Essentie (gemaakt door AI)
Meerderjarigenbescherming. Bekrachtiging afwijzing verzoeken om bewind en mentorschap over Amerikaanse kind in te stellen en moeder als bewindvoerder en mentor te benoemen. Nederlandse rechter neemt rechtsmacht aan en past Nederlands recht toe; anticiperende toepassing Haags Volwassenbeschermingsverdrag 2000 (ECLI:NL:HR:2018:147), VS geen partij, kind had t.t.v. inleidend verzoek gewone verbijfplaats in Nederland. Nederlands bewind en/of mentorschap is i.c. niet het meest geëigend; deze maatregel(en) dienen niet om contact tussen moeder en kind te herstellen.| Datum publicatie | 05-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.353.324/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; Meerderjarigenbescherming |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Rechtsmacht en toepasselijk recht met betrekking tot het instellen van bewind en mentorschap over een jongmeerderjarige die inmiddels in het buitenland woont. Anticiperende toepassing van het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen van 13 januari 2000. Gewone verblijfplaats. Uitvoerbaarheid van Nederlandse beschermingsmaatregel. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.324/01
zaaknummers rechtbank: 1121 1485 EB VERZ 24-8789 / 1121 1514 EB VERZ 24-8790
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.C. Rosier te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. P.J. Montanus te Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
- [kind 1] (hierna: [kind 1] ), geboren [in] 2006, bijgestaan door mr. L.W. Castelijns, advocaat te Amsterdam.
1De zaak in het kort
De zaak gaat allereerst over de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is. Daarnaast is aan de orde of het noodzakelijk is om bewind in te stellen over - kort samengevat - de goederen van [kind 1] en ook of het noodzakelijk is om ten behoeve van [kind 1] een mentorschap in te stellen.
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft in een beschikking van 9 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de verzoeken van de moeder om [kind 1] primair onder curatele te stellen en haar als curator te benoemen en subsidiair een bewind en mentorschap over [kind 1] in te stellen en haar als bewindvoerder en mentor te benoemen, afgewezen.
De moeder is het daarmee niet eens en vindt dat zij alsnog als curator, dan wel bewindvoerder en mentor moet worden benoemd over [kind 1] . De vader is van mening dat de kantonrechter zich onbevoegd had moeten verklaren. Indien de Nederlandse rechter wel bevoegd is, had het recht van de staat [plaats] van toepassing moeten worden verklaard.
2De procedure in hoger beroep
De moeder is op 9 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader heeft op 12 juni 2025 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend.
De moeder heeft op 16 juli 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 11 september 2025 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 12 september 2025 met bijlagen.
De zitting heeft op 22 september 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door M.G..A. Bink, tolk in de Engelse taal;
- de advocaat van [kind 1] .
[kind 1] was niet ter zitting aanwezig.
Mr. Rosier en mr. Montanus hebben ieder de zaak toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
3De feiten
[kind 1] is geboren [in] 2006 te [plaats A] . De ouders hebben een relatie gehad van 2004 tot eind 2010. Daarnaast hebben de ouders nog een zoon, te weten [kind 2] , geboren [in] 2009.
De vader [in] 2013 gehuwd met zijn nieuwe partner. Zij zijn de ouders van [kind 3] , geboren [in] 2016. De moeder heeft ook een nieuwe partner.
De vader heeft de Amerikaanse en de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. [kind 1] heeft de Amerikaanse en de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te mogen verhuizen naar [plaats B] in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) afgewezen. Deze beslissing is bij beschikking van dit hof van 22 februari 2022 bekrachtigd.
[kind 1] verblijft sinds augustus 2024 in de VS.
4De omvang van het hoger beroep
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de verzoeken van de moeder om [kind 1] primair onder curatele te stellen en haar als curator te benoemen en subsidiair een bewind en mentorschap over [kind 1] in te stellen en haar als bewindvoerder en mentor te benoemen, afgewezen.
Principaal hoger beroep
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog haar inleidende verzoeken toe te wijzen. In aanvulling daarop verzoekt zij subsidiair een professionele curator over [kind 1] te benoemen, dan wel [kind 1] onder bewind te stellen van een professionele bewindvoerder en de moeder te benoemen als mentor van [kind 1] . Meer subsidiair- zo begrijpt het hof - verzoekt zij [mentor] (mede) als mentor te benoemen.
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel haar beroep af te wijzen.
