Rechtbank Rotterdam 25-11-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14331

Essentie (gemaakt door AI)

RvdK verzoekt GBM van beide ouders. Rb: GBM moeder niet noodzakelijk en disproportioneel gelet op acceptatie van plaatsing en medewerking. Kinderrechter refereert aan voorgestelde regeling rond perspectiefbesluit in concept-wetsvoorstel verbetering rechtsbescherming in de jeugdbescherming (duurzame uhp): GBM is ultimum remedium als nu of in de toekomst alternatief beschikbaar is, gaat dat voor. Verzoek m.b.t. haar wordt afgewezen.Ten aanzien van vader is aan gronden voor GBM voldaan; gezag over kind 2 wordt beëindigd.

Datum publicatie29-12-2025
ZaaknummerC/10/698502 / FA RK 25-3235
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Gezagsbeëindigende maatregel 1:266 BW/schorsing gezag
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek gezagsbeëindiging vader toegewezen. Verzoek ten aanzien van de moeder afgewezen. Deze maatregel is niet noodzakelijk om de vereiste rust en duidelijkheid over het toekomstperspectief van de kinderen te bewerkstelligen. De rechtbank weegt de inhoud van de nieuwe bepaling artikel 1:265ca BW van het concept-wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming mee. Een gezagsbeëindiging is een uiterst middel; indien nu of in de nabije toekomst een minder ingrijpend alternatief beschikbaar is, dient dat voor te gaan.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/698502 / FA RK 25-3235

Datum uitspraak: 25 november 2025

Beschikking van de rechtbank over een verzoek tot gezagsbeëindiging

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd in Rotterdam,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen [minderjarige 2].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende in Rotterdam,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats],

advocaat mr. W. Vahl, kantoorhoudende in Barneveld,

[pleegvader] en [pleegmoeder],

hierna te noemen: de pleegouders. wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd in Amsterdam.

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 18 juni 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • het aanvullende rapport van de Raad van 26 augustus 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 28 augustus 2025;

  • het gewijzigde verzoek met bijlagen van de Raad van 2 september 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 3 september 2025.

1.2.

Op 28 oktober 2025 heeft de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;

  • de vader met zijn advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 1];

  • twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 2] en [naam 3];

- de pleegouders.

1.3.

Er is bijzondere toegang verleend aan een medewerker van Enver, te weten [naam 4].

2De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2].

2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de pleegouders.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 12 mei 2026 en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd tot 9 mei 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging verlengd om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot 12 mei 2026 en de machtiging verlengd om [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot 9 mei 2026.

2.5.

De GI heeft zich bij brief van 31 oktober 2024 bereid verklaard om de voogdij over de kinderen te aanvaarden.

3Het (gewijzigde) verzoek

3.1.

Op 23 april 2025 heeft de Raad verzocht het gezag van de vader en de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen, de GI tot voogd over de kinderen te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Op 2 september 2025 heeft de Raad het verzoek ten aanzien van het gezag van de vader over [minderjarige 1] ingetrokken. De Raad handhaaft het resterende deel van het verzoek.

3.3.

Ter zitting heeft de Raad het gewijzigde verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog erg jong en hebben bijna hun hele leven in het pleeggezin verbleven. Ondanks dat de moeder accepteert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien bij het pleeggezin, is de houding van de moeder te risicovol. De moeder is ambivalent in het accepteren van de hulpverlening en de vraag waar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ligt. De situatie is de afgelopen jaren onvoldoende verbeterd en daarom is het belangrijk dat er duidelijkheid komt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Mocht er geen gezagsbeëindiging worden uitgesproken, dan is een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk. Zonder een kinderbeschermingsmaatregel zal het moeilijk zijn voor de moeder om weerstand te bieden tegen de vader. Hier is een jeugdbeschermer bij nodig.

4De standpunten

4.1.

