1.175)] =) € 673,-- per maand.
Draagkrachtvergelijking
Nu de draagkracht van partijen onvoldoende is (€ 708 + € 673 =) € 1.381,--, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.
Zorgkorting
Net als de rechtbank zal het hof rekenen met een zorgkorting van 35%, nu partijen de zorg voor de kinderen bij helfte dragen. De man heeft recht op een zorgkorting van € 518,-- per maand.
Aangezien er een tekort aan draagkracht is van (€ 1.481 - € 1.381 =) € 100,-- per maand, dient dit tekort gelijk over partijen verdeeld te worden. Dit betekent € 50,-- voor ieder van partijen. De man kan slechts een zorgkorting verzilveren van (€ 518 - € 50 =) € 468,-- per maand.
Conclusie
Het hof berekent dat de man een bijdrage aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen van (€ 708 - € 468 = € 240,-- per maand / 2 kinderen =) € 120,-- per kind per maand, met ingang van 23 juni 2023. Gelet op het verzoek van de vrouw zal het hof bepalen dat de bijdrage met ingang van 1 januari 2024 wordt geïndexeerd.
Bijzondere verblijfsoverstijgende kosten
Het hof zal het verzoek van de vrouw, dat de bijzondere verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen gelijk over partijen verdeeld moeten worden, afwijzen. Het hof ziet geen wettelijke grond om deze verplichting, naast de vast te stellen kinderalimentatie, aan de man op te leggen.
Veroordeling proceskosten
In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling, om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten doorgaans worden gecompenseerd, dus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat er voor een proceskostenveroordeling evident sprake dient te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van een wederpartij. Het hof is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van zo'n uitzonderlijk geval. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de kosten van deze procedure afwijzen en de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
6De beslissing
Het hof:
In het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking van 13 februari 2025 en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat de man € 120,-- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met ingang van 23 juni 2023, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2024 wordt geïndexeerd, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. J.M. van Baardewijk en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. L de Goei als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