Incidenteel hoger beroep
De vader verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking en in zoverre opnieuw rechtdoende, zich onbevoegd te verklaren om van de zaak kennis te nemen. Voor zover het hof zich wel bevoegd zou achten, verzoekt hij het recht van de staat [plaats] van toepassing te verklaren op de verzoeken van de moeder.
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader in incidenteel hoger beroep af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
Ingetrokken verzoek
De moeder heeft haar primaire verzoek om [kind 1] onder curatele te stellen en haar als curator te benoemen ter zitting in hoger beroep ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.
Rechtsmacht
Het hof dient eerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is van de verzoeken tot het instellen van een bewind en mentorschap kennis te nemen gezien het internationale karakter van deze zaak. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat bij gebreke van een voor Nederland geldende internationale regeling de meerderjarigenbescherming wordt beheerst door het commune internationaal privaatrecht, zowel wat betreft de rechtsmacht als wat betreft het toepasselijke recht. Het commune internationale privaatrecht bevat geen specifieke regeling voor kwesties betreffende meerderjarigenbescherming (met uitzondering van artikel 10:11 van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien waarvan de regering voorrang van het HVV 2000 erkent). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in een zaak waarin het gaat om meerderjarigenbescherming in voorkomend geval ruimte bestaat voor anticiperende toepassing van het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen van 13 januari 2000 (Trb. 2000, 10 en Trb. 2008, 139), ook wel genoemd het Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000, (hierna: HVV 2000), zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:147, NJ 2018, 409. Dit Verdrag is weliswaar op 13 januari 2000 ondertekend, maar tot op heden niet geratificeerd. De wetgever heeft desondanks in Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met artikel 10:115 BW al wel een bepaling gereserveerd waarin zal worden verwezen naar het HVV 2000. Het hof acht termen aanwezig om in deze zaak in beginsel het HVV 2000 anticiperend toe te passen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 5 lid 1 HVV 2000 zijn de gerechtelijke of administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waar de volwassene zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van diens persoon of vermogen.
Aangezien het begrip gewone verblijfplaats in het HVV 2000 niet nader is gedefinieerd moet aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld waar [kind 1] ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek zijn gewone verblijfplaats had. Daarbij moet onder meer worden gekeken naar de duur, regelmaat, intentie van het verblijf op het grondgebied van een staat, verhuizing van een volwassene naar een staat, en de familiale en sociale banden met die staat.
Naar het oordeel van het hof had [kind 1] ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek (11 juli 2014) zijn gewone verblijfplaats in Nederland. Hij was toen nog minderjarig. Er was een zorgregeling waarbij hij afwisselend bij beide ouders verbleef. Hij stond ingeschreven bij de moeder. Verder staat vast dat [kind 1] in Nederland is opgegroeid en naar school is gegaan, behoudens een onderbreking van een jaar waarbij hij vanaf juli 2020 tot en met augustus 2021 in de VS naar school is gegaan. In augustus 2024 is [kind 1] met de vader op vakantie gegaan naar de VS - toen nog met de gedachte na de vakantie in Nederland naar dagbesteding te gaan - en daarna is hij niet meer teruggekeerd naar Nederland. Op grond van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat [kind 1] op 11 juli 2024 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Dat [kind 1] op het moment dat hij 18 jaar werd (1 oktober 2024) bij zijn opa en oma in de VS verbleef maakt niet dat daarmee zijn gewone verblijfplaats al was gewijzigd. Hij stond ook toen nog ingeschreven in Nederland, en op dat moment was het nog onduidelijk of hij zou worden toegelaten tot de school [school] (hierna: [school] ) in [plaats] .
Het moet ervoor worden gehouden dat [kind 1] inmiddels zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten ( [plaats] ) heeft. Hij is in januari 2025 begonnen op [school] en woont kennelijk (enigszins) in de buurt daarvan. Die situatie bestaat inmiddels al bijna een jaar. De advocaat van [kind 1] heeft op de zitting verklaard dat [kind 1] tot zijn 21e op de school kan blijven en dat [kind 1] dat ook wil. Hij heeft het naar zijn zin, hij heeft zijn vrienden en zijn sociale activiteiten aldaar, en hij geeft aan dat hij er wil blijven (zie verder voor het standpunt namens [kind 1] hieronder rechtsoverweging 5.12). De moeder heeft verklaard de wens van [kind 1] om tot zijn 21e bij [school] te blijven te zullen respecteren.
Het tweede lid van artikel 5 HVV 2000 bepaalt dat in geval van verplaatsing van de gewone verblijfplaats van de volwassene naar een andere Verdragsluitende Staat, de autoriteiten van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd zijn, maar die bepaling mist toepassing aangezien de Verenigde Staten geen partij zijn bij het HVV 2000.