De GI heeft ter zitting het gewijzigde verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn twee jonge kinderen en zij zijn uit huis geplaatst. Na de uithuisplaatsing is het de ouders niet gelukt om de opvoedsituatie te verbeteren. Zo kampen beide ouders met persoonlijke problematiek en zijn er zorgen over de relatie van de ouders. De relatie tussen de ouders is in december 2024 verbroken. De vader heeft veel boosheid in zich richting de moeder en dit zorgt voor onveiligheid. De afgelopen periode hebben de ouders apart van elkaar eens in de twee weken een bezoekmoment met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De samenwerking tussen de pleegouders en de ouders verloopt positief. De pleegouders houden de ouders op de hoogte door middel van het sturen van foto’s en video’s. De samenwerking tussen de ouders en de GI verloopt echter moeizaam. Zo is de moeder wisselend geweest over het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar zij geeft wel altijd toestemming voor gezagskwesties. De vader heeft veel weerstand en doet belastende uitspraken naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na de bezoekmomenten zorgelijk gedrag laten zien. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid krijgen over hun perspectief en over het feit dat een derde belangrijke beslissingen over hen kan nemen. Verder is het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onbelast kunnen opgroeien. Als het gezag wordt beëindigd, is het van belang dat de bezoekmomenten doorlopen en indien mogelijk verder worden uitgebreid. Een overdracht naar het vrijwillig kader is niet haalbaar, omdat de ouders niet stabiel genoeg zijn en er diverse schriftelijke aanwijzingen zijn gegeven.

4.2.

Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder verzoekt het verzoek van de Raad ten aanzien van haar af te wijzen. Hoewel er waarschijnlijk aan de vereisten van een gezagsbeëindiging wordt voldaan, is het beëindigen van het gezag in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna EVRM) . In andere soortgelijke gevallen is het gezag van de moeder niet beëindigd. De Raad geeft aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gebaat zijn bij duidelijkheid, maar gezien hun jonge leeftijd weten zij niet wat ‘gezag’ betekent. De moeder zou ambivalent zijn, maar het is onduidelijk waarin zij ambivalent is. De moeder heeft juist de hulpverlening ingeschakeld toen zij tot de conclusie kwam dat zij niet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kon zorgen. De moeder heeft altijd meegewerkt aan de hulpverlening en werkt hier nog steeds aan mee. Zij werkt nog steeds aan zichzelf en wil werken aan haar toekomst door een opleiding te gaan volgen of te werken. De moeder vindt dat de begeleiding van het gezin kan worden overgedragen naar het vrijwillig kader waarbij de moeder met het gezag belast blijft, omdat zij zich nooit heeft verzet tegen de (verlengings)maatregelen en de gezagsbeslissingen. Als er wordt overgedragen naar het vrijwillig kader, dan zal de moeder op voorhand toestemming geven voor de gezagsbeslissingen. Een overdracht naar het vrijwillig kader is mogelijk, omdat de moeder goed contact met de pleegouders heeft en zij goede afspraken hebben gemaakt over de bezoekmomenten. Daarnaast is de relatie tussen de vader en de moeder al bijna een jaar beëindigd. De moeder vindt het oneerlijk dat er onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen haar en de vader. De moeder voelt zich hierin gestraft en zich ongelijk behandeld.

4.3.

Door en namens de vader is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Toen de moeder had aangegeven niet meer in staat te zijn om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen zorgen, heeft de vader aangeboden om samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een vader-kindhuis te verblijven. Het was voor de vader ingrijpend om na de vorige zitting in juni te vernemen dat zijn erkenning van [minderjarige 1] door de rechtbank is vernietigd. De vader heeft een moeilijke jeugd gehad. Door deze moeilijke jeugd vindt de vader het lastig om te communiceren, waardoor hij soms op een verkeerde manier overkomt op een ander. De vader wil graag zijn vaderrol vervullen en uiteindelijk de zorg voor de kinderen dragen. Verder wil de vader meer contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De vader is met zichzelf aan de slag gegaan. Zo volgt de vader traumatherapie en een hersteltraject bij de Waag. De Waag gaat hem verder helpen bij het ondersteunen hoe om te gaan met bepaalde situaties.

