Essentie (redactie)
Rechtbank houdt bij beide partijen rekening met de werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget. De man heeft duurzaam aanmerkelijk lagere woonlasten, de vrouw hogere woonlasten. Zonder deze correctie voorzien partijen namelijk niet volledig in de behoefte van de kinderen. Haar hogere woonlast is niet te vermijden en niet te verwijten en kan ook niet elders in het budget kan worden gecompenseerd. Bij de vrouw rekent de rechtbank met een (fictieve) verdiencapaciteit.
| Datum publicatie | 30-12-2025 |
| Zaaknummer | C/08/332592 / FA RK 25-1136 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Almelo |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Woonlasten bij kinderalimentatie (forfaitair) |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kinderalimentatie wijzigen met terugwerkende kracht. Fictieve verdiencapaciteit voor de vrouw. Rekening gehouden met werkelijke woonlasten in plaats van woonbudget, zowel voor de man (duurzaam aanmerkelijk lagere woonlasten) als voor de vrouw (hogere woonlasten).Volledige uitspraak
Familierecht
locatie Almelo
zaaknummer: C/08/332592 / FA RK 25-1136
Beschikking van 18 december 2025
in de zaak van:
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A.S.M. Oude Breuil,
tegen
[de man] ,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. G. van Lent.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 1 mei 2025;
-
het verweerschrift (met bijlagen) met een zelfstandige verzoek, binnengekomen op
25 juni 2025;
-
de reactie op het zelfstandige verzoek, binnengekomen op 21 augustus 2025;
-
de brief van mr. Oude Breuil (met bijlage), binnengekomen op 12 november 2025;
-
de akte producties van mr. Van Lent (met bijlagen), binnengekomen op 13 november 2025;
-
de brief van mr. Oude Breuil (met bijlagen), binnengekomen op 20 november 2025;
-
de brief van mr. Van Lent (met bijlagen), binnengekomen op 24 november 2025.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 25 november 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Mr. Van Lent heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd.
De vrouw heeft haar standpunt op papier gezet en voorgelezen, welke aantekeningen eveneens aan het dossier zijn toegevoegd.
2De feiten
De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest.
Zij hebben samen de navolgende kinderen:
[kind 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2013, verder te noemen: [kind 1] ;
[kind 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2015, verder te noemen: [kind 2] .
Eerder heeft deze rechtbank op 6 oktober 2023 de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken en bepaald dat de inhoud van de aangehechte
vaststellingsovereenkomst/het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. De over en weer ingediende verzoeken tot vaststelling van een bedrag aan kinderalimentatie zijn in die beschikking afgewezen wegens het ontbreken van voldoende draagkracht.
Op 25 november 2024 heeft deze rechtbank het bij beschikking van 6 oktober 2023 aangehechte ouderschapsplan/de vaststellingsovereenkomst van
8 maart 2023 gewijzigd en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vrouw zal zijn. Tevens is in die beschikking de in het ouderschapsplan/de vaststellingsovereenkomst van 8 maart 2023 opgenomen zorg- en contactregeling gewijzigd en is de volgende zorg- en contactregeling vastgesteld:
- tussen de vader en [kind 1] en [kind 2] is eens per veertien dagen omgang van
zaterdag 10:00 uur tot maandag voor school, zijnde 8:30 uur;
- indien voor de man mogelijk zal tussen de vader en [kind 1] en [kind 2] eens per
veertien dagen omgang plaatvinden van vrijdag na school tot maandag voor school, zijnde 8:30 uur. De vader levert hiervoor twee maanden van tevoren zijn werkrooster aan bij de moeder;
- indien gewenst mogen [kind 1] en [kind 2] in onderling overleg tussen de ouders
een uur alleen thuisblijven bij de man op vrijdagmiddag na school;
- [kind 1] en [kind 2] verblijven tijdens de zomervakantie twee weken, tijdens de kerstvakantie één week en tijdens de meivakantie één week bij de man;
- de ouders maken in onderling overleg andere afspraken indien de omgang niet
op de afgesproken dagen en tijden kan plaatsvinden.
3Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad:
- de beschikking van deze rechtbank van 6 oktober 2023 en het daarvan onderdeel
uitmakende ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen/vast te stellen dat de man met
ingang van 1 januari 2024, dan wel met ingang 25 november 2024 dan wel met ingang
van de datum indiening verzoekschrift, een bijdrage dient te leveren in de kosten van
verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met een bedrag van € 167,- per kind
per maand tot aan 2025 en vanaf 2025 met een bedrag van € 178,- per kind per maand
telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand aan de vrouw te voldoen, dan
wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- dan wel een zodanig bedrag aan kinderalimentatie op te leggen, met ingang van een
zodanige datum die de rechtbank rechtvaardig en in het belang van de kinderen
acht.
De vrouw heeft haar verzoek op 20 november 2025 vermeerderd voor de
periode vanaf 1 januari 2025 en verzoekt de kinderalimentatie vanaf die datum vast te
stellen op € 195,- per kind per maand, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede
justitie te bepalen.
4Het verweer met een zelfstandig verzoek
De man verzoekt de rechtbank, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, het verzoek van de vrouw als niet ontvankelijk en/of ongegrond af te wijzen,
dan wel de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te wijzigen in een
bedrag van maximaal € 33,- per maand voor beide kinderen (op basis van de
verdiencapaciteit van de vrouw in 2022) dan wel op maximaal € 312,- per maand voor
beide kinderen (op basis van de inkomsten van de vrouw uit de WW-uitkering dan wel
kinderopvang), althans een beslissing hierop te nemen als de rechtbank juist acht.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de man de aan de beschikking van
6 oktober 2023 gehechte vaststellingsovereenkomst/het ouderschapsplan van partijen
van 8 maart 2023 met daarin opgenomen de alimentatieregeling van pagina’s 5 en 6 en de bijzondere kostenregeling van pagina 8 buiten toepassing te verklaren, althans een
beslissing hierop te nemen als door de rechtbank juist acht.
Kosten rechtens.
5De reactie op het zelfstandig verzoek
De vrouw verzoekt de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen, dan wel deze aan hem te ontzeggen.
Kosten rechtens.
6De beoordeling
De kinderalimentatie
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 167,- per kind per
maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen vanaf 25 november 2024 en een bedrag van € 195,- per kind per maand vanaf 1 januari 2025. Daarnaast zal het zelfstandige verzoek van de man worden toegewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
De reden voor de wijziging
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.
1 Dat is hier het geval want met ingang van 25 november 2024 is de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vrouw bepaald en is de zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen gewijzigd. De gewijzigde omstandigheden is ook niet in geschil tussen partijen.
De ingangsdatum
Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden.
2
De vrouw is primair van mening dat de kinderalimentatie moet ingaan op 1 januari 2024 en stelt zich op het standpunt dat met ingang van die datum sprake is van de situatie dat de kinderen slechts gemiddeld twee dagen per week bij hun vader verbleven en dat de vrouw vanaf die datum alle kosten voor de kinderen heeft voldaan, hetgeen door de man gemotiveerd is weersproken. De man voert verweer tegen het opleggen van een bijdrage met terugwerkende kracht en is van mening dat een eventueel op te leggen bijdrage niet eerder dient in te gaan dan op de datum van de beschikking dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, temeer nu de vrouw zelf met haar inkomensgegevens niet eerder dan in deze procedure over de brug kwam, hetgeen in strijd is met haar procespositie als aanvrager van de kinderalimentatie.
De rechtbank overweegt het volgende. De vrouw verzoekt wijziging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht. Volgens vaste rechtspraak heeft de rechter in zaken als de onderhavige een grote mate van vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum, met dien verstande dat de rechter behoedzaam dient om te gaan met een wijziging met terugwerkende kracht met het oog op de eventuele ingrijpende gevolgen daarvan. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Er is minder aanleiding voor terugwerkende kracht wanneer het niet tijdig indienen van het wijzigingsverzoek te wijten is aan of in de risicosfeer ligt van degene die wijziging verzoekt. Het voert te ver om in deze procedure te achterhalen wie welke kosten precies heeft voldaan in de periode vanaf 1 januari 2024. Het lag op de weg van de vrouw en dus in haar risicosfeer om eerder een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie in te dienen, op het moment dat volgens haar sprake was van gewijzigde omstandigheden. Nu de vrouw dit heeft nagelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding om de nieuwe kinderalimentatie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 vast te stellen.