Het toelichtend verslag bij het HVV 2000, opgesteld door [naam] , vermeldt (randnummer 52) met betrekking tot de verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar een niet bij het HVV 2000 aangesloten staat onder meer het volgende:
“(…) In het geval van een verplaatsing van de gewone verblijfplaats van een Verdragssluitende Staat naar een niet-Verdragssluitende Staat is artikel 5 niet langer van toepassing vanaf het tijdstip van verplaatsing, en er is niets dat krachtens het nationale procesrecht behoud van bevoegdheid kan voorkomen door de autoriteiten van de Verdragssluitende Staat van de eerste gewone verblijfsplaats waar de zaak aanhangig is gemaakt (...)’
Zowel de moeder (inleidend verzoekster) als [kind 1] (belanghebbende) hadden ten tijde van het inleidend verzoek (en overigens ook nog op het tijdstip dat [kind 1] meerderjarig werd) hun gewone verblijfplaats in Nederland. Op grond van het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht heeft de Nederlandse rechter dan ook rechtsmacht om van het verzoek kennis te nemen. Er bestaat geen grond om daarvan af te wijken.
Dat op 28 november 2024 door de moeder een aanvullende verzoek tot ondercuratelestelling van [kind 1] is ingediend, leidt niet tot een andere beslissing.
Het hof acht zich dan ook, evenals de rechtbank, bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Hetgeen overigens door de vader is aangevoerd met betrekking tot de rechtsmacht leidt niet tot een ander oordeel.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 13 lid 1 HVV 2000 past de bevoegde rechter bij de uitoefening van de bevoegdheid om maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van volwassenen die vanwege een stoornis in of ontoereikendheid van hun persoonlijke vermogens niet in staat zijn hun belangen te behartigen en ter bescherming van diens vermogen, zijn eigen recht toe.
Anders dan de vader bepleit, bestaat onvoldoende aanleiding om met toepassing van artikel 13, lid 2 HVV 2000, het recht van de staat [plaats] toe te passen.
Mede gelet op hetgeen de vader heeft aangevoerd over de inhoud van dat recht, en in het bijzonder de consequenties van het niet overleggen van twee medische verklaringen bij het inleidende verzoek tot het instellen van een ‘guardianship’, is onvoldoende gebleken dat met toepassing van of met het rekening houden met het recht van [plaats] de bescherming van [kind 1] of diens vermogensrechtelijke belangen beter worden gediend dan met toepassing van Nederlands recht. In dit verband is van belang dat [kind 1] , om toegelaten te worden tot [school] , is onderzocht, althans testen heeft moeten maken en dat daarvan kennelijk een rapport/verslag is opgemaakt. Noch de vader, noch [kind 1] heeft dat recente rapport overgelegd. De moeder heeft op dit moment geen enkel contact met [kind 1] en het moet ervoor worden gehouden dat zij thans geen mogelijkheden (meer) heeft om zelf recente medische verklaringen ten aanzien van [kind 1] over te leggen.
De vader heeft zijn verzoek tot toepassing van het recht van [plaats] verder niet onderbouwd.
Hetgeen de vader heeft aangevoerd over een rechtskeuze op grond van artikel 15 HVV 2000 kan, wat daar verder ook van zij, buiten bespreking blijven. Onvoldoende is komen vast te staan dat [kind 1] uitdrukkelijk en schriftelijk een rechtskeuze heeft gedaan.
Het hof ziet, concluderend, dan ook onvoldoende aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat de bevoegde rechter het eigen recht toepast. Om die reden zal het hof bij de beoordeling van de verzoeken het Nederlands recht toepassen.
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de rechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Uit artikel 1:450, eerste lid, BW volgt dat de rechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap kan instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
De standpunten van partijen
De moeder stelt dat aan de gronden voor bewind en mentorschap is voldaan. [kind 1] heeft een autistische stoornis en een verstandelijke beperking. [kind 1] is volgens de moeder daarnaast zwaar beïnvloedbaar en niet in staat om de gevolgen te overzien van besluiten die hij neemt.
De moeder maakt zich zorgen over het verblijf van [kind 1] in de VS zonder goede ondersteuning. Zij weet niet waar [kind 1] woont en kan geen contact met hem krijgen. Het is daarom zaak dat er toezicht wordt gehouden op het welzijn van [kind 1] en de situatie waarin hij verkeert. De enige wijze om dat te bewerkstelligen is een bewind en mentorschap in Nederland, aldus de moeder.