4.4.

De pleegouders hebben ter zitting het volgende naar voren gebracht. De pleegouders vinden het prima zoals de situatie nu is en vinden het fijn als een jeugdbeschermer betrokken blijft. Als de moeder het gezag blijft behouden, dan is het fijn als zij op voorhand toestemming geeft over gezagsbeslissingen. De pleegouders hebben echter hun twijfels of de moeder toestemming zal blijven geven in de toekomst. De pleegouders maken zich ook zorgen over de samenwerking met de ouders als er geen jeugdbeschermer meer betrokken is. Het belang van de kinderen staat voorop. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben het naar hun zin bij de pleegouders en zij zijn goed gehecht aan de pleegouders. De pleegouders hebben goed contact met de ouders en zij hebben omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Er wordt geen gedragsverandering gezien bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na het bezoekmoment met de moeder, maar wel na het bezoekmoment met de vader.

5De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1. Op grond van artikel 1:266, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, lid 2, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2.

Op grond van artikel 1:247 BW omvat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt mede verstaan het dragen van de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind en ook het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.

5.3.

Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als de minderjarige over wie het gezag wordt uitgeoefend. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat artikel 8 EVRM vereist dat de belangen van een kind en die van de ouders tegen elkaar worden afgewogen en dat de belangen van een kind om – na het verstrijken van een aanzienlijke periode – zijn feitelijke gezinssituatie bij de pleegouders te kunnen voortzetten, voor kunnen gaan op de belangen van de ouders bij gezinshereniging. De rechtbank dient na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel). Uit artikel 8 EVRM vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn.
Algemeen

5.4.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn respectievelijk bijna drie jaar en bijna twee jaar oud. Zij wonen vrijwel hun hele leven bij de pleegouders: [minderjarige 1] sinds hij twee maanden oud was en [minderjarige 2] sinds zij een maand oud was. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de kinderen, aangezien de ouders de afgelopen jaren onvoldoende in staat zijn gebleken om hun een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. De kinderen hebben na zo’n lang verblijf bij de pleegouders belang bij duidelijkheid, continuïteit en een verder ongestoord hechtingsproces bij de pleegouders. Op grond van de stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, staat vast staat dat hun toekomstperspectief bij de pleegouders ligt. Hierna wordt dit nader toegelicht.
De moeder

5.5.

Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de moeder niet aan de criteria van artikel 1:266, lid 1, onder a, BW en artikel 8 EVRM is voldaan. De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom af.

5.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is gezagsbeëindiging van de moeder niet noodzakelijk om de vereiste rust en duidelijkheid over het toekomstperspectief van de twee kinderen te bewerkstelligen. De Raad, de GI, de moeder en de pleegouders zijn het met elkaar eens dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op hun plaats zitten bij de pleegouders. De moeder heeft ter zitting volmondig aangegeven dat zij dat accepteert. Zij heeft aangeboden op voorhand toestemming te geven voor bepaalde – bijvoorbeeld medische – gezagsbeslissingen, indien de situatie daarom vraagt. Tijdens het onderzoek van de Raad heeft de moeder aangegeven dat het niet goed zou zijn om [minderjarige 1] bij de pleegouders weg te halen, omdat hij daar tot nu toe is opgegroeid. De moeder heeft ook aangegeven dat zij zich realiseert dat ook [minderjarige 2] steeds meer gehecht raakt aan de pleegouders. De moeder ziet dat de kinderen gewend zijn aan de pleegouders en dat er goed voor hen wordt gezorgd. [minderjarige 1] noemt de pleegmoeder zelfs 'mama' en de moeder heeft tegen de Raad gezegd dat zij daar begrip voor heeft.

5.7.