Dit is naar het oordeel van de rechtbank anders voor de periode vanaf 25 november 2024. De man heeft de gewijzigde omstandigheden met ingang van die datum erkend. Het is evident dat bij een wijziging van de hoofdverblijfplaats van een kind van de ene naar de andere ouder dit financiële gevolgen heeft voor de onderhoudsverplichting van beide ouders. Dit ligt in de risicosfeer van beide ouders. De man had er dus rekening mee kunnen en moeten houden dat, nu beide kinderen met ingang van 25 november 2024 hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben, dit gevolgen heeft, of kon hebben, voor de te betalen onderhoudsbijdrage. Hiervoor had de man vanaf die datum gelden kunnen reserveren. Dat de vrouw volgens de man zelf pas in 2025 met haar inkomensgegevens over de brug kwam, hetgeen door de vrouw uitdrukkelijk wordt betwist, doet hieraan niet af. Partijen hebben in het ouderschapsplan onder het kopje
‘5. Alimentatie en financiële afspraken’ op pagina 6 de volgende bepaling opgenomen: ‘Op het moment waarop een gedwongen adresoverschrijving plaatsvindt, kan de andere ouder herziening van zijn/haar alimentatieverplichting vragen.’ Partijen hebben hier dus over nagedacht en in die zin is dit voor de man niet nieuw. De man heeft in zijn verweerschrift gesteld en onderbouwd dat de vrouw op 14 januari 2025 een mail heeft gestuurd naar de man voor het wijzigen van de kinderalimentatie. Dit acht de rechtbank niet onnodig laat na de beschikking van 25 november 2024, zodat dit geen reden is om de ingangsdatum later vast te stellen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling geen redengevend argument gegeven waarom hij vanaf 25 november 2024 geen hogere bijdrage voor de kosten in de verzorging en opvoeding van de kinderen is gaan betalen, terwijl beide kinderen vanaf dat moment formeel bij de moeder woonden. Alles overwegende zal de rechtbank de ingangsdatum van de te wijzigen kinderalimentatie bepalen op 25 november 2024 en daarom rekenen met de belastingtarieven van 2024-2.
De behoefte van [kind 1] en [kind 2]
Tussen de man en de vrouw is niet in geschil dat de gezamenlijke behoefte van [kind 1] en [kind 2] vanaf 1 januari 2024 € 1.202,- per maand bedraagt en vanaf 1 januari 2025, na indexering, € 1.280,- per maand, zodat de rechtbank hiervan uit gaat.
De draagkracht van beide ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
Omdat de draagkracht toekomstgericht is, zal de rechtbank, tenzij hierna anders vermeld, zoveel mogelijk aansluiten bij meest actuele inkomensgegevens van partijen.
De draagkracht van de man
Voor het bepalen van de draagkracht van de man kijkt de rechtbank eerst naar zijn inkomen. De vrouw heeft het belastbaar loon ad € 34.323,- per jaar, dat door de man in zijn draagkrachtberekening is opgenomen, niet betwist. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de man per 1 juli 2025 in arbeidsuren is teruggegaan van 32 uur naar 28 uur per week. De man heeft toegelicht dat dit komt omdat hij last heeft van krachtverlies in zijn handen, waardoor hij zijn werkzaamheden heeft moeten aanpassen. Of de man met eventueel verder aangepaste werkzaamheden in staat is om 32 uur per week te kunnen blijven werken, kan de man niet zeggen. De man is nog, via de huisarts, aan het onderzoeken wat hij precies heeft en kan daarom niet inschatten of het een tijdelijke of structurele teruggang is in het aantal arbeidsuren. De rechtbank gaat voor de draagkracht van de man uit van zijn inkomen op basis van een 32-urige werkweek, omdat de man (gelet op de betwisting van de vrouw) onvoldoende heeft onderbouwd dat hij genoodzaakt is om structureel minder te werken. De rechtbank gaat daarom uit van een belastbaar loon van € 34.323,- per jaar, hetgeen neerkomt op netto besteedbaar inkomen van € 2.480,- per maand.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [kind 1] en [kind 2] .
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 2.480 =) € 744,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.270,- per maand.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (2.480 -/- 744 -/- 1.270 =) € 466,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus afgerond € 326,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. Tussen partijen is in geschil van welk inkomen voor de vrouw moet worden uitgegaan.