De moeder wenst in de eerste plaats zelf te worden benoemd tot bewindvoerder en mentor en subsidiair stelt zij een professionele bewindvoerder voor en zichzelf als mentor en meer subsidiair - zo begrijpt het hof - [mentor] als (mede)mentor.
De moeder stelt dat een bewind en mentorschap wel degelijk praktisch uitvoerbaar zijn vanuit Nederland, omdat zowel de vader als de moeder hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Bovendien is het belangrijk dat iemand de zaken voor [kind 1] kan regelen, zoals het stopzetten van de toeslagen in Nederland. Daarbij komt, zo stelt de moeder, dat de verzochte beschermingsmaatregelen door haar prima op afstand kunnen worden uitgevoerd. Zij kent de samenleving in de VS goed, is tweetalig, heeft 9 jaar in [plaats C] gewoond en beschikt over een master diploma van Columbia University. Zij kan regelmatig heen en weer reizen.
De vader betwist dat aan de gronden voor bewind en mentorschap is voldaan. Hij bestrijdt dat [kind 1] niet in staat is voor zichzelf keuzes te maken en om de consequenties daarvan te overzien. De moeder handelt volgens de vader niet in het belang van [kind 1] door de aanhoudende stroom aan procedures, maar ook door contact te zoeken met het schooldistrict en te zeggen dat [kind 1] is ontvoerd en zich in een onveilige situatie bevindt. [kind 1] voelt zich daardoor opgejaagd en is bang om door zijn moeder te worden weggehaald uit de VS. Dit staat herstel van het contact met de moeder in grote mate in de weg. Op dit moment wil [kind 1] geen contact met zijn moeder. Een meerderjarigenbeschermingsmaatregel is niet bedoeld om contact tussen [kind 1] en de moeder te herstellen. Volgens de vader worden de zaken in Nederland netjes afgehandeld.
Bovendien is [kind 1] momenteel voldoende beschermd in de VS en zijn er dus geen gronden om een Nederlandse meerderjarigenbeschermingsmaatregel te bepalen. Daarbij komt dat het toezicht op de uitvoerig van een maatregel in Nederland voorts wordt uitgeoefend door de kantonrechter van de gewone verblijfplaats van de volwassene. Nu de gewone verblijfplaats van [kind 1] in de VS is, zal er in Nederland geen kantonrechter bevoegd zijn om toezicht te houden op de Nederlandse bewindvoerder en mentor. Een maatregel is dan ook niet uitvoerbaar in Nederland, aldus de vader.
De advocaat van [kind 1] voert aan dat het opleggen van een maatregel niet in het belang van [kind 1] is. Op dit moment is alles goed geregeld voor [kind 1] . Hij woont op zichzelf en gaat vijf dagen per week met de schoolbus naar [school] . Aan het einde van de schooldag wordt hij door de schoolbus thuisgebracht. Het is in zijn belang dat hij naar deze school kan blijven gaan. Hij wast en kookt zelf. Hij heeft een bijbaantje in een muziekwinkel. Vier keer per week komt er een “caretaker” langs die hem helpt met schoonmaken, zijn koelkast naloopt en kijkt of er genoeg boodschappen in huis zijn. Ook komt er wekelijks iemand van de gemeente langs. Er is intensieve begeleiding. Ook wonen er twee juffen van [school] vlakbij. Hij gaat elke zondag naar de kerk. Daarnaast spreekt hij in het weekend af met vrienden van school. [kind 1] kan tot zijn eenentwintigste blijven bij [school] . Hij spreekt zijn vader, stiefmoeder en broertjes iedere dag via een online verbinding. Hij mist zijn moeder wel, maar hij wil geen contact met haar totdat ze stopt met procederen. Hij is bang dat zijn moeder hem uit de VS weg wil halen.
Oordeel van het hof
Vast staat dat [kind 1] is gediagnosticeerd met een autistische stoornis. Daarnaast is op grond van de inhoud van het dossier en het ter zitting besprokene voldoende komen vast te staan dat hij licht verstandelijk beperkt is. In de onder 3.4 vermelde beschikking van 22 februari 2022 is als vaststaand feit reeds vermeld dat (tevens) sprake is van dyslexie en dyscalculie. Hoewel partijen verschillen van mening over de hoogte van het IQ van [kind 1] , de mate waarop hij beïnvloedbaar en zelfredzaam is en in hoeverre hij in staat is zelf zijn eigen keuzes te maken en de consequenties daarvan te overzien, is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat op zichzelf aan de wettelijke gronden voor het instellen van een bewind en het instellen van een mentorschap ten behoeve van [kind 1] wordt voldaan. [kind 1] is als gevolg van zijn geestelijke handicap niet in staat ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Evenmin is hij als gevolg van zijn geestelijke toestand duurzaam in staat - of wordt hij bemoeilijkt - zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het instellen van een Nederlands bewind en/of een Nederlands mentorschap onder de gegeven omstandigheden de meest geëigende maatregel is.