De omgang tussen de moeder en de kinderen verloopt (op dit moment) goed en na een omgangsmoment zien de pleegouders geen gedragsverandering bij de kinderen. Dit duidt erop dat de moeder de plaatsing bij de pleegouders daadwerkelijk in woord en gedrag accepteert en niet aan de kinderen trekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de moeder haar verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de toekomst niet op eenzelfde wijze – te weten: op afstand – zou kunnen blijven uitoefenen. Er zijn geen dan wel onvoldoende aanwijzingen dat beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk is in het belang van de gezondheid en ontwikkeling van de kinderen.

5.8.

De rechtbank weegt mee dat in het concept-wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming de nieuwe bepaling artikel 1:265ca BW is opgenomen. De leden 2 en 3 van deze bepaling houden – kort gezegd – in dat de inspanning van de GI bij de uitvoering van de uithuisplaatsing niet meer gericht zou hoeven zijn op thuisplaatsing van de minderjarige ten gevolge waarvan de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing voor onbepaalde tijd kunnen gelden. Indien de begeleiding van de kinderen, de pleegouders en de moeder te zijner tijd niet overgedragen zou kunnen worden aan het vrijwillig kader, levert mogelijk deze nieuwe bepaling in de toekomst een voor de kinderen passende situatie. Een gezagsbeëindiging is een uiterst middel; indien nu of in de nabije toekomst een minder ingrijpend alternatief beschikbaar is, dient dat voor te gaan.


De vader

5.9.

Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de vader aan de criteria van artikel 1:266, lid 1, onder a, BW en artikel 8 EVRM is voldaan. De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 2] daarom toe.

5.10.

De vader is op dit moment gedetineerd. Tot aan zijn detentie verbleef hij in een beschermde en begeleide woonvoorziening waar hij bijna dagelijks ambulante begeleiding kreeg. De vader erkent dat hij – als gevolg van wat hij in het verleden heeft meegemaakt – soms lastig communiceert en daardoor verkeerd kan overkomen. Hij heeft een moeizame relatie met de GI. Wel is de vader met zichzelf aan de slag gegaan en hij volgt traumatherapie en een hersteltraject bij de Waag. Uit de stukken volgt dat dit onder meer agressieregulatie betreft. Ter zitting heeft de vader (opnieuw) aangegeven dat hij uiteindelijk voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wil zorgen. Uit de stukken volgt enerzijds dat de vader veel liefde voor zijn kinderen heeft en de bezoekmomenten erg belangrijk voor hem zijn, maar anderzijds dat hij tijdens de bezoeken onderwerpen bespreekt die niet passend zijn bij de situatie van de kinderen. Ook ziet de vader het verblijf van de kinderen bij het pleeggezin als tijdelijk. De rechtbank is van oordeel dat uit dit alles volgt dat beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 2] noodzakelijk en proportioneel is, om [minderjarige 2] de duidelijkheid te geven dat zij samen met haar broer bij de pleegouders zal opgroeien.

5.11.

De rechtbank benadrukt dat het beëindigen van het gezag van de vader over [minderjarige 2] niets af doet aan het feit dat hij altijd de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijft. Het is van groot belang dat de band tussen de vader en de kinderen blijft bestaan. De vader houdt veel van de kinderen en de kinderen beleven plezier aan de contacten met de vader. Alle betrokkenen moeten zich blijven inzetten voor een regelmatig en onbelast contact tussen de vader en de kinderen. De vader dient met zijn begeleiding te bespreken op welke wijze hij zelf kan bijdragen aan dat onbelaste contact. Daarnaast dient de GI erop toe te zien dat de vader regelmatig informatie krijgt over het wel en wee van de kinderen.
Afsluitend

5.12.

De rechtbank heeft bij deze beslissing ook rekening gehouden met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin is bepaald - samengevat - dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

5.13.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6De beslissing

De rechtbank:

6.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam vader], geboren op [geboortedatum 3] 1996 in [geboorteplaats 3], over [minderjarige 2];

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733