De vrouw is van mening dat van haar huidige inkomsten moet worden uitgegaan. Dat is tot 1 oktober 2025 het gemiddelde van haar WW-uitkering en vanaf 1 oktober 2025 een winst uit onderneming in verband met haar inkomsten uit kinderopvang, waarmee ze als zelfstandige is gestart.
De man is van mening dat voor de vrouw met een verdiencapaciteit moet worden gerekend zoals ze deze in 2022 ook had, derhalve een bruto inkomen van € 38.913,- op jaarbasis. Deze inkomsten zijn volgens de man zeker haalbaar als de vrouw een volwaardige baan in het onderwijs zou hebben. Dat de vrouw desondanks een eigen onderneming als gastouder wenst te starten kan – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid – niet voor rekening van de man worden gebracht. De vrouw is volgens de man in staat om veel meer te verdienen in het onderwijs dan wel via andere banen die zij gedurende het huwelijk of tijdens de scheiding heeft gehad. De vrouw heeft dit standpunt van de man weersproken.
De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank is enerzijds van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat ze er alles aan heeft gedaan om aan haar inspanningsverplichting ten aanzien van haar verdiencapaciteit te voldoen. De vrouw heeft slechts drie reacties op sollicitaties overgelegd over een tijdsbestek van twee maanden, waaruit volgt dat ze bij één school is uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek en voor twee andere functies is afgewezen. Hieruit kan de rechtbank niet afleiden dat de vrouw al het nodige heeft verricht om, tijdens de periode van haar WW-uitkering, terug te keren in het onderwijs dan wel een soortgelijke functie daarbuiten. Van de vrouw mag redelijkerwijs worden verwacht dat ze met haar opleiding en werkervaring tenminste een inkomen kan verwerven op het niveau van haar WW-uitkering. Dit geldt temeer nu ook voor het onderwijs geldt dat sprake is van een personeelstekort. De vrouw heeft ter zitting toegelicht waarom ze vanuit haar hart heeft gekozen om als zelfstandige te gaan werken als gastouder. Deze onderneming zit nog in de startfase en de vrouw stelt in haar schrijven van 20 november 2025 dat ze bezig is om haar onderneming verder uit te breiden. Ook om die reden acht de rechtbank het redelijk om van een (fictieve) verdiencapaciteit uit te gaan ter hoogte van het niveau van haar WW-uitkering en niet van haar huidige, werkelijke inkomsten die aanzienlijk lager zijn. De rechtbank rekent daarom met het gemiddelde van haar WW-uitkering over 2025 als (fictieve) verdiencapaciteit. De rechtbank acht het niet realistisch om uit te gaan van een verdiencapaciteit op basis van een inkomen zoals de vrouw in 2022 heeft genoten. Dit inkomen dateert uit de periode dat de kinderen nog veel meer bij de man verbleven en de vrouw nog avond- of nachtdiensten draaide, hetgeen geen realistisch beeld geeft.
Uitgaande van een (fictieve) verdiencapaciteit ter hoogte van de gemiddelde WW-uitkering van de vrouw over de eerste negen maanden van 2025, resulteert dit in een bedrag van € 25.584,- bruto per jaar, exclusief vakantietoeslag. Dit komt, inclusief het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop, neer op een netto besteedbaar inkomen van € 2.407,- per maand.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [kind 1] en [kind 2] .
Daarvoor maakt de rechtbank ook voor de vrouw gebruik van de hiervoor genoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 2.407 =) afgerond € 722,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.270,- per maand.
Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (2.407 -/- 722 -/- 1.270 =) € 415,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van afgerond € 291,- per maand.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
Zo’n vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 1] en [kind 2] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 617,- per maand, terwijl de kosten van [kind 1] en [kind 2] € 1.202,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 585,- per maand tekort.
Corrigeren van de draagkracht
De rechtbank heeft geconstateerd dat bij de toepassing van het woonlastenforfait de gezamenlijke draagkracht van partijen per maand lager is dan de behoefte van de kinderen. Nu vaststaat dat in dat geval partijen niet geheel in de behoefte van de kinderen kunnen voorzien, dient de rechtbank na te gaan of de woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan volgt uit de toepassing van dat forfait, en of de draagkracht van de man, berekend met inachtneming van die werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is dient de rechtbank ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom zij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet (HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR: 2021:586).