Met betrekking tot de vermogensrechtelijke belangen in Nederland is gebleken dat die op dit moment weinig tot geen aandacht meer vergen. [kind 1] heeft geen inkomsten in Nederland, zijn toeslagen zijn stopgezet, het PGB is afgehandeld, en er loopt geen WLZ. Verder is niet gebleken dat [kind 1] naast een bankrekening bij de ING die de moeder voor hem heeft geopend, op dit moment nog andere vermogensbestanddelen in Nederland heeft die beheerd moeten worden. De vader heeft toegelicht hoe de financiering van school, huisvesting en het dagelijks leven van [kind 1] in de VS zijn geregeld. [kind 1] beschikt niet over een bankrekening met spaarsaldo (anders dan enkele honderden dollars). Er bestaat onvoldoende grond aan de juistheid van de gegeven toelichting te twijfelen. Hoewel vraagtekens kunnen worden gezet bij de wijze van totstandkoming van de door [kind 1] op 11 november 2024 ondertekende power of attorney, gaat het hof in deze procedure uit van de geldigheid ervan. Op grond van de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap (randnummer B.A6) treedt de rechter terughoudend op met het uitspreken van curatele, bewind of mentorschap als betrokken in een levenstestament of volmacht hierover zelf regelingen heeft getroffen. De afgegeven power of attorney biedt de nodige waarborgen dat vermogensrechtelijke belangen van [kind 1] door anderen kunnen worden behartigd voor zover hij daartoe zelf niet in staat is.
Het hof constateert verder dat het er op lijkt dat overigens voor [kind 1] voldoende is geregeld in de VS. Volgens zijn eigen advocaat gaat het goed met [kind 1] . Sinds januari 2025 gaat hij vijf dagen per week naar [school] , waar hij met de schoolbus naartoe gaat. Zijn vader regelt zijn financiële zaken. [kind 1] woont zelfstandig in [plaats] . Hij ontvangt een “social security”-uitkering, een vergoeding voor zijn wekelijkse boodschappen en een subsidie voor de woonkosten en hij heeft een zorgverzekering. Vier keer in de week komt er een “caretaker” langs en één keer per week iemand van de gemeente. De jeugdbescherming in de VS en de school hebben geen zorgen over [kind 1] . Het beeld dat het hof heeft van de situatie waarin [kind 1] verkeert, is niet van dien aard dat een Nederlandse bewindvoering en/of mentorschap noodzakelijk geacht worden. Hoewel het hof ziet dat er ook kwetsbaarheden bestaan, is het verder aan de Amerikaanse instanties en de school om te signaleren en om in te grijpen, mocht dat nodig zijn.
Het hof onderschrijft hetgeen de kantonrechter heeft overwogen over de effectiviteit en uitvoerbaarheid van een in Nederland uitgesproken bewind en mentorschap in [plaats] . In dit verband is van belang dat [kind 1] , een Amerikaan die in de Verenigde Staten woont, daar naar school gaat, en daar zijn sociale leven heeft, naar verwachting ook de komende jaren nog in de Verenigde Staten zal blijven wonen.
Het hof begrijpt de zorgen van de moeder dat zij geen contact heeft met [kind 1] en geen zicht heeft op zijn welzijn. Echter is een Nederlandse beschermingsmaatregel niet bedoeld om contact tussen de moeder en [kind 1] weer mogelijk te maken. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.
Ten overvloede overweegt het hof dat het voor [kind 1] van belang is dat hij in de toekomst weer zorgeloos contact kan hebben met zijn moeder. Verder is duidelijk dat de moeder zich zorgen maakt over [kind 1] , dat zij hem mist en dat het haar meer rust zou geven als zij zelf zou kunnen zien dat het goed gaat met [kind 1] , dat zij geïnformeerd wordt, en dat ook zij er voor hem kan zijn. Het is aan partijen om samen met [kind 1] daarover afspraken te maken om het contact weer tot stand te brengen.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