De rechtbank zal daarom nagaan of de woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan volgt uit de toepassing van het forfait en of bij toepassing van de werkelijke woonlasten van de man, de man een hogere bijdrage kan voldoen. De rechtbank berekent de werkelijke woonlasten van de man op € 684,- per maand. Dat is de uitkomst van het bedrag aan kale huur ad afgerond € 861,- per maand (per 1 juli 2025 blijkens productie 27 van de man) minus het bedrag aan huurtoeslag, welk bedrag door de man onweersproken is gesteld op € 177,- per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze lasten te verhogen met de door de man gestelde extra hoge energielasten van € 230,- per maand. Er is een component in de bijstandsnorm opgenomen voor gas, water en licht, waarmee aldus rekening is gehouden in de draagkrachtformule. De man heeft niet aangetoond dat hij te maken heeft met buitensporig hoge energielasten die niet uit bijstandsnorm kunnen worden voldaan. Het bedrag van € 230,- per maand betreft het maandelijkse termijnbedrag (voorschot) dat de man voldoet aan Eneco, waarvan hij in april 2025 nog een bedrag terug heeft ontvangen wegens teveel in rekening gebracht. Nu vaststaat dat bij toepassing van het woonlastenforfait niet geheel in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien, en vaststaat dat de werkelijke woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn (€ 684) dan volgt uit de toepassing van het forfait (€ 744) en de draagkracht van de man, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, leidt tot een hogere onderhoudsbijdrage, ziet de rechtbank aanleiding om met deze werkelijke woonlasten van de man rekening te houden.
De rechtbank zal de draagkracht van de man daarom corrigeren en berekent zijn draagkracht aan de hand van de formule 70% x [NBI – (684 + 1.270)] op € 368,- per maand.
Bij de vrouw is geen sprake van de situatie dat haar woonlasten duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, maar hoger. Uit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad volgt dat dan aan haar zijde rekening wordt gehouden met het woonbudget. Dit tenzij de vrouw heeft aangevoerd en onderbouwd dat die hogere woonlast niet te vermijden en niet te verwijten is en ook niet elders in het budget kan worden gecompenseerd. De vrouw heeft een beperkte vrije ruimte van € 125,- per maand (415 – 290). Hiermee kan ze het verschil tussen haar hogere woonlast en het woonbudget van € 354,- per maand niet opvangen (1.076 – 722). De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij destijds geen andere woonruimte kon vinden en de man het huurrecht van de woning toebedeeld wilde krijgen. Hiermee heeft de vrouw voldoende gesteld en onderbouwd dat haar hogere woonlast niet te vermijden en niet te verwijten is en ook niet elders in het budget kan worden gecompenseerd. De woonlast is er, kan niet op korte termijn worden verminderd en drukt daarom op het inkomen van de vrouw. De rechtbank houdt daarom ook aan de kant van de vrouw rekening met haar werkelijke woonlast.
De rechtbank zal de draagkracht van de vrouw daarom eveneens corrigeren en berekent haar draagkracht aan de hand van de formule 70% x [NBI – (1.076 + 1.270)] op
afgerond € 43,- per maand.
Zorgkorting
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
Partijen zijn het erover eens dat op basis van de huidige zorgregeling een zorgkortingspercentage geldt van 25% van de behoefte, oftewel afgerond € 300,- per maand.
Nu de (gecorrigeerde) draagkracht van partijen van in totaal € 411,- per maand onvoldoende is om volledig in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] van € 1.202,- per maand te voorzien, is er een tekort aan draagkracht van € 791,- per maand. Dit betekent dat de man de hiervoor berekende zorgkorting niet kan verzilveren, nu het tekort aan draagkracht meer dan twee keer zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft. Volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie dient de man tot het volledige bedrag in zijn draagkracht bij te dragen.
Dit betekent dat de man een bedrag van € 184,- kind per maand aan kinderalimentatie zou kunnen betalen met ingang van 25 november 2024 en met ingang van 1 januari 2025 (na indexering) een bedrag van € 196,- per kind per maand. Omdat de vrouw heeft verzocht om de kinderalimentatie tot 1 januari 2025 te bepalen op € 167,- per maand en vanaf 1 januari 2025 op € 195,- per maand, zal de rechtbank die bedragen toewijzen.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie voor de toekomst steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Het zelfstandig verzoek van de man
De man verzoekt de rechtbank om de financiële regeling (onder het kopje alimentatie en bijzondere kosten) zoals opgenomen in het ouderschapsplan op de pagina’s 5, 6 en 8
buiten toepassing te laten zijn, nu er een kinderalimentatieregeling aan de orde is en de man
niet daarnaast ook nog kan bijdragen aan een kinderrekening en aan de bijzondere kosten. Het kan volgens de man niet zo zijn dat hij zowel de helft van de kosten van hobby’s en sport betaalt als dat hij een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.
De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. Volgens de vrouw staat het op pagina 8 bepaalde (onder bijzondere kosten) los van de kinderrekening, immers deze betaling ziet op bijzondere kosten zoals medische kosten, kosten (school)kamp, kosten rondom hobby of club, wanneer deze niet door derden worden vergoed, derhalve extra kosten, niet vallende onder de basisbehoefte van de kinderen, welke bij helfte zullen worden verdeeld. De draagkracht van de ouders speelt daarbij geen, althans een secundaire rol. Het op pagina 8 (onder bijzondere kosten) in het ouderschapsplan bepaalde dient dan ook in stand te blijven. Het onder 5 in het ouderschapsplan bepaalde op pagina 5 en 6 eerste alinea kan komen te vervallen, echter het in de tweede en derde alinea niet. Tijdens de mondelinge behandeling is namens de vrouw toegelicht dat de bijzondere kosten volgens haar zien op bijvoorbeeld niet vergoede ziektekosten, zoals orthodontie. De vrouw verwacht niet dat de man naast de kinderalimentatie nog een bedrag voldoet voor bijvoorbeeld sport.
De rechtbank merkt op dat het wettelijke systeem van de kinderalimentatie zo werkt dat alle verblijfsoverstijgende kosten voor rekening van de onderhoudsgerechtigde komen. Hieruit volgt dat het zelfstandig verzoek van de man dient te worden toegewezen. Hiermee kunnen verdere discussies in de toekomst worden voorkomen over het al dan niet bijdragen door de man aan incidentele uitgaven voor [kind 1] en [kind 2] . Als bepaalde behoefte overstijgende kosten volgens de vrouw niet uit haar budget kunnen worden betaald, kan zij in overleg met de man treden of hij vrijwillig mee wil betalen.
De rechtbank begrijpt het zelfstandig verzoek van de man aldus, dat als het verzoek om kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt toegewezen, de terugwerkende kracht ook moet gelden voor het buiten toepassing verklaren van de alimentatieregeling uit het ouderschapsplan. Omdat de kinderalimentatie met ingang van 25 november 2024, dus met terugwerkende kracht, wordt vastgesteld, zal daarom ook het zelfstandig verzoek van de man met ingang van die datum worden toegewezen. Dit om te voorkomen dat er een bepaalde periode sprake is van kinderalimentatie én de eerder door partijen gemaakte afspraken uit het ouderschapsplan nog doorlopen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De proceskosten
De rechtbank zal beslissen dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
7De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 6 oktober 2023 en het daarvan
onderdeel uitmakende ouderschapsplan/de vaststellingsovereenkomst van 8 maart
2023 en bepaalt dat de man met ingang van 25 november 2024 aan de vrouw een
bijdrage dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en
[kind 2] van € 167,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2025 een bijdrage van
€ 195,- per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling voor de
eerste van de maand aan de vrouw te voldoen;
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 6 oktober 2023 en het daarvan
onderdeel uitmakende ouderschapsplan/de vaststellingsovereenkomst van 8 maart 2023
en bepaalt dat de daarin opgenomen alimentatieregeling van pagina’s 5 en 6 en de bijzondere kostenregeling van pagina 8 met ingang van 25 november 2024 buiten toepassing worden verklaard;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
|
Dit is de beslissing van (kinder)rechter mr. A.B. de Wit, in tegenwoordigheid van G.H. Mensink-Heuver, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025. |
||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
-
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
